Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Gemeenschappelijk douanetarief ° Tariefposten ° Goederenstellen met als hoofdcomponent een monoclonaal diagnostisch reagens (antilichaam) ° Indeling in postonderverdeling 3002 10 91 van gecombineerde nomenclatuur
Samenvatting
Het gemeenschappelijk douanetarief moet aldus worden uitgelegd, dat goederenstellen met als hoofdcomponent een monoclonaal diagnostisch reagens (antilichaam) moeten worden ingedeeld onder postonderverdeling 3002 10 91 van de gecombineerde nomenclatuur.
Partijen
In zaak C-191/91,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Bundesfinanzhof, in het aldaar aanhangig geding tussen
Abbott GmbH
en
Oberfinanzdirektion Koeln
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de gecombineerde nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. N. Kakouris, kamerpresident, M. Diez de Velasco en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: W. Van Gerven
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° Abbott GmbH, vertegenwoordigd door D. Krueger, advocaat te Frankfurt am Main,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Rodríguez Galindo, lid van haar juridische dienst, bijgestaan door R. Hayder, representant van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 oktober 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 12 juni 1991, ingekomen bij het Hof op 26 juli daaraanvolgend, heeft het Bundesfinanzhof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van het gemeenschappelijk douanetarief, ingesteld bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1987, L 256, blz. 1), met het oog op de indeling van goederenstellen ("Test-Kits") bevattende verschillende laboratoriumreagentia.
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen Abbott GmbH, verzoekster in het hoofdgeding, en de Oberfinanzdirektion Koeln, verweerster in het hoofdgeding, over de tariefindeling van genoemde goederen.
3 Blijkens het dossier zijn bedoelde goederenstellen, aangeboden in verpakkingen voor de detailhandel, bestemd voor gebruik als diagnostische immuuntest, dat wil zeggen voor de opsporing en identificatie van bepaalde stoffen in menselijk serum en plasma.
4 Van mening, dat het bestanddeel waaraan het goederenstel zijn wezenlijk karakter ontleent in de zin van algemene regel 3 b) voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur (bijlage I van verordening nr. 2658/87), het daarin vervatte monoclonale diagnostisch reagens is, deelde de Oberfinanzdirektion bij haar bindende tariefinlichtingen van mei en juni 1989 het betrokken goederenstel, als een soortgelijk produkt als toxine, in onder postonderverdeling 3002 90 90, "andere".
5 Abbott stelde beroep tot nietigverklaring van deze tariefinlichtingen in, stellende dat het goed onder postonderverdeling 3002 10 10, "sera van geïmmuniseerde dieren of personen", valt.
6 Het Bundesfinanzhof, dat in eerste en laatste instantie uitspraak doet in het geding, achtte een uitspraak van het Hof noodzakelijk over de uitlegging van de tariefbepalingen betreffende de indeling van de betrokken goederen. Het heeft het Hof daartoe de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Moet het gemeenschappelijk douanetarief ° gecombineerde nomenclatuur ° aldus worden uitgelegd, dat goederenstellen (' Test-Kits' ) met als hoofdcomponent een monoclonaal diagnostisch reagens ° antilichaam °, zoals in de motivering van deze beschikking beschreven, overeenkomstig algemene regel 3 b) als 'andere produkten' in de zin van post 3002 90 90 zijn aan te merken?
2) Zo neen: volgt uit de uitlegging van het douanetarief, dat de bedoelde goederen als antisera onder tariefpost 3002 10 10 moeten worden ingedeeld?
3) Ingeval ook vraag 2 ontkennend moet worden beantwoord: onder welke andere onderverdeling van post 3002 of onder welke andere post van het douanetarief (eventueel post 3822) vallen bovengenoemde goederen?"
7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
8 Vaststaat, dat het bestanddeel waaraan de betrokken goederenstellen hun wezenlijk karakter ontlenen, het genoemde monoclonale diagnostisch reagens is en dat dit een produkt is dat valt onder post 3002, luidende:
"3002 Menselijk bloed; dierlijk bloed bereid voor therapeutisch en profylactisch gebruik of voor het stellen van diagnosen; sera van geïmmuniseerde dieren of personen, alsmede andere bloedfracties; vaccins, toxinen, culturen van micro-organismen (andere dan gist) en dergelijke produkten."
9 Met betrekking tot de indeling van het betrokken goed onder een van de onderverdelingen van post 3002 zij opgemerkt, dat postonderverdeling 3002 90 90 als restpost in aanmerking komt, wanneer het goed in geen enkele andere onderverdeling kan worden ingedeeld.
10 Te dezen blijkt uit het dossier, dat het monoclonale diagnostisch reagens waaraan de betrokken goederenstellen hun wezenlijk karakter ontlenen, een monoclonaal antilichaam is. Monoclonale antilichamen worden door lymfocyten B geproduceerd. De vervaardiging van de betrokken goederenstellen, die voor immunologische tests worden gebruikt, begint met het isoleren van een stamcel van het type lymfocyt B uit het plasma van de milt van een donordier, in dit geval een muis.
11 De aldus verkregen lymfocyt, die het beoogde monoclonale antilichaam produceert, wordt vervolgens versmolten met een kankercel, die het vermogen bezit zich oneindig te vermenigvuldigen. De uit de versmelting voortkomende nieuwe cel, een hybridoma, wordt dan in een voor vermenigvuldiging gunstig milieu gekweekt. Het door de lymfocyt geproduceerde antilichaam wordt aldus door de genoemde eigenschap van de kankercel vermenigvuldigd.
12 Voorts zij opgemerkt, dat lymfocyten B, ook wel bloedlymfocyten genoemd, bloedfracties zijn. Monoclonale antilichamen, die door lymfocyten B in het bloed afgescheiden immunoglobulinen zijn, zijn derhalve zelf bloedfracties en vallen onder onderverdeling 3002 10, "sera van geïmmuniseerde dieren of personen, alsmede andere bloedfracties".
13 Hieruit volgt, dat de monoclonale antilichamen die in laboratoria via de hybridomatechniek voor de samenstelling van de in het hoofdgeding bedoelde goederenstellen worden verkregen, eveneens immunoglobulinen zijn, daar zij overeenkomen met de door lymfocyten B in het bloed afgescheiden monoclonale antilichamen en derhalve als bloedfracties in de zin van onderverdeling 3002 10 zijn te beschouwen.
14 Met betrekking tot de indeling van de betrokken goederen onder een van de subposten van deze postonderverdeling zij opgemerkt, dat de monoclonale antilichamen in casu geen "sera van geïmmuniseerde dieren of personen" in de zin van postonderverdeling 3002 10 10 zijn. Zij zijn immers geen "vloeibare fracties die na stolling van het bloed kunnen worden afgescheiden", zoals sera in de IDR-toelichtingen op tariefpost 3002 worden omschreven.
15 De betrokken goederen zijn bijgevolg te beschouwen als "andere bloedfracties" in de zin van het tweede deel van onderverdeling 3002 10. Wat hun indeling in een der onderverdelingen van dit begrip betreft, moet worden vastgesteld, dat gelijk de Commissie stelt, de betrokken antilichamen, die immers immunoglobulinen zijn, moeten worden beschouwd als hetzij bloedglobulinen hetzij serumglobulinen, in de zin van onderverdeling 3002 10 91. Voor het aan de nationale rechter te geven antwoord voor de oplossing van het hoofdgeding behoeft daarbij geen specifieke keus tussen beide categorieën te worden gemaakt.
16 Aan de nationale rechter moet mitsdien worden geantwoord, dat het gemeenschappelijk douanetarief aldus moet worden uitgelegd, dat goederenstellen met als hoofdcomponent een monoclonaal diagnostisch reagens (antilichaam) moeten worden ingedeeld onder postonderverdeling 3002 10 91.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
17 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
uitspraak doende op de door het Bundesfinanzhof bij beschikking van 12 juni 1991 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Het gemeenschappelijk douanetarief moet aldus worden uitgelegd, dat goederenstellen met als hoofdcomponent een monoclonaal diagnostisch reagens (antilichaam) moeten worden ingedeeld onder postonderverdeling 3002 10 91.
Full & Egal Universal Law Academy