Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Landbouw ° Gemeenschappelijk landbouwbeleid ° Structuurhervorming ° Verbetering van doeltreffendheid van structuur ° Verordening nr. 797/85 ° Ontzegging van hoedanigheid van bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw aan kapitaalvennootschappen wegens hun rechtsvorm ° Ontoelaatbaarheid
(Verordening nr. 797/85 van de Raad, art. 2, lid 5)
2. Landbouw ° Gemeenschappelijk landbouwbeleid ° Structuurhervorming ° Verbetering van doeltreffendheid van structuur ° Verordening nr. 797/85 ° Werkingssfeer ° Nationale steunmaatregel, bestaande in verlaging van registratierecht bij verwerving van landbouwgronden door bedrijfshoofden in landbouw ° Daarvan uitgesloten
(Verordening nr. 797/85 van de Raad, art. 4, lid 1, en 8, lid 5)
Samenvatting
1. Artikel 2, lid 5, van verordening nr. 797/85 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur, dat de Lid-Staten opdraagt het begrip bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw te definiëren, staat hun niet toe, kapitaalvennootschappen enkel op grond van hun rechtsvorm van dat begrip uit te sluiten.
2. Uit de artikelen 4, lid 1, en 8, lid 5, van verordening nr. 797/85 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur, volgt dat een nationale steunmaatregel voor de aankoop van grond, bestaande in een verlaging van het registratierecht bij de verwerving van landbouwgronden door bedrijfshoofden in de landbouw, niet onder de werkingssfeer van die verordening valt en derhalve beheerst wordt door het nationale recht, behoudens eerbiediging van de artikelen 92-94 EEG-Verdrag.
Partijen
In zaak C-162/91,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Commissione tributaria di primo grado di Voghera (Italië), in het aldaar aanhangig geding tussen
Tenuta il Bosco Srl
en
Ministero delle Finanze dello Stato,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 2, lid 5, van verordening (EEG) nr. 797/85 van de Raad van 12 maart 1985 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur (PB 1985, L 93, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: J. L. Murray, kamerpresident, G. F. Mancini en F. A. Schockweiler, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° Tenuta il Bosco Srl, vertegenwoordigd door I. Cacciavillani en P. Piva, advocaten te Venetië,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. de March, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Tenuta il Bosco Srl en de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter terechtzitting van 11 juni 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 juli 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 18 april 1991, ingekomen ter griffie van het Hof op 19 juni daaraanvolgend, heeft de Commissione tributaria di primo grado di Voghera (Italië) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van het begrip bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw in de zin van artikel 2, lid 5, van verordening (EEG) nr. 797/85 van de Raad van 12 maart 1985 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur (PB 1985, L 93, blz. 1), teneinde in het kader van een geding tussen de vennootschap Tenuta il Bosco en het Italiaanse Ministerie van Financiën te kunnen beoordelen of met dat artikel verenigbaar is de Italiaanse wetgeving betreffende het voor verkrijgingen van landbouwgronden door bedrijfshoofden geldende registratierecht.
2 Decreet nr. 131 van de president van de Italiaanse Republiek van 26 april 1986, houdende goedkeuring van de gecodificeerde tekst van de bepalingen betreffende het registratierecht, onderwerpt rechtshandelingen tot overdracht onder bezwarende titel van de eigendom van onroerend goed aan een registratierecht van 8 %.
3 Dit recht bedraagt 15 % wanneer de eigendomsoverdracht betrekking heeft op landbouwgrond en de verkrijger een belastingplichtige is die niet is een bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw of een cooeperatieve vereniging of vennootschap in de zin van respectievelijk de artikelen 12 en 13 van wet nr. 153 van 9 mei 1975 tot uitvoering van, onder meer, richtlijn 72/159/EEG van de Raad van 17 april 1972 betreffende de modernisering van landbouwbedrijven (PB 1972, L 96, blz. 1).
4 Die wet begrijpt onder bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw, behalve de in haar artikel 12 bedoelde natuurlijke personen, slechts de landbouwcooeperaties en de verenigingen van bedrijfshoofden in de landbouw in de zin van haar artikel 13, en sluit daarmee kapitaalvennootschappen van dat begrip uit.
5 Tenuta il Bosco ontving van het Ufficio del Registro (registratiekantoor) te Stradella naheffingsaanslagen, waarbij het registratierecht dat zij wegens verkrijgingen van landbouwgronden verschuldigd was, van 8 tot 15 % werd verhoogd, op grond dat zij als kapitaalvennootschap niet voldeed aan de kwalificatie bedrijfshoofd in de landbouw in de zin van de bepalingen van wet nr. 153.
6 Tenuta il Bosco stelde tegen deze aanslagen beroep in bij de Commissione tributaria di primo grado di Voghera, stellende dat zij in strijd waren met artikel 2, lid 5, van de verordening, dat luidt als volgt:
"De Lid-Staten definiëren het begrip 'bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw' voor de toepassing van deze verordening.
Voor natuurlijke personen behelst deze definitie ten minste de voorwaarde dat het inkomen uit het landbouwbedrijf 50 % of meer van het totale inkomen van het bedrijfshoofd bedraagt en dat de aan werkzaamheden buiten het bedrijf bestede arbeidstijd minder dan de helft van de totale arbeidstijd van het bedrijfshoofd uitmaakt.
Met inachtneming van de in de vorige alinea aangegeven criteria definiëren de Lid-Staten dit begrip voor andere dan natuurlijke personen."
7 Tenuta il Bosco meent, dat dit begrip bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw in gelijke zin moet worden uitgelegd als het in wezen identieke begrip in artikel 3, lid 1, van richtlijn 72/159, die door verordening nr. 797/85 is vervangen ingevolge artikel 33, lid 2, daarvan.
8 In zijn arrest van 18 december 1986 (zaak 312/85, Villa Banfi, Jurispr. 1986, blz. 4039, r.o. 11) heeft het Hof voor recht verklaard, dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 72/159 niet toelaat, dat de Lid-Staten bij de vaststelling van de criteria waaraan rechtspersonen moeten voldoen om als bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw te worden beschouwd, bepaalde soorten rechtspersonen enkel op grond van hun rechtsvorm van de werkingssfeer van de richtlijn uitsluiten.
9 Gesteld voor de vraag of de Italiaanse wettelijke regeling met de verordening verenigbaar is voor zover zij het voordeel van het lagere registratierecht, behalve aan natuurlijke personen, slechts toekent aan landbouwcooeperaties en verenigingen van bedrijfshoofden in de landbouw, heeft de Commissione tributaria di primo grado di Voghera het noodzakelijk geacht
"voor het wijzen van haar vonnis een uitspraak te verkrijgen over de uitlegging van artikel 2, lid 5, van verordening (EEG) nr. 797/85, teneinde vast te stellen of die bepaling, die het aan de Lid-Staten overlaat het begrip bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw te definiren, toelaat dat kapitaalvennootschappen enkel op grond van hun rechtsvorm van die hoedanigheid worden uitgesloten".
Mitsdien besloot zij de behandeling van de zaak te schorsen totdat het Hof een prejudiciële beslissing over deze uitleggingsvraag zou hebben gegeven.
10 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, de toepasselijke regelgeving, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
11 Bij het bepalen van de draagwijdte van een bepaling van gemeenschapsrecht dient men rekening te houden met zowel de tekst en de context als met de doelstellingen van die bepaling.
12 De verordening beoogt een verbetering van de landbouwstructuur in de Gemeenschap volgens een communautaire opzet en communautaire criteria. Daartoe stelt zij in haar artikel 1 een gezamenlijke actie in en voorziet zij in een bijdrage van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw aan maatregelen die met investeringen in landbouwbedrijven verband houden, zonder evenwel de rechtsvorm van deze bedrijven te preciseren.
13 Artikel 2 van de verordening bevat een volledige omschrijving van de criteria waaraan landbouwbedrijven moeten voldoen om voor toepassing van de steunregeling voor investeringen als bedoeld in de eerste titel van de verordening, in aanmerking te komen, en legt de Lid-Staten de taak op, het begrip bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw voor de toepassing van de verordening te definiëren. Daarbij dienen zij ingevolge lid 5 bepaalde minimumvoorwaarden in acht te nemen, of het nu gaat om de in de tweede alinea bedoelde natuurlijke personen of om andere dan natuurlijke personen in de zin van de derde alinea van deze bepaling.
14 Door de gemeenschapsrechtelijke inhoud van het begrip bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw vast te leggen, laat artikel 2 de Lid-Staten geen enkele vrijheid om de voordelen van de door de verordening ingestelde regeling te onthouden aan bedrijven die de voorwaarden daarvoor vervullen.
15 Evenals richtlijn 72/159 sluit de verordening niet alleen rechtspersonen niet van haar werkingssfeer uit, maar brengt zij hen er juist uitdrukkelijk onder, zodra zij aan de door artikel 2 gestelde voorwaarden voldoen. Daar deze voorwaarden onafhankelijk zijn van de rechtsvorm waarin de rechtspersoon is opgericht, kunnen de Lid-Staten de voordelen van de regeling van de verordening niet aan rechtspersonen onthouden op de enkele grond dat zij een bepaalde rechtsvorm hebben.
16 Zoals het Hof heeft opgemerkt (arrest Villa Banfi, reeds aangehaald, r.o. 10), zou een dergelijk verschil in behandeling trouwens in strijd zijn met het non-discriminatiebeginsel van artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag, dat de Lid-Staten bij de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in acht dienen te nemen.
17 Mitsdien moet aan de nationale rechterlijke instantie worden geantwoord, dat artikel 2, lid 5, van verordening nr. 797/85, waar het de Lid-Staten opdraagt het begrip bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw te definiëren, hun niet toestaat, kapitaalvennootschappen enkel op grond van hun rechtsvorm van dat begrip uit te sluiten.
18 Om evenwel de nationale rechterlijke instantie een nuttig antwoord te kunnen geven, moet worden gepreciseerd, dat de uitnodiging aan de Lid-Staten om het begrip bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw te definiëren, blijkens artikel 2, lid 5, eerste alinea, enkel moet worden gezien in het verband van de toepassing van de verordening.
19 Er zij overigens aan herinnerd, dat het niet mogelijk is uit de verdragsbepalingen of uit de regels van het afgeleide gemeenschapsrecht een algemene en uniforme gemeenschapsrechtelijke definitie van de term "landbouwbedrijf" te distilleren, welke op het gehele gebied van de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften betreffende de landbouwproduktie zou kunnen worden toegepast, en dat het op de weg van de communautaire instellingen ligt om, in voorkomend geval, voor de uit het Verdrag voortkomende regelingen een dergelijke definitie van landbouwbedrijf op te stellen (arrest van 28 februari 1978, zaak 85/77, Azienda avicola Sant' Anna, Jurispr. 1978, blz. 527, r.o. 8 en 14).
20 Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht dient derhalve de precieze draagwijdte van het begrip bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw in de zin van artikel 2, lid 5, van de verordening te worden vastgesteld in verband met een nationale steunmaatregel voor de aankoop van grond, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, bestaande uit een verlaging van het registratierecht bij de verwerving van landbouwgrond door bedrijfshoofden in de landbouw.
21 De door de Lid-Staten gevoerde acties in het kader van de steunregeling voor investeringen, als bedoeld in de artikelen 3 tot en met 7 van voornoemde verordening, welke acties ingevolge artikel 26 van die verordening mede door gemeenschapsgelden worden bekostigd, kunnen slechts op nauwkeurig bepaalde maatregelen betrekking hebben.
22 Blijkens artikel 4, lid 1, van de verordening kan deze mede door de Gemeenschap gefinancierde steunregeling voor investeringen geen betrekking hebben op uitgaven voor de aankoop van grond.
23 Deze steunregeling sluit echter niet uit, dat de Lid-Staten bepaalde nationale steunmaatregelen kunnen toepassen voor investeringen waarvoor niet in een bijdrage van gemeenschapswege is voorzien, behoudens bepaalde verboden en beperkingen, neergelegd in artikel 8, leden 1 tot en met 4, van de verordening.
24 Artikel 8, lid 5, van de verordening bepaalt nu juist, dat die verboden en beperkingen niet gelden voor nationale steunmaatregelen bij de aankoop van grond, op voorwaarde dat deze maatregelen met de artikelen 92 tot en met 94 van het Verdrag in overeenstemming zijn.
25 Hieruit volgt, dat nationale steunregelingen zoals die tot verlaging van het registratierecht op aankopen van landbouwgrond door bedrijfshoofden in de landbouw, niet onder de materiële werkingssfeer van de verordening vallen, maar beheerst worden door het nationale recht, dat de regels daarvoor vaststelt met inachtneming van de artikelen 92 tot en met 94 van het Verdrag.
26 Het aan de nationale rechterlijke instantie te geven antwoord moet derhalve aldus worden aangevuld, dat een nationale steunmaatregel voor de aankoop van grond, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, bestaande in een verlaging van het registratierecht bij de verwerving van landbouwgrond door bedrijfshoofden in de landbouw, niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 797/85 valt en derhalve uitsluitend door het nationale recht wordt beheerst.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
27 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door de Commissione tributaria di primo grado di Voghera bij beschikking van 18 april 1991 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 2, lid 5, van verordening (EEG) nr. 797/85 van de Raad van 12 maart 1985 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur, dat de Lid-Staten opdraagt het begrip bedrijfshoofd met hoofdberoep landbouw te definiëren, staat hun niet toe, kapitaalvennootschappen enkel op grond van hun rechtsvorm van dat begrip uit te sluiten. Hierbij zij aangetekend, dat een nationale steunmaatregel als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, bestaande in een verlaging van het registratierecht bij de verwerving van landbouwgrond door bedrijfshoofden in de landbouw, niet binnen de werkingssfeer van de verordening valt en derhalve uitsluitend door het nationale recht wordt beheerst.
Full & Egal Universal Law Academy