Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vrij verkeer van personen - Vrijheid van vestiging - Vrij verrichten van diensten - Architecten - Erkenning van diploma' s en titels - Diploma' s of titels die toegang geven tot werkzaamheden van architect op grond van verworven rechten - Minimumduur van opleiding
(Richtlijn 85/384 van de Raad, art. 11, sub a, derde streepje)
Samenvatting
Artikel 11, sub a, derde streepje, van richtlijn 85/384 inzake de onderlinge erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten, welk artikel een overgangsregeling bevat voor de erkenning van de diploma' s en titels die toegang geven tot de werkzaamheden van architect op grond van verworven rechten, moet aldus worden uitgelegd, dat een opleiding die vier jaar duurt en waarin door de onderwijsinstelling georganiseerde en begeleide praktijksemesters zijn begrepen, als een studie met een duur van vier jaar is te beschouwen.
Partijen
in zaak C-166/91,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Franstalige Raad van Beroep van de Orde van Architecten, in het aldaar aanhangig geding tussen
G. Bauer
en
Nationale Raad van de Orde van Architecten,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 11 van richtlijn 85/384/EEG van de Raad van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB 1985, L 223, blz. 15),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: P. J. G. Kapteyn, kamerpresident, C. N. Kakouris en M. Diez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: D. Triantafyllou, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° G. Bauer, vertegenwoordigd door I. Igartua Arregui, advocaat te Madrid,
° de Nationale Raad van de Orde van Architecten, vertegenwoordigd door Y. Hannequart, advocaat te Luik,
° de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Roeder, Regierungsdirektor bij het Ministerie van Economische zaken, als gemachtigde,
° de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door O. Fiumara, avvocato dello Stato, als gemachtigde,
° de Commissie, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur E. Lasnet, en P. van Nuffel, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van G. Bauer, de Nationale Raad van de Orde van Architecten, vertegenwoordigd door F. Moises, advocaat te Brussel, de Duitse regering en de Commissie ter terechtzitting van 20 februari 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 maart 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 19 juni 1991, ingekomen bij het Hof op 26 juni daaraanvolgend, heeft de Franstalige Raad van Beroep van de Orde van Architecten, gevestigd te Brussel, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 11 van richtlijn 85/384/EEG van de Raad van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van diploma' s, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen ter vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB 1985, L 223, blz. 15).
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen G. Bauer en de Nationale Raad van de Orde van Architecten.
3 Bauer, die de Duitse nationaliteit bezit en in België woont, verzocht om inschrijving op het tableau van de Orde van Architecten van de provincie Brabant. Hij bezit een diploma van de afdeling architectuur van de Fachhochschule Stuttgart, dat hij op 9 februari 1989 behaalde na vier jaar studie, daarin begrepen twee praktijksemesters, overeenkomstig de wet op de Fachhochschulen van het Land Baden-Wuerttemberg. Het verzoek van Bauer werd door de Raad van de Orde van Architecten van de provincie Brabant afgewezen.
4 Bauer kwam tegen deze beslissing op bij de Franstalige Raad van Beroep van de Orde van Architecten. De Nationale Raad van de Orde van Architecten voegde zich in het geding aan de zijde van de Raad van de Orde van Architecten van de provincie Brabant.
5 Voor genoemde rechterlijke instantie beriep Bauer zich op de bepalingen van hoofdstuk III van de richtlijn (artikelen 10 en 11), die een overgangsregeling bevatten voor onderdanen van de Gemeenschap die uiterlijk in de loop van het derde academisch jaar volgende op de kennisgeving van de richtlijn (augustus 1985), met hun opleiding zijn begonnen. Bauer meende tevens, dat de studie die wordt afgesloten met het diploma waarvan hij houder is, een full-time studie is, zodat hij niet slechts op grond van artikel 11, maar ook op grond van artikel 4 van de richtlijn recht heeft op erkenning van zijn diploma in België.
6 Naar het oordeel van de verwijzende instantie doet deze zaak de vraag rijzen, of de studie die wordt afgesloten met het door Bauer behaalde diploma, al dan niet "vier jaar studie" in de zin van artikel 11 van de richtlijn omvat, aangezien in deze vier jaar twee praktijksemesters zijn begrepen die samen geen jaar van theoretische studie vormen, maar uit verplichte praktijkoefeningen bestaan.
7 De Franstalige Raad van Beroep van de Orde van Architecten heeft het Hof derhalve verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vraag:
"Moet artikel 11, sub a, derde alinea, van richtlijn 85/384/EEG aldus worden uitgelegd, dat een opleiding met een duur van vier jaar, die twee praktijksemesters onder leiding van de Fachhochschule Stuttgart omvat, een opleiding met een studieduur van vier jaar is?"
8 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
9 Vooraf moet worden opgemerkt, dat ingevolge artikel 10 van de richtlijn elke Lid-Staat de in artikel 11 bedoelde diploma' s, certificaten en andere titels moet erkennen die door de overige Lid-Staten zijn afgegeven aan onderdanen van de Lid-Staten die op de datum van kennisgeving van deze richtlijn reeds in het bezit zijn van deze kwalificaties of die uiterlijk in de loop van het derde academisch jaar volgende op die kennisgeving, zijn begonnen met de opleiding die door het behalen van deze diploma' s, certificaten en andere titels wordt afgesloten, ook al voldoen zij niet aan de minimumeisen van de in hoofdstuk II bedoelde titels, door daaraan, wat de toegang tot de in artikel 23 bedoelde werkzaamheden betreft, op zijn grondgebied hetzelfde rechtsgevolg toe te kennen als aan de diploma' s, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur die hijzelf afgeeft. De Lid-Staten moeten mitsdien deze diploma' s erkennen zonder na te gaan of zij voldoen aan de in hoofdstuk II van de richtlijn gestelde criteria.
10 Tot de in artikel 11 bedoelde Duitse diploma' s behoren onder meer die welke zijn afgegeven door de afdeling architectuur van de Fachhochschulen, met dien verstande dat wanneer de studieduur minder dan vier jaar, maar ten minste drie jaar bedraagt, een beroepservaring van ten minste vier jaar vereist is. Wanneer de studie daarentegen vier jaar duurt, is deze beroepservaring niet vereist.
11 In zijn arrest van 21 januari 1992 (zaak C-310/90, Egle, Jurispr. 1992, blz. I-177) heeft het Hof voor recht verklaard, dat artikel 4, lid 1, sub a, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat een opleiding die vier jaar duurt en waarin door de Fachhochschule georganiseerde en begeleide praktijksemesters zijn begrepen, als een full-time studie van vier jaar moet worden beschouwd.
12 Wat de duur van de studie betreft, geldt dezelfde uitlegging voor artikel 11, sub a, derde alinea, van de richtlijn, dat verwijst naar artikel 4, lid 1, sub a.
13 Mitsdien moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat artikel 11, sub a, derde alinea, van richtlijn 85/384/EEG aldus moet worden uitgelegd, dat een opleiding van vier jaar, waarvan twee door de Fachhochschule Stuttgart begeleide praktijksemesters deel uitmaken, als een studie met een duur van vier jaar is te beschouwen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
14 De kosten door de Italiaanse en de Duitse regering en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
uitspraak doende op de door de Franstalige Raad van Beroep van de Orde van Architecten bij beschikking van 19 juni 1991 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 11, sub a, derde alinea, van richtlijn 85/384/EEG van de Raad van 10 juni 1985 inzake de onderlinge erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen ter vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten, moet aldus worden uitgelegd, dat een opleiding van vier jaar, waarvan twee door de Fachhochschule Stuttgart begeleide praktijksemesters deel uitmaken, als een studie met een duur van vier jaar is te beschouwen.
Full & Egal Universal Law Academy