Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
Kort geding - Opschorting van tenuitvoerlegging - Voorwaarden - Ernstige en onherstelbare schade - Financiële schade
(EEG-Verdrag, art. 185; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 83, lid 2)
Samenvatting
De spoedeisendheid van het verzoek om opschorting moet worden getoetst aan de vraag of deze voorlopige opschorting noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die erom verzoekt. Deze partij dient echter aan te tonen, dat zij niet op de uitspraak in de hoofdzaak kan wachten zonder persoonlijk en met voor haar ernstige en onherstelbare gevolgen schade te lijden.
Een schade van geldelijke aard kan, behoudens in uitzonderlijke omstandigheden, niet als onherstelbaar worden beschouwd, aangezien een geldelijke vergoeding in de regel volstaat om de gelaedeerde in de vroegere toestand te herstellen.
Partijen
In zaak C-213/91 R,
Abertal SAT Ltda,
Agroalmendra SAT,
Agroles S. Coop. Ltda,
Agrupación de productores de Almendra del Mediterraneo S. Coop.,
Almendras de Aragón SAT Ltda,
Almendrera Aragónesa, S. Coop.,
Bajo Aragón Turolense SAT,
Coato Sociedad Cooperativa de Comercialización Agraria,
Cobuco SCL Cooperativa de Fruta de Almendras,
Comercial Garrofa S. Coop. Ltda,
Cooperativa Agrícola y Ganadera de Alicante,
Cooperativa Agrícola y Secció de Credit de la Selva del Camp,
Crisol de Frutos Secos SAT,
Frutsec S. Coop. Ltda,
Fruits Secs Catalans SAT Ltda,
Fruits Secs de Les Garrigues S. Coop.,
Fruticultores Asociados de la Ribera del Ebro S. Coop.,
Montana-Vinalopo S. Coop.,
Unión Agraria Cooperativa Ltda,
Uteco de Zaragoza S. Coop.,
Spaanse telersverenigingen, vertegenwoordigd door F. Pombo García, R. García Vicente en I. Igartua Arregui, advocaten te Madrid, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van C. Wassenich, advocaat aldaar, Rue Dicks 6,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseurs F. Santaolalla Gadea en E. de March, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1304/91 van de Commissie van 17 mei 1991 tot tweede wijziging van verordening (EEG) nr. 2159/89 van de Commissie van 18 juli 1989 houdende bepalingen voor de toepassing van de in titel II bis van verordening (EEG) nr. 1035/72 van de Raad vastgestelde specifieke maatregelen voor dopvruchten en sint-jansbrood (PB 1991, L 123, blz. 27),
geeft
DE PRESIDENT VAN HET HOF VAN JUSTITIE
VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 10 augustus 1991, hebben Abertal SAT Ltda en 19 andere Spaanse telersverenigingen krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1304/91 van de Commissie van 17 mei 1991 tot tweede wijziging van verordening (EEG) nr. 2159/89 van de Commissie van 18 juli 1989 houdende bepalingen voor de toepassing van de in titel II bis van verordening (EEG) nr. 1035/72 van de Raad vastgestelde specifieke maatregelen voor dopvruchten en sint-jansbrood (PB 1991, L 123, blz. 27).
2 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 12 augustus 1991, hebben verzoeksters voorts krachtens artikel 185 EEG-Verdrag een verzoek in kort geding ingediend, strekkende tot opschorting van de tenuitvoerlegging van voornoemde bepaling van de verordening van de Commissie, totdat het Hof op het beroep in de hoofdzaak zal hebben beslist.
3 De Commissie heeft op 2 september 1991 schriftelijke opmerkingen over het verzoek in kort geding ingediend en partijen hebben op 23 september 1991 mondelinge opmerkingen gemaakt.
4 Alvorens de gegrondheid van het verzoek in kort geding zal worden onderzocht, volgt hier een beknopte samenvatting van het wettelijk kader waarin het geding moet worden geplaatst, en van het onderwerp van het beroep in de hoofdzaak.
5 Bij verordening (EEG) nr. 789/89 van de Raad van 20 maart 1989 tot instelling van specifieke maatregelen voor dopvruchten en sint-jansbrood en tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1035/72 van de Raad van 18 mei 1972 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit (PB 1989, L 85, blz. 3), is in genoemde verordening nr. 1035/92 een nadien gewijzigde titel II bis ingevoerd.
6 Titel II bis van verordening nr. 1035/72 voorziet in bepaalde steunmaatregelen in de sector dopvruchten en sint-jansbrood, die volgens de considerans van verordening nr. 789/89 bedoeld zijn om de structurele gebreken van de markt voor die produkten te verhelpen, aangezien zowel de technische omstandigheden waarin de produktie plaatsvindt en die worden gekenmerkt door een sterke versnippering en een zeer geringe mechanisatie, met als gevolg een lage produktiviteit en hoge produktiekosten, als de afzet, tot op grote hoogte niet meer beantwoorden aan de technische eisen en aan de behoeften van de handel.
7 De steunmaatregelen waarin is voorzien, zijn onder meer een forfaitaire extra steun aan telersverenigingen, ten einde de oprichting daarvan te stimuleren (artikel 14 ter van verordening nr. 1035/72), een specifieke steun aan diezelfde verenigingen voor het vormen van bedrijfskapitaal (artikel 14 quater van verordening nr. 1035/72), en ten slotte een steun voor de uitvoering van door die telersverenigingen ingediende en door de nationale autoriteiten goedgekeurde programma' s voor de verbetering van de kwaliteit en van de afzet (artikel 14 quinquies van verordening nr. 1035/72).
8 De in deze laatste bepaling bedoelde programma' s zijn gericht op "verbetering van de kwaliteit van de produktie door een omschakeling op andere rassen of een verbetering van de teelt op homogene en aaneengesloten aanplantingen, en, in voorkomend geval, op de verbetering van de afzet."
9 Overeenkomstig artikel 14 quinquies van verordening nr. 1035/72 wordt voor de uitvoering van de goedgekeurde verbeteringsprogramma' s een communautaire steun van 45 % verleend, indien die programma' s voor 45 % door de telersverenigingen en voor 10 % door de Lid-Staat worden gefinancierd. De steun van de Gemeenschap en de bijdrage van de Lid-Staat zijn geplafonneerd en worden gedurende tien jaar uitgekeerd.
10 De voorwaarden voor de goedkeuring van verbeteringsprogramma' s alsook, onder meer, de wijze van betaling van de steun voor de uitvoering ervan zijn vastgesteld in verordening nr. 2159/89. Deze verordening van de Commissie werd een eerste maal gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3403/89 van de Commissie van 13 november 1989 (PB 1989, L 328, blz. 23), waarbij de mogelijkheid werd ingevoerd om voorschotten op de steun voor de uitvoering van de verbeteringsprogramma' s te ontvangen.
11 Artikel 1 van verordening nr. 1304/91 brengt in verordening nr. 2159/89, zoals gewijzigd, bepaalde wijzigingen aan, die verzoeksters, als telersverenigingen die over goedgekeurde verbeteringsprogramma' s beschikken, te hunnen opzichte onwettig achten.
12 In de eerste plaats wijzigt de litigieuze verordening artikel 8, lid 4, van verordening nr. 2159/89, betreffende verzoeken tot wijziging van reeds goedgekeurde programma' s. Over die verzoeken tot wijziging, gerechtvaardigd om technische redenen of met het oog op de uitbreiding van de oppervlakte waarop het programma betrekking heeft, met name wegens de toename van het aantal aangeslotenen, moest de bevoegde nationale autoriteit een besluit nemen volgens dezelfde modaliteiten als voor de oorspronkelijke goedkeuring van het verbeteringsprogramma golden. Ingevolge de gewijzigde bepaling kan een verzoek tot wijziging van een reeds goedgekeurd programma, met de bedoeling de oppervlakte waarop het programma betrekking heeft, uit te breiden, slechts eenmaal worden ingediend en eerst vanaf het vierde jaar na de goedkeuring van het programma. Deze termijn is volgens de considerans van de litigieuze verordening nodig om te kunnen beoordelen of de betrokken vereniging levensvatbaar is, en om de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van haar verbeteringsprogramma te kunnen opmaken.
13 In de tweede plaats wijzigt de litigieuze verordening artikel 19 van verordening nr. 2159/89, betreffende de betaling van de communautaire steun voor verbeteringsprogramma' s. Om deze steun te kunnen ontvangen, moeten de betrokken verenigingen na afloop van elke jaarlijkse periode voor de uitvoering van het programma bij de met de betaling van de steun belaste nationale autoriteit een aanvraag indienen. Bij de steunmaatregelen moeten de facturen en ieder ander dienstig bewijsstuk van de uitgevoerde werkzaamheden worden gevoegd. Volgens de ingevoerde wijziging moeten de steunaanvragen de nodige gegevens bevatten om geografisch te kunnen bepalen in welk gedeelte van de boomgaard de verschillende werkzaamheden zijn uitgevoerd, en moet op de facturen en bewijsstukken nauwkeurig zijn aangegeven in welk gedeelte van de boomgaard de betrokken werkzaamheden zijn uitgevoerd. Deze preciseringen zijn volgens de considerans van de litigieuze verordening nodig om de voortgang van de werkzaamheden over de hele boomgaard waarop het programma betrekking heeft, te kunnen volgen en controleren.
14 In de derde plaats wijzigt de litigieuze verordening artikel 22 bis, lid 3, van verordening nr. 2159/89, betreffende de voorschotten op de jaarlijkse steun voor de uitvoering van verbeteringsprogramma' s. Het maximum van het voorschot, dat 80 % van het totaalbedrag van de financiële bijdragen van de Lid-Staat en van de Gemeenschap in de geraamde kosten voor de tenuitvoerlegging op jaarbasis bedroeg, werd verlaagd tot 50 % van de jaarlijkse communautaire steun, en het voorschot wordt pas betaald nadat de Lid-Staat 50 % van zijn bijdrage daadwerkelijk heeft uitgekeerd. Om het voorschot te verkrijgen, moeten de betrokken verenigingen het bewijs overleggen, dat met de tenuitvoerlegging van het programmagedeelte voor dat jaar is begonnen. Dit bewijs moest betrekking hebben op ten minste 20 % van de geraamde kosten op jaarbasis, maar de litigieuze verordening verhoogt dat percentage tot ten minste 50 %. Ten slotte kan volgens de gewijzigde bepaling geen enkel voorschot worden uitbetaald zolang de volledige betaling voor de vorige jaarlijkse tranche niet is uitgevoerd op de wijze die met name in voormeld artikel 19 van verordening nr. 2159/89, zoals gewijzigd, is voorgeschreven. Deze wijzigingen in de modaliteiten voor de betaling van de voorschotten zijn volgens de considerans van de litigieuze verordening bedoeld om te verzekeren dat de middelen van de Gemeenschap goed worden aangewend.
15 Die wijzigingen zijn overeenkomstig artikel 2 van verordening nr. 1304/91 op 21 mei 1991 in werking getreden.
16 Volgens artikel 185 EEG-Verdrag heeft een bij het Hof van Justitie ingesteld beroep geen schorsende werking. Het Hof van Justitie kan echter, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling gelasten.
17 Krachtens artikel 83, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering veronderstelt de opschorting van de tenuitvoerlegging van een handeling van een instelling het bestaan van omstandigheden waaruit het spoedeisende karakter van het verzoek blijkt, en van middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de opschorting van de tenuitvoerlegging aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt.
18 Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet de spoedeisendheid van het verzoek om opschorting worden getoetst aan de vraag of deze voorlopige opschorting noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die erom verzoekt. Deze partij dient echter aan te tonen, dat zij niet op de uitspraak in de hoofdzaak kan wachten zonder persoonlijk en met voor haar ernstige en onherstelbare gevolgen schade te lijden.
19 Met betrekking tot de wijziging van artikel 19 van verordening nr. 2159/89 voeren verzoeksters aan, dat de verplichting tot het overleggen van facturen en bewijsstukken waarop nauwkeurig is aangegeven in welk gedeelte van de boomgaard de betrokken werkzaamheden zijn uitgevoerd, een verplichting is waaraan onmogelijk kan worden voldaan voor de volgende aanvragen om jaarlijkse steun. Door het ontbreken van overgangsmaatregelen geldt die verplichting met terugwerkende kracht voor facturen die reeds zijn opgemaakt, en voor facturen over werkzaamheden die reeds zijn verricht, zonder dat nauwkeurig is vastgelegd in welk gedeelte van de boomgaard zij zijn uitgevoerd. Niet in staat aan die verplichting te voldoen, zouden verzoeksters noch het volledige bedrag van de steun voor het lopende jaar - en zelfs, indien de aanvraag nog niet is ingediend, voor het voorbije jaar -, noch het voorschot voor het volgende jaar kunnen krijgen. Zo zouden de uitvoering van de verbeteringsprogramma' s en de levensvatbaarheid van de verzoekende verenigingen in gevaar worden gebracht.
20 Dienaangaande volstaat het erop te wijzen, dat blijkens de door de Commissie ingediende opmerkingen de verplichting om het betrokken gedeelte van de boomgaard aan te geven, slechts betrekking heeft op facturen en bewijsstukken opgemaakt na de inwerkingtreding van verordening nr. 1304/91. Bij het verhoor van partijen heeft de Commissie bovendien verklaard, dat de nieuwe regeling naar haar oordeel niet van toepassing is op facturen die na de inwerkingtreding van verordening nr. 1304/91 zijn opgesteld, maar betrekking hebben op werkzaamheden waarvoor het niet meer mogelijk is, het gedeelte van de betrokken boomgaard nauwkeurig aan te geven.
21 Met betrekking tot de wijziging van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 2159/89 voeren verzoeksters aan, dat het verbod om de oppervlakte waarop een goedgekeurd programma betrekking heeft, wegens de toename van het aantal aangeslotenen uit te breiden, diegenen van hun leden raakt, die niet vanaf het begin aan de verbeteringsprogramma' s hebben willen deelnemen, doch overwogen er later aan deel te nemen. Daar de leden volgens artikel 2, sub 4 d, van verordening nr. 2159/89 verplicht zijn, zich voor een periode van ten minste drie jaar bij de telersvereniging aan te sluiten, zou het verbod om de oppervlakte waarop de programma' s betrekking hebben, uit te breiden, spanningen tussen de leden teweegbrengen. Bovendien zouden telers die nog geen lid van een vereniging zijn, om aan een verbeteringsprogramma te kunnen deelnemen en voor de steun in aanmerking te komen, moeten proberen andere verenigingen op te richten en zich moeten inzetten voor de opstelling en goedkeuring van nieuwe programma' s, hetgeen verloren moeite zou zijn en veel administratieve rompslomp zou meebrengen.
22 Opgemerkt zij, dat de aldus aangevoerde schade, gesteld dat zij kan worden geacht door verzoeksters zelf te zijn geleden, in geen geval als voldoende ernstig kan worden beschouwd om opschorting van tenuitvoerlegging te rechtvaardigen.
23 Met betrekking tot de wijziging van artikel 19, lid 3, van verordening nr. 2159/89 voeren verzoeksters aan, dat die niet alleen tot gevolg heeft dat de voorschotten kleiner worden, maar ook dat zij later worden uitbetaald. De financiering van de uitvoering van de verbeteringsprogramma' s zou de verenigingen dus volkomen onverwacht voor zwaardere lasten plaatsen. Bepaalde verenigingen zouden verplicht zijn zich tot kredietinstellingen te wenden en zwaardere lasten op zich te nemen om aan hun verbintenissen te kunnen voldoen. De telersverenigingen zouden verplicht zijn hun verbeteringsprogramma' s te herzien en minder ambitieus te maken, en bepaalde telers, die de toegenomen lasten niet kunnen dragen, zouden ertoe worden gebracht zich uit de in uitvoering zijnde programma' s terug te trekken. Zo zou, in strijd met het doel van de betrokken regeling, de produktiviteit dalen en het concurrentievermogen worden aangetast. Ook dreigt de braaklegging van percelen, hetgeen niet goed is voor de grond en het brandgevaar doet toenemen.
24 De door verzoeksters gestelde verzwaring van de financiële lasten is een schade van geldelijke aard. Een dergelijke schade kan, behoudens in uitzonderlijke omstandigheden, niet als onherstelbaar worden beschouwd, aangezien een geldelijke vergoeding in de regel volstaat om de gelaedeerde in de vroegere toestand te herstellen. Aangaande het door verzoeksters aangevoerde risico, dat de verzwaring van de financiële lasten andere onherstelbare gevolgen zou hebben, moet worden vastgesteld, dat het bestaan van dat risico niet met de voor opschorting van tenuitvoerlegging vereiste waarschijnlijkheid is aangetoond.
25 Uit het voorgaande volgt, dat het verzoek om opschorting van tenuitvoerlegging niet aan de voorwaarde van spoedeisendheid voldoet.
26 Mitsdien moet het verzoek in kort geding worden afgewezen, zonder dat het argument van de Commissie, dat dit verzoek niet-ontvankelijk is wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak, behoeft te worden onderzocht.
Dictum
DE PRESIDENT
beschikt:
1) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 18 oktober 1991.
Full & Egal Universal Law Academy