Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Sociale politiek - Gelijke behandeling van mannen en vrouwen op gebied van sociale zekerheid - Materiële werkingssfeer van richtlijn 79/7 - Weduwenpensioen - Daarvan uitgesloten - Consequenties - Toepassing van nationaal en internationaal recht
(Richtlijn 79/7 van de Raad, art. 3, lid 2)
2 Sociale politiek - Gelijke behandeling van mannen en vrouwen op gebied van sociale zekerheid - Nationale wettelijke regeling waarin uitsluitend voor vrouwen en zonder keuzemogelijkheid toekenning van weduwenpensioen intrekking van arbeidsongeschiktheidsuitkering tot gevolg heeft - Ontoelaatbaarheid
(Richtlijn 79/7 van de Raad, art. 4, lid 1)
3 Sociale politiek - Gelijke behandeling van mannen en vrouwen op gebied van sociale zekerheid - Richtlijn 79/7 - Artikel 4, lid 1 - Rechtstreekse werking - Draagwijdte
(Richtlijn 79/7 van de Raad, art. 4, lid 1)
Samenvatting
4 Richtlijn 79/7 beoogt de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, maar bestrijkt nog niet dit gehele terrein. Met name is de richtlijn luidens artikel 3, lid 2, niet van toepassing op de bepalingen betreffende prestaties aan nagelaten betrekkingen. Bij ontbreken van harmonisatie op dit gebied worden deze prestaties derhalve beheerst door het in de betrokken Lid-Staat geldende nationale en internationale recht.
Het gemeenschapsrecht staat er derhalve niet aan in de weg, dat een nationale rechter artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten aldus interpreteert, dat dit artikel de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van nabestaandenpensioenen voorschrijft, voor zover dit gebied buiten de werkingssfeer van richtlijn 79/7 valt en daarmee niets in de weg wordt gelegd aan de verdere tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling op het niveau van het gemeenschapsrecht.
5 Artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 staat in de weg aan een nationale bepaling op grond waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering van arbeidsongeschikte weduwen als gevolg van de toekenning van een weduwenpensioen wordt ingetrokken, wanneer deze intrekking niet voortvloeit uit de vrijwillige afstand door de rechthebbende en niet plaatsvindt in het geval van weduwnaars die in het genot zijn van een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
6 Artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7, zowel op zichzelf beschouwd als gezien in verband met het doel en de inhoud van de richtlijn, is voldoende nauwkeurig om door een justitiabele voor de nationale rechter te worden ingeroepen, teneinde elke ermee strijdige nationale bepaling buiten toepassing te doen verklaren.
Bij ontbreken van adequate maatregelen voor de omzetting van artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7, staat het aan de nationale rechterlijke instanties, van de verschillende procedures van de interne rechtsorde die procedure toe te passen welke vrouwen de toepassing waarborgen van een identieke regeling als voor mannen in dezelfde situatie geldt.
Partijen
In zaak C-337/91,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Raad van Beroep te 's-Hertogenbosch, in het aldaar aanhangig geding tussen
A. M. van Gemert-Derks
en
Bestuur van de Nieuwe Industriële Bedrijfsvereniging,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van sommige bepalingen van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, G. F. Mancini, J. C. Moitinho de Almeida, M. Diez de Velasco en D. A. O. Edward, kamerpresidenten, R. Joliet, G. C. Rodríguez Iglesias, P. J. G. Kapteyn en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- het Bestuur van de Nieuwe Industriële Bedrijfsvereniging, vertegenwoordigd door C. R. J. A. M. Brent, waarnemend hoofd van de afdeling juridische zaken sociale verzekering van de Vereniging Gemeenschappelijk Administratiekantoor,
- de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door T. P. Hofstee, plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
- de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Röder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, en J. Karl, Regierungsdirektor bij dit ministerie, als gemachtigden,
- de Britse regering, vertegenwoordigd door L. Hudson, van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde, bijgestaan door C. Vajda, Barrister,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. Banks en B. Smulders, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van het Bestuur van de Nieuwe Industriële Bedrijfsvereniging, vertegenwoordigd door M. A. Broekhuis, juridisch medewerkster van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor, de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door T. Heukels, assistent juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie ter terechtzitting van 16 februari 1993,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 31 maart 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij bevel van 17 december 1991, ingekomen bij het Hof op 30 december daaraanvolgend, heeft de Raad van Beroep te 's-Hertogenbosch krachtens artikel 177 EEG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van een aantal bepalingen van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24; hierna: "richtlijn 79/7").
2 Deze vragen zijn gerezen in een geschil tussen A. M. van Gemert-Derks, van Nederlandse nationaliteit, en het Bestuur van de Nieuwe Industriële Bedrijfsvereniging.
3 In Nederland geeft de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (hierna: "AAW") na het eerste jaar van arbeidsongeschiktheid recht op een uitkering, zolang de belanghebbende de leeftijd van 65 jaar niet heeft bereikt.
4 Artikel 32, lid 1, aanhef en sub b, AAW bepaalt het volgende:
"De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken wanneer:
(...)
b) een vrouw, aan wie zij is toegekend, recht verkrijgt op een weduwenpensioen of een tijdelijke weduwenuitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet."
5 De Algemene Weduwen- en Wezenwet (hierna: "AWW") geeft de weduwe van een verzekerde onder bepaalde voorwaarden recht op weduwenpensioen, zolang zij de leeftijd van 65 jaar niet heeft bereikt.
6 Ingevolge artikel 23, lid 1, AWW wordt het pensioen op aanvraag toegekend door de Sociale Verzekeringsbank. Volgens lid 2 van dat artikel kan deze het pensioen in afwijking van het eerste lid ook ambtshalve toekennen.
7 A. M. van Gemert-Derks, verzoekster in het hoofdgeding, geboren op 16 januari 1937, verrichtte zelfstandige beroepsactiviteiten vanaf 1972. In februari 1982 werd zij arbeidsongeschikt verklaard en met ingang van 31 januari 1983 werd haar een uitkering krachtens de AAW toegekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80-100 %.
8 Op 23 oktober 1987 overleed de echtgenoot van Van Gemert-Derks. Op grond daarvan werd haar met ingang van 1 oktober 1987 een weduwenpensioen ingevolge de AWW toegekend.
9 Bij beslissing van 8 januari 1988 trok het Bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Chemische Industrie, rechtsvoorgangster van de Nieuwe Industriële Bedrijfsvereniging, verweerder in het hoofdgeding, met toepassing van artikel 32, lid 1, aanhef en sub b, AAW, met ingang van 1 oktober 1987 de uitkering in die verzoekster in het hoofdgeding krachtens de AAW ontving. Blijkens de verwijzingsbeschikking had de overgang van de AAW naar de AWW voor Van Gemert-Derks een verlaging van het nettobedrag van haar uitkering tot gevolg in de orde van grootte van enkele tientallen tot honderd gulden.
10 Tegen deze beslissing heeft Van Gemert-Derks beroep ingesteld bij de Raad van Beroep te 's-Hertogenbosch. Van mening, dat het geding vragen van uitlegging van het gemeenschapsrecht opwierp, heeft deze het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Is het verenigbaar met het gemeenschapsrecht dat de nationale rechter artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - waaraan (ten minste) elf van de twaalf EEG Lid-Staten zijn gebonden - aldus interpreteert dat dat artikel sedert 23 december 1984 volledige gelijke behandeling van vrouwen en mannen op het gebied van het wettelijk nabestaandenpensioen voorschrijft, terwijl dat terrein slechts tijdelijk van de bevoegdheid van de Gemeenschap is uitgezonderd?
2) Is een bepaling van nationaal recht als vervat in artikel 32, lid 1, aanhef en onder b, van de AAW - welke bepaling volgens de Centrale Raad van Beroep sedert 23 december 1984 niet meer direct discriminerend zou werken ten aanzien van vrouwen omdat $het effect van een lager uitkeringsbedrag als gevolg van de overgang van een AAW-uitkering op een AWW-uitkering zich sindsdien immers evenzeer bij mannen kan voordoen' - verenigbaar met artikel 4, lid 1, van EEG-richtlijn 79/7 zolang die nationale bepaling feitelijk nog steeds een inkomensachteruitgang teweegbrengt voor alle (volledig of in voorkomend geval ook gedeeltelijk) arbeidsongeschikte weduwen en slechts bij uitzondering (te weten: in gevallen waarin een $bijzondere hardheid' tot toekenning van weduwnaarspensioen met langdurige terugwerkende kracht zou nopen èn er een mogelijkheid bestaat tot terugvordering van de AAW-uitkering) voor vergelijkbare weduwnaars?
3) Indien vraag 1 of vraag 2 ontkennend wordt beantwoord: Laat het gemeenschapsrecht de nationale rechter vrij om een nationale bepaling als bedoeld in de tweede vraag naar keuze geheel of gedeeltelijk buiten toepassing te laten dan wel te lezen als een aftrekbepaling? Zo neen, welke keuze is dan het meest in overeenstemming met het gemeenschapsrecht?"
11 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De eerste vraag
12 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of het gemeenschapsrecht eraan in de weg staat, dat een nationale rechter artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 19 december 1966 (Recueil des traités, vol. 999, blz. 171; hierna: "IVBPR") aldus interpreteert, dat dit artikel de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van nabestaandenpensioenen voorschrijft.
13 Naar de letter verleent de AWW aan weduwnaars geen recht op een nabestaandenpensioen. In twee uitspraken van 7 december 1988 overwoog de Centrale Raad van Beroep evenwel, dat het recht op een AWW-uitkering moest worden toegekend zonder onderscheid naar geslacht. De Centrale Raad baseerde zijn oordeel op artikel 26 van het IVBPR.
14 Er zij aan herinnerd, dat richtlijn 79/7 de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid beoogt, maar nog niet dit gehele terrein bestrijkt. Zo is de richtlijn luidens artikel 3, lid 2, niet van toepassing op de bepalingen betreffende prestaties aan nagelaten betrekkingen.
15 Bij ontbreken van harmonisatie op dit gebied worden deze prestaties derhalve beheerst door het in de betrokken Lid-Staat geldende nationale en internationale recht.
16 Een uitspraak van een nationale rechter die, zich baserend op artikel 26 van het IVBPR, het beginsel van gelijke behandeling uitbreidt tot een terrein dat thans niet door richtlijn 79/7 wordt gedekt, tast de geleidelijke tenuitvoerlegging van dit beginsel niet aan. Deze geleidelijke tenuitvoerlegging is immers het doel van de richtlijn, die daarvan zelf de eerste etappe vormt.
17 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat het gemeenschapsrecht er niet aan in de weg staat, dat een nationale rechter artikel 26 van het IVBPR aldus interpreteert, dat dit artikel de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van nabestaandenpensioenen voorschrijft, voor zover dit gebied buiten de werkingssfeer van richtlijn 79/7 valt.
De tweede vraag
18 Het staat niet aan het Hof, zich in het kader van artikel 177 EEG-Verdrag uit te spreken over de verenigbaarheid van een nationale wettelijke regeling of jurisprudentie met het gemeenschapsrecht. Het is echter wel bevoegd de nationale rechter alle gegevens voor de uitlegging van dat recht te verschaffen, aan de hand waarvan hij die verenigbaarheid kan beoordelen met het oog op de beslechting van de bij hem aanhangige zaak (zie met name arrest van 18 juni 1991, zaak C-369/89, Piageme, Jurispr. 1991, blz. I-2971, r.o. 7).
19 Blijkens het verwijzingsbevel bleef op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de AAW van verzoekster in het hoofdgeding wegens de verkrijging van het recht op weduwenpensioen krachtens de AWW werd ingetrokken, een arbeidsongeschikte weduwnaar zijn AAW-uitkering ontvangen, daar hij geen recht had op een AWW-uitkering.
20 De tweede vraag moet derhalve aldus worden opgevat, dat zij in wezen ertoe strekt te vernemen, of artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 eraan in de weg staat, dat op grond van een nationale bepaling de arbeidsongeschiktheidsuitkering van arbeidsongeschikte weduwen als gevolg van de toekenning van een weduwenpensioen wordt ingetrokken, wanneer een dergelijke intrekking niet plaatsvindt in het geval van weduwnaars die in het genot zijn van een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
21 Allereerst moet erop worden gewezen dat, zoals de Nederlandse regering opmerkt, richtlijn 79/7 volgens artikel 3, lid 2, niet van toepassing is op de bepalingen betreffende prestaties aan nagelaten betrekkingen en men zich dus dient af te vragen, of een bepaling tot regeling van de samenloop van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met een nabestaandenuitkering, zoals artikel 32, lid 1, aanhef en sub b, AAW, onder het toepassingsgebied van richtlijn 79/7 valt.
22 Dienaangaande kan worden volstaan met de vaststelling, dat artikel 32, lid 1, aanhef en sub b, AAW betrekking heeft op de intrekking van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, en dat richtlijn 79/7 ingevolge haar artikel 3, lid 1, sub a, op dergelijke uitkeringen van toepassing is. Aan deze vaststelling doet niet af, dat de intrekking plaatsvindt als gevolg van de toekenning van een uitkering die niet onder het toepassingsgebied van richtlijn 79/7 valt, te weten een nabestaandenuitkering.
23 Vervolgens moet eraan worden herinnerd, dat artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht verbiedt, in het bijzonder met betrekking tot de voorwaarden inzake toelating tot de wettelijke regelingen, waaronder die ter zake van de bescherming tegen invaliditeit.
24 Krachtens deze bepaling hebben vrouwen aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering onder dezelfde voorwaarden als mannen.
25 Een nationale bepaling die vrouwen de aanspraak op een uitkering ontneemt die mannen in dezelfde omstandigheden blijven ontvangen, vormt derhalve een discriminatie in de zin van richtlijn 79/7.
26 Verweerder in het hoofdgeding betoogt, dat toekenning van een AWW-uitkering, die ingevolge artikel 32, lid 1, aanhef en sub b, AAW, de intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering meebrengt, enkel op aanvraag geschiedt en dat de aanvraag kan worden ingetrokken zolang de AWW-uitkering niet is toegekend. Sinds medio juli 1989 worden verzekerden die een AWW-uitkering aanvragen, in kennis gesteld van alle consequenties die de toekenning van een dergelijke uitkering kan hebben.
27 Opgemerkt moet worden, dat geen inbreuk wordt gemaakt op de gelijkheid van behandeling, indien een weduwe vrijwillig afstand doet van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, mits zij duidelijke en nauwkeurige informatie ontvangt over de eventuele financiële consequenties van de vervanging van deze uitkering door een AWW-uitkering.
28 Het staat aan de verwijzende rechter te beoordelen, of een dergelijke afstand inderdaad heeft plaatsgevonden.
29 Op de tweede vraag moet mitsdien worden geantwoord, dat artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 in de weg staat aan een nationale bepaling op grond waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering van arbeidsongeschikte weduwen als gevolg van de toekenning van een weduwenpensioen wordt ingetrokken, wanneer deze intrekking niet voortvloeit uit de vrijwillige afstand door de rechthebbende en niet plaatsvindt in het geval van weduwnaars die in het genot zijn van een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
De derde vraag
30 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, welke consequenties moeten worden verbonden aan de vaststelling door de nationale rechterlijke instantie, dat de in geding zijnde nationale wettelijke regeling onverenigbaar is met artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7.
31 Zoals het Hof reeds herhaaldelijk overwoog (zie met name arrest van 13 december 1989, zaak C-102/88, Ruzius-Wilbrink, Jurispr. 1989, blz. 4311, r.o. 19), is die bepaling, zowel op zichzelf beschouwd als gezien in verband met het doel en de inhoud van de richtlijn, voldoende nauwkeurig om door een justitiabele voor de nationale rechter te worden ingeroepen, teneinde elke ermee strijdige nationale bepaling buiten toepassing te doen verklaren.
32 Volgens het arrest van 4 december 1986 (zaak 71/85, Federatie Nederlandse Vakbeweging, Jurispr. 1986, blz. 3855) hebben vrouwen recht op dezelfde behandeling en op toepassing van dezelfde regeling als mannen die in een gelijke situatie verkeren, waarbij die regeling, zolang aan de richtlijn niet naar behoren uitvoering is gegeven, het enig bruikbare referentiekader blijft.
33 De werking van artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 sluit weliswaar de toepassing van een niet-conforme nationale bepaling uit, maar beperkt niet de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties om van de verschillende procedures van de interne rechtsorde die toe te passen welke de door het gemeenschapsrecht verleende individuele rechten waarborgen.
34 Mitsdien moet op de derde vraag worden geantwoord, dat bij ontbreken van adequate maatregelen voor de omzetting van artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7, het aan de nationale rechterlijke instanties staat, van de verschillende procedures van de interne rechtsorde die toe te passen welke vrouwen de toepassing waarborgen van een identieke regeling als voor mannen in dezelfde situatie geldt.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
35 De kosten door de Nederlandse, de Duitse en de Britse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door de Raad van Beroep te 's-Hertogenbosch bij bevel van 17 december 1991 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Het gemeenschapsrecht staat er niet aan in de weg, dat een nationale rechter artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 19 december 1966 aldus interpreteert, dat dit artikel de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van nabestaandenpensioenen voorschrijft, voor zover dit gebied buiten de werkingssfeer valt van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid.
2) Artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 staat in de weg aan een nationale bepaling op grond waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering van arbeidsongeschikte weduwen als gevolg van de toekenning van een weduwenpensioen wordt ingetrokken, wanneer deze intrekking niet voortvloeit uit de vrijwillige afstand door de rechthebbende en niet plaatsvindt in het geval van weduwnaars die in het genot zijn van een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
3) Bij ontbreken van adequate maatregelen voor de omzetting van artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7, staat het aan de nationale rechterlijke instanties, van de verschillende procedures van de interne rechtsorde die toe te passen welke vrouwen de toepassing waarborgen van een identieke regeling als voor mannen in dezelfde situatie geldt.
Full & Egal Universal Law Academy