Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Sociale zekerheid van migrerende werknemers ° Gemeenschapsregeling ° Personele werkingssfeer ° Gezinsleden van werknemer ° Uitkering toegekend uit andere hoofde dan als gezinslid van werknemer ° Niet-toepasselijkheid van verordening nr. 1408/71
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 2 en 3)
Samenvatting
De artikelen 2 en 3 van verordening nr. 1408/71 moeten aldus worden uitgelegd, dat een met een werknemer-onderdaan van een Lid-Staat gehuwde onderdaan van een derde staat niet met een beroep op die artikelen aanspraak kan maken op een tegemoetkoming voor minder-validen die krachtens de nationale wettelijke regeling als eigen recht en niet op grond van de hoedanigheid van gezinslid van een werknemer wordt toegekend.
De gezinsleden van een werknemer kunnen krachtens bedoelde verordening immers alleen maar aanspraak maken op afgeleide rechten, dat wil zeggen op rechten verkregen in de hoedanigheid van gezinslid van een werknemer.
Partijen
In zaak C-243/91,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Belgische Hof van Cassatie, in het aldaar aanhangig geding tussen
Belgische Staat
en
N. Taghavi,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 2 en 3 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: R. Joliet, kamerpresident, G. C. Rodríguez Iglesias en D. A. O. Edward, rechters,
advocaat-generaal: W. Van Gerven
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° de Belgische Staat, vertegenwoordigd door G. van Hecke, advocaat bij het Hof van Cassatie;
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur D. Gouloussis als gemachtigde;
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 juni 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 9 september 1991, ingekomen ten Hove op 20 september daaraanvolgend, heeft het Belgische Hof van Cassatie krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 2 en 3 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6).
2 Deze vraag is gerezen in het kader van een cassatieberoep van de Belgische Staat tegen een arrest van het Arbeidshof te Brussel, waarbij het recht van Taghavi op tegemoetkomingen voor minder-validen op grond van de Belgische wet van 27 juni 1969 was bevestigd.
3 Deze wet behoudt het recht op deze tegemoetkomingen, behoudens afwijking, voor aan Belgen die in België verblijven.
4 Taghavi, van Iraanse nationaliteit, is gehuwd met F. Iannino, van Italiaanse nationaliteit. Het echtpaar woont in België.
5 Van oordeel dat het geding een uitleggingsvraag van gemeenschapsrecht deed rijzen, heeft het Hof van Cassatie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie de navolgende prejudiciële vraag gesteld:
"Moeten de artikelen 2 en 3 van verordening (EEG) nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd, dat een minder-valide die geen onderdaan van een Lid-Staat en geen loontrekkende is, zich kan beroepen op de nationale wettelijke regeling van een Lid-Staat die een minder-valide een eigen, wettelijk beschermd recht op een tegemoetkoming toekent, wanneer hij zijn woonplaats op het grondgebied van die Lid-Staat heeft en gehuwd is met een loontrekkende die aan de wettelijke regeling van die Lid-Staat is onderworpen en onderdaan van een andere Lid-Staat is?"
6 Voor een nadere uiteenzetting van het juridisch kader en de voorgeschiedenis van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport van de rechter-rapporteur. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
7 Verordening nr. 1408/71 is volgens artikel 2, lid 1, van toepassing op "werknemers op wie de wetgeving van een of meer Lid-Staten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van een der Lid-Staten (...) zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen". Zoals het Hof overwoog in zijn arrest van 23 november 1976 (zaak 40/76, Kermaschek, Jurispr. 1976, blz. 1669), kunnen de gezinsleden van een werknemer krachtens verordening nr. 1408/71 alleen maar aanspraak maken op afgeleide rechten, dat wil zeggen op rechten verkregen in de hoedanigheid van gezinslid van een werknemer.
8 Uit de stukken blijkt, dat de in de Belgische wet van 27 juni 1969 bedoelde tegemoetkoming voor minder-validen niet op grond van de hoedanigheid van gezinslid van een werknemer wordt toegekend. Enerzijds heeft de verwijzende rechter het recht op die tegemoetkoming immers in de tekst van de prejudiciële vraag als een eigen recht gekwalificeerd. Anderzijds heeft de Belgische Staat op verzoek van het Hof meegedeeld, dat iemand die aan alle in de wet van 1969 gestelde voorwaarden voldoet, maar geen onderdaan van een Lid-Staat van de Gemeenschap is, geen aanspraak op de tegemoetkomingen kan maken, enkel en alleen omdat zijn echtgenoot de Belgische nationaliteit bezit.
9 Bijgevolg kan de met een werknemer-onderdaan van een Lid-Staat gehuwde onderdaan van een derde staat niet met een beroep op verordening nr. 1408/71, inzonderheid de artikelen 2 en 3 ervan, aanspraak maken op een tegemoetkoming voor minder-validen als die bedoeld in voornoemde Belgische wet.
10 De Commissie heeft echter in haar bij het Hof ingediende opmerkingen aangevoerd, dat de betrokken tegemoetkoming een "sociaal voordeel" is in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, blz. 2), en dat iemand in de situatie van Taghavi er dus aanspraak op kan maken.
11 Dienaangaande kan worden volstaan met de vaststelling, dat ° zoals hiervoor is opgemerkt ° de echtgenoot van een Belgische werknemer, die geen onderdaan van een Lid-Staat van de Gemeenschap is, geen aanspraak kan maken op de betrokken tegemoetkoming. Aangezien er in die omstandigheden geen sprake is van een "sociaal voordeel" voor de nationale werknemers, kan artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 geen toepassing vinden.
12 Mitsdien moet op de gestelde vraag worden geantwoord, dat de artikelen 2 en 3 van verordening nr. 1408/71 aldus moeten worden uitgelegd, dat een met een werknemer-onderdaan van een Lid-Staat gehuwde onderdaan van een derde staat niet met een beroep op die artikelen aanspraak kan maken op een tegemoetkoming voor minder-validen die krachtens de nationale wettelijke regeling als eigen recht en niet op grond van de hoedanigheid van gezinslid van een werknemer wordt toegekend.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
13 De kosten door de Commissie wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
uitspraak doende op de door het Belgische Hof van Cassatie bij arrest van 9 september 1991 gestelde vraag, verklaart voor recht:
De artikelen 2 en 3 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, moeten aldus worden uitgelegd, dat een met een werknemer-onderdaan van een Lid-Staat gehuwde onderdaan van een derde staat niet met een beroep op die artikelen aanspraak kan maken op een tegemoetkoming voor minder-validen die krachtens de nationale wettelijke regeling als eigen recht en niet op grond van de hoedanigheid van gezinslid van een werknemer wordt toegekend.
Full & Egal Universal Law Academy