Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vrij verkeer van goederen ° Kwantitatieve beperkingen ° Vis waarin draadwormlarven voorkomen ° Stelselmatige controles van partijen die vergezeld gaan van certificaat inhoudende dat zij vrij zijn van levende larven, of invoerverbod voor partijen die na controle vrij van levende larven zijn gebleken ° Rechtvaardiging ° Bescherming van volksgezondheid ° Afwezigheid ° Niet-nakoming van verplichtingen krachtens overeenkomst EEG-Noorwegen en richtlijn 83/643
(EEG-Verdrag, art. 30 en 36; overeenkomst EEG-Noorwegen van 14 mei 1973; richtlijn 83/643 van de Raad)
Samenvatting
Een Lid-Staat komt zijn verplichtingen krachtens de artikelen 30 en 36 van het Verdrag niet na, wanneer hij stelselmatige controles voorschrijft voor partijen vis uit andere Lid-Staten, die vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat van de staat van verzending, inhoudende dat het produkt vrij is van levende draadwormlarven, of wanneer hij de invoer verbiedt van partijen vis die niet van een dergelijk certificaat vergezeld gaan, ofschoon bij controle op zijn grondgebied de aanwezigheid van levende larven niet is gebleken, in zoverre hij in beide gevallen niet weet aan te tonen, dat de consumptie van vis waarin dode of na een passende behandeling gedevitaliseerde draadwormlarven voorkomen, gevaar voor de gezondheid van de mens oplevert.
Aangezien de overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen met betrekking tot het handelsverkeer tussen de verdragsluitende partijen regels bevat die identiek zijn aan die van de artikelen 30 en 36 van het Verdrag, en er in casu geen reden is om die regels anders uit te leggen dan genoemde artikelen van het Verdrag, leveren bovengenoemde nationale maatregelen, wanneer het om partijen vis uit Noorwegen gaat, tevens een niet-nakoming op van de verplichtingen krachtens verordening nr. 1691/73 houdende sluiting van genoemde overeenkomst en vaststelling van de bepalingen ter uitvoering ervan.
Stelselmatige controles van partijen die vergezeld gaan van een certificaat inhoudende dat zij vrij zijn van levende larven, leveren voorts een niet-nakoming op van de verplichtingen krachtens richtlijn 83/643 ter vereenvoudiging van de fysieke controle en de administratieve formaliteiten bij het goederenvervoer tussen Lid-Staten.
Partijen
In zaak C-228/91,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Aresu en M. B. Rodríguez Galindo, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij N. Annecchino, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door L. Ferrari Bravo, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door O. Fiumara, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Italiaanse ambassade, Rue Marie-Adélaïde 5,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door op basis van een zonder onderscheid toepasselijke nationale regeling en van de desbetreffende specifieke administratieve uitvoeringshandelingen de invoer van partijen vis uit de andere Lid-Staten en uit het Koninkrijk Noorwegen feitelijk te verbieden op de enkele grond dat daarin draadwormlarven voorkwamen, en door die partijen vis aan stelselmatige controles te onderwerpen, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag, voor zover deze onderdeel vormen van verordening (EEG) nr. 3796/81 van de Raad van 29 december 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijprodukten (PB 1981, L 379, blz. 1), zoals gewijzigd, van richtlijn 83/643/EEG van de Raad van 1 december 1983 ter vereenvoudiging van de fysieke controle en de administratieve formaliteiten bij het goederenvervoer tussen Lid-Staten (PB 1983, L 359, blz. 8), zoals gewijzigd, en van verordening (EEG) nr. 1691/73 van de Raad van 25 juni 1973 houdende sluiting van een Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen en houdende vaststelling van bepalingen ter uitvoering daarvan (PB 1973, L 171, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: C. N. Kakouris, kamerpresident, waarnemend voor de president, M. Zuleeg en J. L. Murray, kamerpresidenten, G. F. Mancini, F. A. Schockweiler, J. C. Moitinho de Almeida, F. Grévisse, M. Diez de Velasco, en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 12 januari 1993,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 maart 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 11 september 1991, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EEG-Verdrag verzocht vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door op basis van een zonder onderscheid toepasselijke nationale regeling en van de desbetreffende specifieke administratieve uitvoeringshandelingen de invoer van partijen vis uit de andere Lid-Staten en uit het Koninkrijk Noorwegen feitelijk te verbieden op de enkele grond dat daarin draadwormlarven voorkwamen, en door die partijen vis aan stelselmatige controles te onderwerpen, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag, voor zover deze onderdeel vormen van verordening (EEG) nr. 3796/81 van de Raad van 29 december 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijprodukten (PB 1981, L 379, blz. 1), zoals gewijzigd, van richtlijn 83/643/EEG van de Raad van 1 december 1983 ter vereenvoudiging van de fysieke controle en de administratieve formaliteiten bij het goederenvervoer tussen Lid-Staten (PB 1983, L 359, blz. 8), zoals gewijzigd, en van verordening (EEG) nr. 1691/73 van de Raad van 25 juni 1973 houdende sluiting van een Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen en houdende vaststelling van bepalingen ter uitvoering daarvan (PB 1973, L 171, blz. 1).
2 De Italiaanse wet nr. 283 van 30 april 1962 (GURI nr. 139, blz. 2194), zoals gewijzigd, verbiedt onder strafbedreiging om voor de bereiding van voedingswaren of dranken voedingsmiddelen te verkopen, voorradig te hebben met het oog op verkoop, te leveren, te distribueren voor consumptie of op het grondgebied van de Italiaanse Republiek in te voeren, welke "geheel of gedeeltelijk hun voedingswaarde hebben verloren, vermengd zijn met stoffen van mindere kwaliteit, vervuild, met parasieten besmet, bedorven of schadelijk zijn, dan wel een behandeling hebben ondergaan om genoemde omstandigheden te verbergen". Krachtens deze wet kunnen de gezondheidsautoriteiten te allen tijde inspecties uitvoeren en monsters nemen van levensmiddelen, en inbeslagneming, alsmede vernietiging van de goederen voorschrijven, wanneer uit de verrichte controles blijkt dat dit ter bescherming van de volksgezondheid noodzakelijk is.
3 Ministerieel besluit nr. 454 van 8 oktober 1988 (GURI nr. 253, blz. 7), zoals gewijzigd bij ministerieel besluit nr. 47 van 15 februari 1990 (GURI nr. 61, blz. 7) bepaalt, dat in het geval van voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong het aantal aan een gezondheidscontrole te onderwerpen partijen niet minder mag bedragen dan 10 % van de aangeboden dan wel binnen een week te verwachten partijen. Deze percentages worden "verhoogd in geval van twijfel of wanneer naar oordeel van de veterinaire grensinspectie of het Ministerie van Gezondheid voorzorgsmaatregelen ten behoeve van de bescherming van de gezondheid van personen en dieren moeten worden genomen".
4 Op de grondslag van wet nr. 283 van 1962, reeds aangehaald, zond het Italiaanse Ministerie van Gezondheid vanaf juli 1987 aan de veterinaire grensdiensten verscheidene telegrammen waarbij een stelselmatige controle werd voorgeschreven bij de invoer van bepaalde soorten vis, op grond dat in een toenemend aantal partijen de vis met draadwormlarven was besmet. Een later telegram breidde deze controle uit tot Italiaanse visserijprodukten.
5 Na klachten van Denemarken en Noorwegen en van ondernemingen die vis naar Italië exporteerden, stelde de Commissie vast, dat de Italiaanse autoriteiten vanaf juli 1987 nieuwe controlemaatregelen aan de grens toepasten, voornamelijk bij de invoer van makreel, haring, zalm en kabeljauw uit andere Lid-Staten en derde landen. Ook wanneer de partijen reeds in de staat van verzending gecontroleerd waren en vergezeld gingen van een volgens de voorschriften opgesteld gezondheidscertificaat, werd de vis aan stelselmatige controles onderworpen en aan de grens tegengehouden of zelfs vernietigd, wanneer de Italiaanse autoriteiten ook maar een enkele larf aantroffen, ook al was deze gedevitaliseerd.
6 Tot staving van haar beroep betoogt de Commissie in hoofdzaak, dat de Italiaanse beperkingen van de invoer van vis verder gingen dan voor een doeltreffende bescherming van de volksgezondheid noodzakelijk was.
7 Volgens de Commissie is het voorkomen van draadwormlarven een natuurlijk verschijnsel bij vis die in communautaire wateren wordt gevangen en is uitsluitend de consumptie van met levende larven besmette vis gevaarlijk voor de gezondheid van personen, terwijl internationaal wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat de opname van vis waarin dode of gedevitaliseerde draadwormen zelfs in grote aantallen voorkomen, geen enkel gevaar voor de gezondheid vormt.
8 Voorts wijst de Commissie erop, dat aangezien slechts rauwe vis levende larven kan bevatten en deze larven door verschillende eenvoudige, goedkope en zeer gangbare procédés, zoals verhitting of invriezing kunnen worden gedevitaliseerd, de Italiaanse autoriteiten de volksgezondheid doeltreffend hadden kunnen beschermen door maatregelen die het handelsverkeer minder belemmerden, zoals een verbod op de consumptie van rauwe vis, hetgeen overigens in Italië uiterst zelden voorkomt, het voorschrijven van een passende behandeling om de larven te devitaliseren, en het informeren van de consument door middel van een passend etiket waarmee de met onschadelijke draadwormen besmette vis in een lagere dan de normale versheidsklasse wordt ingedeeld.
9 De Italiaanse regering heeft er daarentegen op gewezen, dat de enkele aanwezigheid van draadwormlarven, ook al zijn deze gedevitaliseerd, de vis ongeschikt maakt voor menselijke consumptie. Omdat voorts de door de Commissie voorgestelde alternatieve maatregelen niet doeltreffend zijn, waren de litigieuze maatregelen noodzakelijk voor een doeltreffende bescherming van de gezondheid van personen.
10 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, de toepasselijke bepalingen, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De artikelen 30 en 36 van het Verdrag
11 Ter beoordeling van de gegrondheid van deze grief zij er allereerst op gewezen, dat ook al bevatten de bepalingen van verordening nr. 3796/81 geen uitdrukkelijk verbod van kwantitatieve invoerbeperkingen of maatregelen van gelijke werking in het intracommunautaire handelsverkeer, blijkens de artikelen 38 tot en met 46, juncto artikel 8, lid 7, van het Verdrag een dergelijk verbod uiterlijk sedert het einde van de overgangsperiode rechtens uit het Verdrag voortvloeit, zoals trouwens in de dertigste overweging van de considerans van verordening nr. 3796/81 wordt beklemtoond (zie, in die zin, arrest van 14 juli 1976, gevoegde zaken 3/76, 4/76 en 6/76, Kramer, Jurispr. 1976, blz. 1279, r.o. 53 en 54).
12 Vervolgens moet worden vastgesteld, dat de in geding zijnde maatregelen onder het verbod van artikel 30 van het Verdrag vallen. Volgens 's Hofs vaste rechtspraak (zie, in de eerste plaats, arrest van 11 juli 1974, zaak 8/74, Dassonville, Jurispr. 1974, blz. 837, r.o. 5) omvat het verbod van maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen immers iedere handelsregeling der Lid-Staten, die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren.
13 Er moet evenwel worden geverifieerd, of de in geding zijnde beperkingen, zoals de Italiaanse regering stelt, mogelijkerwijze krachtens artikel 36 van het Verdrag gerechtvaardigd kunnen worden uit hoofde van bescherming van de gezondheid en het leven van personen.
14 Dienaangaande zij er in de eerste plaats op gewezen, dat richtlijn 91/493/EEG van de Raad van 22 juli 1991 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de produktie en het in de handel brengen van visserijprodukten (PB 1991, L 268, blz. 15), na het door de Commissie in deze zaak uitgebrachte met redenen omkleed advies is vastgesteld, en dat de termijn voor omzetting ervan in nationaal recht eerst op 31 december 1992 afliep.
15 Op het moment waarop het onderhavige geschil door de precontentieuze procedure werd geformaliseerd, bestond er in de Gemeenschap dus nog geen gemeenschappelijke of geharmoniseerde regeling op het gebied van de gezondheidscontrole van vis.
16 Onder die omstandigheden stond het aan de Lid-Staten om te beslissen over de mate waarin zij de bescherming van de gezondheid en het leven van personen op dit gebied wilden waarborgen, zulks echter rekening houdend met de vereisten van het vrije goederenverkeer binnen de Gemeenschap (zie met name arrest van 19 maart 1991, zaak C-205/89, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1991, blz. I-1361, r.o. 8).
17 Onomstreden is, dat de betrokken nationale maatregelen de bescherming van de volksgezondheid tot doel hebben, zodat zij in beginsel onder de in artikel 36 van het Verdrag bedoelde afwijking vallen.
18 In de tweede plaats moet er evenwel aan worden herinnerd, dat een regeling die het intracommunautaire handelsverkeer beperkt, slechts verenigbaar is met het Verdrag voor zover zij noodzakelijk is voor een doeltreffende bescherming van de gezondheid en het leven van personen, en dat er derhalve geen beroep op de afwijking van artikel 36 kan worden gedaan, wanneer de gezondheid en het leven van personen even doeltreffend kunnen worden beschermd door maatregelen die het intracommunautaire handelsverkeer minder beperken (zie met name arrest van 20 mei 1976, zaak 104/75, De Peijper, Jurispr. 1976, blz. 613, r.o. 16 en 17).
19 Derhalve dient te worden onderzocht, of de in geding zijnde Italiaanse beperkingen aan het aldus geformuleerde evenredigheidsbeginsel beantwoorden.
20 Dienaangaande heeft het Hof reeds meerdere malen verklaard, dat een dubbele controle bij de invoer van produkten, enerzijds bestaande in het vereiste van een certificaat van de bevoegde autoriteit van het uitvoerland, waarin wordt verklaard dat de waar aan een behandeling ter vernietiging van bepaalde parasieten is onderworpen, en anderzijds in een stelselmatige controle aan de grens, waarbij de invoer pas wordt toegestaan nadat de gezondheidsautoriteiten van het land van bestemming hebben vastgesteld dat de waar vrij is van die parasieten, verder gaat dan wat artikel 36 van het Verdrag toestaat (zie arresten van 8 november 1979, zaak 251/78, Denkavit, Jurispr. 1979, blz. 3369; 7 april 1981, zaak 132/80, United Foods, Jurispr. 1981, blz. 995; 17 december 1981, zaak 272/80, Biologische Producten, Jurispr. 1981, blz. 3277, en 8 februari 1983, zaak 124/81, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1983, blz. 203).
21 Het is vaste rechtspraak, dat wanneer het betrokken produkt in de staat van uitvoer reeds een gezondheidscontrole heeft ondergaan die gelijke waarborgen biedt als de controle bij de invoer, bij deze laatste niet de controle door de Lid-Staat van verzending mag worden overgedaan, zodat zij in ieder geval beperkt moet blijven tot maatregelen die ertoe dienen, de risico' s op te vangen die zich voordoen tijdens het vervoer of voortvloeien uit eventuele behandelingen na de controle bij vertrek (zie arrest United Foods, reeds aangehaald, r.o. 29).
22 Evenzo heeft het Hof verklaard, dat wanneer door samenwerking tussen de autoriteiten van de Lid-Staten de grenscontroles kunnen worden vergemakkelijkt en verlicht, de met de zorg voor de volksgezondheid belaste instanties moeten nagaan, of de in het kader van een dergelijke samenwerking afgegeven bewijsstukken niet een vermoeden scheppen, dat de ingevoerde goederen voldoen aan de vereisten van de nationale gezondheidswetgeving, hetgeen een verlichting van de controles bij invoer mogelijk zou maken (zie met name arrest Denkavit, reeds aangehaald, r.o. 23, en het arrest Commissie/Verenigd Koninkrijk, reeds aangehaald, r.o. 30).
23 Een door het land van bestemming voorgeschreven gezondheidscontrole van goederen die in het uitvoerland reeds een dergelijke controle hebben ondergaan en vergezeld gaan van een door de bevoegde autoriteiten van laatstbedoeld land afgegeven gezondheidscertificaat, inhoudende dat de betrokken produkten niet schadelijk zijn voor de volksgezondheid, gaat verder dan wat voor een doeltreffende bescherming van de volksgezondheid noodzakelijk is. De autoriteiten van het land van bestemming van die produkten mogen derhalve nog slechts steekproefsgewijze controles verrichten, teneinde zich te vergewissen van de juistheid van de door de autoriteiten van het uitvoerland afgegeven documenten, fraude te voorkomen en de invoer van partijen die niet aan de voorschriften voldoen, te verhinderen.
24 Dit betekent, dat de autoriteiten van een Lid-Staat niet zonder het aan artikel 36 van het Verdrag ten grondslag liggende evenredigheidsbeginsel te miskennen, produkten uit andere Lid-Staten, die vergezeld gaan van een door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van verzending afgegeven gezondheidscertificaat, inhoudende dat het betrokken produkt geen gevaar voor de volksgezondheid vormt, aan stelselmatige gezondheidscontroles kunnen onderwerpen.
25 De Italiaanse regering heeft in de eerste plaats betoogd, dat de litigieuze controles niet stelselmatig waren, en in de tweede plaats, dat de consumptie van vis waarin draadwormlarven voorkomen, ook al zijn deze gedevitaliseerd, een gevaar voor de volksgezondheid oplevert.
26 Wat het eerste argument betreft, volstaat het erop te wijzen, dat in de door het Italiaanse Ministerie van Gezondheid op 18 juli en 4 september 1987 aan de veterinaire grensdiensten verzonden telegrammen sprake is van stelselmatige controle bij de invoer van makreel, haring, zalm en kabeljauw, ongeacht of de vis al dan niet vergezeld ging van een door de bevoegde autoriteiten van het land van verzending afgegeven gezondheidscertificaat.
27 Met betrekking tot het tweede punt moet eraan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak (zie met name arrest van 30 november 1983, zaak 227/82, Van Bennekom, Jurispr. 1983, blz. 3883, r.o. 40) de nationale autoriteiten in elk concreet geval moeten aantonen, dat hun regeling noodzakelijk is voor een doeltreffende bescherming van de in artikel 36 van het Verdrag bedoelde belangen en, met name, dat de verhandeling van het betrokken produkt een ernstig gevaar voor de volksgezondheid oplevert.
28 In de eerste plaats nu heeft de Italiaanse regering niet aangetoond, dat de consumptie van vis waarin dode of na een passende behandeling gedevitaliseerde draadwormlarven voorkomen, gevaarlijk is voor de volksgezondheid. Zij heeft enkel gesteld, dat visserijprodukten waarin onschadelijk gemaakte larven voorkomen, niet enkel wegens hun onhygiënisch karakter, maar ook wegens hun niet te verwaarlozen toxiciteit buiten de verhandeling ten behoeve van menselijke consumptie moeten worden gehouden. De Italiaanse regering heeft aldus niets concreets aangevoerd ter ontkrachting van de stelling van de Commissie, dat blijkens internationaal wetenschappelijk onderzoek de opname van dode of gedevitaliseerde draadwormlarven geen gevaar voor de gezondheid oplevert.
29 In de tweede plaats, zoals de advocaat-generaal in punt 29 van zijn conclusie heeft opgemerkt, wordt in het advies van de Italiaanse Hoge Gezondheidsraad, waarvan de Italiaanse regering gewaagt in haar antwoord van 13 maart 1989 op het verzoek van de Commissie om opmerkingen te maken, de noodzaak vastgesteld van een certificaat inhoudende dat de vis "vrij van parasieten is of de voor het onschadelijk maken van parasieten noodzakelijke behandelingen heeft ondergaan", hetgeen veronderstelt dat het voorkomen van dode larven in vis geen gevaar voor de volksgezondheid oplevert.
30 Ook uit de op 11 maart 1992 door het Italiaanse Ministerie van Gezondheid vastgestelde circulaire nr. 10 (GURI nr. 62) ter versoepeling van de modaliteiten voor de gezondheidscontrole van vis, blijkt dat dode larven geen gevaar voor de volksgezondheid opleveren.
31 Onder deze omstandigheden heeft de Italiaanse regering in casu niet aangetoond, dat een stelselmatige gezondheidscontrole van uit andere Lid-Staten ingevoerde partijen vis die volgens de voorschriften vergezeld gingen van een certificaat waarin werd verklaard, dat de vis niet met levende larven was besmet, noodzakelijk was voor de bescherming van de volksgezondheid.
32 Mitsdien moet worden vastgesteld dat de Italiaanse Republiek, door stelselmatige gezondheidscontroles voor te schrijven voor ingevoerde partijen vis die volgens de voorschriften vergezeld gaan van een door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van verzending afgegeven gezondheidscertificaat inhoudende dat deze geen levende draadwormlarven bevatten, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 30 en 36 van het Verdrag.
33 Wat daarentegen de invoer van niet van een dergelijk certificaat vergezelde visserijprodukten betreft, moet worden erkend, dat de Italiaanse autoriteiten gerechtigd waren deze produkten aan gezondheidscontroles te onderwerpen om vast te stellen of zij een gevaar voor de volksgezondheid vormden. De grief van de Commissie moet derhalve worden verworpen voor zover zij betrekking heeft op door de Italiaanse autoriteiten verrichte controles op aldus ingevoerde produkten.
34 Wanneer bij die controle bleek, dat de ingevoerde vis slechts dode of door een voorafgaande behandeling gedevitaliseerde draadwormlarven bevatte, konden de Italiaanse autoriteiten niet zonder het gemeenschapsrecht te schenden, de invoer van die produkten verbieden, noch gelasten ze tegen te houden of te vernietigen. Uit de rechtsoverwegingen 28 tot en met 31 supra blijkt immers, dat de Italiaanse regering in casu niet heeft aangetoond, dat dergelijke beperkingen van de invoer van vis waarin onschadelijk gemaakte draadwormlarven voorkwamen, voor de bescherming van de volksgezondheid noodzakelijk waren.
35 Wanneer de controle van ingevoerde partijen vis zonder een gezondheidscertificaat van de Lid-Staat van verzending daarentegen de aanwezigheid van levende draadwormlarven aan het licht bracht, waren de Italiaanse autoriteiten gerechtigd de invoer van die produkten te verbieden.
36 Vaststaat immers, dat de consumptie van met niet-gedevitaliseerde larven besmette vis een gevaar voor de volksgezondheid oplevert. Voorts kunnen, zoals de Italiaanse regering heeft beklemtoond, de door de Commissie voorgestelde, voor het handelsverkeer minder beperkende maatregelen geen doeltreffende bescherming van de volksgezondheid garanderen. Zo is etikettering om de consumenten te wijzen op de aanwezigheid van levende draadwormen in de vis, geen bevredigende oplossing wanneer het, zoals in casu, gaat om een produkt dat een gevaar voor de gezondheid van personen vormt. Ook een verbod op de consumptie van rauwe vis is geen doeltreffende maatregel ter bescherming van de volksgezondheid, omdat de naleving ervan in de praktijk niet kan worden verzekerd. Hetzelfde geldt voor de aan de ontvangers van de betrokken produkten opgelegde verplichting, de met draadwormen besmette vis een passende behandeling te doen ondergaan die de devitalisering van de larven verzekert.
37 Onder deze omstandigheden heeft de Italiaanse Republiek de artikelen 30 en 36 van het Verdrag eveneens geschonden voor zover haar autoriteiten de invoer hebben verboden van partijen vis die vergezeld gingen van een gezondheidscertificaat van de Lid-Staat van verzending en waarin bij controles door de Italiaanse autoriteiten slechts de aanwezigheid van dode of gedevitaliseerde draadwormlarven is vastgesteld.
38 Daarentegen is de grief van de Commissie ongegrond voor zover zij betrekking heeft op het invoerverbod voor vis die niet vergezeld ging van een door de Lid-Staat van verzending afgegeven gezondheidscertificaat en die met levende parasieten was besmet.
Richtlijn 83/643
39 Richtlijn 83/643 stelt bepaalde regels vast voor de uitvoering van de fysieke controle van goederen en de vereiste administratieve formaliteiten bij grensoverschrijding, teneinde, gelijk in de considerans van de richtlijn wordt gezegd, het oponthoud aan de grenzen te bekorten en het goederenvervoer tussen de Lid-Staten vlotter te laten verlopen (zie arrest van 20 september 1988, zaak 190/87, Moormann, Jurispr. 1988, blz. 4689, r.o. 26).
40 Daartoe bepaalt artikel 2 van de richtlijn, dat de Lid-Staten de nodige maatregelen nemen opdat de controles en formaliteiten tijdens een transport zo weinig mogelijk oponthoud veroorzaken, en de controles, tenzij de omstandigheden dit rechtvaardigen, steekproefsgewijs plaatsvinden.
41 Hieruit volgt, dat de controles bij de invoer van goederen uit andere Lid-Staten slechts dan verder mogen gaan dan steekproeven, wanneer dit door een algemeen belang zoals de noodzaak van bescherming van de gezondheid en het leven van personen gerechtvaardigd wordt en zij beperkt blijven tot hetgeen voor het bereiken van dat doel noodzakelijk is.
42 Uit de rechtsoverwegingen 28 tot en met 31 van dit arrest volgt, dat de Italiaanse regering niet heeft aangetoond dat een stelselmatige gezondheidscontrole van uit andere Lid-Staten ingevoerde partijen vis die volgens de voorschriften vergezeld gingen van een certificaat inhoudende dat de vis niet met levende larven besmet was, noodzakelijk was voor de bescherming van de volksgezondheid.
43 Onder deze omstandigheden moet worden vastgesteld, dat de Italiaanse Republiek, door stelselmatige gezondheidscontroles voor te schrijven voor ingevoerde partijen vis die volgens de voorschriften vergezeld gingen van een door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van verzending afgegeven gezondheidscertificaat inhoudende dat zij geen levende draadwormlarven bevatten, de verplichtingen niet is nagekomen die krachtens richtlijn 83/643 op haar rusten.
44 Voor het overige moet de grief van de Commissie echter worden verworpen op dezelfde gronden als in rechtsoverweging 33 supra vermeld.
De Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen
45 Artikel 15, lid 2, van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen, als bijlage gehecht aan verordening nr. 1691/73 (reeds aangehaald), bepaalt:
"Op veterinair, sanitair en planteziektenkundig gebied passen de Partijen bij de Overeenkomst hun voorschriften op niet-discriminerende wijze toe en voeren zij geen nieuwe maatregelen in ten gevolge waarvan het handelsverkeer ten onrechte zou worden belemmerd."
46 Artikel 20 van de overeenkomst luidt:
"De Overeenkomst vormt geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen en dieren of het behoud van planten, van de bescherming van het nationaal artistiek, historisch en archeologisch bezit of uit hoofde van de bescherming van de industriële en commerciële eigendom, noch voor regelingen op het gebied van goud en zilver. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de Partijen bij de Overeenkomst vormen."
47 De overeenkomst verbiedt dus de vaststelling, door de partijen bij de overeenkomst, van nieuwe maatregelen die het handelsverkeer tussen de Lid-Staten en het Koninkrijk Noorwegen belemmeren, voor zover deze belemmeringen niet noodzakelijk zijn op grond van, onder meer, de bescherming van de volksgezondheid.
48 Wat het handelsverkeer tussen de partijen bij de overeenkomst betreft, bevat deze dus regels die identiek zijn aan die van de artikelen 30 en 36 van het Verdrag en er is in casu geen reden om die regels anders uit te leggen dan genoemde artikelen van het Verdrag.
49 Uit de rechtsoverwegingen 32, 37 en 43 van dit arrest blijkt, dat de Italiaanse Republiek het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden door partijen vis uit de andere Lid-Staten, die volgens de voorschriften door de staat van verzending waren gecontroleerd en vergezeld gingen van een gezondheidscertificaat van de bevoegde autoriteiten van die staat, inhoudende dat het produkt geen levende draadwormlarven bevat, aan stelselmatige controles te onderwerpen, en door de invoer van niet van een gezondheidscertificaat van de staat van verzending vergezelde partijen vis te verbieden wanneer de in de Lid-Staat van bestemming verrichte controles slechts dode of gedevitaliseerde draadwormlarven aan het licht hadden gebracht.
50 Aangezien het evenredigheidsbeginsel eveneens ten grondslag ligt aan de bovengenoemde bepalingen van de als bijlage aan verordening nr. 1691/73 gehechte overeenkomst, volgt daaruit dat de Italiaanse Republiek om dezelfde redenen als hiervóór genoemd, ook de krachtens die verordening op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, door partijen vis die reeds in Noorwegen waren gecontroleerd en vergezeld gingen van een door dat land afgegeven gezondheidscertificaat inhoudende dat de vis vrij was van levende draadwormlarven, en door de invoer te verbieden van uit Noorwegen afkomstige partijen vis die niet vergezeld gingen van een gezondheidscertificaat, maar waarin slechts onschadelijk gemaakte draadwormlarven voorkwamen.
51 Om dezelfde redenen als genoemd in de rechtsoverwegingen 33, 38 en 44 supra, zijn daarentegen de grieven van de Commissie ongegrond voor zover zij betrekking hebben op de controles door de Italiaanse autoriteiten van Noorse visserijprodukten die niet vergezeld gingen van een door de bevoegde Noorse autoriteiten afgegeven gezondheidscertificaat, en op het invoerverbod voor dergelijke produkten wanneer de controles in Italië de aanwezigheid van levende draadwormlarven aan het licht brachten.
52 Uit al het voorgaande volgt, dat de Italiaanse Republiek, door partijen vis uit de andere Lid-Staten en uit het Koninkrijk Noorwegen, die volgens de voorschriften vergezeld gingen van een gezondheidscertificaat van de staat van verzending, inhoudende dat het produkt geen levende draadwormlarven bevatte, aan stelselmatige controles te onderwerpen, en door de invoer van partijen vis uit de andere Lid-Staten en uit het Koninkrijk Noorwegen, die niet vergezeld gingen van een gezondheidscertificaat van de staat van verzending, te verbieden wanneer de in de Lid-Staat van bestemming verrichte controles geen levende draadwormlarven aan het licht brachten, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 30 en 36 van het Verdrag, richtlijn 83/643 en verordening nr. 1691/73.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
53 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Volgens lid 3, eerste alinea, van dat artikel kan het Hof evenwel de proceskosten over de partijen verdelen of beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld.
54 Aangezien de Commissie slechts gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, dient elke partij haar eigen kosten te dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verklaart:
1) Door partijen vis uit de andere Lid-Staten en uit het Koninkrijk Noorwegen, die volgens de voorschriften vergezeld gingen van een gezondheidscertificaat van de staat van verzending, inhoudende dat het produkt geen levende draadwormlarven bevatte, aan stelselmatige controles te onderwerpen, en door de invoer van partijen vis uit de andere Lid-Staten en uit het Koninkrijk Noorwegen, die niet vergezeld gingen van een gezondheidscertificaat van de staat van verzending, te verbieden wanneer de in de Lid-Staat van bestemming verrichte controles geen levende draadwormlarven aan het licht brachten, is de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag, richtlijn 83/643/EEG van de Raad van 1 december 1983 ter vereenvoudiging van de fysieke controle en de administratieve formaliteiten bij het goederenvervoer tussen Lid-Staten, en verordening (EEG) nr. 1691/73 van de Raad van 25 juni 1973 houdende sluiting van een Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen en houdende vaststelling van bepalingen ter uitvoering daarvan.
2) Het beroep wordt voor het overige verworpen.
3) Elk der partijen zal de eigen kosten dragen.
Full & Egal Universal Law Academy