Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Landbouw ° Harmonisatie van wetgevingen ° Verbod op gebruik van bepaalde stoffen met hormonale en thyreostatische werking ° Richtlijnen 81/602, 86/469 en 88/146 ° Nationale wettelijke regeling met aanvullende maatregelen ° Toelaatbaarheid ° Grenzen
(Richtlijnen 81/602, 86/469 en 88/146 van de Raad)
Samenvatting
Richtlijn 81/602 betreffende het verbod van bepaalde stoffen met hormonale werking en van stoffen met thyreostatische werking, richtlijn 88/146 tot instelling van een verbod op het gebruik van bepaalde stoffen met hormonale werking in de veehouderij, en richtlijn 86/469 inzake het onderzoek van dieren en vers vlees op de aanwezigheid van residuen, krachtens welke het verboden is stoffen met hormonale en thyreostatische werking toe te dienen, dieren waaraan dergelijke stoffen zijn toegediend, te slachten en in de handel te brengen, of van deze dieren afkomstig vlees voor consumptie door mens of dier op de markt te brengen, moeten aldus worden uitgelegd, dat zij er zich niet tegen verzetten, dat een Lid-Staat daarnaast ter vergroting van de doeltreffendheid van deze verbodsbepalingen aanvullende maatregelen treft en het voorhanden of in voorraad hebben van dieren waaraan enige van de bedoelde stoffen is toegediend, verbiedt, mits een dergelijk verbod niet in de weg staat aan de toepassing van de in die richtlijnen voorziene afwijkingen met betrekking tot het voorhanden hebben van dieren voor therapeutische behandeling.
Partijen
In zaak C-143/91,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Arrondissementsrechtbank te Breda (Nederland), in de aldaar dienende strafzaak tegen
L. van der Tas,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van richtlijn 81/602/EEG van de Raad van 31 juli 1981 betreffende het verbod van bepaalde stoffen met hormonale werking en van stoffen met thyreostatische werking (PB 1981, L 222, blz. 32), richtlijn 88/146/EEG van de Raad van 7 maart 1988 tot instelling van een verbod op het gebruik van bepaalde stoffen met hormonale werking in de veehouderij (PB 1988, L 70, blz. 16), en richtlijn 86/469/EEG van de Raad van 16 september 1986 inzake het onderzoek van dieren en vers vlees op de aanwezigheid van residuen (PB 1986, L 275, blz. 36),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: J. L. Murray, kamerpresident, G. F. Mancini en F. A. Schockweiler, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° L. van der Tas, vertegenwoordigd door L. J. L. Heukels, advocaat te Haarlem,
° de regering van het Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door A. J. Navarro González, directeur-generaal Cooerdinatie juridische en institutionele aangelegenheden van de Gemeenschappen, en A. Hierro Hernandéz-Mora, abogado del Estado, als gemachtigden,
° de regering van de Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door L. Ferrari Bravo, hoofd van de dienst Diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door F. Guicciardi, avvocato dello Stato,
° de regering van het Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door B. R. Bot, secretaris-generaal van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door Th. van Rijn, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van L. van der Tas, de regering van het Koninkrijk Spanje, de regering van het Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door J. W. de Zwaan, en de Commissie ter terechtzitting van 7 mei 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 juni 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 25 april 1991, ingekomen bij het Hof op 28 mei daaraanvolgend, heeft de Arrondissementsrechtbank te Breda krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van richtlijn 81/602/EEG van de Raad van 31 juli 1981 betreffende het verbod van bepaalde stoffen met hormonale werking en van stoffen met thyreostatische werking (PB 1981, L 222, blz. 32), richtlijn 88/146/EEG van de Raad van 7 maart 1988 tot instelling van een verbod op het gebruik van bepaalde stoffen met hormonale werking in de veehouderij (PB 1988, L 70, blz. 16), en richtlijn 86/469/EEG van de Raad van 16 september 1986 inzake het onderzoek van dieren en vers vlees op de aanwezigheid van residuen (PB 1986, L 275, blz. 36).
2 Deze vraag is gerezen in het kader van een strafzaak tegen Van der Tas, die terechtstaat ter zake van overtreding van artikel 3, lid 1, van de Verordening stoffen met hormonale werking (PVV) 1987 van het Produktschap voor Vee en Vlees van 9 december 1987 (PBO 1988, blz. 12; hierna: "de nationale verordening").
3 Blijkens de eerste overweging van richtlijn 81/602 kunnen bepaalde stoffen met thyreostatische, oestrogene, androgene of gestagene werking, gezien de in het vlees achterblijvende residuen, schadelijk zijn voor de consument en de kwaliteit van het vlees aantasten. Volgens de tweede overweging moeten, in het belang van de consument, de toediening aan dieren en het in de handel brengen daartoe van stilbenen en stoffen met thyreostatische werking verboden worden en moet het gebruik van de andere stoffen worden geregeld.
4 Ingevolge artikel 2 van richtlijn 81/602 is het daarom verboden, een landbouwdier stoffen met thyreostatische werking en stoffen met oestrogene, androgene of gestagene werking toe te dienen, landbouwdieren waaraan deze stoffen zijn toegediend, in de handel te brengen of te slachten, vlees van deze landbouwdieren in de handel te brengen, dit vlees te be- of verwerken en vleesprodukten die van of met dergelijk vlees zijn vervaardigd, in de handel te brengen. Ingevolge artikel 3 van de richtlijn is het verboden bepaalde stoffen met hormonale werking en stoffen met thyreostatische werking in de handel te brengen. Luidens artikel 4 mogen de Lid-Staten afwijkingen van het bepaalde in artikel 2 toestaan voor onder meer therapeutische behandeling met bepaalde stoffen met hormonale werking.
5 Richtlijn 81/602 is aangevuld door richtlijn 88/146, waarvan artikel 2 ieder gebruik van stoffen met hormonale werking verbiedt, met dien verstande dat de toediening van bepaalde stoffen voor therapeutische doeleinden kan worden toegestaan. Artikel 5 van de richtlijn bepaalt, dat de Lid-Staten erop toezien, dat dieren waaraan bepaalde stoffen met hormonale werking zijn toegediend, dan wel vlees dat afkomstig is van die dieren, niet vanaf hun grondgebied naar het grondgebied van een andere Lid-Staat worden verzonden.
6 Richtlijn 86/469 vult deze richtlijnen aan met een harmonisatie van de bepalingen betreffende de controle in de Lid-Staten van dieren en vers vlees op residuen, teneinde handelsbelemmeringen en vervalsing van de concurrentievoorwaarden tussen produkten die onder een gemeenschappelijke marktordening vallen, uit de weg te ruimen. Daartoe wordt in artikel 9, lid 3, sub b, bepaald, dat indien uit een onderzoek de aanwezigheid van verboden stoffen blijkt, de dieren niet voor consumptie door mens of dier op de markt kunnen worden gebracht.
7 Op grond van artikel 3, lid 1, van de nationale verordening is het verboden, dieren waaraan enigerlei stof met oestrogene, androgene, gestagene of thyreostatische werking is toegediend, voorhanden of in voorraad te hebben, te kopen of te verkopen.
8 Van der Tas, veehandelaar, staat voor de economische politierechter van de Arrondissementsrechtbank te Breda terecht ter zake van overtreding van artikel 3, lid 1, van de nationale verordening, doordat hij op 23 juni 1989 drie, althans meerdere, runderen waaraan 17 -Ethenylestradiol, zijnde een stof met gestagene werking, was toegediend, voorhanden en/of in voorraad had.
9 Voor de verwijzende rechter stelde Van der Tas onder meer, dat de nationale verordening onverenigbaar was met de voorschriften van bovengenoemde richtlijnen, althans veel verder ging dan die voorschriften, en dus ook verder ging dan de bepalingen die in andere Lid-Staten golden.
10 Daarop heeft de verwijzende richter besloten, de behandeling van de zaak te schorsen totdat het Hof bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak zal hebben gedaan over de volgende vraag:
"Is de Verordening stoffen met hormonale werking van het Produktschap voor Vee en Vlees van 9 december 1987 in overeenstemming met de op het punt van hormonen in vee en vlees bestaande EEG-richtlijnen en dan met name de richtlijnen 81/602/EEG en 85/649/EEG met betrekking tot het gebruik van stoffen met hormonale werking in de veehouderij en richtlijn 86/469/EEG inzake het onderzoek van dieren op de aanwezigheid van residuen?"
11 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, de toepasselijke bepalingen, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen voor het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
12 Vooraf moet worden opgemerkt, dat het Hof zich in een krachtens artikel 177 EEG-Verdrag aanhangig gemaakte procedure niet kan uitspreken over de verenigbaarheid van een nationale wettelijke regeling met het gemeenschapsrecht. Het is echter wel bevoegd, de nationale rechter alle gegevens voor de uitlegging van het gemeenschapsrecht te verschaffen, die deze in staat kunnen stellen, die verenigbaarheid te beoordelen met het oog op het in de bij hem aanhangige zaak te wijzen vonnis (zie onder meer het arrest van 21 november 1990, zaak C-373/89, Integrity, Jurispr. 1990, blz. I-4243, r.o. 9).
13 De prejudiciële vraag moet derhalve aldus worden opgevat, dat de verwijzende rechter wenst te vernemen, of de richtlijnen 81/602, 88/146 en 86/469 aldus moeten worden uitgelegd, dat zij in de weg staan aan een in de wetgeving van een Lid-Staat opgenomen verbod om dieren waaraan enigerlei stof met oestrogene, androgene, gestagene of thyreostatische werking is toegediend, voorhanden of in voorraad te hebben.
14 Ter beantwoording van deze vraag zij in de eerste plaats opgemerkt dat, hoewel het krachtens de betrokken richtlijnen verboden is stoffen met hormonale werking toe te dienen, runderen waaraan dergelijke stoffen zijn toegediend, te slachten en in de handel te brengen, of van deze dieren afkomstig vlees voor consumptie door mens of dier op de markt te brengen, zij geen melding maken van een verbod op het voorhanden of in voorraad hebben van met stoffen met hormonale werking behandelde dieren.
15 In de tweede plaats zij eraan herinnerd, dat zodra de Gemeenschap voor een bepaalde sector een gemeenschappelijke marktordening tot stand heeft gebracht, de Lid-Staten zich van elke eenzijdige maatregel moeten onthouden, zelfs indien deze dient ter ondersteuning van het gemeenschappelijk beleid (zie het arrest van 2 februari 1989, zaak 274/87, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1989, blz. 229, r.o. 21).
16 Maatregelen die de Lid-Staten treffen om de volle werking van communautaire richtlijnen te verzekeren, zijn evenwel geen eenzijdige maatregelen wanneer zij in overeenstemming zijn met het doel van de richtlijn waaraan zij uitvoering geven. Ingevolge artikel 189, derde alinea, EEG-Verdrag is een richtlijn immers verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke Lid-Staat waarvoor zij bestemd is, doch wordt aan de nationale instanties de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen.
17 Dienaangaande moet erop worden gewezen, dat de richtlijnen 81/602, 88/146 en 86/469, in het belang van de consument en onder voorbehoud van bepaalde afwijkingen, de toediening aan landbouwdieren van stoffen met thyreostatische, oestrogene, androgene of gestagene werking beogen te verbieden. Het verbod op het voorhanden of in voorraad hebben van met dergelijke stoffen behandelde dieren vormt een doeltreffend middel ter bereiking van het aldus nagestreefde doel.
18 Voor zover met een verbod als in de hoofdzaak aan de orde is, de door die richtlijnen beoogde doeleinden worden nagestreefd, vormt dat verbod voorts niet slechts de uitdrukking van de keuze van vorm en middelen, die ingevolge artikel 189 EEG-Verdrag aan de nationale autoriteiten toekomt, maar strekt het er ook toe, uitvoering te geven aan de op de Lid-Staten rustende algemene verplichting om in het kader van hun respectieve rechtsorde alle maatregelen te treffen die nodig zijn om de volle werking van richtlijnen overeenkomstig de doelstellingen ervan te verzekeren (zie het arrest van 25 juli 1991, zaak C-208/90, Emmott, Jurispr. 1991, blz. I-4269, r.o. 18).
19 Bovendien gaat een dergelijk verbod niet in tegen een van de grondbeginselen van de Gemeenschap, in casu het vrije verkeer van goederen, aangezien elke transactie met betrekking tot runderen en vlees waaraan stoffen met hormonale werking zijn toegediend, uit hoofde van bovengenoemde richtlijnen verboden is.
20 Een dergelijk verbod mag evenwel niet verder gaan dan de bepalingen van de richtlijnen, met name die welke afwijkingen bevatten met betrekking tot het voorhanden hebben van dieren waaraan in strikte overeenstemming met de richtlijnen stoffen met hormonale werking zijn toegediend voor therapeutische behandeling.
21 Het antwoord op de door de Arrondissementsrechtbank te Breda gestelde vraag moet derhalve luiden, dat de richtlijnen 81/602/EEG van de Raad van 31 juli 1981, 88/146/EEG van de Raad van 7 maart 1988 en 86/469/EEG van de Raad van 16 september 1986 aldus moeten worden uitgelegd, dat zij zich niet verzetten tegen de wettelijke regeling van een Lid-Staat, die het voorhanden of in voorraad hebben van dieren waaraan enigerlei stof met oestrogene, androgene, gestagene of thyreostatische werking is toegediend, verbiedt, mits een dergelijk verbod niet in de weg staat aan de toepassing van de in die richtlijnen voorziene afwijkingen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
22 De kosten door de regering van het Koninkrijk Spanje, van de Italiaanse Republiek en van het Koninkrijk der Nederlanden alsmede door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door de Arrondissementsrechtbank te Breda bij beschikking van 25 april 1991 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Richtlijn 81/602/EEG van de Raad van 31 juli 1981 betreffende het verbod van bepaalde stoffen met hormonale werking en van stoffen met thyreostatische werking, richtlijn 88/146/EEG van de Raad van 7 maart 1988 tot instelling van een verbod op het gebruik van bepaalde stoffen met hormonale werking in de veehouderij, en richtlijn 86/469/EEG van de Raad van 16 september 1986 inzake het onderzoek van dieren en vers vlees op de aanwezigheid van residuen, moeten aldus worden uitgelegd, dat zij zich niet verzetten tegen de wettelijke regeling van een Lid-Staat, die het voorhanden of in voorraad hebben van dieren waaraan enigerlei stof met oestrogene, androgene, gestagene of thyreostatische werking is toegediend, verbiedt, mits een dergelijk verbod niet in de weg staat aan de toepassing van de in die richtlijnen voorziene afwijkingen.
Full & Egal Universal Law Academy