Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Beroep tot nietigverklaring - Ontbreken van voor beroep vatbare handeling - Niet-ontvankelijkheid
(EEG-Verdrag, art. 173)
2. Beroep wegens nalaten - Niet-eerbiediging van vormvoorschriften van artikel 175, tweede alinea, EEG-Verdrag - Niet-ontvankelijkheid
(EEG-Verdrag, art. 175)
Partijen
In zaak C-130/91,
ISAE/VP (Instituto Social de Apoio ao Emprego e à Valorização Profissional), vennootschap naar Portugees recht, gevestigd te Lissabon,
en
Interdata (Centro de Processamento de Dados Ld.a), vennootschap naar Portugees recht, gevestigd te Lissabon,
vertegenwoordigd door A. Amado Rodrigues, advocaat te Lissabon, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. Rodesch, advocaat aldaar, Route d' Esch 7-11,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. Lima, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van een beschikking van de Commissie van onbekende datum, beweerdelijk inhoudende een weigering tot uitbetaling van reeds goedgekeurde bijstand van het Europees Sociaal Fonds met betrekking tot de aanvragen om bijstand nrs. 87.0730/P1, 88.0705/P1 en 88.0706/P1,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, Sir Gordon Slynn, R. Joliet, F. A. Schockweiler, F. Grévisse en P. J. G. Kapteyn, kamerpresidenten, G. F. Mancini, C. N. Kakouris, J. C. Moitinho de Almeida, G. C. Rodríguez Iglesias, M. Díez de Velasco, M. Zuleeg en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: J.-G. Giraud
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 10 mei 1991, hebben de vennootschappen ISAE/VP (Instituto Social de Apoio ao Emprego e à Valorização Profissional) en Interdata (Centro de Processamento de Dados Ld.a) krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van een beschikking van de Commissie van onbekende datum, beweerdelijk inhoudende een weigering tot uitbetaling van reeds goedgekeurde bijstand van het Europees Sociaal Fonds met betrekking tot de aanvragen om bijstand nrs. 87.0730/P1, 88.0705/P1 en 88.0706/P1.
2 Verordening (EEG) nr. 2950/83 van de Raad van 17 oktober 1983 houdende toepassing van besluit 83/516/EEG betreffende de taken van het Europees Sociaal Fonds (PB 1983, L 289, blz. 1; hierna: "de verordening"), omschrijft de soorten uitgaven waarvoor bijstand van het Fonds kan worden verleend. Artikel 5 van de verordening voorziet in uitkering van voorschotten op de toegekende steun. Indien van de bijstand van het Fonds geen gebruik wordt gemaakt op de wijze die in het besluit tot goedkeuring is vastgesteld, kan de Commissie volgens artikel 6, lid 1, die bijstand opschorten, verminderen of doen vervallen, na de betrokken Lid-Staat de gelegenheid te hebben geboden zijn opmerkingen te maken.
3 De dienst aangelegenheden van het Europees Sociaal Fonds te Lissabon (hierna: "DAFSE") heeft namens de Portugese Republiek en ten behoeve van verzoeksters drie aanvragen ingediend om bijstand van het Fonds uit de begrotingen voor 1987 en 1988. Blijkens de aan het Hof voorgelegde stukken zijn die aanvragen bij drie beschikkingen van de Commissie goedgekeurd en hebben beide verzoeksters overeenkomstig artikel 5, lid 1, van de verordening voorschotten ontvangen van het Fonds en van het Portugese beheersinstituut voor de sociale verzekeringen. Nadien zijn bij DAFSE aanvragen om betaling van het saldo ingediend, die overeenkomstig artikel 5, lid 4, van de verordening vergezeld gingen van evaluatierapporten.
4 Toen betaling uitbleef, hebben verzoeksters in januari 1990 de Portugese autoriteiten bij meerdere brieven om tussenkomst verzocht. Op 25 oktober 1990 heeft de eerste verzoekster de Commissie bij aangetekende brief om betaling gevraagd. Op die brief is echter nooit gereageerd.
5 Daarop hebben verzoeksters het onderhavige beroep tot nietigverklaring ingesteld en daarbij om kosteloze rechtsbijstand verzocht.
6 In haar verweerschrift zet de Commissie uiteen, dat blijkens een mededeling van directoraat-generaal V van 3 juni 1991 de betaling van de in geding zijnde bijstand is opgeschort naar aanleiding van informaties die de Commissie van de Portugese instanties had gekregen. Er is geen enkel besluit tot vermindering of intrekking van de bijstand genomen en een beschikking desbetreffend is dus ook niet ter kennis van verzoeksters gebracht. Het beroep tot nietigverklaring is derhalve zonder voorwerp en bijgevolg niet-ontvankelijk.
7 Maar ook wanneer het beroep ware te beschouwen als een beroep tegen een verzuim van de Commissie om een besluit tot betaling te nemen, zou het niet-ontvankelijk zijn op grond dat de wezenlijke vormvoorschriften van artikel 175, tweede alinea, van het Verdrag niet in acht zijn genomen. Zou immers de brief van 25 oktober 1990 worden opgevat als een uitnodiging aan de Commissie om te handelen, dan zou het beroep te laat zijn ingesteld.
8 In hun memorie van repliek voeren verzoeksters geen enkel bewijs aan voor het bestaan van de in geding gebrachte beschikkingen.
9 Volgens artikel 92, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof in iedere stand van het geding ambtshalve middelen van niet-ontvankelijkheid die van openbare orde zijn, in behandeling nemen en overeenkomstig artikel 91, leden 3 en 4, zonder mondelinge behandeling beslissen.
10 Aangezien het dossier alle gegevens bevat die het voor een beslissing behoeft, heeft het Hof besloten zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen.
11 Daar verzoeksters het materiële bestaan van een beschikking van de Commissie niet hebben aangetoond, is het beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk wegens ontbreken van een voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 173 van het Verdrag.
12 Voor het overige zou het beroep, indien het ware te beschouwen als een beroep als bedoeld in artikel 175, derde alinea, gericht tegen een verzuim van de Commissie om een besluit tot betaling te nemen, niet-ontvankelijk zijn op grond dat de wezenlijke vormvoorschriften van artikel 175, tweede alinea, niet in acht zijn genomen.
13 Uit het voorgaande volgt, dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
14 In deze omstandigheden behoeft niet te worden beslist op het verzoek van verzoeksters om kosteloze rechtsbijstand.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
15 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Daar verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoeksters worden verwezen in de kosten van het geding.
Luxemburg, 14 januari 1992.
Full & Egal Universal Law Academy