Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Beroep wegens niet-nakoming ° Arrest van Hof waarbij niet-nakoming wordt vastgesteld ° Niet-uitvoering ° Niet betwiste niet-nakoming
(EEG-Verdrag, art. 171)
Partijen
In zaak C-174/91,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch hoofdadviseur R. Waegenbaur en X. Lewis, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende bij N. Annecchino, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door J. Devadder, raadadviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Belgische ambassade, Rue des Girondins 4,
verweerder,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niettegenstaande het arrest van 17 juni 1987 (zaak 1/86, Commissie/België, Jurispr. 1987, blz. 2797) nog steeds niet de noodzakelijke maatregelen te treffen om in het Waalse en het Vlaamse Gewest uitvoering te geven aan richtlijn 80/68/EEG van de Raad van 17 december 1979 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen (PB 1980, L 20, blz. 43), de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: C. N. Kakouris, president van de Vierde en de Zesde kamer, waarnemend voor de president, G. C. Rodríguez Iglesias en J. L. Murray, kamerpresidenten, G. F. Mancini, R. Joliet, F. A. Schockweiler, M. Diez de Velasco, P. J. G. Kapteyn en D. A. O. Edward, rechters,
advocaat-generaal: C. Gulmann
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 2 februari 1993,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 februari 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 3 juli 1991, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EEG-Verdrag verzocht vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niettegenstaande het arrest van 17 juni 1987 (zaak 1/86, Commissie/België, Jurispr. 1987, blz. 2797) nog steeds niet de noodzakelijke maatregelen te treffen om in het Waalse en het Vlaamse Gewest uitvoering te geven aan richtlijn 80/68/EEG van de Raad van 17 december 1979 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen (PB 1980, L 20, blz. 43), de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 De richtlijn beoogt het grondwater te beschermen tegen de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen. Deze stoffen zijn vermeld in de lijsten I en II, opgenomen in de bijlage bij de richtlijn. Lijst I bevat de stoffen waarvan de Lid-Staten de inleiding in het grondwater dienen te verhinderen, terwijl in lijst II de stoffen zijn vermeld waarvan de Lid-Staten de inleiding in het grondwater dienen te beperken (artikel 3 van de richtlijn).
3 Artikel 4 van de richtlijn somt de maatregelen op, die de Lid-Staten moeten nemen om de directe of indirecte lozing in het grondwater van de stoffen van lijst I te verhinderen. Artikel 5 legt de maatregelen vast, die de Lid-Staten moeten nemen om de directe of indirecte lozing van stoffen van lijst II van de richtlijn in het grondwater te beperken.
4 In zijn arrest in zaak 1/86 heeft het Hof vastgesteld, dat het Koninkrijk België, door niet binnen de voorgeschreven termijn alle noodzakelijke maatregelen te treffen teneinde zich te voegen naar richtlijn 80/68 van de Raad, de krachtens het EEG-verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
5 Aangezien het Koninkrijk België haar niet de maatregelen had medegedeeld die het krachtens artikel 171 EEG-Verdrag had moeten treffen om de richtlijn naar behoren uit te voeren en zich aldus naar het arrest van het Hof te voegen, heeft de Commissie de in artikel 169 van het Verdrag bedoelde procedure ingeleid.
6 In haar reactie op het met redenen omkleed advies heeft de Belgische regering de Commissie in kennis gesteld van de vaststelling van het decreet van de Waalse Executieve van 30 april 1990 over de bescherming en exploitatie van tot drinkwater te verwerken grondwater (Belgisch Staatsblad, 1990, blz. 13183; hierna: "decreet"). Artikel 8 van het decreet verbiedt in beginsel "de directe en indirecte lozingen van de in bijlage I van richtlijn 80/68/EEG bedoelde stoffen" en verwijst naar besluiten van de Waalse Executieve ter uitvoering van de bescherming tegen verontreiniging van tot drinkwater te verwerken grondwater.
7 Aangezien de Commissie genoemd decreet ontoereikend achtte met het oog op de uitvoering van de richtlijn in het Waalse Gewest en geen enkele informatie had ontvangen betreffende de uitvoering van de richtlijn in het Vlaamse Gewest, heeft zij het onderhavige beroep wegens niet-nakoming ingesteld.
8 In haar verzoekschrift formuleert de Commissie de volgende grieven jegens België: a) het decreet van de Waalse Executieve heeft een te enge werkingssfeer, daar het niet al het grondwater betreft; b) het decreet vormt een kaderregeling, die de vaststelling van uitvoeringsbesluiten vergt; c) het in artikel 8 van het decreet vervatte verbod volstaat niet voor de implementatie van de verbodsbepalingen van de artikelen 3, 4 en 5 van de richtlijn; d) het Vlaamse Gewest heeft niet de nodige maatregelen getroffen om de richtlijn op bevredigende wijze uit te voeren.
9 Omdat België na de indiening van het verzoekschrift verscheidene maatregelen heeft genomen ter uitvoering van de richtlijn in het Waalse en het Vlaamse Gewest, heeft de Commissie bij brief van 15 december 1992 de sub a, b en d vermelde grieven ingetrokken. Ten aanzien van grief sub c heeft de Commissie ter terechtzitting verklaard, dat zij alleen dat deel van deze grief wenst te handhaven volgens hetwelk artikel 8 van het Waalse decreet ° dat abusievelijk melding maakt van bijlage I in plaats van lijst I van de richtlijn ° niet de stoffen van lijst II vermeldt waarnaar artikel 5 van de richtlijn verwijst, en dat zij deze grief voor het overige intrekt.
10 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het geding, het proces-verloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voorzover dat noodzakelijk is voor de redering van het Hof.
11 De Belgische regering bestrijdt niet de haar in de door de Commissie staande gehouden grief verweten niet-nakoming, waarbij zij er wel op wijst, dat een wijziging van het decreet in de door de Commissie gewenste zin inmiddels in behandeling is.
12 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat het Koninkrijk België, door in artikel 8 van het Waalse decreet van 30 april 1990 over de bescherming en exploitatie van tot drinkwater verwerkbaar grondwater, geen melding te maken van de stoffen van lijst II, waarnaar artikel 5 van richtlijn 80/68/EEG van de Raad van 17 december 1979 betreffende de bescherming van grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen verwijst, zich niet heeft gevoegd naar het in zaak 1/86 gewezen arrest van 17 juni 1987 en, bijgevolg, niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
13 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld met betrekking tot de door de Commissie staande gehouden grief, dient het in de kosten te worden verwezen.
14 Ten aanzien van de grieven waarvan de Commissie afstand heeft gedaan, moet worden opgemerkt, dat volgens artikel 69, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering de partij die afstand van instantie heeft gedaan, in de kosten wordt verwezen, indien de andere partij in die zin heeft geconcludeerd. In casu heeft het Koninkrijk België geen conclusie genomen ten aanzien van de kosten. Gelet hierop, zal het Koninkrijk België alle kosten moeten dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende:
1) Door in artikel 8 van het Waalse decreet van 30 april 1990 over de bescherming en exploitatie van tot drinkwater verwerkbaar grondwater, geen melding te maken van de stoffen van lijst II, waarnaar artikel 5 van richtlijn 80/68/EEG van de Raad van 17 december 1979 betreffende de bescherming van grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen, verwijst, heeft het Koninkrijk België zich niet gevoegd naar het in zaak 1/86 gewezen arrest van 17 juni 1987 en, bijgevolg, niet voldaan aan de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen.
2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy