Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen ° Derdenbeslag gelegd onder instelling ° Noodzaak tot opheffing van immuniteit door Hof of van verklaring van afstand van betrokken instelling
(Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, art. 1)
2. Niet-contractuele aansprakelijkheid ° Voorwaarden ° Niet-eerbiediging van krachtens nationale recht gelegd derdenbeslag ° Geen opheffing van immuniteit door Hof of verklaring van afstand aan Hof ° Uitgesloten
(EEG-Verdrag, art. 215, tweede alinea; Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, art. 1)
3. Internationale overeenkomsten ° Eerste ACS-EEG-overeenkomst van Lomé ° Bepalingen betreffende financiële en technische samenwerking ° Procedure voor plaatsen van overheidsopdrachten voor werken en leveringen ° Rol van ACS-Staat en van Commissie ° Bevoegdheid van ACS-Staat ter zake van sluiten van contracten ° Aansprakelijkheid van Gemeenschap op grond van betaling, overeenkomstig vastgestelde voorwaarden, aan betrokken ACS-Staat ° Uitgesloten
(EEG-Verdrag, art. 215, tweede alinea; Eerste ACS-EEG-overeenkomst van Lomé van 28 februari 1975)
Samenvatting
1. Op grond van artikel 1 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen kunnen eigendommen en bezittingen van de Gemeenschappen niet worden getroffen door enige dwangmaatregel van bestuursrechtelijke of gerechtelijke aard. De immuniteit geldt dus van rechtswege en staat in de weg aan elke dwangmaatregel die zonder toestemming van het Hof tegen de Gemeenschappen ten uitvoer wordt gelegd, zonder dat de betrokken gemeenschapsinstelling een uitdrukkelijk beroep hoeft te doen op voormeld artikel, met name door middel van een tegen de beslaglegger gerichte handeling. Het staat aan deze laatste om het Hof te verzoeken de immuniteit op te heffen, tenzij de betrokken instelling verklaart geen bezwaar te hebben tegen de dwangmaatregel.
Hieruit volgt, dat niet krachtens het nationale recht derdenbeslag kan worden gelegd zolang de immuniteit van de Gemeenschappen niet is opgeheven, hetzij door een verklaring van de betrokken instelling dat zij afstand doet van haar immuniteit, hetzij eventueel door een machtiging van het Hof, ongeacht een door het nationale recht gestelde termijn.
2. In het kader van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap kan een instelling niet worden verweten, dat zij een krachtens nationaal recht gelegd derdenbeslag niet heeft geëerbiedigd, zolang zij niet uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van haar immuniteit of deze immuniteit door het Hof niet is opgeheven. De immuniteit waarop zij zich beroept, verzet zich immers juist tegen de tenuitvoerlegging van het derdenbeslag.
3. Volgens de procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken en leveringen, opgezet in het kader van de bij de eerste ACS-EEG-overeenkomst ingevoerde financiële en technische samenwerking, blijven contracten die voor steun van het Europees Ontwikkelingsfonds in aanmerking komen, nationale contracten, zodat de ondernemingen die hebben ingeschreven of waaraan de contracten zijn gegund, alleen rechtsbetrekkingen onderhouden met de voor het contract verantwoordelijke staat. Aangezien de tussenkomst van de Commissie er uitsluitend toe strekt, vast te stellen of aan de voorwaarden voor financiering door de Gemeenschap is voldaan, kunnen de betalingen die de Commissie aan de betrokken staat doet en die in overeenstemming zijn met de vastgestelde financieringsvoorwaarden, geen onregelmatigheid vormen die tot de aansprakelijkheid van de Gemeenschap kan leiden.
Partijen
In zaak C-182/91,
Forafrique Burkinabe SA, vertegenwoordigd door A. Arnaud, advocaat te Marseille, en J. Buekenhoudt, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E. Birden, Rue de la Reine 5,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. P. Hartvig, juridisch adviseur, en S. van Raepenbusch, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij N. Annecchino, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag, en een beroep tot schadevergoeding krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EEG-Verdrag, in verband met de invordering van de door het Office national des puits et forages (Burkina Faso) aan verzoekster verschuldigde bedragen voor de werken die zij als onderaannemer voor rekening van het Office heeft uitgevoerd in het kader van programma' s van het Europees Ontwikkelingsfonds,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, kamerpresident, R. Joliet, J. C. Moitinho de Almeida, F. Grévisse en D. A. O. Edward, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 3 december 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 januari 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 12 juli 1991 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift, heeft Forafrique Burkinabe SA krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van het besluit van 14 juni 1991, waarbij de Commissie weigerde gevolg te geven aan het op 6 maart 1991 onder haar gelegde derdenbeslag, en, krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EEG-Verdrag, om veroordeling van de Commissie tot vergoeding van de aan haar veroorzaakte schade, nu die instelling, na de betekening van het derdenbeslag en na te hebben vernomen dat de Staat Burkina Faso geld had verduisterd, de betalingen van het Europees Ontwikkelingsfonds ten gunste van die staat had voortgezet.
2 Blijkens de processtukken besloot de Gemeenschap op 25 september 1987 krachtens de eerste ACS-EEG-overeenkomst, ondertekend te Lomé op 28 februari 1975 (PB 1976, L 25, blz. 1; hierna: "Overeenkomst van Lomé"), uit de middelen van het vierde Europees Ontwikkelingsfonds (hierna: "EOF") de uitvoering te financieren van een door Burkina Faso ingediend project om ten behoeve van de plattelandsbevolking van de provincie Comoe 240 waterputten te boren (hierna: "het project").
3 Op 18 december 1987 werd overeenkomstig artikel 40 van de Overeenkomst van Lomé een overeenkomst voor de financiering van het project gesloten tussen de Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Commissie, en de Staat Burkina Faso.
4 In het kader van dit project schreef de Staat Burkino Faso in juni 1988 een aanbesteding uit voor het verrichten van 210 boringen. In augustus 1989 werd deze opdracht toegewezen aan het Office national des puits et forages (hierna: "ONPF"). Op 15 december daaraanvolgend sloot het ONPF met verzoekster een onderaannemingscontract voor het verrichten van 60 proefboringen, waarvan er 50 in het kader van het project een gunstig resultaat opleverden. Het totaalbedrag van de aan verzoekster verleende opdracht werd geschat op 88 837 300 FCFA. Vaststaat, dat het ONPF verzoekster een voorschot van 10 % van de opdracht heeft betaald.
5 Vaststaat eveneens, dat verzoekster de werkzaamheden tot tevredenheid van de Staat Burkina Faso en de Commissie heeft verricht. Volgens verzoekster heeft het ONPF haar echter aan het einde van de onderhavige procedure voor het Hof nog steeds niet het verschuldigde bedrag van 85 112 000 FCFA betaald, ondanks de ingebrekestelling die verzoekster de directeur-generaal van het ONPF op 9 oktober 1990 heeft gezonden. Laatstgenoemde noch de minister van Waterstaat van Burkina Faso heeft betwist, dat verzoekster een vordering op hen heeft. Zij hebben echter betalingsbeloften gedaan waarvan vaststaat, dat zij tot op de dag van vandaag niet zijn nagekomen.
6 Op 9 oktober 1990 zond verzoekster eveneens een brief naar de vertegenwoordiger van de Europese Gemeenschap te Ouagadougou. Daarin liet zij hem weten, dat de uit hoofde van het onderaannemingscontract verschuldigde bedragen nog steeds niet waren betaald en verzocht zij de Commissie, hiermee rekening te houden bij de goedkeuring van de betalingen aan het ONPF.
7 Teneinde haar schuldvordering veilig te stellen, liet verzoekster op 6 maart 1991 krachtens artikel 1445 van het Belgisch Gerechtelijk Wetboek bewarend beslag onder de Commissie leggen op alle door deze aan de Staat Burkina Faso verschuldigde bedragen, ten belope van een hoofdsom van 85 112 000 FCFA, vermeerderd met compensatoire interessen en de kosten van het beslag. Het exploot is op 11 maart 1991 via de Belgische minister van Buitenlandse zaken aan de Commissie betekend, die, zonder bezwaar te maken, bij brief van 17 april 1991 de ontvangst ervan heeft bevestigd.
8 Vaststaat, dat de Commissie Burkina Faso ná de beslaglegging bepaalde bedragen heeft betaald in verband met de opdracht voor het boren van 210 putten, in het kader waarvan verzoekster een onderaannemingscontract met het ONPF had. Voorts heeft de Commissie aan Burkina Faso bedragen betaald voor andere projecten, in het kader waarvan contracten waren gegund aan het ONPF.
9 Bij brief van 14 juni liet de Commissie verzoekster weten, dat zij geen enkel gevolg zou geven aan het derdenbeslag. Die weigering was gebaseerd op de derde volzin van artikel 1 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Protocol"), dat luidt als volgt:
"De eigendommen en bezittingen van de Gemeenschappen kunnen zonder toestemming van het Hof van Justitie niet worden getroffen door enige dwangmaatregel van bestuursrechtelijke of gerechtelijke aard."
Volgens de Commissie kan het bedoelde derdenbeslag de goede werking en de onafhankelijkheid van de Gemeenschappen belemmeren. Haars inziens staat het, gezien artikel 1 van het Protocol, aan verzoekster om zo nodig toestemming te vragen aan het Hof van Justitie. Vaststaat, dat bij het Hof geen verzoek in die zin is ingediend.
Het beroep tot nietigverklaring
10 Verzoekster vordert met haar beroep de nietigverklaring van het op 14 juni 1991 meegedeelde besluit van de Commissie, waarbij deze instelling heeft geweigerd gevolg te geven aan het onder haar gelegde beslag. In dat verband betoogt verzoekster hoofdzakelijk, dat in de omstandigheden van de onderhavige zaak voor het derdenbeslag geen toestemming van het Hof nodig was.
11 Dit argument moet worden afgewezen.
12 Op grond van artikel 1 van het Protocol kunnen eigendommen en bezittingen van de Gemeenschap zonder toestemming van het Hof immers niet worden getroffen door enige dwangmaatregel van bestuursrechtelijke of gerechtelijke aard. Uit de bewoordingen van dat artikel blijkt, dat de immuniteit van rechtswege geldt en in de weg staat aan elke dwangmaatregel die zonder toestemming van het Hof tegen de Gemeenschappen ten uitvoer wordt gelegd, zonder dat de betrokken gemeenschapsinstelling een uitdrukkelijk beroep hoeft te doen op artikel 1 van het Protocol, met name door middel van een tegen de beslaglegger gerichte handeling. Onder deze omstandigheden staat het aan laatstgenoemde om het Hof te verzoeken de immuniteit op te heffen. Indien de betrokken instelling echter verklaart geen bezwaar te hebben tegen de dwangmaatregel, is het verzoek om machtiging zonder voorwerp en behoeft het niet door het Hof te worden onderzocht (zie beschikking van 17 juni 1987, Universe Tankship, zaak 1/87 SA, Jurispr. 1987, blz. 2807).
13 Er zij eveneens aan herinnerd dat, aangezien de machtiging van het Hof om dwangmaatregelen van bestuursrechtelijke of gerechtelijke aard te nemen, uitsluitend is vereist teneinde de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen te vrijwaren, het Hof zich met betrekking tot derdenbeslagen dient te beperken tot het onderzoek van de vraag, of een dergelijke maatregel, gelet op de gevolgen die het toepasselijke nationale recht eraan verbindt, de goede werking en de onafhankelijkheid van de Europese Gemeenschappen kan belemmeren. Voor het overige wordt de procedure van het derdenbeslag geheel door het toepasselijke nationale recht beheerst (beschikking Universe Tankship, reeds aangehaald).
14 Uit het voorgaande volgt, dat niet krachtens het nationale recht derdenbeslag kan worden gelegd zolang de immuniteit van de Gemeenschappen niet is opgeheven, hetzij door een verklaring van de betrokken instelling dat zij afstand doet van immuniteit, hetzij eventueel door een machtiging van het Hof, ongeacht een door het nationale recht gestelde termijn.
15 In de onderhavige zaak staat vast, dat verzoekster het Hof nooit om machtiging tot het leggen van derdenbeslag heeft verzocht. Ook het onderhavige beroep tot nietigverklaring kan niet in die zin worden uitgelegd.
16 Wel moet worden onderzocht, of de handelwijze van de Commissie in de periode tussen de ontvangst van het exploot van derdenbeslag en de verzending van haar brief van 14 juni 1991, waarbij zij verzoekster meedeelde dat zij aan dit beslag geen gevolg wenste geven, gelijk staat met een verklaring van afstand van de door het Protocol verleende immuniteit.
17 In dat verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt, dat de Commissie in haar brief van 17 april 1991 slechts de ontvangst van het exploot van derdenbeslag bevestigt, wat geen afstand van immuniteit inhoudt, nu zulks uitdrukkelijk dient te geschieden.
18 In de tweede plaats kan de handelwijze van de Commissie, hoe betreurenswaardig het ook is dat zij zo lang heeft gewacht om te reageren op een exploot dat haar naar behoren is meegedeeld door de minister van Buitenlandse zaken van het land waar zij is gevestigd, niet worden beschouwd als een uitdrukkelijke verklaring van afstand van de door het Protocol verleende immuniteit. De Commissie kan zich derhalve ook in een later stadium nog op deze immuniteit beroepen.
19 Hieruit volgt, dat het beroep tot nietigverklaring moet worden verworpen.
Het beroep tot schadevergoeding
20 Tot staving van haar schadevordering betoogt verzoekster, dat de onwettige handelwijze van de Commissie haar schade heeft veroorzaakt. Volgens haar is de handelwijze van de Commissie in de eerste plaats onwettig, omdat zij het derdenbeslag niet heeft geëerbiedigd, en in de tweede plaats en afgezien van dit derdenbeslag, omdat zij de betalingen uit het EOF aan de Staat Burkina Faso heeft voortgezet, zonder zich af te vragen of het geld wel op regelmatige wijze werd gebruikt en nadat haar was meegedeeld, dat verzoekster, doordat die Staat geld had verduisterd, voor bepaalde werkzaamheden in het kader van het project nog geen betaling had ontvangen.
21 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof (arrest van 8 april 1992, zaak C-55/90, Cato, Jurispr. 1992, blz. I-2533, r.o. 18), er ingevolge artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag eerst sprake kan zijn van niet-contractuele aansprakelijkheid van de Commissie en van een recht op vergoeding van geleden schade, indien aan een aantal voorwaarden is voldaan, te weten de onrechtmatigheid van de aan de instellingen verweten gedraging, werkelijk geleden schade en het bestaan van een oorzakelijk verband tussen die gedraging en de gestelde schade.
22 Wat de eerste oorzaak van de gestelde schade betreft, te weten het feit dat de Commissie het derdenbeslag niet heeft geëerbiedigd, kan worden volstaan met de opmerking, dat de Commissie, zolang zij niet uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van haar immuniteit of deze immuniteit door het Hof niet is opgeheven, niet kan worden verweten dat zij een derdenbeslag niet eerbiedigt, aangezien de immuniteit waarop zij zich beroept, zich juist verzet tegen de tenuitvoerlegging van dit derdenbeslag.
23 Wat de tweede oorzaak van de aangevoerde schade betreft, te weten het feit dat de betalingen uit het EOF aan Burkina Faso zijn voortgezet, moet eraan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof (arresten van 10 juli 1984, zaak 126/83, STS, Jurispr. 1984, blz. 2769, en 14 januari 1993, zaak C-257/90, Italsolar, Jurispr. 1993, blz. I-9) contracten die voor steun van het EOF in aanmerking komen, nationale contracten blijven, dat alleen de autoriteiten van de ACS-Staten verantwoordelijk zijn voor de uitwerking, de onderhandeling en de afsluiting ervan, dat de tussenkomst van de vertegenwoordigers van de Commissie er uitsluitend toe dient, vast te stellen of aan de voorwaarden voor financiering door de Gemeenschap is voldaan, en ten slotte dat de ondernemingen die hebben ingeschreven of waaraan de contracten zijn gegund, alleen rechtsbetrekkingen onderhouden met de voor het contract verantwoordelijke ACS-Staat.
24 Derhalve kan de Commissie geen enkele onregelmatigheid worden verweten, indien zij betalingen doet aan een ACS-Staat die, hetgeen verzoekster in de onderhavige zaak niet betwist, in overeenstemming zijn met de vastgestelde financieringsvoorwaarden.
25 Onder deze omstandigheden moet het beroep tot schadevergoeding worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
26 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst verzoekster in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy