Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Mededinging ° Ondernemingen waaraan Lid-Staten bijzondere of uitsluitende rechten verlenen ° Ondernemingen belast met beheer van diensten van algemeen economisch belang ° Postmonopolie ° Toelaatbaarheid ° Grenzen ° Specifieke, van dienst van algemeen belang dissocieerbare diensten, die economisch evenwicht niet in gevaar brengen
(EEG-Verdrag, art. 90)
Samenvatting
Artikel 90 EEG-Verdrag staat eraan in de weg, dat een regeling van een Lid-Staat, die aan een lichaam als de Regie der posterijen het exclusieve recht op het inzamelen, vervoeren en bestellen van poststukken verleent, strafrechtelijk verbiedt, dat een in die Lid-Staat gevestigde marktdeelnemer een aantal specifieke, van de dienst van algemeen belang dissocieerbare diensten aanbiedt, die beantwoorden aan bijzondere behoeften van de marktdeelnemers en een aantal bijkomende prestaties vergen die de traditionele post niet aanbiedt, voor zover die diensten het economisch evenwicht van de door de houder van het exclusieve recht verrichte dienst van algemeen economisch belang niet in gevaar brengen.
Ofschoon immers de verplichting van de houder van het alleenrecht, een taak van algemeen belang te vervullen en zijn diensten te verzekeren zonder daarbij het economisch evenwicht te verliezen, de mogelijkheid van compensatie tussen rendabele en minder rendabele sectoren van bedrijvigheid onderstelt en dus een beperking van de mededinging door particuliere ondernemers in de economisch rendabele sectoren rechtvaardigt, is een dergelijke beperking van de mededinging echter niet in alle gevallen gerechtvaardigd. Zij is onder meer niet aanvaardbaar wanneer het gaat om specifieke, van de dienst van algemeen belang dissocieerbare diensten, die beantwoorden aan bijzondere behoeften van de marktdeelnemers en een aantal bijkomende prestaties vergen, zoals, wat de verzending van poststukken betreft, inzameling ten huize, grotere snelheid of betrouwbaarheid bij het bestellen of de mogelijkheid de bestemming onderweg te wijzigen, die de traditionele post niet aanbiedt, voor zover die diensten naar hun aard en naar de omstandigheden, zoals het geografisch gebied, waarin zij worden aangeboden, het economisch evenwicht van de door de houder van het alleenrecht verrichte dienst van algemeen economisch belang niet in gevaar brengen.
Partijen
In zaak C-320/91,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Correctionele Rechtbank te Luik (België), in de aldaar dienende strafzaak tegen
P. Corbeau,
burgerlijke partij: Regie der posterijen,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 86 en 90 EEG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, C. N. Kakouris, G. C. Rodríguez Iglesias, M. Zuleeg en J. L. Murray, kamerpresidenten, G. F. Mancini, R. Joliet, F. A. Schockweiler, J. C. Moitinho de Almeida, F. Grévisse, M. Diez de Velasco, P. J. G. Kapteyn en D. A. O. Edward, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° P. Corbeau, vertegenwoordigd door L. Misson, advocaat te Luik,
° de Regie der posterijen, vertegenwoordigd door E. Marissens, advocaat te Brussel,
° de regering van het Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door A. Navarro Gonzalez, directeur-generaal Juridische en institutionele cooerdinatie van de Gemeenschappen, en M. Bravo-Ferrer Delgado, advocaat van de staat bij de juridische dienst voor communautaire geschillen, als gemachtigden,
° de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. Cochrane van het Treasury Solicitor' s Department als gemachtigde,
° de Ierse regering, vertegenwoordigd door L. J. Dockery, Chief State Solicitor, als gemachtigde,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur G. Marenco en door B. J. Drijber en F. E. Gonzalez Diaz, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van P. Corbeau, de Regie der posterijen, de Britse regering, vertegenwoordigd door V. Rose, Barrister, de Spaanse regering, de Griekse regering, vertegenwoordigd door V. Kontolaimos en P. Athanassoulis, juridisch adviseurs, als gemachtigden, de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia, avvocato dello Stato, als gemachtigde, de Ierse regering, vertegenwoordigd door J. Cooke, SC, en B. Lenihan, Barrister-at-law, als gemachtigden, en de Commissie ter terechtzitting van 2 december 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 februari 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij vonnis van 13 november 1991, ingekomen bij het Hof op 11 december daaraanvolgend, heeft de Correctionele Rechtbank te Luik krachtens artikel 177 EEG-Verdrag vier prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 86 en 90 van het Verdrag, teneinde de verenigbaarheid met die bepalingen te kunnen beoordelen van de Belgische regeling inzake het postmonopolie.
2 Die vragen zijn gerezen in een voor die rechtbank dienende strafzaak tegen P. Corbeau, handelaar te Luik, die ervan wordt verdacht de Belgische wettelijke regeling inzake het postmonopolie te hebben overtreden.
3 In België verlenen de wetten van 26 december 1956 op de postdienst (Belgisch Staatsblad van 30-31 december 1956, blz. 8619) en 6 juli 1971 houdende oprichting van de Regie der posterijen (Belgisch Staatsblad van 14 augustus 1971, blz. 9510) aan de publiekrechtelijke rechtspersoon Regie der posterijen een alleenrecht voor het inzamelen, vervoeren en bestellen over heel de uitgestrektheid van het Rijk van alle correspondentie, van welke aard ook, en voorzien zij in strafsancties voor iedere inbreuk op dat alleenrecht.
4 Uit de aan het Hof toegezonden stukken van het hoofdgeding, de schriftelijke opmerkingen en de behandeling ter terechtzitting blijkt, dat Corbeau in de geografische sector van de stad Luik en de aangrenzende zones een dienst aanbiedt, die erin bestaat de poststukken ten huize van de afzender in te zamelen en ze, voor zover de geadresseerden binnen de betrokken sector wonen, vóór de volgende dag 's middags te bestellen. Wat de aan geadresseerden buiten die sector gerichte poststukken betreft, zamelt Corbeau de correspondentie ten huize van de afzender in en verzendt hij ze over de post.
5 De door de Regie der posterijen geadieerde Correctionele Rechtbank te Luik, die twijfelde aan de verenigbaarheid van de betrokken Belgische regeling met het gemeenschapsrecht, besloot de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de navolgende prejudiciële vragen te stellen:
a) In hoeverre is een postmonopolie als ingesteld door de Belgische wet van 26 december 1956 betreffende het postmonopolie bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht in overeenstemming met de bepalingen van het EEG-Verdrag (inzonderheid de artikelen 90, 85 en 86) en met de ter zake toepasselijke bepalingen van afgeleid recht?
b) In hoeverre moet een dergelijk monopolie eventueel worden aangepast om in overeenstemming te zijn met de communautaire verplichtingen van de Lid-Staten op dit gebied en inzonderheid met artikel 90, lid 1, en de ter zake toepasselijke bepalingen van afgeleid recht?
c) Valt een onderneming die een wettelijk monopolie bezit en waaraan alleenrechten, analoog met die beschreven in de Belgische wet van 26 december 1956, zijn verleend, krachtens artikel 90, lid 2, EEG-Verdrag onder de regels van het Europese mededingingsrecht (inzonderheid de artikelen 7 en 85 tot en met 90)?
d) Beschikt een dergelijke onderneming over een machtspositie op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 86 EEG-Verdrag, die hetzij uit een wettelijk monopolie, hetzij uit de feiten van de onderhavige zaak zou voortvloeien?
6 Voor een nadere uiteenzetting van de toepasselijke bepalingen en de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen, wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
7 Gezien de aan het hoofdgeding ten grondslag liggende feiten moeten de prejudiciële vragen aldus worden begrepen, dat de nationale rechter in wezen wenst te vernemen, of artikel 90 EEG-Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het zich ertegen verzet dat een regeling van een Lid-Staat die aan een lichaam als de Regie der posterijen het alleenrecht op het inzamelen, vervoeren en bestellen van poststukken verleent, strafrechtelijk verbiedt, dat een in die Lid-Staat gevestigde marktdeelnemer op die markt een aantal specifieke diensten aanbiedt.
8 Voor het antwoord op deze vraag, zoals zij is geherformuleerd, moet allereerst worden opgemerkt, dat een lichaam als de Regie der posterijen, waaraan het alleenrecht op het inzamelen, vervoeren en bestellen van poststukken is verleend, moet worden beschouwd als een onderneming waaraan de betrokken Lid-Staat uitsluitende rechten heeft verleend, in de zin van artikel 90, lid 1, EEG-Verdrag.
9 Vervolgens zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak een onderneming die op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt een wettelijk monopolie bezit, kan worden geacht een machtspositie in de zin van artikel 86 EEG-Verdrag in te nemen (zie arresten van 10 december 1991, zaak C-179/90, Merci convenzionali porto di Genova, Jurispr. 1991, blz. I-5889, r.o. 14, en 13 december 1991, zaak C-18/88, RTT, Jurispr. 1991, blz. I-5941, r.o. 17).
10 Artikel 86 ziet echter slechts op de mededinging beperkende gedragingen waartoe ondernemingen op eigen initiatief besluiten, en niet op maatregelen van staten (zie arrest RTT, reeds aangehaald, r.o. 26).
11 Het Hof had de gelegenheid dienaangaande te preciseren, dat ofschoon het enkele feit dat een Lid-Staat door het verlenen van alleenrechten een machtspositie creëert, als zodanig niet onverenigbaar is met artikel 86, het Verdrag toch ook de Lid-Staten verbiedt maatregelen te nemen of te handhaven welke die bepaling haar nuttig effect kunnen ontnemen (zie arrest van 18 juni 1991, zaak C-260/89, ERT, Jurispr. 1991, blz. I-2925, r.o. 35).
12 Zo bepaalt artikel 90, lid 1, dat de Lid-Staten met betrekking tot de ondernemingen waaraan zij bijzondere of uitsluitende rechten verlenen, geen enkele maatregel nemen of handhaven welke in strijd is met onder meer de mededingingsregels van het Verdrag.
13 Deze bepaling moet worden gelezen in samenhang met lid 2 van datzelfde artikel, volgens hetwelk de ondernemingen belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang onder de mededingingsregels vallen, voor zover de toepassing daarvan de vervulling, in feite of in rechte, van de hun toevertrouwde bijzondere taak niet verhindert.
14 Deze laatste bepaling staat de Lid-Staten dus toe, aan ondernemingen die zij belasten met het beheer van diensten van algemeen economisch belang, alleenrechten te verlenen die de toepassing van de mededingingsregels van het Verdrag kunnen belemmeren, voor zover beperkingen van de mededinging ° of zelfs een uitsluiting van elke mededinging ° van andere marktdeelnemers noodzakelijk zijn om te verzekeren, dat de houders van de alleenrechten de hun opgedragen bijzondere taak kunnen vervullen.
15 Met betrekking tot de diensten waar het in het hoofdgeding om gaat, kan niet worden betwist, dat de Regie der posterijen belast is met een dienst van algemeen economisch belang, bestaande in de verplichting te zorgen voor het inzamelen, vervoeren en bestellen van poststukken, ten behoeve van alle gebruikers, over het gehele grondgebied van de betrokken Lid-Staat, tegen eenvormige tarieven en onder vergelijkbare voorwaarden van kwaliteit, zonder te letten op bijzondere situaties en op de economische rentabiliteit van elke individuele verrichting.
16 Bijgevolg moet worden onderzocht, in hoeverre een beperking van de mededinging ° of zelfs een uitsluiting van elke mededinging ° van andere marktdeelnemers noodzakelijk is om de houder van het alleenrecht in staat te stellen, zijn taak van algemeen belang te vervullen en zulks met name onder economisch aanvaardbare omstandigheden.
17 Bij dit onderzoek moet worden uitgegaan van de premisse, dat de verplichting van degene die met die taak is belast, zijn diensten te verzekeren zonder daarbij het economisch evenwicht te verliezen, de mogelijkheid van compensatie tussen rendabele en minder rendabele sectoren van bedrijvigheid onderstelt en dus een beperking van de mededinging door particuliere ondernemers in de economisch rendabele sectoren rechtvaardigt.
18 Indien aan particuliere ondernemers zou worden toegestaan, de houder van de alleenrechten te beconcurreren in de aan die rechten beantwoordende sectoren van hun keuze, dan zouden dezen immers in staat worden gesteld, zich op de economisch rendabele activiteiten te concentreren en daarbij voordeliger tarieven te hanteren dan door de houders van de alleenrechten worden toegepast, aangezien zij, anders dan deze laatsten, niet economisch verplicht zijn de in de onrendabele sectoren geleden verliezen met de in de rendabeler sectoren gemaakte winsten te compenseren.
19 De uitsluiting van de mededinging is echter niet gerechtvaardigd wanneer het gaat om specifieke, van de dienst van algemeen belang dissocieerbare diensten, die beantwoorden aan bijzondere behoeften van de marktdeelnemers en een aantal bijkomende prestaties vergen, die de traditionele post niet aanbiedt, zoals inzameling ten huize, grotere snelheid of betrouwbaarheid bij het bestellen of de mogelijkheid de bestemming onderweg te wijzigen, voor zover die diensten naar hun aard en naar de omstandigheden, zoals het geografisch gebied, waarin zij worden aangeboden, het economisch evenwicht van de door de houder van het alleenrecht verrichte dienst van algemeen economisch belang niet in gevaar brengen.
20 Het staat aan de verwijzende rechter, te onderzoeken of de diensten waar het in het bij hem aanhangig geding om gaat, aan deze criteria beantwoorden.
21 Mitsdien moet op de vragen van de Correctionele Rechtbank te Luik worden geantwoord, dat artikel 90 EEG-Verdrag eraan in de weg staat, dat een regeling van een Lid-Staat, die aan een lichaam als de Regie der posterijen het alleenrecht op het inzamelen, vervoeren en bestellen van poststukken verleent, strafrechtelijk verbiedt, dat een in die Lid-Staat gevestigde marktdeelnemer een aantal specifieke, van de dienst van algemeen belang dissocieerbare diensten aanbiedt, die beantwoorden aan bijzondere behoeften van de marktdeelnemers en een aantal bijkomende prestaties vergen die de traditionele post niet aanbiedt, voor zover die diensten het economisch evenwicht van de door de houder van het alleenrecht verrichte dienst van algemeen economisch belang niet in gevaar brengen. Het staat aan de verwijzende rechter, te onderzoeken of de diensten waar het in het bij hem aanhangige geding om gaat, aan deze criteria beantwoorden.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
22 De kosten door de Spaanse, de Britse en de Ierse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door de Correctionele Rechtbank te Luik bij vonnis van 13 november 1991 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Artikel 90 EEG-Verdrag staat eraan in de weg, dat een regeling van een Lid-Staat, die aan een lichaam als de Regie der posterijen het alleenrecht op het inzamelen, vervoeren en bestellen van poststukken verleent, strafrechtelijk verbiedt, dat een in die Lid-Staat gevestigde marktdeelnemer een aantal specifieke, van de dienst van algemeen belang dissocieerbare diensten aanbiedt, die beantwoorden aan bijzondere behoeften van de marktdeelnemers en een aantal bijkomende prestaties vergen die de traditionele post niet aanbiedt, voor zover die diensten het economisch evenwicht van de door de houder van het alleenrecht verrichte dienst van algemeen economisch belang niet in gevaar brengen. Het staat aan de verwijzende rechter, te onderzoeken of de diensten waar het in het bij hem aanhangige geding om gaat, aan deze criteria beantwoorden.
Full & Egal Universal Law Academy