Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Beroep tot nietigverklaring - Voor beroep vatbare handelingen - Begrip - Handelingen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen - Kennisneming door Commissie van voorgenomen handelwijze van particuliere vereniging
(EEG-Verdrag, art. 173)
2. Beroep tot schadevergoeding - Beroep tegen Commissie ter zake van handeling zonder rechtsgevolg - Niet-ontvankelijkheid
(EEG-Verdrag, art. 178 en 215, tweede alinea)
Samenvatting
1. Als voor een beroep tot nietigverklaring vatbare handelingen of besluiten zijn slechts te beschouwen maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen.
Van een dergelijke handeling is geen sprake wanneer uit een door de Commissie verspreid perscommuniqué blijkt, dat deze enkel akte heeft genomen van de wijzigingen die een particuliere vereniging die het beroepsvoetbal op Europees niveau cooerdineert, voornemens is in haar reglementen aan te brengen om het vrije verkeer van beroepsvoetballers in de Gemeenschap te vergemakkelijken, en melding maakt van de voornemens met betrekking tot het transferprobleem. Dusdoende heeft de Commissie noch een eenzijdig besluit met rechtsgevolgen voor derden genomen, noch een overeenkomst gesloten waartegen in rechte kan worden opgekomen.
2. Een beroep wegens aansprakelijkheid, strekkende tot vergoeding van schade die voortvloeit uit de onwettigheid van een handeling van een instelling, is niet ontvankelijk wanneer die handeling geen rechtsgevolgen heeft.
Partijen
In zaak C-117/91,
J.-M. Bosman, vertegenwoordigd door J.-L. Dupont, L. Misson en M.-A. Lucas, advocaten te Luik, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij E. Korn, advocaat aldaar, Rue de Nassau 21,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J.-C. Séché, E. Traversa, lid van haar juridische dienst, en T. Margellos, docent aan de Université de Picardie, gedetacheerd bij de Commissie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van een besluit dat de Commissie op 17 april 1991 zou hebben genomen met betrekking tot een overeenkomst tussen de Commissie en de Union européenne des Associations de Football, alsmede tot vergoeding van de door dat besluit veroorzaakte schade,
geeft
Het Hof van Justitie,
samengesteld als volgt: O. Due, president, G. F. Mancini, T. F. O' Higgins, J. C. Moitinho de Almeida, G. C. Rodríguez Iglesias en M. Díez de Velasco, kamerpresidenten, Sir Gordon Slynn, C. N. Kakouris, R. Joliet, F. A. Schockweiler, F. Grévisse, M. Zuleeg en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: J.-G. Giraud
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 23 april 1991, heeft J.-M. Bosman, beroepsvoetballer, krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van een besluit van de Commissie van 17 april 1991 betreffende een overeenkomst tussen de Commissie en de Union européenne des Associations de Football (hierna: "UEFA") over de bij nationale kampioenschappen toepasselijke nationaliteitsclausules en het stelsel van transfersommen bij de overgang van beroepsspelers naar een andere club, van welk besluit blijkt uit perscommuniqué IP(91)316 van de Commissie van 18 april 1991. Voorts heeft verzoeker krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EEG-Verdrag vergoeding gevorderd van de hem door dat besluit opgekomen schade.
2 Blijkens het door verzoeker genoemde perscommuniqué heeft de UEFA zich na onderhandelingen met de daartoe gemandateerde vice-voorzitter van de Commissie, Bangemann, bereid verklaard haar reglementen te wijzigen in die zin, dat het vanaf het seizoen 1992/1993 zal zijn toegestaan, voor wedstrijden in de eerste divisie van de nationale kampioenschappen ten minste drie buitenlandse spelers op te stellen alsmede twee buitenlandse spelers die sedert vijf jaar zonder onderbreking in het betrokken land actief zijn, waarvan drie jaar in jeugdteams; deze regeling moet uiterlijk aan het einde van het seizoen 1996/1997 worden uitgebreid tot de andere divisies waarin beroepsvoetbal wordt gespeeld. Volgens dat perscommuniqué is voorts een eerste stap gezet op het gebied van de contractuele betrekkingen tussen clubs en beroepsspelers met betrekking tot transfers: in dat stadium van de onderhandelingen zou zich een akkoord aftekenen over het beginsel, dat iedere beroepsspeler vrij is aan het einde van zijn contract voor een andere club te gaan spelen, los van de gebruikelijke onderhandelingen tussen de verkopende en de kopende club over de aan de verkopende club te betalen transfersom. Tot slot wordt er in het communiqué op gewezen, dat wat het probleem van het "standaardcontract" tussen clubs en beroepsspelers betreft, verdere besprekingen tussen alle betrokken partijen noodzakelijk zijn.
3 Bij eveneens op 23 april 1991 ter griffie van het Hof neergelegde afzonderlijke akte heeft verzoeker krachtens de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag een verzoek in kort geding ingediend, dat door de president van het Hof bij beschikking van 27 juni 1991 is afgewezen.
4 Bij op 28 mei 1991 ter griffie van het Hof neergelegde afzonderlijke akte heeft de Commissie krachtens artikel 91, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en het Hof verzocht daarop uitspraak te doen zonder op de zaak ten gronde in te gaan.
5 Verzoeker heeft op 1 juli 1991 schriftelijke opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid ingediend, overeenkomstig artikel 91, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering.
6 Van oordeel dat het door de schriftelijke opmerkingen van partijen voldoende was voorgelicht, heeft het Hof krachtens artikel 91, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering besloten zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen.
De vordering tot nietigverklaring
7 Tot staving van haar exceptie van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot nietigverklaring stelt de Commissie, dat die vordering gericht is tegen een niet-bestaande handeling althans een handeling die geen rechtsgevolg kan sorteren. Het zou gaan om een informele voorlopige regeling, waarin wordt vastgesteld dat vooruitgang is geboekt op de weg naar een volledige liberalisatie van de reglementen van de nationale voetbalbonden en de UEFA.
8 De Commissie wijst erop, dat de bestreden handeling niet behelst wat verzoeker erin wenst te lezen. Zij zou niet zijn te beschouwen als een stilzwijgend genomen "besluit" op de klacht die verzoeker tegen, onder anderen, de UEFA had ingediend ter zake van schending van de artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag; het onderzoek van die klacht is immers nog niet afgesloten. Aangezien de UEFA geen enkele overeenkomst heeft aangemeld, zou de bestreden handeling evenmin een vrijstellingsbeschikking op basis van artikel 85, lid 3, van het Verdrag zijn, noch een negatieve verklaring in de zin van artikel 2 van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962: Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, blz. 204).
9 Doch zelfs wanneer het om een "besluit" zou gaan, aldus de Commissie, is verzoeker er niet de adressaat van en wordt hij er niet individueel door geraakt, doch enkel in zijn objectieve hoedanigheid van beroepsvoetballer.
10 Volgens verzoeker daarentegen heeft de bestreden handeling wel bindende rechtsgevolgen, die zijn belangen aantasten in zoverre zijn rechtspositie erdoor wordt gewijzigd. Kwalificatie van de bestreden handeling als non-existent zou uitgesloten zijn, met name omdat gemeenschapshandelingen moeten worden vermoed geldig te zijn. Evenmin zou het om een informele regeling gaan, aangezien zij de rechtspositie van derden beïnvloedt, noch om een voorbereidende handeling, aangezien uit de termen van de overeenkomst tussen de Commissie en de UEFA blijkt dat die overeenkomst als definitief is bedoeld.
11 In het bijzonder zou de bestreden handeling beschouwd kunnen worden als een handeling ter zake van de toepassing van de mededingingsregels van het Verdrag, die een stilzwijgende afwijzing impliceert van een door verzoeker op 20 november 1990 bij de Commissie ingediende klacht met betrekking tot de onverenigbaarheid met artikel 85 van de nationaliteitsclausules en de transferregelingen voor voetballers, dan wel als een vrijstellingsbeschikking op grond van artikel 85, lid 3, van het Verdrag respectievelijk een negatieve verklaring in de zin van artikel 2 van verordening nr. 17. Zou dat niet het geval zijn, dan zou het kunnen gaan om een handeling die de werking van een met artikel 85 van het Verdrag strijdige ondernemersafspraak versterkt, om een mededeling betreffende artikel 48 van het Verdrag, dan wel om een handeling waarbij de Commissie afziet van haar bevoegdheden ingevolge artikel 169 van het Verdrag.
12 Ten slotte betoogt verzoeker, dat hij in de zin van artikel 173 van het Verdrag rechtstreeks door de bestreden handeling wordt geraakt, aangezien deze geen enkele uitvoeringsmaatregel van de Lid-Staten behoeft. Ook zou hij door die handeling individueel worden geraakt, voor zover zij het antwoord vormt op de klacht die hij bij de Commissie heeft ingediend, en op zijn mededeling aan de Commissie, dat hij zich tegen een overeenkomst verzette. De Commissie zou tot hervatting van de onderhandelingen met de UEFA hebben besloten nadat verzoeker de zaak voor de Belgische rechterlijke instanties had gebracht, en zijn persoonlijk geval zou in een clausule van de overeenkomst zijn geregeld. Verzoeker zou de enige voetballer in de Gemeenschap zijn die het op een geding tegen zijn bond had laten aankomen, en het besluit van de Commissie zou de uitslag van dat geding kunnen beïnvloeden. Ten slotte zou zijn situatie geïndividualiseerd zijn door de specifieke aard en de ernst van de geleden schade.
13 Om de ontvankelijkheid van het beroep te kunnen beoordelen, dient het Hof eerst de aard van de bestreden handeling te onderzoeken. Volgens vaste rechtspraak zijn immers als voor een beroep tot nietigverklaring vatbare handelingen of besluiten slechts te beschouwen maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen (zie, onder meer, arrest van 11 november 1981, IBM, zaak 60/81, blz. 2639).
14 Dit is niet het geval met de bestreden handeling. Naar immers blijkt uit de bewoordingen van het door verzoeker aangevoerde perscommuniqué en van de andere door hem overgelegde stukken, heeft de Commissie na de besprekingen tussen haar vice-voorzitter en de UEFA over de situatie van de beroepsvoetballers in de Gemeenschap enkel akte genomen van de wijzigingen die de UEFA in haar reglementen zou aanbrengen om het vrije verkeer van spelers in de Gemeenschap te vergemakkelijken, en melding gemaakt van de voornemens met betrekking tot het transferprobleem. Zij heeft dus noch een eenzijdig besluit met rechtsgevolgen voor derden genomen, noch met de UEFA een overeenkomst of akkoord van zodanige aard gesloten, dat het aan het oordeel van het Hof zou kunnen worden onderworpen.
15 Uit het voorgaande volgt, dat de bestreden handeling niet vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring en dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De vordering tot schadevergoeding
16 De Commissie meent, dat het beroep wegens aansprakelijkheid niet ontvankelijk is, in de eerste plaats omdat de in geding zijnde informele regeling nog niet definitief is en hoe dan ook geen rechtsgevolgen heeft, en in de tweede plaats omdat de door verzoeker gestelde schade enkel een mogelijke schade is.
17 Verzoeker stelt daartegenover, dat de vordering ontvankelijk is, omdat de handeling van de Commissie rechtsgevolgen heeft en zijn schade een reële en bestaande schade is.
18 Opgemerkt zij, dat verzoeker stelt in verscheidene, afzonderlijk te beschouwen opzichten te zijn geschaad. Derhalve moet de ontvankelijkheid van de schadevordering ten aanzien van elk van die schadeposten worden onderzocht.
19 In de eerste plaats verklaart verzoeker, dat hij het risico loopt zijn proces voor de Belgische rechterlijke instanties te verliezen - althans dat het evenwicht in dat geding dreigt te worden verstoord -, dat hij zijn huidige werkkring dreigt te verliezen en waarschijnlijk minder toegang zal hebben tot de arbeidsmarkt waarop hij zijn diensten kan aanbieden. Elk van deze nadelen zou het gevolg zijn van de fout die de Commissie heeft gemaakt door het beweerdelijk onwettige besluit van 17 april 1991 te nemen, waartegen ook de vordering tot nietigverklaring is gericht.
20 Zoals echter hiervoor vastgesteld, heeft die handeling geen rechtsgevolgen. Volgens de rechtspraak van het Hof (zie beschikking van 13 juni 1991, zaak C-50/90, Sunzest, Jurispr. 1991, blz. 2917) is een beroep wegens aansprakelijkheid, strekkende tot vergoeding van schade die, volgens de verzoeker, voortvloeit uit de enkele onwettigheid van een handeling van een instelling, niet ontvankelijk wanneer die handeling geen rechtsgevolgen heeft.
21 De op artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag gebaseerde vordering moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
22 Mitsdien moet met toepassing van artikel 91, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering het beroep in zijn geheel niet-ontvankelijk worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
23 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld. Aangezien verzoeker in het ongelijk is gesteld, dient hij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het geding.
Luxemburg, 4 oktober 1991.
Full & Egal Universal Law Academy