Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Procedure van heronderzoek - Opening van nieuw onderzoek - Voorwaarden - Voldoende bewijzen van dumping en daaruit voortvloeiende schade
(Verordening nr. 2423/88 van de Raad, art. 5, lid 2, 7, lid 1, en 14)
Samenvatting
In het kader van het in artikel 14 van verordening nr. 2423/88 bedoelde heronderzoek van verordeningen tot instelling van antidumpingrechten of van besluiten om verbintenissen te aanvaarden, en wanneer in die context een nieuw onderzoek noodzakelijk is, dat ten aanzien van één of meerdere ondernemingen dezelfde strekking heeft als het oorspronkelijke, moet het nieuwe onderzoek worden heropend volgens de bepalingen van de artikelen 7, lid 1, en 5, lid 2, en is vereist dat er voldoende bewijsmateriaal is, dat betrekking moet hebben op het bestaan van dumping en de daaruit voortvloeiende schade. Het doel van die bepalingen, en overigens van artikel 5, lid 1, van de Anti-dumpingcode van de GATT, die eveneens de opening van elk onderzoek afhankelijk stelt van het voorhanden zijn van voldoende bewijzen, bestaat er dus in te voorkomen dat tegen exporteurs anti-dumpingprocedures worden ingeleid die niet gerechtvaardigd zijn op objectieve gronden.
Evenwel is niet vereist, dat het bewijsmateriaal betrekking heeft op dumpingpraktijken van elk van de onderzochte ondernemingen. Anti-dumpingprocedures hebben namelijk in beginsel betrekking op alle importen van een bepaalde categorie produkten uit een derde land en niet op de import van produkten van bepaalde ondernemingen. Daarom kan niet worden uitgesloten, dat de Commissie, wanneer zij beschikt over voldoende bewijzen dat de invoer van bepaalde produkten afkomstig uit een derde land met dumping heeft plaatsgehad, besluit een onderzoek in te stellen naar ondernemingen die de betrokken goederen produceren of exporteren, ook wanneer zij niet beschikt over bewijzen van dumpingpraktijken van iedere onderneming waarop het onderzoek betrekking heeft.
Partijen
In zaak C-216/91,
Rima Eletrometalurgia SA, vennootschap naar Braziliaans recht, gevestigd te Belo Horizonte, Minas Gerais (Brazilië), vertegenwoordigd door J.-F. Belllis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. F. Brausch, advocaat aldaar, Rue Sainte Zithe 8,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. H. Stein, juridisch adviseur, en G. Houttuin, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij X. Herlin, directeur van de directie juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
verweerder,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. White, lid van haar juridische dienst, bijgestaan door C. M. Happe, Duits ambtenaar gedetacheerd bij de juridische dienst van de Commissie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij N. Annecchino, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
interveniënte,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van artikel 1, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1115/91 van de Raad van 29 april 1991 tot instelling van definitieve anti-dumpingrechten in het kader van het nieuwe onderzoek van de anti-dumpingmaatregelen die op de invoer van ferrosilicium van oorsprong uit Brazilië van toepassing zijn (PB 1991, L 111, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida, kamerpresident, R. Joliet en G. C. Rodríguez Iglesias, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: L. Hewlett, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 27 mei 1993,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 juli 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 14 augustus 1991, stelde de vennootschap Rima Eletrometalurgia SA (hierna: "Rima") krachtens artikel 173 van het EEG-Verdrag beroep in tot nietigverklaring van artikel 1, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1115/91 van de Raad van 29 april 1991 tot instelling van definitieve anti-dumpingrechten in het kader van het nieuwe onderzoek van de anti-dumpingmaatregelen die op de invoer van ferrosilicium van oorsprong uit Brazilië van toepassing zijn (PB 1991, L 111, blz. 1, hierna: "de bestreden verordening").
2 Rima is een Braziliaanse vennootschap waarvan de zetel is gevestigd te Belo Horizonte, en die zich bezighoudt met de produktie en de verkoop van ijzerlegeringen, waaronder ferrosilicium. Op 12 september 1986 opende de Commissie, als gevolg van een klacht van de gemeenschapsproducenten van ferrosilicium, een procedure met betrekking tot de invoer van ferrosilicium van oorsprong uit Brazilië. Rima heeft de anti-dumpingvragenlijst beantwoord. Dit antwoord is door de diensten van de Commissie ten kantore van Rima in Belo Horizonte geverifieerd. Aangezien het onderzoek had aangetoond dat Rima, wier handelsnaam destijds Electrometalur SA Indústria e Comércio was, zich niet aan dumping schuldig had gemaakt, bepaalde artikel 1, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2409/87 van de Commissie van 6 augustus 1987 houdende instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van ferrosilicium van oorsprong uit Brazilië en aanvaarding van verbintenissen die zijn aangeboden door Italmagnésio SA, Brazilië en Promsyrio-Import, USSR (PB 1987, L 219, blz. 24), dat het recht niet van toepassing was op door verzoekster vervaardigde en uitgevoerde produkten. Die uitsluiting werd bevestigd door artikel 1, lid 3, van verordening (EEG) nr. 3650/87 van de Raad van 3 december 1987 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van ferrosilicium van oorsprong uit Brazilië (PB 1987, L 343, blz. 1).
3 Op 3 mei 1990 stelde de Commissie krachtens artikel 14 van verordening (EEG) nr. 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1988, L 209, blz. 1, hierna: "basisverordening"), een nieuw onderzoek in van de anti-dumpingmaatregelen vastgesteld bij verordening nr. 3650/87 (reeds aangehaald).
4 Die procedure werd geopend als reactie op een verzoek om een nieuw onderzoek, ingediend door bepaalde Braziliaanse exporteurs die aan het anti-dumpingrecht waren onderworpen. Deze ondernemingen betoogden, dat hun export in 1989 niet meer tegen dumpingprijzen had plaatsgevonden, zodat de communautaire industrie niet langer materiële schade leed.
5 Het nieuwe onderzoek werd niet beperkt tot de exporteurs die de aanvraag hadden ingediend, doch werd uitgebreid tot alle Braziliaanse exporteurs, waaronder Rima. Het bericht van de opening van de procedure van het nieuwe onderzoek (PB 1990, C 109 van 3 mei 1990, blz. 5) vermeldde in dit verband: "Nadat zij na overleg had besloten, dat voldoende bewijsmateriaal aanwezig was om een nieuw onderzoek te rechtvaardigen, heeft de Commissie overeenkomstig artikel 14 van verordening (EEG) nr. 2423/88 van de Raad een onderzoek ingesteld. Omdat de Commissie bovendien redenen heeft om aan te nemen dat de door sommige Braziliaanse exporteurs aangevoerde omstandigheden tevens van toepassing zijn op andere Braziliaanse producenten en/of exporteurs en dat bovendien op de markt van ferrosilicium een nieuwe situatie is ontstaan als gevolg van de aanzienlijke daling van de verkoopprijzen op de communautaire markt als gevolg van de overcapaciteit van de produktie op wereldvlak, wordt de procedure van een nieuw onderzoek tot alle Braziliaanse producenten en/of exporteurs uitgebreid".
6 De Commissie zond verzoekster een tweede anti-dumpingvragenlijst. Het onderzoek had betrekking op het tijdvak 1 september 1989 tot en met 30 april 1990. Na ontvangst van het antwoord van Rima is de Commissie overgegaan tot een verificatie ter zetel van de vennootschap. Later heeft de Commissie haar eerste berekeningen medegedeeld, waarin in verband met verzoekster een dumpingmarge van 38,2 % werd vastgesteld. Nadat deze haar argumenten terzake had uiteengezet, stelde de Raad, op voorstel van de Commissie, de bestreden verordening vast.
7 Krachtens artikel 1, lid 3, van die verordening, de bepaling waarvan in deze procedure de nietigverklaring wordt gevorderd, werd op de invoer van ferrosilicium door Rima een definitief anti-dumpingrecht van 12,2 % van de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, ingesteld.
8 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
9 Tot staving van haar beroep, voert Rima vier middelen tot nietigverklaring aan:
- de gemeenschapsinstellingen hebben wezenlijke vormvoorschriften geschonden door verzoekster in het nieuwe onderzoek te betrekken en haar een anti-dumpingrecht op te leggen;
- de vaststelling door de gemeenschapsinstellingen van het bestaan van dumping is gebaseerd op buiten de door de Commissie vastgestelde onderzoeksperiode gelegen factoren;
- de vaststelling door de gemeenschapsinstellingen van het bestaan van dumping berust op een ondeugdelijke vergelijking van de normale waarde met de prijs bij uitvoer, in strijd met artikel 2, lid 9, sub a, van de basisverordening;
- verzoekster is niet gehoord over de door de Commissie voorgestelde anti-dumpingmaatregelen, in strijd met fundamentele rechten van de verdediging.
Het eerste middel
10 Met dit middel, zoals ter terechtzitting gepreciseerd, betoogt Rima, dat het oorspronkelijk onderzoek had geleid tot de vaststelling dat zij zich niet aan dumping had schuldig gemaakt, zodat het nieuwe onderzoek dat jegens haar is ingesteld in het kader van de nieuwe procedure die het gevolg is geweest van het verzoek van vijf aan een anti-dumpingrecht onderworpen exporteurs, onwettig was. Volgens haar zou een nieuw onderzoek slechts regelmatig zijn geweest wanneer er bewijsmateriaal van door haar begane dumping bestond.
11 De Raad en de Commissie daarentegen zijn van mening, dat dit onderzoek volstrekt regelmatig was, aangezien de anti-dumpingprocedure, die betrekking had op produkten afkomstig uit Brazilië en niet op produkten van bepaalde ondernemingen, nog steeds liep, ondanks het negatieve resultaat van het eerste onderzoek met betrekking tot Rima. Zij betogen, dat er volgens artikel 7, lid 1, van de basisverordening voldoende bewijsmateriaal van dumping en schade voor de gemeenschapsindustrie dient te zijn om de inleiding van een procedure te rechtvaardigen, maar dat dit vereiste niet geldt wanneer, zoals in casu, een nieuw onderzoek wordt geopend in het kader van een nog lopende procedure. Volgens artikel 14, lid 1, van de basisverordening, heeft het bewijsmateriaal dat voor een nieuw onderzoek is vereist, anders dan het bewijsmateriaal dat vereist is voor de inleiding van een anti-dumpingprocedure, geen betrekking op het bestaan van dumping en schade voor de gemeenschapsindustrie, maar op gewijzigde omstandigheden die een nieuw onderzoek wettigen.
12 De relevante bepalingen van artikel 14 van de basisverordening aangaande de procedure van het nieuwe onderzoek van anti-dumpingmaatregelen, luiden als volgt:
"1. De verordeningen waarbij anti-dumpingrechten of compenserende rechten worden ingesteld en de besluiten om verbintenissen te aanvaarden worden, wanneer daartoe aanleiding bestaat, geheel of gedeeltelijk aan een nieuw onderzoek onderworpen.
Dit nieuwe onderzoek wordt ingesteld op verzoek van een Lid-Staat of op initiatief van de Commissie. Een nieuw onderzoek wordt ook ingesteld wanneer een belanghebbende partij daarom verzoekt en voldoende bewijsmateriaal over gewijzigde omstandigheden overlegt om de noodzaak van dat onderzoek te wettigen, mits tenminste één jaar is verlopen na beëindiging van het onderzoek. Het desbetreffende verzoek wordt gericht tot de Commissie, die de Lid-Staten ervan in kennis stelt.
2. Indien, na overleg, blijkt dat een nieuw onderzoek gewettigd is, wordt het onderzoek overeenkomstig artikel 7 opnieuw geopend indien de omstandigheden zulks vereisen. Deze heropening als zodanig is niet van invloed op de vigerende maatregelen.
3. Wanneer het nieuwe onderzoek, al dan niet uitgevoerd met heropening van het onderzoek, zulks wettigt, worden de maatregelen gewijzigd, ingetrokken of geannuleerd (...)".
13 Uit deze bepalingen volgt dat, wanneer de situatie opnieuw wordt onderzocht, en in dat verband een nieuw onderzoek noodzakelijk is, dat ten aanzien van één of meerdere ondernemingen dezelfde strekking heeft als het oorspronkelijke, het nieuwe onderzoek moet worden heropend volgens de bepalingen van artikel 7. Lid 1 van dat artikel vereist dat er voldoende bewijsmateriaal is dat, krachtens artikel 5, lid 2, betrekking moet hebben op het bestaan van dumping en de daaruit voortvloeiende schade.
14 Deze conclusie vindt steun in artikel 5, lid 1, van de Anti-dumpingcode van de GATT die, zoals verzoekster heeft betoogd, de opening van elk onderzoek (onverschillig of dit ambtshalve dan wel op verzoek van belanghebbende partijen plaatsvindt) dat het bestaan, de omvang en het effect van beweerde dumping beoogt vast te stellen, doet afhangen van het voorhanden zijn van voldoende bewijzen van het bestaan van dumping, schade en een oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de beweerde schade.
15 Voormelde artikelen van de basisverordening, evenals artikel 5, lid 1, van de Anti-dumpingcode van de GATT, zijn dus bedoeld om te voorkomen dat tegen exporteurs anti-dumpingprocedures worden ingeleid die niet gerechtvaardigd zijn op objectieve gronden.
16 Uit het voorgaande volgt, dat het bestaan van voldoende bewijs van dumping en daaruit voortvloeiende schade steeds een eerste vereiste is voor de opening van een onderzoek, zowel bij de inleiding van een anti-dumpingprocedure als in de loop van een nieuw onderzoek van een verordening tot instelling van anti-dumpingrechten.
17 Anders dan verzoekster betoogt, is evenwel niet vereist dat het bewijsmateriaal betrekking heeft op dumpingpraktijken van elk van de onderzochte ondernemingen. Zoals de Raad en de Commissie terecht hebben gesteld, hebben anti-dumpingprocedures in beginsel betrekking op alle importen van een bepaalde categorie produkten uit een derde land en niet op de import van produkten van bepaalde ondernemingen.
18 Daarom kan niet worden uitgesloten, dat de Commissie, wanneer zij beschikt over voldoende bewijzen dat de invoer van bepaalde produkten afkomstig uit een derde land met dumping heeft plaatsgehad, besluit een onderzoek in te stellen naar ondernemingen die de betrokken goederen produceren of exporteren, ook wanneer zij niet beschikt over bewijzen van dumpingpraktijken van iedere onderneming waarop het onderzoek betrekking heeft.
19 Gezien deze elementen, rijst de vraag, of er in het onderhavige geval voldoende bewijsmateriaal was dat het door de Commissie ten aanzien van Rima geopende onderzoek rechtvaardigde.
20 In dit verband, verwijzen de Raad en de Commissie naar de elementen genoemd in het bericht inzake inleiding van de procedure voor het nieuwe onderzoek, te weten, het door de vijf exporteurs die het nieuwe onderzoek hebben gevraagd verschafte bewijsmateriaal, en bovendien de nieuwe situatie op de ferrosilicium-markt als gevolg van de aanzienlijke prijsdaling op de markt van de Gemeenschap, veroorzaakt door de overcapaciteit van de produktie op wereldvlak.
21 Het door de vijf exporteurs verschafte bewijsmateriaal kan, bij ontbreken van nauwkeuriger inlichtingen, niet als voldoende bewijsmateriaal van het bestaan van dumping in de zin van artikel 7, lid 1, van de basisverordening worden aanvaard, aangezien dit bewijsmateriaal integendeel is ingediend tot staving van het verzoek om een nieuw onderzoek, en er dus juist toe strekte aan te tonen, dat de verzoekende ondernemingen in 1989 niet meer met dumping hadden geëxporteerd.
22 Met betrekking tot de nieuwe situatie op de ferrosilicium-markt als gevolg van de aanzienlijke daling van de verkoopprijzen op de markt van de Gemeenschap veroorzaakt door de overcapaciteit van de produktie op wereldvlak, dient te worden opgemerkt, dat die overcapaciteit ook de oorzaak kan zijn geweest van een prijsdaling op de andere markten, waaronder de Braziliaanse markt. Dit argument is inderdaad ook aangevoerd door de exporteurs die om het nieuwe onderzoek hebben verzocht, tot staving van hun stelling dat zij niet meer tegen dumpingprijzen exporteerden.
23 Aangezien het begrip dumping impliceert dat de prijs op de markt van de Gemeenschap lager is dan die op de markt van het land van export of oorsprong, kon de gewijzigde situatie op de ferrosilicium-markt als gevolg van de aanmerkelijke daling van de verkoopprijzen op de markt van de Gemeenschap, niet als voldoende bewijsmateriaal voor dumping worden beschouwd.
24 Uit het voorafgaande volgt, dat bij ontbreken van enig bewijs van het bestaan van dumping, niet was voldaan aan de voorwaarden die ingevolge artikel 7, lid 1, van de basisverordening gelden voor de opening van een onderzoek.
25 De Raad en de Commissie betogen voorts nog, dat zij verplicht waren ook verzoekster in het nieuwe onderzoek te betrekken, teneinde haar niet anders te behandelen dan de andere ondernemingen.
26 Dit argument kan niet worden aanvaard. Voor zover de vereisten van een gelijke behandeling de uitbreiding van het onderzoek konden rechtvaardigen tot producenten en exporteurs die door het anti-dumpingrecht waren getroffen en niet om het nieuwe onderzoek hadden gevraagd, kunnen zij niet de opening van een nieuw onderzoek rechtvaardigen jegens verzoekster, wier produkten als gevolg van het oorspronkelijke onderzoek, juist van de toepassing van het anti-dumpingrecht waren uitgesloten.
27 Uit alle bovenstaande overwegingen volgt, dat de gemeenschapsinstellingen verzoekster een anti-dumpingrecht hebben opgelegd in strijd met de terzake in de basisverordening gestelde voorwaarden.
28 Artikel 1, lid 3, van de bestreden verordening moet dus nietig worden verklaard, zonder dat verzoeksters andere middelen moeten worden onderzocht.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
29 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Raad in het ongelijk is gesteld, dient hij in de kosten te worden verwezen. Volgens artikel 69, paragraaf 4, eerste alinea, moet de Commissie, interveniënte, haar eigen kosten dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart nietig artikel 1, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1115/91 van de Raad van 29 april 1991 tot instelling van definitieve anti-dumpingrechten in het kader van het nieuwe onderzoek van de anti-dumpingmaatregelen die op de invoer van ferrosilicium van oorsprong uit Brazilië van toepassing zijn.
2) Verwijst de Raad in de kosten.
3) Verstaat dat de Commissie haar eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy