Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen ° Navordering van invoer- of uitvoerrechten ° Vergissing van administratie "die door belastingschuldige redelijkerwijs niet kon worden ontdekt" ° Concreet geval
(Samenwerkingsovereenkomst EEG-Joegoslavië; verordening nr. 1697/79 van de Raad, art. 5, lid 2)
Samenvatting
Artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer, moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer een douaneautoriteit ten onrechte heeft aangenomen, dat produkten van oorsprong uit Portugal voor de toepassing van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Gemeenschap en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië als produkten van oorsprong uit de Gemeenschap moeten worden beschouwd, er geen invoerrechten zijn geheven en de importeur alle voorschriften van de geldende regeling bij zijn douaneaangifte in acht heeft genomen, de invoerrechten niet kunnen worden nagevorderd. Een dergelijke vergissing kan immers bij enkele lezing van de geldende voorschriften door een marktdeelnemer met normale ervaring moeilijk worden ontdekt.
Partijen
In zaak C-292/91,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Finanzgericht Muenchen, in het aldaar aanhangig geding tussen
Gebr. Weis GmbH
en
Hauptzollamt Wuerzburg,
om een prejudiciële beslissing over de navordering van douanerechten in het kader van passief veredelingsverkeer,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, kamerpresident, R. Joliet, J. C. Moitinho de Almeida, F. Grévisse en D. A. O. Edward, rechters,
advocaat-generaal: W. Van Gerven
griffier: J.-G. Giraud
gelet op de schriftelijke opmerkingen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. Sack als gemachtigde,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 december 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 13 september 1991, ingekomen bij het Hof op 20 november daaraanvolgend, heeft het Finanzgericht Muenchen krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 366 en 368 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen (PB 1985, L 302, blz. 23; hierna: "Toetredingsakte"), van artikel 1 van Protocol nr. 3 (hierna: "Protocol") bij de op 2 april 1980 te Belgrado ondertekende Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië (PB 1983, L 41, blz. 2; hierna: "Overeenkomst"), alsmede van artikel 1 van verordening (EEG) nr. 449/86 van de Raad van 24 februari 1986 tot vaststelling van de regeling die het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek op het handelsverkeer met bepaalde derde landen moeten toepassen (PB 1986, L 50, blz. 40).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geschil tussen Gebr. Weis GmbH (hierna: "Weis") en het Hauptzollamt Wuerzburg (hierna: "Hauptzollamt") over de navordering van invoerrechten.
3 Blijkens het dossier heeft Weis in de jaren 1986 en 1987 in het kader van een haar verleende vergunning voor passieve veredeling weefsels van oorsprong uit, onder meer, Portugal naar ondernemingen in Joegoslavië gezonden via het Zollamt Aschaffenburg (hierna: "Zollamt"). In dat land werden de weefsels tot herenkleding verwerkt, waarna de veredelde produkten via hetzelfde Zollamt naar de Gemeenschap terugkeerden.
4 Bij de uitklaring van de onveredelde goederen werden door Weis telkens goederenverkeercertificaten opgesteld en ter bevestiging aan het Zollamt voorgelegd. Voor de veredelde produkten ontving het Zollamt de door de Joegoslavische autoriteiten aangevulde certificaten, die het telkens erkende als bewijs dat de grondstoffen van oorsprong uit de Gemeenschap waren. De veredelde produkten werden vervolgens als preferentiële goederen krachtens artikel 15 van de Overeenkomst vrij van rechten ingeklaard.
5 Artikel 15 van de Overeenkomst bepaalt onder meer, dat industriële produkten "van oorsprong uit Joegoslavië, bij invoer in de Gemeenschap worden toegelaten zonder kwantitatieve beperkingen of maatregelen van gelijke werking en met vrijstelling van douanerechten of heffingen van gelijke werking". Op grond van artikel 30 van de Overeenkomst zijn "produkten van oorsprong uit de Gemeenschap" als "produkten van oorsprong uit Joegoslavië" te beschouwen wanneer zij in Joegoslavië verdere bewerkingen of verwerkingen ondergaan, mits deze niet "ontoereikend" zijn in de zin van artikel 3, lid 3, van het Protocol. Vaststaat dat in casu aan deze laatste voorwaarde is voldaan.
6 Na een controle door de Oberfinanzdirektion Nuernberg besloot het Hauptzollamt alsnog bij wijzigingsbeschikking tot inning van douanerechten over te gaan, op grond dat in het kader van de overgangsregeling voor produkten van oorsprong uit Portugal, volgens welke over uit dit land afkomstige produkten in het handelsverkeer met de overige Lid-Staten nog bepaalde douanerechten verschuldigd waren, de betrokken weefsels niet als "van oorsprong uit de Gemeenschap" moesten worden beschouwd.
7 Tegen deze beschikking heeft Weis beroep ingesteld bij het Finanzgericht Muenchen, waar zij stelt, dat de interne regeling inzake het handelsverkeer tussen de Gemeenschap van Tien en Portugal niet bepalend kon zijn voor de uitlegging van de Overeenkomst, waarvan artikel 30 onvoorwaardelijk verwijst naar "produkten van oorsprong uit de Gemeenschap". Weis stelt voorts recht te hebben op bescherming van haar gewettigd vertrouwen in de uitlegging waarvan de administratie in 1986 en 1987 was uitgegaan.
8 Van oordeel dat de beslechting van het geschil afhing van de uitlegging van het gemeenschapsrecht, heeft het Finanzgericht Muenchen het Hof de navolgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Moeten de artikelen 366 en 368 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek juncto artikel 1 van verordening (EEG) nr. 449/86 van 24 februari 1986 aldus worden uitgelegd, dat in 1986 in het handelsverkeer tussen de Bondsrepubliek en Joegoslavië produkten van oorsprong uit Portugal in de zin van artikel 1 van Protocol nr. 3 bij de Samenwerkingsovereenkomst tussen de EEG en Joegoslavië als produkten van oorsprong uit de Gemeenschap moesten worden beschouwd, en is daarvoor bepalend of die produkten zich al dan niet in het vrije verkeer binnen de oorspronkelijke Gemeenschap bevonden?
2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:
Kon de marktdeelnemer redelijkerwijze ontdekken dat de douaneautoriteiten zich vergisten, toen zij dergelijke produkten als produkten van oorsprong uit de Gemeenschap behandelden?"
9 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten in het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof neergelegde schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport van de rechter-rapporteur. Deze elementen van het dossier worden hieronder slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
10 Zo de eerste vraag bevestigend werd beantwoord, zouden de van Weis gevorderde douanerechten niet verschuldigd zijn. Zou echter de eerste vraag ontkennend moeten worden beantwoord, dan zouden de douanerechten toch niet verschuldigd zijn wanneer ook op de tweede vraag van de nationale rechter een ontkennend antwoord werd gegeven.
11 In deze situatie moet worden begonnen met de tweede vraag te onderzoeken.
12 Met deze vraag wenst het Finanzgericht bevestigd te zien, dat ingeval het Zollamt ten onrechte heeft geoordeeld dat produkten van oorsprong uit Portugal destijds "produkten van oorsprong uit de Gemeenschap" waren, deze vergissing door een marktdeelnemer als Weis had moeten worden ontdekt.
13 Zoals de Commissie en de advocaat-generaal terecht hebben opgemerkt, moet deze vraag worden beantwoord in het licht van artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide (PB 1979, L 197, blz. 1).
14 Deze bepaling stelt drie voorwaarden, waaraan tegelijkertijd moet zijn voldaan, willen de bevoegde douaneautoriteiten kunnen afzien van navordering van invoerrechten: de rechten zijn aanvankelijk niet geheven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten, de belastingschuldige heeft te goeder trouw gehandeld en hij heeft voldaan aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte (arrest van 22 oktober 1987, zaak 314/87, Fotofrost, Jurispr. 1987, blz. 4199, r.o. 22-26).
15 Volgens vaste rechtspraak van het Hof, met name bevestigd in het arrest van 24 juni 1991 (zaak C-348/89, Mecanarte, Jurispr. 1991, blz. I-3299), betekent dit, dat wanneer aan al deze voorwaarden is voldaan, de belastingschuldige er recht op heeft, dat niet tot navordering wordt overgegaan.
16 De tweede vraag van de verwijzende rechter strekt er in wezen toe te vernemen, of ingeval aan de eerste en de derde voorwaarde is voldaan, een marktdeelnemer als Weis aan de tweede voorwaarde inzake de goede trouw voldoet.
17 Dienaangaande kan worden volstaan met vast te stellen, dat wanneer voor de toepassing van de Overeenkomst produkten van oorsprong uit Portugal ook na toetreding van dit land tot de Gemeenschappen niet als "produkten van oorsprong uit de Gemeenschap" hadden moeten worden beschouwd, dit bij enkele lezing van de geldende voorschriften moeilijk door een marktdeelnemer als Weis kon worden ontdekt. De voorwaarde inzake de goede trouw moet derhalve worden geacht te zijn vervuld.
18 Op de tweede vraag van het Finanzgericht Muenchen moet mitsdien worden geantwoord, dat wanneer een douaneautoriteit ten onrechte heeft aangenomen, dat produkten van oorsprong uit Portugal voor de toepassing van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Gemeenschap en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië als produkten van oorsprong uit de Gemeenschap moeten worden beschouwd, er geen invoerrechten zijn geheven en de importeur alle voorschriften van de geldende regeling bij zijn douaneaangifte in acht heeft genomen, de invoerrechten niet kunnen worden nagevorderd.
19 Gelet op dit antwoord op de tweede vraag, kan de eerste vraag onbeantwoord blijven.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
20 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Muenchen bij beschikking van 13 september 1991 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Wanneer een douaneautoriteit ten onrechte heeft aangenomen, dat produkten van oorsprong uit Portugal voor de toepassing van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Gemeenschap en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië als produkten van oorsprong uit de Gemeenschap moeten worden beschouwd, er geen invoerrechten zijn geheven en de importeur alle bepalingen van de geldende regeling bij zijn douaneaangifte in acht heeft genomen, kunnen de invoerrechten niet worden nagevorderd.
Full & Egal Universal Law Academy