Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Vrij verkeer van personen ° Werknemers ° Gelijke behandeling ° Tewerkstellingsvoorwaarden ° Beperking van duur van arbeidsovereenkomst tot één jaar, uitsluitend voor lectoren vreemde talen aan universiteiten ° Verkapte discriminatie ° Maatregel die, in haar algemeenheid, geen rechtvaardiging vindt in ontwikkeling van onderwijsbehoeften ° Ontoelaatbaarheid
(EEG-Verdrag, art. 48, lid 2)
Samenvatting
Het beginsel van gelijke behandeling, dat een specifieke uitdrukking heeft gevonden in artikel 48, lid 2, van het Verdrag en dat niet enkel openlijke discriminaties op grond van nationaliteit verbiedt, maar ook alle verkapte vormen van discriminatie, die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leiden, verzet zich ertegen, dat de wetgeving van een Lid-Staat de duur van arbeidsovereenkomsten met lectoren vreemde talen in alle gevallen beperkt tot één jaar, met mogelijkheid van verlenging, wanneer een dergelijke beperking in beginsel niet bestaat voor het overige onderwijzend personeel.
Ook al staat het Verdrag er niet aan in de weg, dat de Lid-Staten, ter verzekering van een goed bestuur van hun universiteiten, maatregelen vaststellen die zonder onderscheid van toepassing zijn en die in het bijzonder de onderdanen van de andere Lid-Staten zouden kunnen treffen, dergelijke maatregelen moeten wel in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel, dat wil zeggen dat zij passend en noodzakelijk zijn om het beoogde doel te bereiken. Wat arbeidsovereenkomsten met lectoren vreemde talen betreft, belet het gemeenschapsrecht niet, dat zij voor een bepaalde duur worden gesloten wanneer het er op het moment van de aanstelling naar uitziet, dat de behoeften van het onderwijs enkel gedurende de overeengekomen duur zullen bestaan. Overeenkomsten die geacht worden te voorzien in permanente behoeften van het onderwijs, moeten daarentegen worden afgesloten voor onbepaalde duur, juist zoals de arbeidsverhoudingen van andere docenten die in een dergelijke behoefte voorzien. Wanneer de onderwijsbehoeften veranderen, zou men de overtollig geworden lectoren kunnen ontslaan om het personeelsbestand aan de nieuwe situatie aan te passen, daar deze maatregel minder beperkend is voor het vrije verkeer van werknemers dan de beperking van de duur van hun overeenkomsten.
Partijen
In de gevoegde zaken C-259/91, C-331/91 en C-332/91,
betreffende drie verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag, in zaak C-259/91 van de Pretore di Venezia en in de zaken C-331/91 en C-332/91 van de Pretore di Parma, in de aldaar aanhangige gedingen tussen
P. Allué en C. M. Coonan
en
Università degli studi di Venezia
en tussen
S. H. Barta
en
Università degli studi di Parma
en tussen
B. Sellinger
R. del Maestro
G. Mansfield
en
Università degli studi di Parma
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 48, lid 2, EEG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, M. Zuleeg en J. L. Murray, kamerpresidenten, G. F. Mancini, R. Joliet, F. A. Schockweiler, J. C. Moitinho de Almeida, F. Grévisse en D. A. O. Edward, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° verzoekers in de hoofdgedingen, vertegenwoordigd door F. Capelli, advocaat te Milaan, en M. Vergilio, advocaat te Bologna;
° de Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd L. Ferrari Bravo, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door P. G. Ferri, avvocato dello Stato;
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, in de zaak C-259/91 vertegenwoordigd door E. Traversa, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, en in de zaken C-331/91 en C-332/91 door E. Traversa en D. Gouloussis, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van verzoekers in de hoofdgedingen, de Italiaanse regering en de Commissie ter terechtzitting van 17 november 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 januari 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 4 oktober 1991, ingekomen bij het Hof op 11 oktober daaraanvolgend, en twee beschikkingen van 14 november 1991, ingekomen bij het Hof op 19 december daaraanvolgend, hebben de Pretore di Venezia (zaak C-259/91) en de Pretore di Parma (zaken C-331/91 en C-332/91) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 48, lid 2, van het Verdrag.
2 Die vragen zijn gerezen in het kader van een geding tussen P. Allué en C. M. Coonan, van Spaanse respectievelijk Britse nationaliteit, en de Università degli studi di Venezia, en van gedingen tussen S. H. Barta, van Duitse nationaliteit, B. Sellinger, R. del Maestro en G. Mansfield, van Britse nationaliteit, en de Università degli studi di Parma.
3 Allué, Coonan, Sellinger, Del Maestro en Mansfield hebben van 1980 tot en met 1986 aan genoemde universiteiten de functie van lector vreemde talen uitgeoefend. Bij de aanvang van het academiejaar 1986/1987 werd hun medegedeeld, dat hun arbeidsovereenkomst niet meer kon worden verlengd, gezien het bepaalde in artikel 28, derde alinea, van presidentieel decreet nr. 382 van 11 juli 1980 (hierna: "DPR"). Volgens die bepaling "is de geldigheidsduur van de in de eerste alinea bedoelde overeenkomsten" (met betrekking tot de aanstelling van lectoren vreemde talen) "beperkt tot het academiejaar waarvoor zij zijn afgesloten; zij kunnen gedurende ten hoogste vijf jaar telkens voor één jaar worden verlengd".
4 Barta heeft dezelfde functie uitgeoefend aan de Università degli studi di Parma vanaf het academiejaar 1981/1982 tot aan het einde van het jaar 1984/1985. Nadat Barta de universiteit in kennis had gesteld van het feit dat zij zwanger was, werd haar overeenkomst niet meer verlengd voor het jaar daarna.
5 In hun beroep tegen de beslissing om hun arbeidsovereenkomst te beëindigen, vorderen de belanghebbenden, zakelijk weergegeven: verklaring voor recht, dat hun arbeidsverhouding een privaatrechtelijk karakter heeft; veroordeling van de universiteiten tot betaling aan hen van het verschil tussen de ontvangen beloning en de beloning die volgens de salarisschaal van adjunct-hoogleraren met een vast dienstverband verschuldigd zou zijn; erkenning van hun recht, sedert het ontstaan van de arbeidsverhouding, op uitkeringen van sociale zekerheid en verplichte verzekering; verklaring voor recht, dat de tussen partijen afgesloten overeenkomsten van onbepaalde duur zijn, en veroordeling van de universiteiten tot betaling van de sinds de beëindiging van genoemde overeenkomsten verschuldigde salarissen.
6 In het geding tussen Allué en Coonan en de Università degli studi di Venezia heeft het Hof op 30 mei 1989 een prejudicieel arrest gewezen (zaak 33/88, Jurispr. 1989, blz. 1591), waarin met name voor recht is verklaard, dat artikel 48, lid 2, EEG-Verdrag zich verzet tegen de toepassing van een nationale bepaling die een limiet stelt aan de duur van de arbeidsverhouding tussen universiteiten en lectoren vreemde talen, wanneer een dergelijke limiet voor andere werknemers in beginsel niet bestaat.
7 De verwijzende rechters merken op, dat dit arrest door Italiaanse rechters die overeenkomstige geschillen hadden te beslechten, verschillend is uitgelegd voor zover het ging om de verenigbaarheid met artikel 48, lid 2, van het Verdrag van de in artikel 28, derde alinea, DPR voorziene beperking tot één jaar van de duur van de overeenkomsten met lectoren vreemde talen. Volgens sommige rechters had het Hof die derde alinea in haar geheel onverenigbaar met artikel 48, lid 2, van het Verdrag verklaard, terwijl de Corte di cassazione in drie arresten heeft geoordeeld, dat het Hof zich had beperkt tot een uitspraak over de maximale verlenging met vijf jaar van de arbeidsovereenkomsten van lectoren vreemde talen.
8 Van oordeel dat voornoemd arrest daarmee uitleggingsproblemen deed rijzen, heeft de Pretore di Venezia de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om
"krachtens artikel 177 EEG-Verdrag zijn arrest van 30 mei 1989 in zaak 33/88 uit te leggen, met name de passage waarin voor recht wordt verklaard, dat 'artikel 48, lid 2, EEG-Verdrag zich verzet tegen de toepassing van een nationale bepaling die een limiet stelt aan de duur van de arbeidsverhouding tussen universiteiten en lectoren vreemde talen, wanneer een dergelijke limiet voor andere werknemers in beginsel niet bestaat' , en te preciseren of artikel 48, lid 2, EEG-Verdrag zich eveneens verzet tegen de toepassing van artikel 28, derde alinea, van presidentieel decreet nr. 382 van 11 juli 1980, voor zover hierin de duur van de overeenkomsten wordt beperkt tot één academiejaar".
Op eendere wijze heeft de Pretore di Parma het Hof verzocht
"krachtens artikel 177 EEG-Verdrag om een prejudiciële beslissing over de draagwijdte en de uitlegging van zijn arrest van 30 mei 1989 in zaak 33/88, voor zover daarin voor recht wordt verklaard (punt 2 van het dictum), dat 'artikel 48, lid 2, EEG-Verdrag zich verzet tegen de toepassing van een nationale bepaling die een limiet stelt aan de duur van de arbeidsverhouding tussen universiteiten en lectoren vreemde talen, wanneer een dergelijke limiet voor andere werknemers in beginsel niet bestaat' , en met name te preciseren
' of artikel 48, lid 2, EEG-Verdrag, in de uitlegging die het Hof van Justitie eraan heeft gegeven in zijn arrest van 30 mei 1989 in zaak 33/88, zich verzet tegen de toepassing van een nationale wettelijke regeling van een Lid-Staat (in casu Italië, artikel 28, derde alinea, van DPR nr. 382/80), die de duur van een privaatrechtelijke overeenkomst tot één jaar beperkt en dus een tijdslimiet stelt, terwijl de andere werknemers in die Lid-Staat op grond van wet nr. 230 van 18 april 1962 algemeen en in de regel vastheid van betrekking genieten, wanneer de betrokken arbeidsverhouding geen bijzondere kenmerken vertoont die een afwijking van voornoemd algemeen beginsel kunnen rechtvaardigen' ".
9 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, de toepasselijke bepalingen en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
10 Met hun prejudiciële vraag wensen de nationale rechters in wezen te vernemen, of artikel 48, lid 2, van het Verdrag zich ertegen verzet, dat de wetgeving van een Lid-Staat de duur van arbeidsovereenkomsten tussen universiteiten en lectoren vreemde talen aan een universiteit tot één jaar beperkt, met mogelijkheid van verlenging, terwijl een dergelijke beperking in beginsel niet voor het overige onderwijzend personeel geldt.
11 Er zij aan herinnerd, dat volgens de rechtspraak van het Hof het beginsel van gelijke behandeling, waarvan artikel 48, lid 2, van het Verdrag een specifieke uitdrukking is, niet alleen openlijke discriminaties op grond van nationaliteit verbiedt, maar ook alle verkapte vormen van discriminatie die, door toepassing van andere onderscheidingscriteria, in feite tot hetzelfde resultaat leiden (zie met name arrest van 15 januari 1986, zaak 41/84, Pinna, Jurispr. 1986, blz. 1).
12 In zijn arrest van 30 mei 1989 heeft het Hof vastgesteld, dat ofschoon de in de derde alinea van artikel 28 DPR neergelegde beperking van de duur van de uitoefening van de betrekking van lector vreemde talen aan een universiteit ongeacht de nationaliteit van de betrokken werknemer wordt toegepast, zij niettemin voornamelijk werknemers treft die onderdaan van andere Lid-Staten zijn. Blijkens de door de Italiaanse regering overgelegde cijfers heeft immers slechts 25 % van de lectoren vreemde talen de Italiaanse nationaliteit.
13 Deze vaststelling, die in het arrest van 30 mei 1989 betrekking had op de maximumduur van zes jaar voor de arbeidsovereenkomsten van lectoren vreemde talen, geldt evenzeer met betrekking tot de in artikel 28, derde alinea, opgenomen regel inzake de eenjarige duur van de overeenkomsten.
14 Ter rechtvaardiging van deze regel betoogt de Italiaanse regering, dat het aantal door de universiteiten aangestelde lectoren afhangt van de behoeften van het onderwijs en van de beschikbare begrotingsmiddelen om hun salaris te bekostigen. Alleen een dienstbetrekking van een jaar zou in deze omstandigheden een goed bestuur van de universiteiten mogelijk maken.
15 Het Verdrag staat er uiteraard niet aan in de weg, dat de Lid-Staten, ter verzekering van een goed bestuur van hun universiteiten, maatregelen vaststellen die zonder onderscheid van toepassing zijn en die in het bijzonder de onderdanen van de andere Lid-Staten zouden kunnen treffen. Dergelijke maatregelen moeten echter in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel, dat wil zeggen dat zij passend en noodzakelijk zijn om het beoogde doel te bereiken.
16 In dit verband zij opgemerkt, dat het gemeenschapsrecht een Lid-Staat niet belet, arbeidsovereenkomsten voor een bepaalde duur met lectoren vreemde talen te sluiten, wanneer het er op het moment van de aanstelling naar uitziet, dat de behoeften van het onderwijs enkel gedurende de overeengekomen duur zullen bestaan.
17 De overeenkomsten die geacht worden te voorzien in permanente behoeften van het onderwijs, zoals het geval is bij talen waarvan de studie verplicht is of waarvan bekend is dat zij populair zijn, moeten daarentegen worden afgesloten voor onbepaalde duur, juist zoals de arbeidsverhoudingen van andere docenten die in een dergelijke behoefte voorzien.
18 Indien het aantal studenten dat zich inschrijft voor een college in een vreemde taal, later afneemt of indien die taal in een Lid-Staat niet meer dezelfde prioriteit geniet, of indien de universiteit niet meer over de financiële middelen beschikt om het onderricht in die taal te bekostigen, zou men de overtollig geworden lectoren kunnen ontslaan om het personeelsbestand aan de nieuwe situatie aan te passen. Deze maatregel zou minder beperkend zijn voor het vrije verkeer van werknemers dan de maatregel die in casu in geding is.
19 De beperking tot één jaar van de arbeidsovereenkomsten, met mogelijkheid van verlenging, is voor de lectoren immers een factor van onzekerheid met betrekking tot de voortzetting van de arbeidsverhouding en kan leiden tot misbruik door de nationale overheid. Dit is met name het geval bij de door de Commissie vermelde praktijk om de verlenging van de overeenkomst afhankelijk te stellen van het accepteren van een salarisverlaging.
20 Zeker, het ontslag kan voor het gerecht worden aangevochten. Bovendien dienen bepaalde formaliteiten, zoals opzegging, in acht te worden genomen. Aangezien deze vereisten echter voor alle arbeidsovereenkomsten gelden, is er geen enkele rechtvaardiging om zich eraan te onttrekken wanneer zij betrekking hebben op lectoren vreemde talen.
21 Mitsdien moet aan de nationale rechters worden geantwoord, dat artikel 48, lid 2, van het Verdrag zich ertegen verzet, dat de wetgeving van een Lid-Staat de duur van arbeidsovereenkomsten voor lectoren vreemde talen in alle gevallen beperkt tot één jaar, met mogelijkheid van verlenging, wanneer een dergelijke beperking in beginsel niet bestaat voor het overige onderwijzend personeel.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
22 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de Italiaanse regering wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door de Pretore di Venezia en de Pretore di Parma bij beschikkingen van respectievelijk 4 oktober en 14 november 1991 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Artikel 48, lid 2, EEG-Verdrag verzet zich ertegen, dat de wetgeving van een Lid-Staat de duur van arbeidsovereenkomsten voor lectoren vreemde talen in alle gevallen beperkt tot één jaar, met mogelijkheid van verlenging, wanneer een dergelijke beperking in beginsel niet bestaat voor het overige onderwijzend personeel.
Full & Egal Universal Law Academy