Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelprodukten - Extra heffing op melk - Keuze van formule B - Individuele referentiehoeveelheid van producent die tijdens melkprijsjaar van koper verandert - Wijze van verdeling over achtereenvolgende kopers
(Verordening nr. 857/84 van de Raad, art. 7, lid 2)
Samenvatting
Artikel 7, lid 2, van verordening nr. 857/84 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de extra heffing op melk, moet aldus worden uitgelegd, dat in het kader van formule B, de individuele referentiehoeveelheid van de producent, die hem door de eerste koper voor het lopende melkjaar is toegewezen, bij overgang naar een andere koper tijdens het melkjaar op zodanige wijze over de achtereenvolgende kopers wordt verdeeld, dat zij voor de eerste koper gelijk is aan de daadwerkelijk aan hem geleverde hoeveelheden melk, en voor de tweede koper gelijk is aan de jaarlijkse referentiehoeveelheid van de producent, verminderd met de aan de eerste koper geleverde hoeveelheden. Bijgevolg is van een overschrijding van de individuele referentiehoeveelheid slechts sprake, indien de producent, ongeacht zijn aansluiting bij de ene of de andere koper, meer heeft geproduceerd dan de individuele referentiehoeveelheid die hem voor het lopende melkjaar was toegewezen. Deze wijze van verdeling maakt het mogelijk het beginsel van de vrije keuze van de economische partner als specifieke uitdrukking van de vrijheid van beroepsuitoefening, die deel uitmaakt van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, te verenigen met de compensatieregel, inhoudende dat bij toepassing van formule B compensatie uitsluitend mogelijk is tussen producenten die bij dezelfde koper zijn aangesloten.
Partijen
In zaak C-307/91,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Tribunal de paix de Luxembourg, in het aldaar aanhangig geding tussen
Association agricole Luxlait
en
V. Hendel
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging en geldigheid van artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 13),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida, kamerpresident, F. Grévisse en M. Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- V. Hendel, vertegenwoordigd door F. Entringer, advocaat te Luxemburg,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseurs D. Booss en G. Rozet, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van verzoekster in het hoofdgeding en de Commissie ter terechtzitting van 26 november 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 februari 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij vonnis van 24 september 1991, ingekomen ter griffie van het Hof op 29 november daaraanvolgend, heeft het Tribunal de paix de Luxembourg het Hof van Justitie een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 13).
2 Deze vraag is gerezen in het kader van een geding tussen V. Hendel, exploitant van een landbouwbedrijf, en de landbouwvereniging Luxlait, over de berekening van de extra heffing bij een verandering van koper tijdens het melkjaar.
3 Tot 31 december 1985 heeft Hendel, landbouwer in het Groothertogdom Luxemburg, de door zijn landbouwbedrijf geproduceerde melk geleverd aan de landbouwvereniging Luxlait waarvan hij toen lid was. Op 1 januari 1986 heeft hij deze vereniging verlaten en zich aangesloten bij de zuivelfabriek Procola, waaraan hij sedertdien zijn melk levert.
4 Op 30 januari 1990 heeft Luxlait Hendel voor het Tribunal de paix de Luxembourg gedagvaard ter betaling van een bedrag van 17.977 LFR aan extra heffing, dat zij voor de periode van 1 april tot 31 december 1985 heeft betaald vanwege de overschrijding van de hoeveelheden door Hendel in de loop van die periode. Hendel bestrijdt het bedrag van de extra heffing die Luxlait aan hem wenst door te berekenen. Volgens hem moet de overschrijding van zijn leveringen aan Luxlait in de eerste negen maanden van het melkjaar 1985/86 worden gecompenseerd met hetgeen hij gedurende de rest van het melkjaar, dat wil zeggen van 1 januari tot 31 maart 1986, te weinig heeft geleverd aan Procola.
5 Van oordeel dat zijn beslissing afhangt van de uitlegging van het gemeenschapsrecht, heeft het Tribunal de paix de Luxembourg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vraag:
"Brengt de gemeenschapsregeling inzake de melkquota en meer bepaald artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 857/84 mee, dat wanneer in het kader van formule B een producent tijdens het melkjaar van koper verandert, deze producent twee op zichzelf staande quota in acht moet nemen en twee boetes moet betalen, zonder dat wat aan de ene koper teveel is geleverd, kan worden gecompenseerd met een geringere levering aan de andere koper, zodat er slechts een boete is verschuldigd voor zover het totale aan de producent toegewezen quotum is overschreden, ongeacht de verdeling daarvan tussen de twee kopers?"
6 In dit verband zij eraan herinnerd, dat krachtens artikel 5 quater, lid 1, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1968, L 148, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 856/84 van de Raad van 31 maart 1984 (PB 1984, L 90, blz. 10), de regeling inzake de extra heffing in elk gebied van de Lid-Staten wordt toegepast volgens formule A (formule producent) of formule B (formule koper), en dat het Groothertogdom Luxemburg voor deze laatste formule heeft geopteerd.
7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, de toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
8 Met de gestelde prejudiciële vraag wenst het Tribunal de paix de Luxembourg in wezen te vernemen hoe krachtens artikel 7, lid 2, van verordening nr. 857/84, de individuele referentiehoeveelheid moet worden verdeeld over de eerste en tweede zuivelfabriek ingeval de producent tijdens het melkjaar van koper verandert, en wat bij overschrijding van de individuele referentiehoeveelheid de financiële consequenties zijn van de door het Hof gekozen wijze van verdeling.
9 Artikel 7, lid 2, van verordening nr. 857/84, bepaalt, dat wanneer een koper geheel of gedeeltelijk de plaats inneemt van een of meer kopers, zijn jaarlijkse referentiehoeveelheid als volgt wordt vastgesteld:
"- voor de voltooiing van de lopende periode van twaalf maanden, door geheel of gedeeltelijke referentiehoeveelheden in aanmerking te nemen pro rata van de resterende periode."
10 Artikel 6 van verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB 1984, L 132, blz. 11) bepaalt in het eerste lid, dat in het kader van de toepassing van formule B de referentiehoeveelheid van de koper met name wordt aangepast om rekening te houden met: "d) gevallen van substitutie als bedoeld in artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 857/84, met inbegrip van de overgang van producenten van een koper naar een andere koper."
11 In het arrest van 25 november 1986 (gevoegde zaken 201 en 202/85, Klensch, Jurispr. 1986, blz. 3477) heeft het Hof onderstreept, dat de bepalingen van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 857/84 naast de gehele of gedeeltelijke vervanging van een koper door een andere, ook betrekking heeft op de verandering van koper op initiatief van de producent.
12 In het Groothertogdom Luxemburg wordt artikel 7, lid 2, van verordening nr. 857/84 aldus uitgelegd, dat de jaarlijkse referentiehoeveelheid die aan de individuele producent is toegewezen door de eerste zuivelfabriek waarbij hij is aangesloten, wordt verdeeld over deze zuivelfabriek en de andere zuivelfabrieken waarbij hij zich daarna heeft aangesloten, naar rato van de duur van aansluiting bij elk van hen tijdens het lopende melkjaar.
13 Hoewel deze uitlegging op het eerste gezicht lijkt overeen te stemmen met de letter van de betrokken communautaire bepaling, kan zij niet worden aanvaard.
14 Zoals blijkt uit het arrest van 10 juli 1991 (gevoegde zaken C-90/90 en C-91/90, Neu, Jurispr. 1991, blz. I-3617), zou de vrije keuze van een economische partner, als specifieke uitdrukking van de vrijheid van beroepsuitoefening die deel uitmaakt van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, niet zijn gewaarborgd, indien de vrijwillige overgang van een producent naar een andere zuivelfabriek kon leiden tot een vermindering van zijn individuele referentiehoeveelheid, terwijl een dergelijke vermindering niet mogelijk is wanneer de producent bij dezelfde zuivelfabriek aangesloten blijft.
15 Vastgesteld moet worden, dat de voorgestelde uitlegging formeel weliswaar niet tot een vermindering van de jaarlijkse referentiehoeveelheid leidt, maar toch nadelige gevolgen kan teweegbrengen voor de producent die tijdens het melkjaar van koper verandert. Uit artikel 5 quater, lid 1, tweede alinea, derde streepje, van verordening nr. 804/68, zoals gewijzigd bij verordening nr. 856/84, vloeit namelijk voort, dat de eerste zuivelfabriek de door haar verschuldigde extra heffing mag doorberekenen aan de producent, zelfs wanneer die producent, gelet op de geringe omvang van zijn leveringen aan de tweede koper, zijn jaarlijkse referentiehoeveelheid niet zal overschrijden.
16 De door Hendel voorgestelde oplossing, die leidt tot een compensatie van de te hoge leveringen aan de eerste koper met de te geringe leveringen aan de tweede koper, zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met de duur van aansluiting bij deze twee kopers, kan echter evenmin worden aanvaard. Te dien aanzien moet worden verwezen naar het arrest van het Hof van 28 april 1988 (zaak C-61/87, Thévénot, Jurispr. 1988, blz. 2375), waaruit blijkt, dat de mogelijkheid om in het kader van formule B (formule koper) een overschrijding van de referentiehoeveelheden te compenseren, beperkt blijft tot de individuele referentiehoeveelheden van de bij eenzelfde koper aangesloten producenten.
17 Hetzelfde geldt voor de door de Commissie verdedigde oplossing, volgens welke de individuele hoeveelheid van een producent die door elk van zijn achtereenvolgende kopers in acht moet worden genomen, kan worden gebaseerd op het concrete maximum van de leveringen in de drie voorgaande melkjaren. Deze oplossing doet namelijk niet af aan het hierboven reeds vermelde risico, dat de producent wordt bestraft voor zijn overgang naar een andere koper.
18 In deze omstandigheden moet bij overgang van de producent naar een andere koper de individuele referentiehoeveelheid van de producent, die hem door de eerste koper voor het lopende melkjaar is toegewezen, worden verdeeld over de vorige en de nieuwe koper, op zodanige wijze dat enerzijds de aan de eerste koper toe te wijzen jaarlijkse referentiehoeveelheid gelijk is aan de tijdens de periode van aansluiting daadwerkelijk aan hem geleverde hoeveelheid melk, en anderzijds de jaarlijkse referentiehoeveelheid die aan de tweede koper toekomt, gelijk is aan de resterende hoeveelheid die overeenkomt met het verschil tussen de jaarlijkse referentiehoeveelheid en de geleverde hoeveelheid melk. Deze wijze van verdeling maakt het namelijk mogelijk het beginsel van de vrije keuze van de economische partner te verenigen met de compensatieregel, inhoudende dat bij toepassing van formule B compensatie uitsluitend mogelijk is tussen producenten die bij dezelfde koper zijn aangesloten.
19 Op de door het Tribunal de paix de Luxembourg gestelde vraag moet derhalve worden geantwoord, dat artikel 7, lid 2, van verordening nr. 857/84 aldus moet worden uitgelegd, dat de individuele referentiehoeveelheid van de producent, die hem door de eerste koper voor het lopende melkjaar is toegewezen, bij overgang naar een andere koper tijdens het melkjaar op zodanige wijze over de achtereenvolgende kopers wordt verdeeld, dat zij voor de eerste koper gelijk is aan de daadwerkelijk aan hem geleverde hoeveelheden, en voor de tweede koper gelijk is aan de jaarlijkse referentiehoeveelheid van de producent, verminderd met de aan de eerste koper geleverde hoeveelheden. Bijgevolg is van een overschrijding van de individuele referentiehoeveelheid slechts sprake, indien de producent, ongeacht zijn aansluiting bij de ene of de andere koper, meer heeft geproduceerd dan de individuele referentiehoeveelheid die hem voor het lopende melkjaar was toegewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
20 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
uitspraak doende op de door het Tribunal de paix de Luxembourg bij vonnis van 24 september 1991 gestelde prejudiciële vraag, verklaart voor recht:
Artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten, moet aldus worden uitgelegd, dat de individuele referentiehoeveelheid van de producent, die hem door de eerste koper voor het lopende melkjaar is toegewezen, bij overgang naar een andere koper tijdens het melkjaar op zodanige wijze over de achtereenvolgende kopers wordt verdeeld, dat zij voor de eerste koper gelijk is aan de daadwerkelijk aan hem geleverde hoeveelheden, en voor de tweede koper gelijk is aan de jaarlijkse referentiehoeveelheid van de producent, verminderd met de aan de eerste koper geleverde hoeveelheden. Bijgevolg is van een overschrijding van de individuele referentiehoeveelheid slechts sprake, indien de producent, ongeacht zijn aansluiting bij de ene of de andere koper, meer heeft geproduceerd dan de individuele referentiehoeveelheid die hem voor het lopende melkjaar was toegewezen.
Full & Egal Universal Law Academy