Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Landbouw ° Monetair compenserende bedragen ° Suiker ° Berekening volgens zuiverheidspercentage van stroop ° Vaststellingsmethode ° Toepassing van methode die ter zake van restituties bij uitvoer is voorgeschreven ° Uitvoeringsmodaliteiten
(Verordeningen van de Commissie nr. 394/70, art. 13, en nr. 1800/83)
Samenvatting
Volgens bijlage I van verordening nr. 1800/83 houdende wijziging van de monetair compenserende bedragen, hangt de hoogte van de monetair compenserende bedragen voor suiker af van het saccharosegehalte van het produkt. Volgens aantekening 4 bij bijlage I wordt het saccharosegehalte, met inbegrip van het gehalte aan andere suikers omgerekend tot saccharose, bij de uitvoer bepaald in overeenstemming met artikel 13 van verordening nr. 394/70 betreffende de uitvoeringsbepalingen inzake de restitutie bij uitvoer van suiker. Lid 2 van dat artikel moet aldus worden uitgelegd, dat het zuiverheidspercentage van stroop wordt bepaald volgens de volgende procedure:
a) het totale suikergehalte van de stroop wordt gemeten door toepassing van de koper-reductiemethode op de geïnverteerde oplossing;
b) het gehalte aan droge stof van de geïnverteerde oplossing wordt berekend door het gehalte aan droge stof van de oorspronkelijke stroop te meten met behulp van de areometrische methode en het aldus gevonden resultaat te corrigeren teneinde rekening te houden met een toename van het gehalte aan droge stof als gevolg van de inversie van de stroop;
c) het totale suikergehalte van de geïnverteerde oplossing wordt gedeeld door het gehalte aan droge stof in de geïnverteerde oplossing en het aldus verkregen resultaat met honderd vermenigvuldigd.
Wanneer echter voor de toepassing van de koper-reductiemethode geen inversie van de stroop noodzakelijk is, wordt het zuiverheidspercentage van de stroop berekend door het totale suikergehalte van de stroop te delen door het totale gehalte aan droge stof en het resultaat daarvan met honderd te vermenigvuldigen.
Voor de bepaling van het suikergehalte of van het gehalte aan droge stof in een stroop of in de geïnverteerde oplossing ervan mag ingevolge genoemd artikel 13 geen andere methode dan de koper-reductiemethode (methode Lane en Eynon) of de areometrische methode worden toegepast.
Partijen
In zaak C-308/91,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Finanzgericht Hamburg, in het aldaar aanhangig geding tussen
Sueddeutsche Zucker-Aktiengesellschaft
en
Hauptzollamt Hamburg-Jonas,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 13 van verordening (EEG) nr. 394/70 van de Commissie van 2 maart 1970 houdende vaststelling van uitvoeringsbepalingen inzake de restitutie bij uitvoer van suiker (PB 1970, L 50, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. N. Kakouris, kamerpresident, M. Diez de Velasco en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° Sueddeutsche Zucker-Aktiengesellschaft, vertegenwoordigd door D. Ehle, advocaat te Keulen,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door U. Woelker, lid van haar juridische dienst, bijgestaan door H.-J. Rabe, advocaat te Hamburg, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Sueddeutsche Zucker-Aktiengesellschaft, vertegenwoordigd door D. Ehle, bijgestaan door H. Schiweck, chemisch deskundige, en van de Commissie ter terechtzitting van 26 november 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 januari 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 1 november 1991, ingekomen ten Hove op 29 november daaraanvolgend, heeft het Finanzgericht Hamburg krachtens artikel 177 EEG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 13 van verordening (EEG) nr. 394/70 van de Commissie van 2 maart 1970 houdende vaststelling van uitvoeringsbepalingen inzake de restitutie bij uitvoer van suiker (PB 1970, L 50, blz. 1).
2 Deze vragen zijn gerezen in het kader van een geding tussen Sueddeutsche Zucker-Aktiengesellschaft (hierna: "Sueddeutsche Zucker") en het Hauptzollamt Hamburg-Jonas (hierna "Hauptzollamt").
3 Volgens bijlage I van verordening (EEG) nr. 1800/83 van de Commissie van 28 juni 1983 houdende wijziging van de monetair compenserende bedragen (PB 1983, L 176, blz. 65), hangt de hoogte van de monetair compenserende bedragen voor suiker af van het saccharosegehalte van het produkt. Volgens aantekening 4 bij bijlage I van deze verordening wordt het saccharosegehalte, met inbegrip van het gehalte aan andere suikers omgerekend tot saccharose, bij de uitvoer bepaald in overeenstemming met artikel 13 van verordening nr. 394/70.
4 Artikel 13 van verordening nr. 394/70 bepaalt:
"1. Voor de toepassing van de bepalingen van artikel 8, lid 1, van verordening (EEG) nr. 766/78 en onder voorbehoud van het bepaalde in leden 2 en 3, is het gehalte aan saccharose, eventueel verhoogd met het gehalte aan andere suikers welke tot saccharose zijn omgerekend, het totale suikergehalte dat vastgesteld wordt door toepassing van de methode Lane en Eynon (koper-reductiemethode), uitgaande van de volgens Clerget-Herzfeld geïnverteerde oplossing. Het volgens deze methode vastgestelde totale suikergehalte wordt door vermenigvuldiging met de coëfficiënt 0,95 tot saccharose omgerekend.
2. Voor stroop met een zuiverheid van tenminste 85 % en minder dan 94,5 % wordt het gehalte aan saccharose, eventueel verhoogd met het gehalte aan andere suikers welke tot saccharose zijn omgerekend, forfaitair vastgesteld op 73 % van het gewicht in droge toestand. Om de zuiverheid van de stroop te berekenen wordt het totale suikergehalte gedeeld door het gehalte aan droge stof; het resultaat wordt met honderd vermenigvuldigd. Het totale suikergehalte wordt bepaald volgens de in lid 1 genoemde methode, het gehalte aan droge stof volgens de areometrische methode.
(...)"
5 Sueddeutsche Zucker verlangt betaling van monetair compenserende bedragen voor de export van Duitsland naar België van bepaalde hoeveelheden vruchtensuikerstroop van tariefpost 17.02 D II van het gemeenschappelijk douanetarief.
6 Partijen in het hoofdgeding zijn het oneens over de wijze van berekening van de zuiverheid van de stroop, welke volgens artikel 13 van verordening nr. 394/70 bepalend is voor de toekenning en de hoogte van de toepasselijke monetair compenserende bedragen.
7 Het Hauptzollamt heeft de zuiverheidsgraad van de stroop in saccharose berekend volgens de volgende formule:
totaal suikergehalte x 0,95
(berekend in saccharose)
zuiverheid (in %) = °°°°°°°°°°°°°°°°° x 100
gehalte aan droge stof
8 Sueddeutsche Zucker bestrijdt deze berekeningsmethode. Volgens haar zou bij de door verweerder toegepaste berekeningsmethode de zuiverheidsgraad van vruchtensuikerstroop hoogstens 95 % zijn. De zuiverheid van haar vruchtensuikerstroop moet daarom worden berekend met inachtneming van het fructosegehalte. Bovendien ware een nauwkeurige vaststelling van de zuiverheid beslist noodzakelijk: zij kan met behulp van hogedrukvloeistofchromatografie (HPLC) plaatsvinden.
9 Het Hauptzollamt is van oordeel, dat artikel 13 van verordening nr. 394/70 met de vaststelling van de zuiverheidsgraad van stroop uitsluitend de vaststelling van het saccharosegehalte bedoelt.
10 Sueddeutsche Zucker is bij het Finanzgericht Hamburg in beroep gegaan van de beschikkingen van het Hauptzollamt van 12 december 1983, 16 januari 1984 en 6 juli 1987, welke op de hierboven vermelde berekeningsmethode zijn gebaseerd. Het Finanzgericht heeft de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Moet artikel 13, lid 2, van verordening (EEG) nr. 394/70 aldus worden uitgelegd, dat het zuiverheidspercentage van stroop wordt berekend door het totale suikergehalte na vermenigvuldiging met de coëfficiënt 0,95 te delen door het gehalte aan droge stof, en het resultaat daarvan te vermenigvuldigen met honderd?
2) Moet artikel 13, lid 2, van verordening (EEG) nr. 394/70 aldus worden uitgelegd, dat de zuiverheid van vruchtensuikerstroop mag worden bepaald door het fructosegehalte te meten en de verhouding ervan tot het gehalte aan droge stof vast te stellen?
3) Moet artikel 13, lid 2, van verordening (EEG) nr. 394/70 aldus worden uitgelegd, dat de zuiverheid van vruchtensuikerstroop mag worden bepaald door met toepassing van de daarvoor geschikte methodes het gehalte aan droge stof in de geïnverteerde oplossing te meten en de verhouding daarvan tot het suikergehalte van de geïnverteerde oplossing vast te stellen?"
11 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten in het hoofdgeding, de toepasselijke bepalingen en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
12 Vooraf zij erop gewezen, dat, zoals de advocaat-generaal in zijn conclusie (punten 5 en 6) heeft uiteengezet, saccharose een suiker is van de groep "disacchariden", waarvan het moleculair gewicht ongeveer het dubbele is van dat van "monosacchariden" of "reductiesuikers", zoals fructose en glucose. De aanwezigheid van monosacchariden in een stroop kan met de koper-reductiemethode (methode Lane en Eynon) rechtstreeks worden vastgesteld. Alvorens het suikergehalte van een stroop die saccharose bevat, nauwkeurig kan worden gemeten, moet een monster van de stroop door middel van "inversie" of "hydrolyse" worden omgezet in een oplossing bestaande uit een mengsel van fructose en glucose (zogenoemde geïnverteerde suikers). Die inversie leidt tot een gewichtstoename met ongeveer 5 %, die "inversietoename" wordt genoemd. Om het saccharosegehalte vóór de inversie te kunnen bepalen, moet het door middel van de koper-reductiemethode van Lane en Eynon vastgestelde gehalte aan geïnverteerde suikers met 0,95 worden vermenigvuldigd.
De eerste vraag
13 Met zijn eerste vraag beoogt het Finanzgericht nadere gegevens te verkrijgen met betrekking tot de in artikel 13, lid 2, van verordening nr. 394/70 genoemde methode ter bepaling van het zuiverheidspercentage van stroop. Het zou met name willen vernemen, of in het kader van dit voorschrift de bepaling van het totale suikergehalte "volgens de in lid 1 genoemde methode" een vermenigvuldiging met de coëfficiënt 0,95 inhoudt.
14 Bij de bepaling van de zuiverheid van stroop kunnen drie gevallen worden onderscheiden: 1) de stroop bevat slechts disacchariden zoals saccharose, 2) de stroop bevat slechts monosacchariden zoals fructose of glucose, en 3) de stroop bevat een mengsel van monosacchariden en disacchariden. Artikel 13, lid 2, van verordening nr. 394/70 maakt voor de bepaling van de zuiverheid van stroop geen onderscheid tussen deze drie gevallen. Zoals partijen in hun schriftelijke opmerkingen hebben betoogd en de advocaat-generaal in zijn conclusie (punten 10 en 11) heeft uiteengezet, mogen deze drie gevallen echter niet op dezelfde manier worden behandeld. In het eerste en in het derde geval leidt de bepaling van het saccharosegehalte wegens de noodzakelijke inversie tot een gewichtstoename. Voor de bepaling van het gehalte aan monosacchariden is een inversie vóór de toepassing van de koper-reductiemethode van Lane en Eynon niet noodzakelijk, zodat er geen gewichtstoename ontstaat.
15 Volgens artikel 13, lid 2, van verordening nr. 394/70 wordt de zuiverheidsgraad van stroop berekend door het totale suikergehalte te delen door het gehalte aan droge stof en het resultaat daarvan met honderd te vermenigvuldigen.
16 Voor de bepaling van het totale suikergehalte verwijst de laatste zin van artikel 13, lid 2, van verordening nr. 394/70 naar de "in lid 1 genoemde methode". Volgens de letter en de betekenis van artikel 13, lid 2, wordt met deze verwijzing naar de "in lid 1 genoemde methode" gedoeld op de koper-reductiemethode van Lane en Eynon, die op de volgens Clerget-Herzfeld geïnverteerde oplossing is toegepast, maar niet op de in artikel 13, lid 1, genoemde volledige procedure voor de bepaling van het saccharosegehalte.
17 In artikel 13, lid 2, gaat het voor de berekening van de zuiverheidsgraad van stroop enkel om de bepaling van het "totale suikergehalte", dat wil zeggen het gehalte aan alle in de stroop aanwezige suikers. Artikel 13, lid 1, daarentegen heeft betrekking op de bepaling van het saccharosegehalte, met inbegrip van het gehalte aan andere, tot saccharose omgerekende, suikers, met het oog op de bepaling van de hoogte van de monetair compenserende bedragen of restituties bij uitvoer.
18 Volgens artikel 13, lid 2, van verordening nr. 394/70 moet het gehalte aan droge stof volgens de areometrische methode worden berekend. Een bepaling van het gehalte aan droge stof van de oorspronkelijke stroop volgens deze methode ° waarbij het totale suikergehalte van de stroop na de inversie van de oplossing wordt gemeten ° houdt echter geen rekening met een eventuele gewichtstoename door de inversie. Daarom moet het gevonden droge stofgehalte proportioneel worden gecorrigeerd om die inversietoename te neutraliseren.
19 Op de eerste prejudiciële vraag moet mitsdien worden geantwoord, dat artikel 13, lid 2, van verordening nr. 394/70 aldus moet worden uitgelegd, dat het zuiverheidspercentage van stroop moet worden bepaald volgens de volgende procedure:
a) het totale suikergehalte van de stroop wordt gemeten door toepassing van de koper-reductiemethode op de geïnverteerde oplossing;
b) het gehalte aan droge stof in de geïnverteerde oplossing wordt berekend door het gehalte aan droge stof in de oorspronkelijke stroop te meten met behulp van de areometrische methode en het aldus gevonden resultaat te corrigeren teneinde rekening te houden met een toename van het gehalte aan droge stof als gevolg van de inversie van de stroop;
c) het totale suikergehalte van de geïnverteerde oplossing wordt gedeeld door het gehalte aan droge stof in de geïnverteerde oplossing en het aldus verkregen resultaat met honderd vermenigvuldigd.
Wanneer echter voor de toepassing van de koper-reductiemethode geen inversie van de stroop noodzakelijk is, wordt het zuiverheidspercentage van de stroop berekend door het totale suikergehalte van de stroop te delen door het gehalte aan droge stof en het resultaat daarvan met honderd te vermenigvuldigen.
De tweede en de derde vraag
20 Met de tweede en de derde vraag wenst het Finanzgericht te vernemen, of andere methodes dan die genoemd in artikel 13 mogen worden toegepast om het totale suikergehalte of het gehalte aan droge stof in een stroop te bepalen.
21 Uit de bij het Hof ingediende opmerkingen blijkt, dat de technologie thans meer geavanceerde methodes kent om het suikergehalte alsmede de concentratie en daardoor de droge stof rechtstreeks te meten. Artikel 13 van de verordening beoogt echter een uniforme methode voor de berekening van de zuiverheid van stroop en daarmede van zijn saccharosegehalte te omschrijven, teneinde een gelijke behandeling van alle belanghebbenden te verzekeren. De tekst van artikel 13 laat daarom toepassing van andere dan de aldaar bepaalde methodes niet toe. Een technische aanpassing van de verordening is slechts mogelijk door een wijziging volgens de in het Verdrag bepaalde procedure.
Op de beide laatste vragen van de verwijzende rechter moet mitsdien worden geantwoord, dat artikel 13 van verordening nr. 394/70 aldus moet worden uitgelegd, dat voor de bepaling van het suikergehalte of het gehalte aan droge stof in een stroop of in de geïnverteerde oplossing ervan geen andere methode dan de koper-reductiemethode (methode Lane en Eynon) of de areometrische methode mag worden toegepast.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
22 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Hamburg bij beschikking van 1 november 1991 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 13, lid 2, van verordening (EEG) nr. 394/70 van de Commissie van 2 maart 1970 houdende vaststelling van uitvoeringsbepalingen inzake de restitutie bij uitvoer van suiker, moet aldus worden uitgelegd, dat het zuiverheidspercentage van stroop moet worden bepaald volgens de volgende procedure:
a) het totale suikergehalte van de stroop wordt gemeten door toepassing van de koper-reductiemethode op de geïnverteerde oplossing;
b) het gehalte aan droge stof van de geïnverteerde oplossing wordt berekend door het gehalte aan droge stof van de oorspronkelijke stroop te meten met behulp van de areometrische methode en het aldus gevonden resultaat te corrigeren teneinde rekening te houden met een toename van het gehalte aan droge stof als gevolg van de inversie van de stroop;
c) het totale suikergehalte van de geïnverteerde oplossing wordt gedeeld door het gehalte aan droge stof in de geïnverteerde oplossing en het aldus verkregen resultaat met honderd vermenigvuldigd.
Wanneer echter voor de toepassing van de koper-reductiemethode geen inversie van de stroop noodzakelijk is, wordt het zuiverheidspercentage van de stroop berekend door het totale suikergehalte van de stroop te delen door het totale gehalte aan droge stof en het resultaat daarvan met honderd te vermenigvuldigen.
2) Artikel 13 van verordening nr. 394/70 moet aldus worden uitgelegd, dat voor de bepaling van het suikergehalte of van het gehalte aan droge stof in een stroop of in de geïnverteerde oplossing ervan geen andere methode dan de koper-reductiemethode (methode Lane en Eynon) of de areometrische methode mag worden toegepast.
Full & Egal Universal Law Academy