Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Rundvlees ° Steun voor particuliere opslag ° Cumulatie met regeling betreffende vooruitbetalingen van restituties bij uitvoer toegestaan ° Invoering van speciale termijn waarbinnen produkten in particuliere opslag, waarvoor uitvoerrestituties zijn betaald, tevens onder stelsel van douane-entrepots of van vrije zones kunnen blijven ° Geen invloed op aanvangsdatum van termijn voor verblijf onder douaneregeling
(Verordeningen van de Commissie nr. 798/80, art. 11, lid 2, en nr. 2267/84, art. 6, lid 2)
Samenvatting
Artikel 6, lid 2, van verordening nr. 2267/84, dat voorziet in steun voor particuliere opslag in de sector rundvlees, voorziet in een afwijking van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 798/80, waarin de termijn is vastgesteld gedurende welke goederen die in aanmerking komen voor vooruitbetaling van uitvoerrestituties, onder het stelsel van douane-entrepots of van vrije zones kunnen blijven, voor zover de termijn gedurende welke goederen waarvoor uit hoofde van verordening nr. 2267/84 een contract voor particuliere opslag is gesloten, tevens onder een van deze regelingen kunnen blijven, van zes op twaalf maanden is gebracht. Artikel 6, lid 2, van deze verordening wijzigt echter niet het aanvangstijdstip van de termijn gedurende welke ingevolge artikel 11, lid 2, de goederen onder een douaneregeling kunnen blijven, zelfs niet wanneer de inslagverrichtingen met het oog op de steunverlening op die datum nog niet zijn beëindigd. Hieruit volgt, dat in een dergelijk geval de termijn gedurende welke goederen waarvoor een contract voor particuliere opslag geldt, tevens onder het stelsel van douane-entrepots of van vrije zones kunnen blijven, verstrijkt vóór de termijn die de exporteur uit hoofde van de hem toegekende steun voor particuliere opslag in acht moet nemen.
Partijen
In zaak C-231/91,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Finanzgericht Hamburg in het aldaar aanhangig geding tussen
Annuss GmbH & Co. KG
en
Hauptzollamt Hamburg-Jonas,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 11, lid 2, van verordening (EEG) nr. 798/80 van de Commissie van 31 maart 1980 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de vooruitbetaling van uitvoerrestituties en positieve monetaire compenserende bedragen voor landbouwprodukten (PB 1980, L 87, blz. 42) en van artikel 6, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2267/84 van de Commissie van 31 juli 1984 inzake de toekenning van een vooraf forfaitair vastgesteld steunbedrag voor de particuliere opslag van hele geslachte dieren, halve geslachte dieren, achtervoeten en voorvoeten van runderen (PB 1984, L 208, blz. 31),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: J. L. Murray, kamerpresident, G. F. Mancini en F. A. Schockweiler, rechters,
advocaat-generaal: C. Gulmann
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° Annuss GmbH & Co. KG, vertegenwoordigd door W. Ziemer, advocaat te Hamburg,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door U. Woelker, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Annuss GmbH & Co. KG en de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter terechtzitting van 17 september 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 oktober 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 27 mei 1991, bij het Hof ingekomen op 16 september daaraanvolgend, heeft het Finanzgericht Hamburg krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 11, lid 2, van verordening (EEG) nr. 798/80 van de Commissie van 31 maart 1980 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de vooruitbetaling van uitvoerrestituties en positieve monetaire compenserende bedragen voor landbouwprodukten (PB 1980, L 87, blz. 42), en van artikel 6, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2267/84 van de Commissie van 31 juli 1984 inzake de toekenning van een vooraf forfaitair vastgesteld steunbedrag voor de particuliere opslag van hele geslachte dieren, halve geslachte dieren, achtervoeten en voorvoeten van runderen (PB 1984, L 208, blz. 31).
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen Annuss GmbH & Co. KG (hierna: "verzoekster") en het Hauptzollamt Hamburg-Jonas (hierna: "verweerder"), dat terugbetaling van vooruitbetaalde uitvoerrestituties heeft gevorderd, op grond dat verzoekster een in de toepasselijke gemeenschapsbepalingen vastgestelde termijn had overschreden.
3 Vooraf moet worden herinnerd aan de toepasselijke gemeenschapsregeling.
4 Ingevolge artikel 5, lid 1, van verordening (EEG) nr. 565/80 van de Raad van 4 maart 1980 betreffende de vooruitbetaling van de uitvoerrestituties voor landbouwprodukten (PB 1980, L 62, blz. 5), kunnen handelaren op verzoek vooruitbetaling krijgen van een bedrag dat gelijk is aan de uitvoerrestituties voor landbouwprodukten, zodra de goederen onder het stelsel van douane-entrepots of van vrije zones zijn gebracht met het oog op uitvoer ervan binnen een bepaalde termijn.
5 Volgens artikel 2, lid 1, van verordening nr. 798/80 komt een exporteur slechts voor vooruitbetaling van uitvoerrestituties in aanmerking wanneer hij bij de douaneautoriteiten een vooruitbetalingsaangifte indient, waaruit blijkt van zijn voornemen om de goederen onder het stelsel van douane-entrepots of van vrije zones te brengen, en ze na afloop van de opslag met toekenning van een restitutie uit te voeren. Krachtens artikel 3, lid 1, van deze verordening worden de produkten bij de aanvaarding van de vooruitbetalingsaangifte onder douanecontrole geplaatst.
6 In artikel 11, lid 2, van deze verordening heet het, dat de termijn gedurende welke de goederen onder het stelsel van douane-entrepots of van vrije zones kunnen blijven, zes maanden is vanaf de datum waarop de vooruitbetalingsaangifte wordt aanvaard.
7 Voorts is voor de toekenning van een vooraf forfaitair vastgesteld steunbedrag voor particuliere opslag van rundvlees vereist, dat tussen de opslaghouder en de entrepothouder een opslagcontract wordt gesloten. Krachtens artikel 5, lid 1, van verordening nr. 2267/84 kan de opslagtermijn negen, tien, elf of twaalf maanden bedragen, naar keuze van de opslaghouder, die bij de indiening van zijn steunaanvraag de gewenste termijn moet vermelden.
8 Volgens artikel 5, lid 2, van verordening nr. 2267/84 kan op de betaling van de steun slechts aanspraak worden gemaakt, wanneer al het vlees gedurende de gehele opslagtermijn in het vrieshuis is gebleven, terwijl ingevolge artikel 7, lid 1, van dezelfde verordening de contractant na afloop van een opslagperiode van twee maanden het vlees waarvoor het opslagcontract is gesloten geheel of gedeeltelijk mag uitslaan, doch nooit in hoeveelheden van minder dan tien ton. In een dergelijk geval wordt het steunbedrag dienovereenkomstig verlaagd.
9 Volgens artikel 8, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1091/80 van de Commissie van 2 mei 1980 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de toekenning van steun aan de particuliere opslag van rundvlees (PB 1980, L 114, blz. 18), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2826/82 van de Commissie van 22 oktober 1982 (PB 1982, L 297, blz. 18), is de eerste dag van de opslagperiode de dag volgende op die waarop de inslag is beëindigd.
10 Krachtens artikel 2, lid 4, van verordening nr. 1091/80, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2629/80 van de Commissie van 14 oktober 1980 (PB 1980, L 270, blz. 9), kunnen dezelfde produkten in beginsel niet tegelijkertijd het voorwerp van een contract voor particuliere opslag uitmaken en onder de toepassing van het stelsel van douane-entrepots of van vrije zones worden geplaatst.
11 Gelet op de uitzonderlijke omstandigheden op de rundvleesmarkt en teneinde de handelaren ertoe aan te zetten gebruik te maken van de particuliere opslag, voorzag de Commissie later echter, in artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2267/84, voor een beperkte periode in een afwijking van het verbod van cumulatie van beide regelingen.
12 Gelet op de contractuele opslagperioden heeft de Commissie besloten in artikel 6, lid 2, van deze verordening in een afwijking van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 798/80 te voorzien en de termijn van zes maanden gedurende welke de produkten waarvoor een particulier opslagcontract gold, tegelijkertijd onder het stelsel van douane-entrepots of van vrije zones konden blijven, op te trekken tot twaalf maanden.
13 Nadien is deze termijn bij artikel 4, lid 5, eerste streepje, van verordening (EEG) nr. 3445/90 van de Commissie van 27 november 1990 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de toekenning van steun voor de particuliere opslag van rundvlees (PB 1990, L 333, blz. 30), aldus verlengd dat hij de maximale periode van de contractuele opslag omvat, vermeerderd met een maand.
14 Op basis van een uitvoercertificaat heeft verzoekster voor export bestemde dozen rundvlees in een douane-entrepot in de vrijhaven Hamburg geplaatst. Op 3 januari 1985 ontving zij vooruitbetaling van uitvoerrestituties. Krachtens een opslagcontract voor een periode van twaalf maanden verkreeg zij eveneens steun voor de particuliere opslag.
15 Blijkens de door de nationale rechter overgelegde stukken begon de termijn gedurende welke de goederen onder douanecontrole konden blijven op 10 en 11 november 1984 te lopen, en krachtens artikel 6, lid 2, van verordening nr. 2267/84 verstreek hij op 11 november 1985, aangezien 10 november 1985 op een zondag viel.
16 Aangezien het contract voor particuliere opslag betrekking had op partijen vlees waarvan de inslag pas op 16 november 1984 was beëindigd, begon de voor het verkrijgen van de steun contractueel vastgestelde opslagperiode overeenkomstig artikel 8, lid 2, van verordening nr. 1091/80 pas op 17 november 1984.
17 Vóór het verstrijken van de termijn gedurende welke de goederen onder douanecontrole konden blijven is een gedeelte van de goederen uitgeslagen en naar derde landen uitgevoerd. Dit was evenwel niet het geval voor sommige dozen die pas op 14 november 1985 bij het douanekantoor in de vrijhaven werden uitgeklaard. Verweerder vorderde van verzoekster dan ook terugbetaling van het overeenkomstige bedrag aan vooruitbetaalde uitvoerrestituties.
18 Voor de nationale rechter stelde verzoekster, dat in geval van cumulatie van beide regelingen de termijn gedurende welke de goederen onder het stelsel van douane-entrepots of van vrije zones konden blijven en de opslagperiode niet mogen verschillen en, anders dan verweerder meent, niet op verschillende data mogen ingaan, omdat de handelaar anders de contractuele opslagperiode niet meer volledig kan benutten.
19 De nationale rechter vroeg zich dan ook af, of de betrokken regeling van de termijnen, ondanks de bewoordingen ervan, via uitlegging kon worden verbeterd en aangevuld. Daarom besloot hij de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de volgende vraag:
"Moet artikel 6, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2267/84 aldus worden uitgelegd, dat in afwijking van artikel 11, lid 2, van verordening (EEG) nr. 798/80, de opslagperiode niet verstrijkt vóór de termijn die de exporteur uit hoofde van de hem toegekende steun voor particuliere opslag in acht moet nemen?"
20 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten in het hoofdgeding, de toepasselijke bepalingen, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
21 Blijkens de bewoordingen van artikel 6, lid 2, van verordening nr. 2267/84, is de daarin neergelegde afwijking van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 798/80 beperkt tot een verlenging van zes naar twaalf maanden van de termijn waarbinnen de goederen waarvoor een contract voor particuliere opslag geldt, tevens onder het stelsel van douane-entrepots of van vrije zones kunnen blijven, doch is het tijdstip waarop deze termijn ingaat, niet gewijzigd.
22 Deze termijn gaat dus in op de datum waarop de douaneautoriteiten de vooruitbetalingsaangifte van de handelaar aanvaarden, ook wanneer de inslagactiviteiten met het oog op de steunverlening op die datum nog niet zijn beëindigd. Ook in een dergelijk geval verplicht de handelaar die zijn vooruitbetalingsaangifte bij de douaneautoriteiten indient, zich ertoe zijn goederen uit te voeren vóór het verstrijken van een termijn waarvan het aanvangstijdstip ongewijzigd blijft.
23 De marktdeelnemers kunnen niet stellen, dat hun onder die omstandigheden de mogelijkheid wordt ontnomen om de contractuele opslagperiode volledig te benutten.
24 In de eerste plaats is de in artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2267/84 voor een beperkte periode geboden mogelijkheid om produkten waarvoor een opslagcontract geldt, tevens onder het stelsel van douane-entrepots en van vrije zones te plaatsen, hoofdzakelijk bedoeld om de handelaren ertoe aan te zetten gebruik te maken van de particuliere opslag, en niet om de maximale termijn ervan onder alle omstandigheden volledig te benutten. In dit verband volgt uit artikel 5, lid 1, van verordening nr. 2267/84, dat de opslaghouder de goederen mag opslaan gedurende een door hem te kiezen periode van negen, tien, elf of twaalf maanden.
25 In de tweede plaats voorziet artikel 7, lid 1, van deze verordening in een afwijking van de verplichting voor de opslaghouder om de aanvankelijk contractueel overeengekomen opslagperiode volledig in acht te nemen, waar zij hem toestaat na een opslagperiode van twee maanden het vlees waarvoor het opslagcontract is gesloten, geheel of gedeeltelijk uit te slaan.
26 Hieraan doet niet af, dat nadien bij artikel 4, lid 5, eerste streepje, van verordening nr. 3445/90 de termijn waarbinnen de goederen waarvoor een contract voor particuliere opslag geldt, met het oog op vooruitbetaling van uitvoerrestituties tevens onder het stelsel van douane-entrepots of van vrije zones kunnen worden geplaatst, aldus is verlengd, dat hij de maximale periode van de contractuele opslag omvat, vermeerderd met een maand.
27 Ook krachtens deze nieuwe bepaling gaat de voor vooruitbetaling van uitvoerrestituties vastgestelde termijn namelijk in op de datum waarop de vooruitbetalingsaangifte wordt aanvaard.
28 Op de vraag van het Finanzgericht Hamburg moet dus worden geantwoord, dat in een geval als bedoeld in het hoofdgeding, artikel 6, lid 2, van verordening nr. 2267/84 aldus moet worden uitgelegd, dat de termijn waarbinnen goederen waarvoor een contract voor particuliere opslag geldt, tevens onder het stelsel van douane-entrepots of van vrije zones kunnen blijven, verstrijkt vóór de termijn die de exporteur uit hoofde van de hem toegekende steun voor particuliere opslag in acht moet nemen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
29 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen voor het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechtelijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de bij beschikking van 27 mei 1991 door het Finanzgericht Hamburg gestelde vraag, verklaart voor recht:
In een geval als bedoeld in het hoofdgeding, moet artikel 6, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2267/84 van de Commissie van 31 juli 1984 inzake de toekenning van een vooraf forfaitair vastgesteld steunbedrag voor de particuliere opslag van hele geslachte dieren, halve geslachte dieren, achtervoeten en voorvoeten van runderen, aldus worden uitgelegd, dat de termijn waarbinnen goederen waarvoor een contract voor particuliere opslag geldt, tevens onder het stelsel van douane-entrepots of van vrije zones kunnen blijven, verstrijkt vóór de termijn die de exporteur uit hoofde van de hem toegekende steun voor particuliere opslag in acht moet nemen.
Full & Egal Universal Law Academy