Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Sociale politiek ° Mannelijke en vrouwelijke werknemers ° Gelijke beloning ° Beloning ° Begrip ° Bij collectieve overeenkomst ingevoerde vergoeding, ten laste van laatste werkgever en ten gunste van ontslagen werknemers boven bepaalde leeftijd, als aanvulling op werkloosheidsuitkering ° Daaronder begrepen ° Betaling uitsluitend aan mannelijke werknemers ° Ontoelaatbaarheid
(EEG-Verdrag, art. 119)
Samenvatting
Een bij collectieve overeenkomst ingevoerde vergoeding die ten laste van de laatste werkgever wordt toegekend aan ontslagen werknemers boven een bepaalde leeftijd voor zover deze een werkloosheidsuitkering ontvangen, en die dient ter aanvulling van deze uitkering, is een beloning in de zin van artikel 119 van het Verdrag, omdat zij verschuldigd is uit hoofde van de eerdere dienstbetrekking. Artikel 119 van het Verdrag verzet zich er derhalve tegen, dat die vergoeding uitsluitend aan mannelijke werknemers wordt betaald.
Partijen
In zaak C-173/91,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Wolfcarius, lid van haar juridische dienst, en T. Margellos, advocaat, docent aan de université de Picardie, gedetacheerd bij de juridische dienst van de Commissie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door R. Hoebaer, bestuursdirecteur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, en C. Deneve, bestuursdirecteur bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Belgische ambassade, Rue des Girondins 4,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat het Koninkrijk België, door een wettelijke regeling te handhaven volgens welke vrouwelijke werknemers ouder dan 60 jaar niet in aanmerking komen voor de aanvullende vergoeding bij ontslag waarin de bij koninklijk besluit van 16 januari 1975 algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 voorziet, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op hem rusten krachtens artikel 119 EEG-Verdrag en, subsidiair, krachtens richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39, blz. 40),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, G. C. Rodríguez Iglesias en J. L. Murray, kamerpresidenten, G. F. Mancini, R. Joliet, F. A. Schockweiler, M. Diez de Velasco, P. J. G. Kapteyn en D. A. O. Edward, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 20 oktober 1992, waarbij de Belgische regering vertegenwoordigd was door J. Devadder, bestuursdirecteur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 december 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 2 juli 1991, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen, dat het Koninkrijk België, door een wettelijke regeling te handhaven volgens welke vrouwelijke werknemers ouder dan 60 jaar niet in aanmerking komen voor de aanvullende vergoeding bij ontslag waarin de bij koninklijk besluit van 16 januari 1975 algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 voorziet, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op hem rusten krachtens artikel 119 EEG-Verdrag en, subsidiair, krachtens richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en promotiekansen, en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39, blz. 40).
2 Bij collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 is een regeling inzake aanvullende vergoedingen ingevoerd voor oudere werknemers die worden ontslagen. Artikel 3 van de overeenkomst bepaalt, dat de regeling geldt voor werknemers van 60 jaar en ouder die worden ontslagen; artikel 4 preciseert, dat deze werknemers recht hebben op de aanvullende vergoeding, voor zover zij een werkloosheidsuitkering ontvangen.
3 De aanvullende vergoeding wordt betaald door de laatste werkgever. Zij bedraagt de helft van het verschil tussen een referteloon en de werkloosheidsuitkering (artikel 5). De Belgische regering geeft toe, dat in de meeste gevallen de som van de aanvullende vergoeding en de werkloosheidsuitkering hoger is dan het pensioenbedrag.
4 Artikel 144 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid, zoals gewijzigd bij artikel 13 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1984, bepaalt, dat "de werklozen geen recht meer hebben op werkloosheidsuitkering vanaf de eerste dag van de kalendermaand, volgend op die van hun 65e of 60e verjaardag, naargelang het mannen of vrouwen betreft". Deze bepaling houdt verband met de voor mannen en vrouwen verschillende pensioengerechtigde leeftijd, die in het verleden in België bestond. Ofschoon bij de wet van 20 juli 1990 een flexibele pensioengerechtigde leeftijd tussen 60 en 65 jaar voor werknemers van beider kunne is ingevoerd, is deze bepaling gehandhaafd.
5 Tussen partijen staat vast, dat deze nationale bepalingen te zamen tot gevolg hebben, dat de bij collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 ingevoerde regeling inzake aanvullende vergoedingen uitsluitend ten goede komt aan mannelijke werknemers.
6 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
7 De Commissie stelt, dat de in geding zijnde regeling inzake aanvullende vergoedingen binnen de werkingssfeer van artikel 119 van het Verdrag valt, en dat zij onverenigbaar is met dit artikel, waarin het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers is vastgelegd, doordat vrouwen tussen 60 en 65 jaar, in tegenstelling tot mannen in dezelfde leeftijdsgroep, niet voor toepassing ervan in aanmerking komen.
8 Indien artikel 119 van het Verdrag in casu niet van toepassing zou zijn, stelt de Commissie subsidiair, dat het verschil in behandeling onverenigbaar is met artikel 5, lid 1, van richtlijn 76/207, dat bepaalt, dat "de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de ontslagvoorwaarden, inhoudt dat voor mannen en vrouwen dezelfde voorwaarden gelden, zonder discriminatie op grond van geslacht". De Commissie is immers van oordeel, dat een toekenningsvoorwaarde voor de aanvullende vergoeding bij ontslag een ontslagvoorwaarde is in de zin van artikel 5.
9 De Belgische regering betwist het verschil in behandeling niet als zodanig, maar betoogt, dat het niet onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht, omdat de aanvullende vergoeding niet kan worden beschouwd als beloning in de zin van artikel 119. Dienaangaande wijst zij erop, dat de vergoeding geen schadeloosstelling bij ontslag is, maar een aanvullende vergoeding die bovenop de werkloosheidsuitkering wordt betaald en deel uitmaakt van een eigensoortige sociale-zekerheidsregeling, namelijk het pensioen bij vervroegde uittreding op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst, ofwel het "CAO-brugpensioen". Dit omvat enerzijds een basisuitkering ° de werkloosheidsuitkering ° en anderzijds de aanvullende vergoeding, die aldus te zamen met de werkloosheidsuitkering het karakter van een sociale-zekerheidsuitkering krijgt.
10 Aangezien volgens de Belgische regering de aanvullende vergoeding dus een sociale-zekerheidsuitkering is, is richtlijn 76/207 niet van toepassing. De Belgische regering meent, dat voor deze zaak van belang zijn richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24), en richtlijn 86/378/EEG van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid (PB 1986, L 225, blz. 40).
11 Dienaangaande merkt zij op, dat deze richtlijnen ° in artikel 7, lid 1, sub a, respectievelijk artikel 9, sub a, ° de Lid-Staten de mogelijkheid bieden, af te wijken van het beginsel van gelijke behandeling inzake "de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd (...) en de gevolgen die hieruit voortvloeien voor andere prestaties". Aangezien evenals bij de werkloosheidsuitkering het verschil bij de toekenning van de aanvullende vergoeding in verband staat met het verschil in de pensioengerechtigde leeftijd voor mannen en vrouwen, zou de vermeende discriminatie, die immers juist één van de "gevolgen die hieruit voortvloeien voor andere prestaties" is, door genoemde afwijkingsmogelijkheid worden gedekt.
12 In de eerste plaats dient het middel inzake schending van artikel 119 EEG-Verdrag te worden onderzocht.
13 Volgens de rechtspraak van het Hof worden onder het begrip beloning in de zin van artikel 119, tweede alinea, begrepen alle huidige of toekomstige voordelen in geld of natura, mits deze, zij het ook indirect, door de werkgever aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking worden betaald. De omstandigheid dat bepaalde uitkeringen na beëindiging van de dienstbetrekking zijn betaald, sluit niet uit, dat zij het karakter van beloning in de zin van artikel 119 van het Verdrag kunnen hebben (zie met name arrest van 17 mei 1990, zaak C-262/88, Barber, Jurispr. 1990, blz. I-1889, r.o. 12).
14 Aldus afgebakend kan het begrip beloning echter niet van toepassing zijn op stelsels of uitkeringen van sociale zekerheid, zoals bij voorbeeld ouderdomspensioenen, die bij wet worden vastgesteld zonder enig overleg binnen de betrokken onderneming of bedrijfstak en verplicht van toepassing zijn op algemene categorieën werknemers. Deze stelsels stellen de werknemers immers in het genot van een wettelijke regeling die wordt gefinancierd door werknemers, werkgevers en eventueel door de overheid, wier bijdragen niet zozeer worden bepaald door de arbeidsverhouding tussen werkgever en werknemer, als wel door overwegingen van sociaal beleid (arrest van 25 mei 1971, zaak 80/70, Defrenne I, Jurispr. 1971, blz. 445, r.o. 7 en 8).
15 In het licht van deze door het Hof ontwikkelde criteria moet worden vastgesteld, dat de in geding zijnde aanvullende vergoeding ondanks haar eigensoortige kenmerken beloning is in de zin van artikel 119 van het Verdrag.
16 Uit collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 blijkt immers, dat de vergoeding ten laste komt van de laatste werkgever van de ontslagen werknemer (artikel 4), en dat zij betaald wordt uit hoofde van de dienstbetrekking die tussen beiden heeft bestaan, daar de overeenkomst enkel van toepassing is op werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bedienden of werklieden, alsmede op de werkgevers die hen tewerkstellen (artikel 2).
17 Voorts heeft de aanvullende vergoeding een contractueel karakter voor zover zij het resultaat is van overleg tussen de sociale partners. De omstandigheid dat zij nadien bij wet verbindend is verklaard erga omnes, doet niet af aan het contractuele karakter ervan. Hoe dan ook, gelijk het Hof in zijn arrest in de zaak Barber (r.o. 16) overwoog, kan het niet zo zijn, dat een vergoeding bij ontslag geen vorm van beloning meer is enkel omdat zij niet voortvloeit uit een arbeidsovereenkomst, maar bij de wet is voorzien of vrijwillig wordt betaald.
18 Niet aanvaardbaar is het argument van de Belgische regering, dat het "CAO-brugpensioen" een onscheidbaar geheel is, bestaande uit de aanvullende vergoeding en de werkloosheidsuitkering, en dat bijgevolg de aanvullende vergoeding evenals de werkloosheidsuitkering is aan te merken als een sociale-zekerheidsuitkering.
19 In de eerste plaats moet worden vastgesteld, dat ofschoon de hoogte van de vergoeding zowel van het referteloon als van de werkloosheidsuitkering afhankelijk is, zij niettemin een voordeel blijft dat door de werkgever aan de werknemer wordt betaald uit hoofde van de dienstbetrekking die tussen hen beiden heeft bestaan.
20 In de tweede plaats zij erop gewezen, dat de omstandigheid dat de vergoeding een aanvulling is op een sociale-zekerheidsuitkering, in casu de werkloosheidsuitkering, niet beslissend is. Immers, volgens collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 is de aanvullende vergoeding wat de betaling ervan betreft, weliswaar verbonden met de werkloosheidsuitkering, maar voor zover het gaat om haar opzet en financiering, die uitsluitend ten laste van de werkgever komt, staat zij los van het algemene stelsel van sociale zekerheid.
21 Ten slotte moet worden opgemerkt, dat, gelijk het Hof overwoog in zijn arrest in de zaak Barber (r.o. 18), wanneer een werknemer een uitkering van zijn werkgever ontvangt uit hoofde van de dienstbetrekking, het niet zo kan zijn, dat de uitkering geen beloning meer is, enkel omdat men kan stellen, dat zij ook uit overwegingen van sociaal beleid wordt toegekend.
22 Derhalve moet worden geconcludeerd, dat de in geding zijnde aanvullende vergoeding beloning is in de zin van artikel 119 van het Verdrag, dat bijgevolg van toepassing is in de onderhavige zaak en eraan in de weg staat, dat enkel mannelijke werknemers tussen 60 en 65 jaar bij gedwongen ontslag in aanmerking komen voor de aanvullende vergoeding, terwijl vrouwelijke werknemers in dezelfde leeftijdsgroep bij gedwongen ontslag ervan zijn uitgesloten.
23 Het beroep van de Commissie moet mitsdien worden toegewezen, zonder dat het nodig is haar subsidiaire argument te onderzoeken.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
24 Ingevolge artikel 69, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, dient het in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verklaart:
1) Door een wettelijke regeling te handhaven volgens welke vrouwelijke werknemers ouder dan 60 jaar niet in aanmerking komen voor de aanvullende vergoeding bij ontslag waarin de bij koninklijk besluit van 16 januari 1975 algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 voorziet, is het Koninkrijk België de krachtens artikel 119 van het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten van de procedure.
Full & Egal Universal Law Academy