Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Prejudiciële vragen - Voorlegging aan Hof - Noodzaak partijen vooraf te horen - Beoordeling door nationale rechter
(EEG-Verdrag, art. 177)
2 Landbouw - Harmonisatie van wetgevingen op gebied van gezondheid - Intracommunautair handelsverkeer van vers vlees - Richtlijn 64/433 - Systematische controles van goederen voorzien van gezondheidscertificaat, en inning van rechten als tegenprestatie - Ontoelaatbaarheid - Inning van rechten als tegenprestatie voor door richtlijn toegestane inspecties - Rechtvaardiging - Afwezigheid
(Richtlijn 64/433 van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn 83/90)
3 Vrij verkeer van goederen - Kwantitatieve beperkingen - Maatregelen van gelijke werking - Invoer van vers vlees in gemeente van Lid-Staat - Vervoer en aflevering op eindbestemming - Verplichting voor handelaren om onderneming met exclusieve concessie in te schakelen - Ontoelaatbaarheid - Maatregel beperkt tot gedeelte van nationaal grondgebied en zonder onderscheid van toepassing op ingevoerde en binnenlandse produkten - Geen invloed - Artikel 30 van Verdrag - Rechtstreekse werking
(EEG-Verdrag, art. 30)
Samenvatting
4 Ofschoon artikel 177 niet verlangt dat de procedure waarin de nationale rechter een prejudiciële vraag stelt, van contradictoire aard is, kan het in voorkomend geval in het belang van een goede rechtsbedeling zijn om niet tot verwijzing over te gaan dan na de wederpartij te hebben gehoord, maar enkel de nationale rechter heeft over de noodzaak daarvan te oordelen.
5 Bij richtlijn 64/433 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees, zoals gewijzigd bij richtlijn 83/90, is een volledig, gedetailleerd en geharmoniseerd stelsel van sanitaire controles van vers vlees ingevoerd, dat uitgaat van de gelijkwaardigheid van de gezondheidswaarborgen binnen de Gemeenschap en in de plaats komt van ieder ander in het land van bestemming bestaand stelsel van controles, op welke plaats deze controles ook mochten worden verricht.
Zij moet derhalve aldus worden uitgelegd, dat zij zich verzet tegen een nationale inspectieregeling die inhoudt, dat ingevoerde goederen die reeds vergezeld gaan van een door de autoriteiten van de Lid-Staat van verzending overeenkomstig de communautaire voorschriften afgegeven gezondheidscertificaat, niet aan de grens, maar in de gemeente van doorvoer of van bestemming van de goederen aan verplichte, stelselmatige en permanente sanitaire controles worden onderworpen, en die de betrokken ondernemers verplicht daarvoor een heffing te betalen.
Ter zake van door de richtlijn toegestane verificaties en sanitaire inspecties is het opleggen van een dergelijke geldelijke last evenmin gerechtvaardigd als tegenprestatie voor een verleende dienst. De werkzaamheden van de nationale administratie in het kader van die controles worden immers in het algemeen belang en niet in het belang van de importeur verricht. Het opleggen van dergelijke lasten vormt dus in alle gevallen een door het Verdrag verboden belemmering van het vrije goederenverkeer in de Gemeenschap.
6 Van een door artikel 30 van het Verdrag verboden belemmering van de invoer tussen Lid-Staten is sprake, wanneer de voorschriften van een gemeente van een Lid-Staat de ondernemers die in die gemeente vers vlees invoeren, verplichten zich bij het gemeenteslachthuis te vervoegen, teneinde het vervoer en de levering van hun goederen op de plaats van uiteindelijke bestemming te doen verzorgen door een plaatselijke onderneming die houdster is van een exclusieve concessie voor het uitvoeren van die werkzaamheden, en wanneer die voorschriften de betrokken ondernemers slechts toestaan zelf het vervoer en de levering van hun goederen te verzorgen, indien zij een zeker bedrag aan de concessiehoudende onderneming betalen.
Aan deze conclusie doet niet af, dat de betrokken maatregel beperkt is tot het grondgebied van één gemeente van een Lid-Staat. Een maatregel die slechts op een gedeelte van het nationale grondgebied van toepassing is en derhalve een beperkte territoriale werkingssfeer heeft, kan immers niet aan de kwalificatie discriminerende of beschermende maatregel in de zin van de bepalingen betreffende het vrije goederenverkeer ontkomen op de enkele grond, dat hij een even ongunstige invloed heeft op de afzet van uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten als op die van produkten afkomstig uit andere gedeelten van het nationale grondgebied. Evenmin doet het er toe, dat de betrokken maatregel in beginsel zonder onderscheid op nationale en ingevoerde produkten van toepassing is, zodra het gevolg ervan is, dat de invoer van goederen uit andere Lid-Staten duurder en moeilijker wordt gemaakt.
Artikel 30 van het Verdrag heeft rechtstreekse werking en doet voor de particulieren rechten ontstaan die de nationale rechter dient te beschermen.
Partijen
In de gevoegde zaken C-277/91, C-318/91 en C-319/91,
betreffende verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de president van het Tribunale di Genova, in de aldaar aanhangige gedingen tussen
Ligur Carni Srl
en
Unità Sanitaria Locale nr. XV di Genova,
tussen
Ponente SpA
en
1) Unità Sanitaria Locale nr. XIX di La Spezia, 2) CO.GE.SE.MA Coop a r l,
en tussen
Genova Carni Srl
en
Unità Sanitaria Locale nr. XV di Genova,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van richtlijn 64/433/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees (PB 1964, blz. 2012), van richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PB 1989, L 395, blz. 13), van richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en produkten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PB 1990, L 224, blz. 29), en van de artikelen 30, 36, 52 en 59 EEG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, G. F. Mancini, M. Diez de Velasco en D. A. O. Edward, kamerpresidenten, C. N. Kakouris, F. A. Schockweiler, G. C. Rodríguez Iglesias, P. J. G. Kapteyn en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Ligur Carni Srl en Ponente SpA, vertegenwoordigd door G. Conte en G. M. Giacomini, advocaten te Genua,
- Genova Carni Srl, vertegenwoordigd door F. Schiaffino en G. M. Giacomini, advocaten te Genua,
- Unità Sanitaria Locale nr. XV di Genova, vertegenwoordigd door L. Parodi, advocaat te Genua,
- Unità Sanitaria Locale nr. XIX di La Spezia, vertegenwoordigd door A. Ferrero, amministratore straordinario,
- CO.GE.SE.MA coop. a r l, vertegenwoordigd door R. Giromini, advocaat te La Spezia,
- de Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door L. Ferrari Bravo, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door F. Favara, avvocato dello Stato,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. L. Iglesias Buhigues en A. Aresu, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Ligur Carni Srl, Ponente Carni SpA, Genova Carni Srl, Unità Sanitaria Locale nr. XV di Genova, de Italiaanse regering en de Commissie ter terechtzitting van 24 maart 1993,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 mei 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij drie beschikkingen, gegeven op 21 oktober en 25 november 1991 en ingekomen ten Hove op respectievelijk 28 oktober en 10 december daaraanvolgend, heeft de president van het Tribunale di Genova, in het kader van zogeheten "procedures ter verkrijging van een rechterlijk bevel", krachtens artikel 177 EEG-Verdrag zes prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 64/433/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees (PB 1964, blz. 2012), van richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PB 1989, L 395, blz. 13), van richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en produkten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PB 1990, L 224, blz. 29), en van de artikelen 30, 36, 52 en 59 EEG-Verdrag.
2 Deze vragen zijn gerezen in het kader van drie gedingen, in de zaken C-277/91 en C-319/91 tussen de Italiaanse ondernemingen Ligur Carni Srl en Genova Carni Srl enerzijds en Unità Sanitaria Locale (hierna: "USL") nr. XV di Genova anderzijds, en in zaak C-318/91 tussen de Italiaanse onderneming Ponente SpA enerzijds en USL nr. XIX di La Spezia en de coöperatie CO.SE.GE.MA, welke laatste haar bedrijf uitoefent op het grondgebied van de gemeente La Spezia, anderzijds. Gezien de verknochtheid van deze drie zaken, zijn zij bij beschikkingen van de president van het Hof van 28 januari 1992 en 27 januari 1993 gevoegd voor de mondelinge behandeling en het arrest.
3 De USL's zijn lichamen die belast zijn met de sanitaire controles in een bepaald gebied. Zij vallen onder de bevoegdheid van de regio's en zijn uit dien hoofde overheidsorganen.
4 Zoals blijkt uit het dossier, bepaalt het Italiaanse koninklijk besluit nr. 3298 van 20 december 1928 betreffende de goedkeuring van het reglement voor het gezondheidstoezicht op vlees (GURI nr. 36 van 12 februari 1929), dat het binnenbrengen in een gemeente van elders geslacht vers vlees dat bestemd is voor de handel, is toegestaan met name op voorwaarde dat, naast de keuring die reeds in de gemeente van oorsprong heeft plaatsgevonden, het vlees "wordt onderworpen aan een nieuwe keuring door de dierenarts van de gemeente van bestemming".
5 Op de grondslag van dit koninklijk besluit heeft de regio Ligurië regionale wet nr. 31 van 22 augustus 1989 vastgesteld, houdende bepalingen inzake de betaling van de rechten, verschuldigd door particulieren die gebruik maken van de veterinaire verrichtingen van de gemeentelijke gezondheidsdienst (USL) (Publikatieblad van de regio Ligurië nr. 15 van 6 september 1989, deel I, blz. 1439).
6 Artikel 1 van deze wet bepaalt:
"Tot betaling van een recht aan de Unità Sanitaria Locale zijn verplicht de particuliere personen die gebruik maken van de volgende verrichtingen:
a) inspecties, verificaties en controles met betrekking tot voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong en dieren met het oog op het in de handel brengen daarvan;
b) certificaten die vereist zijn voor het in de handel brengen van voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong, dieren en dierlijke produkten in het algemeen."
7 Volgens artikel 2 van dezelfde wet moet het aan de USL voor de sanitaire inspectie verschuldigde recht bij de uitvoering van de verrichting worden betaald, en artikel 3 bepaalt vervolgens, dat het regionale bestuur bevoegd is, na raadpleging van de regionale gezondheidscommissie het bedrag van het recht vast te stellen.
8 Uit de Italiaanse voorschriften en uit het dossier blijkt voorts, dat degene die in een gemeente van de regio Ligurië vers vlees invoert, al is het ten doorvoer, ongeacht of het afkomstig is uit een Lid-Staat of uit een andere Italiaanse gemeente, verplicht is:
- het vlees aan een sanitaire inspectie te onderwerpen, ook als het vergezeld gaat van een gezondheidscertificaat afgegeven door een officiële dierenarts van het land van verzending of de bevoegde instantie van de Italiaanse gemeente van oorsprong. Deze inspectie wordt uitgevoerd door het veterinaire personeel van de USL van de gemeente van bestemming en leidt tot de afgifte van een certificaat, dat vereist is om het vlees in de handel te kunnen brengen;
- aan de USL voor de gedane veterinaire verrichting een door de regionale overheid forfaitair vastgesteld bedrag ter zake van inspectierechten te betalen.
9 Uit de stukken blijkt eveneens, dat meer in het bijzonder wat de handel in vlees in de gemeente La Spezia betreft, de importeur gebruik moet maken van de diensten van de coöperatie CO.GE.SE.MA, waaraan de gemeente een exclusieve concessie heeft verleend voor het in- en uitladen van de goederen bij het gemeentelijk slachthuis en het vervoer ervan naar de uiteindelijke plaats van bestemming. De betrokken marktdeelnemer kan de distributie van de goederen met eigen middelen verzorgen, doch op voorwaarde dat hij het voor die verrichting geldende bedrag aan CO.GE.SE.MA betaalt.$
10 Uit de verwijzingsbeschikking blijkt, dat de drie genoemde Italiaanse ondernemingen vers rundvlees importeren uit Denemarken en Nederland. Op grond van de genoemde Italiaanse wettelijke regeling hebben zij in het tijdvak 1990-1991 verschillende bedragen uit hoofde van inspectierechten aan de bevoegde USL's moeten betalen.
11 Van oordeel dat deze betalingen niet verschuldigd waren, omdat het ingevolge de richtlijnen 64/433/EEG, 89/662/EEG en 90/425/EEG verboden "heffingen" zijn, hebben die ondernemingen de president van het Tribunale di Genova verzocht om uitvaardiging van een rechterlijk bevel aan de USL's om de geïnde bedragen aan hen terug te betalen.
12 Naast die rechten heeft Ponente aan CO.GE.SE.MA een zeker bedrag moeten betalen, overeenkomend met de verschuldigde rechten in het kader van de aan deze laatste verleende exclusieve concessie. Naar de mening van Ponente waren ook deze bedragen niet verschuldigd, omdat het ingevolge de artikelen 30, 52 en 59 van het Verdrag verboden "heffingen" zijn.
13 Aangezien de president van het Tribunale di Genova betwijfelde, of de betrokken Italiaanse wetgeving in overeenstemming was met het gemeenschapsrecht, heeft hij de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende zes prejudiciële vragen gesteld:
"1. Zijn, in het licht van het geldende gemeenschapsrechtelijke stelsel, in het bijzonder van het bepaalde in de richtlijnen 64/433/EEG, 89/662/EEG en 90/425/EEG van de Raad inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees, respectievelijk veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt, met het gemeenschapsrecht in overeenstemming nationale wettelijke voorschriften en praktijken, volgens welke bij invoer in een Lid-Staat van uit andere Lid-Staten afkomstig vers vlees, dat in het land van verzending reeds de in voornoemde richtlijnen geregelde keuringen en controles heeft ondergaan, de goederen bij doorvoer en bij aankomst op de plaats van bestemming wederom worden onderworpen aan systematische veterinaire inspecties en sanitaire controles op kosten van de importeurs?
2. Kan in het intracommunautaire handelsverkeer van goederen (vers vlees) die in het land van verzending reeds een gezondheidskeuring hebben ondergaan overeenkomstig de richtlijnen 64/433/EEG en 89/622/EEG, tot de veterinaire controles die ingevolge genoemde richtlijnen in het land van bestemming nog mogen worden verricht, ook worden gerekend een systematische veterinaire controle bij aankomst ter plaatse van bestemming, wanneer deze controle
a) bestaat uit inspecties, verificaties en controles zonder welke de goederen niet in de handel mogen worden gebracht;
b) leidt tot afgifte van een certificaat, inhoudende dat het uit andere Lid-Staten afkomstige vlees $in goede staat van conservering verkeert en geschikt is voor consumptie';
c) voor de importeurs een financiële last meebrengt, ook als die forfaitair wordt bepaald, volgens een door de overheid naar eigen inzicht vastgesteld tarief?
3. Zo neen, is een controle met de bovenbeschreven kenmerken dan te kwalificeren als een maatregel van gelijke werking, die onverenigbaar is met de artikelen 30 e.v. EEG-Verdrag, doch mogelijkerwijs kan worden gerechtvaardigd uit hoofde van artikel 36 EEG-Verdrag?
4. Is het door het Hof van Justitie geformuleerde gemeenschapsrechtelijke beginsel, dat het handelen van de staat ter zake van de uitvoering van veterinaire keuringen niet kan worden beschouwd als een aan de importeur bewezen dienst die de oplegging van een geldelijke last als tegenprestatie kan rechtvaardigen, te beschouwen als verenigbaar met nationale voorschriften en praktijken, volgens welke rechten worden geheven over goederen uit andere Lid-Staten ter zake van stelselmatige veterinaire controles als in artikel 3 van wet nr. 31 van de regio Ligurië van 22 augustus 1989 zijn geregeld?
5. Verlenen bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht de artikelen 30, 52 en 59 EEG-Verdrag, bij invoer over land op het grondgebied van een Lid-Staat van de EEG van uit een andere Lid-Staat van de EEG afkomstige goederen, aan de justitiabelen van de Gemeenschap rechten die de Lid-Staten moeten eerbiedigen, in het geval waarin het een importbedrijf wordt verboden zelf met eigen middelen op het grondgebied van een gemeente te zorgen voor het laden en lossen en voor de levering van de goederen?
6. Verdraagt een administratieve praktijk, waarbij het transport en de levering van de goederen op een gedeelte van het nationale grondgebied wordt voorbehouden aan een bepaalde onderneming en waarbij aan de ondernemers van de Lid-Staten de mogelijkheid wordt ontzegd om die verrichtingen met eigen personeel en middelen te verrichten, tenzij zij ook aan de concessiehoudende onderneming de prijs voor niet gevraagde en niet verrichte diensten betalen, zich met de artikelen 30, 52 en 59 EEG-Verdrag?"
De eerste vier vragen betreffen alle drie de hoofdgedingen. De laatste twee hebben enkel betrekking op het geding tussen Ponente SpA en CO.GE.SE.MA.
14 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van de drie hoofdgedingen, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
15 Vooraf zij erop gewezen, dat de Italiaanse regering de vraag opwerpt, of in het onderhavige geval voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 177, tweede alinea, van het Verdrag, aangezien de prejudiciële vragen zijn gerezen in het kader van summiere, niet op tegenspraak gevoerde procedures. Dit zou ertoe kunnen leiden, dat het Hof een uitlegging geeft die wegens de mogelijk onjuiste voorstelling van de feiten weinig doeltreffend is.
16 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat niet wordt betwist dat de president van het Tribunale di Genova een rechterlijke instantie in de zin van artikel 177 van het Verdrag is en dat hij van mening was, dat een uitlegging van het gemeenschapsrecht noodzakelijk was om uitspraak te kunnen doen. In zijn arrest van 28 juni 1978 (zaak 70/77, Simmenthal, Jurispr. 1978, blz. 1453, r.o. 10 en 11) heeft het Hof verklaard, dat ofschoon artikel 177 niet verlangt dat de procedure waarin de nationale rechter een prejudiciële vraag stelt, van contradictoire aard is, het in voorkomend geval in het belang van een goede rechtsbedeling kan zijn niet tot verwijzing over te gaan dan na de wederpartij te hebben gehoord, maar dat enkel de nationale rechter over de noodzaak daarvan heeft te oordelen (zie eveneens arrest van 9 november 1983, zaak 199/82, San Giorgio, Jurispr. 1983, blz. 3611, r.o. 8).
De eerste twee vragen
17 Met zijn eerste twee vragen vraagt de nationale rechter, of een inspectieregeling die inhoudt dat ingevoerde goederen die reeds vergezeld gaan van een door de autoriteiten van de Lid-Staat van verzending overeenkomstig de communautaire voorschriften afgegeven gezondheidscertificaat, niet aan de grens, maar in de gemeente van doorvoer of van bestemming van de goederen aan verplichte, stelselmatige en permanente sanitaire controles worden onderworpen, en die de betrokken ondernemers verplicht daarvoor een heffing te betalen, verenigbaar is met de richtlijnen 64/433, 89/662 en 90/425.
18 Allereerst moet worden opgemerkt, dat de feiten van de hoofdgedingen teruggaan tot de periode vóór 1 juli 1992, de datum waarop de termijn voor omzetting van de richtlijnen 89/622 en 90/425 afliep. Bovendien heeft, zoals de Commissie terecht opmerkt, het onderwerp van richtlijn 90/425 niets te maken met het verkeer van vers vlees. Hieruit volgt, dat enkel de uitlegging van richtlijn 64/433 (hierna: "richtlijn") voor de uitkomst van de hoofdgedingen relevant is.
19 Deze richtlijn, laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 83/90/EEG van de Raad van 7 februari 1983 (PB 1983, L 59, blz. 10) en vastgesteld op de grondslag van de artikelen 43 en 100 EEG-Verdrag, heeft tot doel de bestaande ongelijkheid op het gebied van gezondheidsvoorschriften inzake vers vlees, welke het intracommunautaire verkeer van dit produkt kunnen belemmeren, weg te nemen door de voorschriften van de Lid-Staten te harmoniseren (derde en vierde overweging van de considerans).
20 Deze harmonisatie van de voorschriften is in het bijzonder gericht op uniformering van de omstandigheden op sanitair gebied, niet alleen in de slachthuizen en werkplaatsen van het land van verzending, maar ook met betrekking tot het opslaan en het vervoer van vlees. Daartoe heeft de richtlijn een stelsel ingevoerd, dat voorziet in de erkenning door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten van de slachthuizen, uitsnijderijen en koel- en vrieshuizen die voldoen aan de door de richtlijn vastgestelde sanitaire voorwaarden (vijfde overweging van de considerans, artikel 3, lid 1, sub A a), g) en h), sub B a) en c), en sub C, en bijlage I, hoofdstukken I, II, III en XIV).
21 De aldus in het land van verzending, overeenkomstig de gedetailleerde voorschriften van de richtlijn verrichte sanitaire controles leiden tot de afgifte van een gezondheidscertificaat, opgesteld door een officiële dierenarts van dat land, hetwelk het meest geschikte middel vormt om de bevoegde autoriteiten van het land van bestemming de waarborg te verstrekken dat het vlees aan de eisen van de richtlijn beantwoordt, welk certificaat een zending vlees tot de plaats van bestemming moet begeleiden (zesde overweging van de considerans, artikel 3, lid 1, sub A f), bijlage I, hoofdstuk XII, en bijlage II).
22 De vijfde overweging van de considerans van richtlijn 83/90 vermeldt daarenboven, dat communautaire controleregelingen moeten worden ingesteld om te garanderen dat de voorschriften van deze richtlijn in alle Lid-Staten op dezelfde wijze worden toegepast, en dat erop moet worden toegezien, dat de procedures voor deze controles worden vastgesteld volgens een communautaire procedure.
23 Zo bepaalt artikel 10, lid 1, van de richtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 83/90, dat het land van bestemming kan nagaan of een zending vers vlees vergezeld gaat van het voorgeschreven gezondheidscertificaat.
24 Slechts indien er ernstige vermoedens bestaan dat er onregelmatigheden zijn begaan, mag volgens lid 2 van dat artikel het land van bestemming op niet-discriminerende basis overgaan tot inspecties, om na te gaan of aan de eisen van de richtlijn is voldaan, welke inspecties volgens lid 3 geen vertraging mogen meebrengen bij de aan- en afvoer en het in de handel brengen van de goederen, waardoor de kwaliteit van het vlees kan worden aangetast. In hetzelfde lid is bepaald, dat de inspecties normaliter worden uitgevoerd op de plaats van bestemming van de goederen of op elke andere geschikte plaats, op voorwaarde dat de gekozen plaats zo weinig mogelijk hinder meebrengt voor de aan- en afvoer van de goederen.
25 In zijn arresten van 15 december 1976 (zaak 35/76, Simmenthal, Jurispr. 1976, blz. 1871) en 6 oktober 1983 (gevoegde zaken 2/82 - 4/82, Delhaize, Jurispr. 1983, blz. 2973) had het Hof reeds vóór de inwerkingtreding van het bij richtlijn 83/90 gewijzigde artikel 10 beslist, dat enkel sporadische controles toelaatbaar zijn, mits deze niet zo veelvuldig voorkomen, dat zij een verkapte beperking van de handel tussen de Lid-Staten vormen. Volgens diezelfde arresten heeft de richtlijn een geharmoniseerd stelsel van sanitaire keuringen ingevoerd, dat uitgaat van de gelijkwaardigheid van de in alle Lid-Staten voorgeschreven sanitaire maatregelen, waardoor zowel de bescherming van de gezondheid als de gelijke behandeling der produkten wordt gewaarborgd. Daartoe verlegt het stelsel de sanitaire controles naar de Lid-Staat van verzending.
26 Geconcludeerd moet dan ook worden, dat dit volledige, gedetailleerde en geharmoniseerde stelsel van sanitaire controles van vers vlees, dat uitgaat van de gelijkwaardigheid van de gezondheidswaarborgen binnen de Gemeenschap, in de plaats komt van ieder ander in het land van bestemming bestaand stelsel van controles, op welke plaats deze controles ook mochten worden verricht.
27 Mitsdien moet op de eerste twee vragen van de nationale rechter worden geantwoord, dat richtlijn 64/433, zoals gewijzigd bij richtlijn 83/90, aldus moet worden uitgelegd, dat zij zich verzet tegen een nationale inspectieregeling die inhoudt, dat ingevoerde goederen die reeds vergezeld gaan van een door de autoriteiten van de Lid-Staat van verzending overeenkomstig de communautaire voorschriften afgegeven gezondheidscertificaat, niet aan de grens, maar in de gemeente van doorvoer of van bestemming van de goederen aan verplichte, stelselmatige en permanente sanitaire controles worden onderworpen, en die de betrokken ondernemers verplicht daarvoor een heffing te betalen.
De derde vraag
28 Deze vraag is slechts gesteld voor het geval een nationale wettelijke regeling zoals die welke in de hoofdgedingen aan de orde is, niet onder de werking van richtlijn 64/433 zou vallen. Gezien het antwoord dat op de eerste twee vragen is gegeven, behoeft de derde vraag niet te worden beantwoord.
De vierde vraag
29 Met deze vraag vraagt de nationale rechter, zakelijk weergegeven, of de geldelijke last die in het kader van een nationale wettelijke regeling als aan de orde in de hoofdgedingen, op de betrokken importeur wordt gelegd als heffing wegens sanitaire inspectie, gerechtvaardigd is als een tegenprestatie voor verleende diensten.
30 Allereerst moet worden opgemerkt dat, waar de hier bedoelde stelselmatige, verplichte en permanente controles op grond van het door de richtlijn geharmoniseerde stelsel niet zijn toegestaan, de als tegenprestatie voor die controles opgelegde geldelijke lasten niet kunnen worden geacht verenigbaar te zijn met de communautaire voorschriften.
31 Hetzelfde geldt voor de rechten die worden geheven ter zake van de door de richtlijn toegestane verificaties en sanitaire inspecties. In dergelijke gevallen worden de werkzaamheden van de nationale administratie namelijk in het algemeen belang verricht en kunnen zij niet worden beschouwd als een aan de importeur verleende dienst. Dientengevolge moeten de door dergelijke controles veroorzaakte kosten uit de openbare middelen worden bestreden, daar de voordelen van het vrije goederenverkeer in de Gemeenschap aan het algemeen ten goede komen (zie arresten van 5 februari 1976, zaak 87/75, Bresciani, Jurispr. 1976, blz. 129, en 25 januari 1977, zaak 47/76, Bauhuis, Jurispr. 1977, blz. 5). Het opleggen van dergelijke heffingen aan de importeurs vormt dus een door het Verdrag verboden belemmering van dat vrije verkeer.
32 Op deze vraag moet dus worden geantwoord, dat de geldelijke last die in het kader van een nationale wettelijke regeling als aan de orde in de hoofdgedingen, op de betrokken importeur wordt gelegd als heffing wegens sanitaire inspectie, niet gerechtvaardigd is als een tegenprestatie voor verleende diensten.
De vijfde en de zesde vraag
33 Met deze laatste twee vragen, gerezen in het kader van het geding tussen Ponente SpA en CO.GE.SE.MA (zaak C-318/91), wenst de nationale rechter, zakelijk weergegeven, te vernemen, of de voorschriften van een gemeente van een Lid-Staat, die een importeur van vers vlees een verbod opleggen om zelf het vervoer en de levering van zijn goederen op het grondgebied van de betrokken gemeente te verzorgen, tenzij hij aan een plaatselijke onderneming een bedrag betaalt dat overeenkomt met de diensten die deze verricht in het kader van een exclusieve concessie voor goederenbehandeling in het gemeenteslachthuis en het vervoer en de levering van de betrokken goederen, in strijd zijn met de artikelen 30, 52 en 59 van het Verdrag en of deze bepalingen rechtstreekse werking hebben.
34 Allereerst moet worden gepreciseerd, dat deze vragen geen betrekking hebben op de wettigheid van de aan een plaatselijke ondernemer in de betrokken sector verleende exclusieve concessie als zodanig.
35 Vervolgens zij in herinnering gebracht, dat artikel 30 van het Verdrag kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking tussen de Lid-Staten verbiedt. Volgens vaste rechtspraak vallen die maatregelen reeds onder het verbod van deze bepaling, indien zij al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, de invoer tussen Lid-Staten kunnen belemmeren. Aldus geformuleerd treft het verbod dus iedere vorm van belemmering die een nadelige invloed op het vrije goederenverkeer kan hebben, al is het potentieel of zijdelings.
36 Van een dergelijke belemmering van de invoer is sprake, wanneer de voorschriften van een gemeente van een Lid-Staat de ondernemers die in die gemeente vers vlees invoeren, verplichten zich bij het gemeenteslachthuis te vervoegen, teneinde het vervoer en de levering van hun goederen op de plaats van uiteindelijke bestemming te doen verzorgen door een plaatselijke onderneming die houdster is van een exclusieve concessie voor het uitvoeren van die werkzaamheden, en wanneer die voorschriften de betrokken ondernemers slechts toestaan zelf het vervoer en de levering van hun goederen te verzorgen, indien zij een zeker bedrag aan de concessiehoudende onderneming betalen.
37 Aan deze conclusie doet niet af, dat de betrokken maatregel beperkt is tot het grondgebied van één gemeente van een Lid-Staat. In zijn arrest van 25 juli 1991 (gevoegde zaken C-1/90 en C-176/90, Aragonesa de Publicidad, Jurispr. 1991, blz. I-4179, r.o. 24) heeft het Hof verklaard, dat een maatregel die slechts op een gedeelte van het nationale grondgebied van toepassing is en derhalve een beperkte territoriale werkingssfeer heeft, niet aan de kwalificatie "discriminerende of beschermende maatregel" in de zin van de bepalingen betreffende het vrije goederenverkeer kan ontkomen op de enkele grond, dat hij niet alleen een ongunstige invloed heeft op de afzet van uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten, maar ook op die van produkten afkomstig uit andere gedeelten van het nationale grondgebied.
38 Evenmin doet het er toe, dat de betrokken maatregel in beginsel zonder onderscheid op nationale en ingevoerde produkten van toepassing is, zodra het gevolg ervan is, dat de invoer van goederen uit andere Lid-Staten duurder en moeilijker wordt gemaakt (zie arresten van 25 juli 1991, Aragonesa, reeds aangehaald, en 10 december 1991, zaak C-179/90, Merci, Jurispr. 1991, blz. I-5889).
39 Hieraan moet ten slotte worden toegevoegd, dat artikel 30 van het Verdrag rechtstreekse werking heeft en voor de particulieren rechten doet ontstaan die de nationale rechter dient te beschermen (arrest van 8 november 1979, zaak 251/78, Denkavit, Jurispr. 1979, blz. 3369).
40 Artikel 52 van het Verdrag bekrachtigt de vrijheid van de onderdanen van een Lid-Staat, met inbegrip van de daar gevestigde ondernemingen, zich te vestigen op het grondgebied van een andere Lid-Staat, overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld.
41 Opgemerkt dient te worden, dat het geschil in het hoofdgeding zich afspeelt tussen een Italiaanse onderneming die vers vlees uit andere Lid-Staten invoert, en een andere Italiaanse onderneming, die houdster van een plaatselijke exclusieve concessie voor het vervoer en de levering van die goederen is. Er is in dit geval dus geen enkel element dat buiten het zuiver binnenlandse kader treedt, zodanig dat een beroep op artikel 52 zou kunnen worden gedaan. Derhalve is de uitlegging van deze bepaling niet relevant voor de beslissing in het hoofdgeding.
42 Hetzelfde geldt voor artikel 59 van het Verdrag, waarin de vrijheid van dienstverrichting is neergelegd voor onderdanen van de Lid-Staten die gevestigd zijn in een ander land van de Gemeenschap dan dat waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht.
43 Verzoeksters in het hoofdgeding zijn immers geen ondernemingen die gevestigd zijn in andere Lid-Staten en die vervoersdiensten zouden willen verrichten op het grondgebied van de betrokken gemeente. Ook stellen zij niet, dat zij, als ontvangers van diensten, een beroep zouden willen doen op de diensten van een vervoerder uit een andere Lid-Staat. De uitlegging van artikel 59 is dus evenmin relevant voor de beslissing in het hoofdgeding.
44 Op de twee laatste vragen moet dus worden geantwoord, dat artikel 30 van het Verdrag zich ertegen verzet, dat de voorschriften van een gemeente van een Lid-Staat een ondernemer die in die gemeente vers vlees invoert, een verbod opleggen om zelf het vervoer en de levering van zijn goederen op het grondgebied van de betrokken gemeente te verzorgen, tenzij hij aan een plaatselijke onderneming een bedrag betaalt dat overeenkomt met de diensten die deze verricht in het kader van een exclusieve concessie voor de goederenbehandeling in het gemeenteslachthuis en het vervoer en de levering van de betrokken goederen. Artikel 30 van het Verdrag heeft rechtstreekse werking en doet voor de particulieren rechten ontstaan die de nationale rechter dient te beschermen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
45 De kosten door de Italiaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen regering wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door de president van het Tribunale di Genova bij beschikkingen van 21 oktober en 25 november 1991 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Richtlijn 64/433/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees, zoals gewijzigd bij richtlijn 83/90/EEG van de Raad van 7 februari 1983, moet aldus worden uitgelegd, dat zij zich verzet tegen een nationale inspectieregeling die inhoudt, dat ingevoerde goederen die reeds vergezeld gaan van een door de autoriteiten van de Lid-Staat van verzending overeenkomstig de communautaire voorschriften afgegeven gezondheidscertificaat, niet aan de grens, maar in de gemeente van doorvoer of van bestemming van de goederen aan verplichte, stelselmatige en permanente sanitaire controles worden onderworpen, en die de betrokken ondernemers verplicht daarvoor een heffing te betalen.
2) De geldelijke last die in het kader van een nationale wettelijke regeling als aan de orde in de hoofdgedingen, op de betrokken importeur wordt gelegd als heffing wegens sanitaire inspectie, is niet gerechtvaardigd als zijnde een tegenprestatie voor verleende diensten.
3) Artikel 30 EEG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het zich ertegen verzet, dat de voorschriften van een gemeente van een Lid-Staat een ondernemer die in die gemeente vers vlees invoert, een verbod opleggen om zelf het vervoer en de levering van zijn goederen op het grondgebied van de betrokken gemeente te verzorgen, tenzij hij aan een plaatselijke onderneming een bedrag betaalt dat overeenkomt met de diensten die deze verricht in het kader van een exclusieve concessie voor de goederenbehandeling in het gemeenteslachthuis en het vervoer en de levering van de betrokken goederen. Artikel 30 EEG-Verdrag heeft rechtstreekse werking en doet voor de particulieren rechten ontstaan die de nationale rechter dient te beschermen.
Full & Egal Universal Law Academy