Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Lid-Staten ° Verplichtingen ° Uitvoering van richtlijnen ° Niet-nakoming ° Rechtvaardiging ° Bepaling in niet-omgezette richtlijn, die de Lid-Staten toestaat overgangsmaatregelen toe te passen ° Ontoelaatbaarheid
(EEG-Verdrag, art. 169 en 189, derde alinea)
Samenvatting
Een Lid-Staat kan zich ter rechtvaardiging van de niet-omzetting van een richtlijn binnen de gestelde termijn, niet beroepen op een bepaling van deze richtlijn die de Lid-Staten toestaat gedurende een bepaalde periode na de invoering van de richtlijn in het nationale recht overgangsmaatregelen te treffen. Aanvaarding van dit betoog zou neerkomen op een verlenging van de termijn voor omzetting van de richtlijn.
Partijen
In zaak C-157/91,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur A. Caeiro en B. M. P. Smulders, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende bij R. Hayder, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door J. W. de Zwaan en T. Heukels, beiden assistent juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Nederlandse ambassade, Rue C. M. Spoo 5,
verweerder,
strekkende tot vaststelling dat het Koninkrijk der Nederlanden de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen door niet binnen de voorgeschreven termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in te voeren die nodig zijn om te voldoen aan het bepaalde in de Achtste richtlijn van de Raad (84/253/EEG) van 10 april 1984 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g, van het Verdrag inzake de toelating van personen belast met de wettelijke controle van boekhoudbescheiden (PB 1984, L 126, blz. 20), en de Commissie daarvan onverwijld in kennis te stellen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: C. N. Kakouris, kamerpresident, waarnemend voor de president, M. Zuleeg en J. L. Murray, kamerpresidenten, G. F. Mancini, F. Schockweiler, J. C. Moitinho de Almeida, F. Grévisse, M. Diez de Velasco en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 juli 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 14 juni 1991, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat het Koninkrijk der Nederlanden de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen door niet binnen de voorgeschreven termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in te voeren die nodig zijn om te voldoen aan het bepaalde in de Achtste richtlijn van de Raad (84/253/EEG) van 10 april 1984 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g, van het Verdrag inzake de toelating van personen, belast met de wettelijke controle van boekhoudbescheiden (PB 1984, L 126, blz. 20; hierna: "de richtlijn"), en de Commissie daarvan onverwijld in kennis te stellen.
2 De richtlijn beoogt met name een harmonisatie tot stand te brengen met betrekking tot de vakbekwaamheid van personen die bevoegd zijn de wettelijke controle van de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen te verrichten, en hun onafhankelijkheid en betrouwbaarheid te waarborgen. Zij bevat daartoe bepalingen inzake de toelating (afdeling II), beroepsethiek en onafhankelijkheid (afdeling III), en de openbaarheid (afdeling IV).
3 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het geding, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
4 Het Koninkrijk der Nederlanden betoogt, dat de geldende Nederlandse regelgeving voldoet aan de vereisten van de richtlijn betreffende de beroepsethiek, de onafhankelijkheid en de openbaarheid, behoudens het bepaalde betreffende de praktijkopleiding, waarvan met name de artikelen 4 en 8 van de richtlijn zijn niet in Nederlands recht zouden zijn omgezet. Voor zover het beroep gegrond zou zijn, zou de vaststelling van een niet-nakoming dus enkel betrekking kunnen hebben op de artikelen 4 en 8.
5 Op het verzoek van het Hof de omvang van de niet-nakoming te preciseren, heeft de Commissie verklaard, dat zij het standpunt van de Nederlandse regering dat de niet-nakoming van beperkte aard is, verwerpt, op grond dat de artikelen 4 en 8 hun weerslag hebben op alle bepalingen van de richtlijn. Ter terechtzitting heeft zij echter verklaard, dat dit enkel het geval is voor de artikelen 28 en 30, lid 1, van de richtlijn.
De artikelen 4 en 8 van de richtlijn
6 De Nederlandse regering erkent weliswaar, dat de artikelen 4 en 8 van de richtlijn formeel niet zijn omgezet in Nederlands recht, doch beroept zich op artikel 18 van de richtlijn, volgens hetwelk de Lid-Staten tot zes jaar na de invoering van de richtlijn in het nationale recht overgangsmaatregelen mogen treffen teneinde de situatie te regelen van personen die nog een beroeps- of praktijkopleiding volgen.
7 De Nederlandse regering beklemtoont, dat het overgrote deel van de studenten voor registeraccountant daadwerkelijk een praktijkopleiding volgt, en dat vóór het einde van de in artikel 18 bedoelde overgangsperiode de opleiding van allen die thans afstuderen als registeraccountant, ook in overeenstemming met de richtlijn zal zijn.
8 Dit betoog kan niet worden aanvaard, daar dit zou neerkomen op een verlenging van de termijn voor omzetting van de richtlijn. Deze termijn is evenwel vastgelegd in artikel 30 van de richtlijn en de in artikel 18 bedoelde termijn voor overgangsmaatregelen houdt verband met een geheel ander probleem.
9 Anders dan artikel 30, beoogt artikel 18 immers de overgangsperiode te regelen tussen het oude opleidingsstelsel en het nieuwe, dat nu juist door middel van de omzettingsmaatregelen in de Lid-Staten wordt ingevoerd. De toepassing van overgangsmaatregelen gedurende een bij die omzetting bepaalde beperkte periode onderstelt derhalve dat de Lid-Staat de richtlijn eerst heeft omgezet.
Artikel 28 van de richtlijn
10 De Commissie heeft voorts gesteld, dat artikel 28 van de richtlijn niet in nationaal recht is omgezet. Dit artikel schrijft voor, dat de namen en adressen van de natuurlijke personen en controlerende vennootschappen die tot de uitoefening van de wettelijke controle van de in artikel 1, lid 1, bedoelde boekhoudbescheiden zijn toegelaten, ter inzage moeten liggen voor het publiek. Volgens de Commissie vloeit de niet-nakoming van deze bepaling hieruit voort, dat de Nederlandse wettelijke regeling voorziet in de invoering van een register waarin de namen kunnen worden ingeschreven van de accountants die voldoen aan bepaalde vereisten van eerlijkheid en betrouwbaarheid; er wordt echter niet in vermeld, of zij aan de in de richtlijn gestelde vereisten inzake de praktijkopleiding voldoen.
11 Tijdens de schriftelijke procedure heeft de Nederlandse regering gesteld, dat de Nederlandse wettelijke regeling reeds voldeed aan de vereisten van de richtlijn, onder meer met betrekking tot afdeling IV betreffende de openbaarheid, waartoe artikel 28 van de richtlijn behoort. Ter terechtzitting heeft zij gepreciseerd, dat het hier ging om artikel 55 en volgende van de Nederlandse wet op de registeraccountants.
12 Volgens vaste rechtspraak moet de Commissie in een procedure wegens niet-nakoming op grond van artikel 169 EEG-Verdrag het bestaan van de gestelde niet-nakoming aantonen en er het bewijs van leveren (zie het arrest van 25 april 1989, zaak 141/87, Commissie/Italië, Jurispr. 1989, blz. 943, r.o. 15 en 17). De Commissie stelt weliswaar dat de Nederlandse wettelijke regeling tekort schiet, maar zij preciseert haar grief tegen die wettelijke regeling niet en toont het bestaan van een niet-nakoming van artikel 28 van de richtlijn niet aan.
13 Deze grief moet derhalve worden afgewezen.
Artikel 30, lid 1, van de richtlijn
14 De Commissie wenst te zien vastgesteld, dat het Koninkrijk der Nederlanden ten aanzien van deze bepaling, die de Lid-Staten enerzijds verplicht de richtlijn binnen de gestelde termijn in nationaal recht om te zetten en anderzijds de Commissie van de daartoe genomen maatregelen onverwijld in kennis te stellen, in gebreke is gebleven.
15 Wat de omzettingsverplichting betreft, heeft de Commissie, zoals gezegd, het voorwerp van haar beroep beperkt tot de omzetting van de reeds besproken artikelen 4, 8 en 28 van de richtlijn.
16 Met betrekking tot de grief dat de Nederlandse regering de Commissie niet van de genomen maatregelen in kennis zou hebben gesteld, moet erop worden gewezen, dat deze grief, naar de Commissie ter terechtzitting heeft erkend, niet voorkomt in het tot de Nederlandse regering gerichte met redenen omkleed advies.
17 Volgens vaste rechtspraak evenwel kan het beroep niet op andere grieven worden gebaseerd dan die welke in het met redenen omkleed advies zijn genoemd. Mitsdien moet de grief van de Commissie betreffende artikel 30, lid 1, van de richtlijn worden afgewezen.
18 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld, dat het Koninkrijk der Nederlanden de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen door niet binnen de voorgeschreven termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in te voeren die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 4 en 8 van de Achtste richtlijn van de Raad (84/253/EEG) van 10 april 1984 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g, van het Verdrag inzake de toelating van personen, belast met de wettelijke controle van boekhoudbescheiden.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
19 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dat is gevorderd. Ingevolge lid 3, eerste alinea, van dat artikel evenwel kan het Hof de proceskosten over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld.
20 Aangezien zowel het Koninkrijk der Nederlanden als de Commissie gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij elk in de eigen kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de voorgeschreven termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in te voeren die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 4 en 8 van de Achtste richtlijn van de Raad (84/253/EEG) van 10 april 1984 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g, van het Verdrag inzake de toelating van personen, belast met de wettelijke controle van boekhoudbescheiden, is het Koninkrijk der Nederlanden de krachtens het Verdrag op hem rustende bepalingen niet nagekomen.
2) Het beroep wordt voor het overige verworpen.
3) Elk der partijen zal de eigen kosten dragen.
Full & Egal Universal Law Academy