Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Sociale zekerheid van migrerende werknemers ° Ouderdoms- en overlijdensverzekering ° Bijzonderheden voor toepassing van Nederlandse Algemene Ouderdomswet ° Berekening van tijdvakken van verzekering ° Gelijkstelling met tijdvakken van verzekering vóór 1 januari 1957, gedurende welke rechthebbende voldoende nauwe band met Nederland had ° Werkzaamheid in buitenland in dienst van Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, bijlage VI, onderdeel J, punt 2, sub a)
Samenvatting
Iemand die in dienst is geweest van een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon en die, ofschoon buiten Nederland wonend, om die reden onderworpen was aan de Nederlandse wettelijke regeling inzake sociale zekerheid, heeft een even nauwe band met Nederland als iemand die in Nederland heeft gewoond of die, hoewel op het grondgebied van een andere Lid-Staat wonend, in dienst van een in Nederland gevestigde werkgever arbeid heeft verricht, welke gevallen uitdrukkelijk zijn voorzien in punt 2, sub a, van bijlage VI, onderdeel J, bij verordening nr. 1408/71. Een dergelijke band moet derhalve eveneens voldoende worden geacht om te kunnen verlangen, dat de vóór 1 januari 1957 gelegen tijdvakken gedurende welke deze band bestond, worden gelijkgesteld met tijdvakken van verzekering ingevolge de Nederlandse Algemene Ouderdomswet.
Hieruit volgt, dat het bepaalde in onderdeel J, punt 2, sub a, van bijlage VI bij deze verordening aldus moet worden uitgelegd, dat de in artikel 13, lid 1, van de Nederlandse Algemene Ouderdomswet bedoelde korting niet van toepassing is op vóór 1 januari 1957 gelegen tijdvakken gedurende welke de rechthebbende die niet voldoet aan de voorwaarden op grond waarvan deze tijdvakken kunnen worden gelijkgesteld met tijdvakken van verzekering, tussen zijn 15e en 65e jaar in dienst is geweest van een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon en om die reden onderworpen is geweest aan de Nederlandse wettelijk regeling inzake sociale zekerheid, ook al woonde hij buiten Nederland.
Partijen
In zaak C-282/91,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Hoge Raad der Nederlanden, in het aldaar aanhangig geding tussen
Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank
en
A. de Wit,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van bijlage VI, onderdeel J, punt 2, sub a, bij verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie van verordening (EEG) nr. 2332/89 van de Raad van 18 juli 1989 (PB 1989, L 224, blz. 1) alsmede in de overeenkomstige eerdere versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: C. N. Kakouris, kamerpresident, G. F. Mancini, F. A. Schockweiler, M. Diez de Velasco en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° het Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, vertegenwoordigd door E. H. Pijnacker Hordijk, advocaat te Amsterdam,
° A. de Wit in persoon,
° de regering van het Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door B. R. Bot, secretaris-generaal van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. J. Drijber, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van het Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, van de regering van het Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door J. W. de Zwaan, adjunct-juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, en van de Commissie ter terechtzitting van 29 oktober 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 november 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 30 oktober 1991, ingekomen bij het Hof op 6 november daaraanvolgend, heeft de Hoge Raad der Nederlanden krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van bijlage VI, onderdeel J, punt 2, sub a, bij verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie van verordening (EEG) nr. 2332/89 van de Raad van 18 juli 1989 (PB 1989, L 224, blz. 1) alsmede in de overeenkomstige eerdere versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6).
2 Deze vraag is gerezen in een geschil tussen A. de Wit, Nederlands onderdaan, en het Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: "SVB") over de berekening van het ouderdomspensioen waarop De Wit krachtens de Nederlandse Algemene Ouderdomswet (hierna: "AOW") recht heeft.
3 Ingevolge de AOW, die op 1 januari 1957 in werking is getreden, heeft een ieder bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd recht op een volledig pensioen, indien hij gedurende een periode van vijftig jaar, gelegen tussen het 15e en het 65e levensjaar, verzekerd is geweest. In beginsel zijn ingezetenen en niet-ingezetenen die ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting zijn onderworpen, krachtens de AOW verzekerd. Op grond van artikel 13, lid 1, AOW wordt op het volle pensioenbedrag een korting toegepast van 2 % voor elk niet-verzekerd jaar alsmede voor elk jaar dat de betrokkene niet de verschuldigde premie heeft betaald.
4 Artikel 6, lid 1, sub c, AOW bepaalde aanvankelijk, dat de in het buitenland woonachtige Nederlander die ter zake van buiten het Rijk verrichte arbeid wedde of loon genoot ten laste van het Rijk, eveneens verzekerd was voor de AOW. Deze bepaling werd echter met ingang van 1 januari 1965 geschrapt en vervangen door artikel 3, lid 4, AOW, op grond waarvan de buiten het Rijk verblijf houdende Nederlander die in dienstbetrekking staat tot een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon, alsmede zijn echtgenote en de kinderen voor wie hij recht op kinderbijslag heeft, worden geacht binnen het Rijk te wonen.
5 Artikel 3, lid 4, AOW is op zijn beurt met ingang van 1 april 1985 ingetrokken en sindsdien wordt de buiten het Rijk verblijf houdende Nederlander die in dienstbetrekking staat tot een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon, opnieuw als verzekerde aangemerkt.
6 Teneinde degenen die op 1 januari 1957, de datum van de inwerkingtreding van de AOW, de leeftijd van 15 jaar reeds hadden bereikt, in staat te stellen vanaf hun 65e jaar een volledig pensioen te ontvangen, bevat de AOW een overgangsregeling, op grond waarvan de jaren tussen de 15e verjaardag van de betrokkene en 1 januari 1957 onder bepaalde voorwaarden kunnen worden gelijkgesteld met verzekeringsjaren krachtens de AOW. Deze voorwaarden zijn, dat de betrokkene na zijn 59e verjaardag gedurende zes jaren in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba heeft gewoond en dat hij op het tijdstip waarop hij zijn aanspraak geldend maakt, in Nederland woont.
7 Verordening nr. 1408/71, in de versie van verordening nr. 2332/89, bevat in bijlage VI, onderdeel J (Nederland), punt 2, onder het opschrift "Toepassing van de Nederlandse Algemene Ouderdomswet (AOW)" (hierna: "punt 2 van bijlage VI"), de navolgende bepalingen:
"a) De korting als bedoeld in artikel 13, lid 1, van de Algemene Ouderdomswet wordt niet toegepast voor kalenderjaren of delen van kalenderjaren welke vóór 1 januari 1957 zijn gelegen en gedurende welke de rechthebbende die niet voldoet aan de voorwaarden op grond waarvan deze jaren kunnen worden gelijkgesteld met tijdvakken van verzekering, tussen zijn 15e en 65e jaar in Nederland heeft gewoond of gedurende welke hij, op het grondgebied van een andere Lid-Staat wonende, in Nederland arbeid heeft verricht in dienst van een in Nederland gevestigde werkgever.
(...)
e) Het bepaalde onder a), b), c) en d) geldt alleen indien de rechthebbende na het bereiken van de 59-jarige leeftijd gedurende zes jaren op het grondgebied van een of meer Lid-Staten heeft gewoond en zolang hij op het grondgebied van één dezer Lid-Staten woont."
8 In de voordien geldende versie (verordening nr. 2001/83) luidden deze bepalingen in wezen hetzelfde, behalve dat in sub a werd gesproken van "wonen op Nederlands grondgebied" in plaats van "wonen in Nederland".
9 Ingevolge artikel 3, lid 7, van verordening nr. 2332/89 geldt de nieuwe versie van bijlage VI bij verordening nr. 1408/71 vanaf 1 april 1985.
10 Blijkens de stukken van het hoofdgeding heeft De Wit tot 20 november 1945 op Nederlands grondgebied gewoond. Vanaf die datum heeft hij in dienst van het Ministerie van Oorlog, later van het Ministerie van Buitenlandse zaken, op verschillende posten buiten Nederland gewerkt. Op 27 oktober 1947 werd hij officieel uit het bevolkingsregister van de gemeente Waddinxveen uitgeschreven. Op 1 augustus 1978 werd De Wit eervol ontslag verleend en sindsdien woont hij in Ierland.
11 Toen De Wit op 10 juni 1985 de 65-jarige leeftijd bereikte, kende de SVB hem een pensioen toe ten belope van 68 % van het volledige pensioen, omdat hij tussen 27 oktober 1947 (de datum waarop hij werd uitgeschreven uit het bevolkingsregister van zijn gemeente van herkomst) en 1 januari 1957 (de datum van de inwerkingtreding van de AOW) alsmede tussen 1 augustus 1978 (de datum van zijn vertrek naar Ierland) en 10 juni 1985 (de dag waarop hij 65 jaar werd), dat wil zeggen in totaal meer dan 16 jaar, niet verzekerd was geweest.
12 Naar de mening van De Wit had de SVB niet alleen de periode tussen 10 juni 1935, de datum waarop hij 15 jaar werd, en 27 oktober 1947, de datum van uitschrijving uit het bevolkingsregister van zijn gemeente van herkomst, als verzekerd tijdvak voor de berekening van zijn ouderdomspensioen moeten beschouwen, maar eveneens de periode van 27 oktober 1947 tot 1 januari 1957. Hij stelde onder meer, dat het begrip "wonen" in punt 2, sub a, van bijlage VI bij verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd, dat het eveneens het "fictieve wonen" omvat, zoals de AOW dat van 1 januari 1965 tot 1 april 1985 kende in artikel 3, lid 4.
13 Het geschil tussen De Wit en de SVB over dit punt kwam uiteindelijk voor de Hoge Raad der Nederlanden, die, van oordeel dat zich een vraag over de uitlegging van punt 2, sub a, van bijlage VI bij verordening nr. 1408/71 voordeed, het Hof de volgende prejudiciële vraag heeft gesteld:
"Dient het begrip 'op Nederlands grondgebied wonen' respectievelijk 'in Nederland wonen' in onderdeel J, punt 2, sub a, van bijlage VI bij verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971 (naar de tekst geldende tot 1 april 1985 respectievelijk de tekst geldende sedert 1 april 1985) aldus te worden uitgelegd, dat daaronder uitsluitend wordt verstaan het daadwerkelijk wonen op Nederlands grondgebied respectievelijk in Nederland, dan wel dat daaronder mede is begrepen een fictief wonen op Nederlands grondgebied respectievelijk in Nederland van de buiten het Rijk verblijf houdende Nederlander, die in dienstbetrekking staat tot een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon, een en ander als bedoel in artikel 3, lid 4 (oud), van de AOW?"
14 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop alsmede de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
15 Met zijn vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of het bepaalde in punt 2, sub a, van bijlage VI bij verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd, dat de korting bedoeld in artikel 13, lid 1, AOW niet van toepassing is op tijdvakken vóór 1 januari 1957, gedurende welke de rechthebbende die niet voldoet aan de voorwaarden op grond waarvan deze tijdvakken kunnen worden gelijkgesteld met tijdvakken van verzekering, tussen zijn 15e en 65e jaar in dienst is geweest van een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon, terwijl hij buiten Nederland woonde.
16 In de eerste plaats dient eraan te worden herinnerd dat, gelijk het Hof heeft verklaard in zijn arresten van 25 februari 1986 (zaak 284/84, Spruyt, Jurispr. 1986, blz. 685) en 2 mei 1990 (zaak C-293/88, Winter-Lutzins, Jurispr. 1990, blz. I-1623), de krachtens artikel 51 EEG-Verdrag vastgestelde bepalingen van verordening nr. 1408/71, en inzonderheid die van bijlage VI, moeten worden uitgelegd in het licht van het doel van dit artikel, dat een bijdrage beoogt te leveren aan het tot stand brengen van een zo groot mogelijke vrijheid van verkeer voor migrerende werknemers, welke vrijheid een van de grondslagen van de Gemeenschap vormt.
17 Artikel 51 verplicht de Raad immers de maatregelen vast te stellen die op het gebied van de sociale zekerheid noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van het vrije verkeer van werknemers, met name door een stelsel in te voeren waardoor de betaling van uitkeringen aan personen die op het grondgebied van de Lid-Staten verblijven, wordt gewaarborgd. Het doel van de artikelen 48 tot en met 51 zou niet worden bereikt, indien werknemers als gevolg van de uitoefening van hun recht van vrij verkeer sociale-zekerheidsvoordelen zouden verliezen die hun door de wettelijke regeling van een Lid-Staat worden toegekend.
18 Ook heeft het Hof in deze arresten vastgesteld, dat de regel van artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1408/71, betreffende de opheffing van de bepalingen inzake de woonplaats, die tot doel heeft de belanghebbende het recht op sociale-zekerheidsuitkeringen te verzekeren zelfs nadat hij in een andere Lid-Staat is gaan wonen, alsook het vrije verkeer van werknemers te bevorderen door de belanghebbenden te beschermen tegen de nadelen die uit de verlegging van hun woonplaats van de ene Lid-Staat naar de andere kunnen voortvloeien, niet zonder meer kan worden toegepast op een stelsel van algemene ouderdomsverzekering zoals de AOW, waaronder het enkele feit dat men Nederlands ingezetene is, volstaat om verzekerd te zijn.
19 Het is juist dat het Hof, gelet op deze context, in dezelfde arresten heeft erkend, dat overeenkomstig het bepaalde in punt 2, sub a, van bijlage VI bij verordening nr. 1408/71, in samenhang met de bepaling die thans is opgenomen in punt 2, sub e, het in aanmerking nemen van vóór de inwerkingtreding van de AOW gelegen tijdvakken voor personen die na het bereiken van de 59-jarige leeftijd gedurende zes jaren in een of meerdere Lid-Staten hebben gewoond (en zolang zij daar wonen), afhankelijk kan worden gesteld van de bijkomende voorwaarde, dat de rechthebbende gedurende deze tijdvakken in Nederland heeft gewoond of aldaar arbeid in loondienst heeft verricht, ook al wordt deze aanvullende voorwaarde niet gesteld voor personen die gedurende deze zes jaren in Nederland hebben gewoond (en daar nog steeds wonen op het moment waarop zij hun pensioenaanspraak geldend maken). Het Hof heeft er daarbij echter op gewezen, dat in het geval van dergelijke tijdvakken een voldoende nauwe band met Nederland bestaat om gelijkstelling te kunnen verlangen met tijdvakken van verzekering ingevolge de AOW (zie arrest Winter-Lutzins, reeds aangehaald, r.o. 18).
20 Bovendien moet worden opgemerkt, dat de in geding zijnde bepaling van bijlage VI bij verordening nr. 1408/71 tot doel heeft, de belemmeringen op te heffen die uit de overgangsregeling van de AOW kunnen voortvloeien voor het vrije verkeer van personen die zich, na in Nederland te hebben gewoond of gewerkt, naar een andere Lid-Staat willen begeven (zie arrest Spruyt, reeds aangehaald, r.o. 22). Om die reden moet zij ruim worden uitgelegd, zodat de beperkingen die zij voor het vrije verkeer van deze personen kan meebrengen, zo klein mogelijk blijven en niet verder gaan dan noodzakelijk is om rekening te houden met de bijzonderheden van een stelsel van algemene ouderdomsverzekering als de AOW, waaronder ° het zij nogmaals gezegd ° het enkele feit dat men Nederlands ingezetene is, volstaat om verzekerd te zijn.
21 Welnu, iemand die in dienst is geweest van een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon en die, ofschoon buiten Nederland wonend, om die reden onderworpen was aan de Nederlandse wettelijke regeling inzake sociale zekerheid, heeft een even nauwe band met Nederland als iemand die in Nederland heeft gewoond of die, hoewel op het grondgebied van een andere Lid-Staat wonend, in dienst van een in Nederland gevestigde werkgever arbeid heeft verricht, welke gevallen uitdrukkelijk zijn voorzien in punt 2, sub a, van bijlage VI bij verordening nr. 1408/71. Een dergelijke band moet derhalve eveneens voldoende worden geacht om te kunnen verlangen, dat de vóór 1 januari 1957 gelegen tijdvakken gedurende welke deze band bestond, worden gelijkgesteld met tijdvakken van verzekering ingevolge de AOW.
22 Aan de nationale rechter moet derhalve worden geantwoord, dat het bepaalde in punt 2, sub a, van bijlage VI bij verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd, dat de in artikel 13, lid 1, AOW bedoelde korting niet van toepassing is op vóór 1 januari 1957 gelegen tijdvakken gedurende welke de rechthebbende die niet voldoet aan de voorwaarden op grond waarvan deze tijdvakken kunnen worden gelijkgesteld met tijdvakken van verzekering, tussen zijn 15e en 65e jaar in dienst is geweest van een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon en om die reden onderworpen is geweest aan de Nederlandse wettelijke regeling inzake sociale zekerheid, ook al woonde hij buiten Nederland.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
23 De kosten door de Nederlandse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 30 oktober 1991 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Het bepaalde in punt 2, sub a, van bijlage VI, onderdeel J, bij verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, moet aldus worden uitgelegd, dat de korting bedoeld in artikel 13, lid 1, AOW niet van toepassing is op vóór 1 januari 1957 gelegen tijdvakken gedurende welke de rechthebbende die niet voldoet aan de voorwaarden op grond waarvan deze tijdvakken kunnen worden gelijkgesteld met tijdvakken van verzekering, tussen zijn 15e en 65e jaar in dienst is geweest van een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon en om die reden onderworpen is geweest aan de Nederlandse wettelijke regeling inzake sociale zekerheid, ook al woonde hij buiten Nederland.
Full & Egal Universal Law Academy