Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Melk en zuivelprodukten ° Extra heffing op melk ° Kwijtschelding om billijkheidsredenen ° Toepassing van nationaal recht ° Voorwaarden en grenzen
(Verordening nr. 804/68 van de Raad, art. 5 quater, zoals gewijzigd bij verordening nr. 856/84)
Samenvatting
Bij zijn huidige stand staat het gemeenschapsrecht niet in de weg aan de toepassing van een nationale bepaling die de nationale instanties in bepaalde uitzonderlijke gevallen en om de persoon betreffende billijkheidsredenen toestaat, de krachtens artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten, zoals gewijzigd bij verordening nr. 856/84 van de Raad van 31 maart 1984, verschuldigde heffing niet in te vorderen, op voorwaarde evenwel, dat de toepassing van die bepaling niet leidt tot discriminatie ten opzichte van de behandeling van vergelijkbare zuiver nationale belastingschulden en geen afbreuk doet aan de doelstellingen van de bij genoemde verordening ingestelde melkquotaregeling. Het is niet verenigbaar met de doelstellingen van de melkquotaregeling, een producent van zijn verplichting tot betaling van de extra heffing vrij te stellen op grond dat hij in financiële moeilijkheden verkeert, ook wanneer hij verkeerdelijk heeft aangenomen, dat hem later een extra quotum zou worden toegekend. Wanneer een producent zich echter daadwerkelijk in problemen bevindt, kunnen de nationale instanties in beginsel de nationale bepalingen toepassen die het mogelijk maken de onmiddellijke invordering van het verschuldigde bedrag op te schorten of spreiding van betaling toe te staan.
Partijen
In zaak C-290/91,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Finanzgericht Muenchen, in het aldaar aanhangig geding tussen
J. Peter
en
Hauptzollamt Regensburg,
om een prejudiciële beslissing over de kwijtschelding om billijkheidsredenen van de extra heffing in de zin van artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1968, L 148, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 856/84 van de Raad van 31 maart 1984 (PB 1984, L 90, blz. 10),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: M. Zuleeg, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida en F. Grévisse, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° verweerder in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door de H. Els, directeur van het Hauptzollamt Regensburg,
° de Griekse regering, vertegenwoordigd door D. Raptis, lid van de juridische dienst van de staat, als gemachtigde,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur D. Booss als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Griekse regering en van de Commissie ter terechtzitting van 3 december 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 februari 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 9 september 1991, binnengekomen bij het Hof op 20 november daaraanvolgend, heeft het Finanzgericht Muenchen krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de kwijtschelding om billijkheidsredenen van de extra heffing verschuldigd krachtens artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1968, L 148, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 856/84 van de Raad van 31 maart 1984 (PB 1984, L 90, blz. 10).
2 Die vraag is gerezen in het kader van een geding tussen J. Peter, exploitant van een in de produktie van melk gespecialiseerd landbouwbedrijf, en het Hauptzollamt Regensburg (hierna: "Hauptzollamt").
3 Peter heeft in het kader van de Duitse regeling ter uitvoering van het communautaire melkquotastelsel (de "Milch-Garantiemengen-Verordnung") voor het melkprijsjaar 1984/1985 een referentiehoeveelheid van 9 100 kg gekregen. Hij heeft die hoeveelheid in 1984/1985 overschreden in de verwachting, dat hem een aanvullende hoeveelheid zou worden toegekend uit hoofde van een beroep dat hij te dien einde had ingesteld. Dat beroep is echter slechts voor de volgende melkprijsjaren gehonoreerd, te weten met ingang van het melkprijsjaar 1985/1986. Aan Peter is derhalve een heffing opgelegd over de hoeveelheden melk die hij in 1984/1985 met overschrijding van de hem oorspronkelijk voor dat melkprijsjaar toegekende referentiehoeveelheid had geleverd. Die heffing beloopt 2 144,83 DM.
4 Op 6 september 1989 verzocht Peter het Hauptzollamt, hem kwijtschelding van die heffing te verlenen, daartoe stellende, dat wegens zijn precaire financiële situatie de betaling van dat bedrag het bestaan van zijn onderneming op het spel zou zetten. Hij baseerde dit verzoek op § 227 van de Abgabenordnung 1977 (Duits wetboek belastingen), die de kwijtschelding van reeds rechtsgeldig vastgestelde belastingen toelaat "indien de invordering van de belasting in het concrete geval onbillijk zou zijn".
5 Het Hauptzollamt wees dit verzoek af op grond dat § 227 van de Abgabenordnung geen kwijtschelding of terugbetaling toelaat van de heffingen bedoeld in de communautaire melkquotaregeling, daar aan de werking van de gemeenschapsbepalingen afbreuk zou worden gedaan indien een verzoek tot kwijtschelding of terugbetaling van gemeenschapsheffingen volgens nationaal recht zou worden behandeld.
6 Tegen deze beslissing heeft Peter beroep ingesteld bij het Finanzgericht Muenchen, dat de behandeling van de zaak heeft geschorst en de volgende prejudiciële vraag aan het Hof heeft gesteld:
"Staat het gemeenschapsrecht in de weg aan de toepassing van een nationale bepaling als § 227 van de Abgabenordnung, op grond waarvan de nationale autoriteiten krachtens artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 verschuldigde heffingen in individuele gevallen om de persoon betreffende redenen van billijkheid kunnen kwijtschelden?"
7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, de toepasselijke bepalingen, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
8 Ter beantwoording van de gestelde vraag zij er allereerst aan herinnerd, dat overeenkomstig de algemene beginselen waarop de Gemeenschap is gebaseerd en die de betrekkingen tussen de Gemeenschap en de Lid-Staten beheersen, het ingevolge artikel 5 EEG-Verdrag de taak van de Lid-Staten is om de uitvoering van de gemeenschapsregelingen op hun grondgebied te verzekeren. Voor zover het gemeenschapsrecht, daaronder begrepen de algemene beginselen ervan, hiervoor geen gemeenschappelijke voorschriften bevat, gaan de nationale autoriteiten bij de uitvoering van die regelingen te werk volgens de formele en materiële bepalingen van hun nationaal recht, met dien verstande, dat die nationale regels verenigbaar moeten zijn met het vereiste van eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht, hetgeen noodzakelijk is om een ongelijke behandeling van de marktdeelnemers te voorkomen. Bovendien mogen die regels er niet toe leiden, dat de uitvoering van de gemeenschapsregeling praktisch onmogelijk wordt (zie in deze zin arrest van 21 september 1983, gevoegde zaken 205/82-215/82, Deutsche Milchkontor, Jurispr. 1983, blz. 2633, r.o. 17 en 19).
9 Vervolgens moet worden vastgesteld, dat de gemeenschapsregeling inzake melkquota geen specifieke bepalingen bevat betreffende de inning, de kwijtschelding of de tenuitvoerlegging van de krachtens artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 verschuldigde heffing. Verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 houdende uitvoeringsbepalingen van de extra heffing bedoeld in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 (PB 1968, L 139, blz. 12), volstaat immers, wat de inning van de heffing betreft, met de vaststelling van het moment waarop de verplichting ontstaat de heffing te voldoen (artikelen 15 en 16) en van de wijze van berekening van die heffing (artikel 17). Bovendien bepaalt artikel 19 van verordening nr. 1546/88, dat "de Lid-Staten de noodzakelijke aanvullende bepalingen treffen: a) ter verzekering van de inning van de heffing (...)". Bijgevolg is het de taak van de bevoegde nationale autoriteiten om volgens hun nationaal recht te voorzien in de inning, de kwijtschelding of de tenuitvoerlegging van de heffing.
10 Het is juist, dat de verwijzing naar nationaal recht tot gevolg kan hebben, dat de voorwaarden met betrekking tot de heffing tot op zekere hoogte van de ene Lid-Staat tot de andere verschillen. De omvang van die bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht onvermijdelijke verschillen wordt echter beperkt door de voorwaarden die aan de toepassing van nationaal recht ter uitvoering van bepalingen van gemeenschapsrecht worden gesteld.
11 Hieruit volgt, dat het gemeenschapsrecht zich niet verzet tegen de toepassing van een nationale bepaling als § 227 van de Abgabenordnung, die de belastingautoriteiten in bepaalde uitzonderlijke gevallen toelaat om wegens de persoon betreffende billijkheidsredenen af te zien van de invordering van een krachtens artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 verschuldigde heffing, op voorwaarde evenwel, dat de toepassing van die nationale bepaling niet leidt tot discriminatie ten opzichte van de behandeling van vergelijkbare belastingschulden krachtens nationaal recht, of afbreuk doet aan de doelstellingen van de melkquotaregeling ingevoerd bij verordening nr. 804/68, zoals gewijzigd bij verordening nr. 856/84.
12 Wat de beoordeling van de eerste voorwaarde betreft, dient de nationale rechter erop toe te zien, dat het nationale recht niet wordt toegepast op een wijze die discriminerend is ten opzichte van de kwijtschelding van zuiver nationale belastingschulden.
13 Wat de beoordeling van de tweede voorwaarde betreft, zij eraan herinnerd, dat het stelsel van de extra melkheffing tot doel heeft de markt van zuivelprodukten te reguleren en te stabiliseren in de wetenschap, dat een stijging van de melkaanvoer financiële lasten en afzetmoeilijkheden zou veroorzaken die de toekomst van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in gevaar zou brengen (derde en veertiende overweging van de considerans van verordening nr. 856/84). De voornaamste doelstelling van de extra heffing bestaat derhalve in de beperking van de melkproduktie door de landbouwers ervan te weerhouden, melk te produceren in hoeveelheden die hun referentiehoeveelheid overschrijden.
14 Het is met deze doelstelling onverenigbaar een producent te ontslaan van de verplichting de extra heffing te betalen omdat hij anders in financiële problemen zou komen. De kwijtschelding van de verschuldigde bedragen om de persoon betreffende redenen van billijkheid, die met die problemen samenhangen, zou immers het melkquotastelsel in gevaar brengen, omdat een systematische toepassing van de billijkheidsregel in dergelijke gevallen enerzijds zou leiden tot een aanzienlijke toename van de op de markt gebrachte hoeveelheid melk en, anderzijds, tot het gevaar dat de gemeenschapsregelingen inzake de melkheffingen niet gerespecteerd worden, omdat dan iedere producent zonder enig risico een hoeveelheid melk boven zijn quotum zou kunnen leveren met een beroep op de omstandigheid dat zijn referentiehoeveelheid onvoldoende is om de rentabiliteit van zijn onderneming op peil te houden.
15 Hetzelfde geldt indien een producent, zoals in het hoofdgeding het geval is, zijn referentiehoeveelheid heeft overschreden in de onjuiste overtuiging, dat hij voor het betrokken jaar een extra hoeveelheid zou krijgen uit hoofde van een met het oog daarop ingesteld beroep. Een dergelijke omstandigheid kan niet met succes worden aangevoerd om zich aan de betaling van de heffing te onttrekken, want door meer melk te leveren dan zijn referentiehoeveelheid toestond, heeft de producent van het begin af bewust een risico genomen waarvan hij de consequenties moet dragen.
16 Er moet nochtans op worden gewezen, dat ook al kan men bij financiële moeilijkheden niet met een beroep op de billijkheidsregel worden bevrijd van de verplichting tot betaling van de extra heffing, de nationale instanties in beginsel wel de nationale bepalingen kunnen toepassen die het mogelijk maken de onmiddellijke invordering van het verschuldigde bedrag op te schorten of spreiding van betaling toe te staan, wanneer een producent zich inderdaad in problemen bevindt. Door dergelijke maatregelen kan immers rekening worden gehouden met een moeilijke situatie van de producent, zonder dat dit tot kwijtschelding van de door de betrokkene verschuldigde extra heffing leidt. Aan de doelstellingen van de extra-heffingregeling wordt immers geen afbreuk gedaan wanneer gewaarborgd is dat de invordering van de heffing zo prompt en doelmatig mogelijk zal plaatsvinden.
17 Uit het voorgaande volgt, dat de prejudiciële vraag aldus moet worden beantwoord, dat het gemeenschapsrecht bij zijn huidige stand niet in de weg staat aan de toepassing van een nationale bepaling die de nationale instanties in bepaalde, uitzonderlijke gevallen en om de persoon betreffende billijkheidsredenen toestaat, de krachtens artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 van de Raad verschuldigde heffing niet in te vorderen, op voorwaarde evenwel, dat de toepassing van die bepaling niet leidt tot discriminatie ten opzichte van de behandeling van vergelijkbare zuiver nationale belastingschulden en geen afbreuk doet aan de doelstellingen van de bij genoemde verordening ingestelde melkquotaregeling. Het is niet verenigbaar met de doelstellingen van de melkquotaregeling, een producent van zijn verplichting tot betaling van de extra heffing vrij te stellen op grond dat hij in financiële moeilijkheden verkeert, ook wanneer hij verkeerdelijk heeft aangenomen, dat hem later een extra quotum zou worden toegekend.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
18 De kosten door de Griekse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Muenchen bij beschikking van 9 september 1991 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Bij zijn huidige stand staat het gemeenschapsrecht niet in de weg aan de toepassing van een nationale bepaling die de nationale instanties in bepaalde, uitzonderlijke gevallen en om de persoon betreffende billijkheidsredenen toestaat, de krachtens artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 856/84 van de Raad van 31 maart 1984, verschuldigde heffing niet in te vorderen, op voorwaarde evenwel, dat de toepassing van die bepaling niet leidt tot discriminatie ten opzichte van de behandeling van vergelijkbare zuiver nationale belastingschulden en geen afbreuk doet aan de doelstellingen van de bij genoemde verordening ingestelde melkquotaregeling. Het is niet verenigbaar met de doelstellingen van de melkquotaregeling, een producent van zijn verplichting tot betaling van de extra heffing vrij te stellen op grond dat hij in financiële moeilijkheden verkeert, ook wanneer hij verkeerdelijk heeft aangenomen, dat hem later een extra quotum zou worden toegekend.
Full & Egal Universal Law Academy