Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
Kort geding - Opschorting van tenuitvoerlegging - Voorlopige maatregelen - Voorwaarden - Ernstige en onherstelbare schade voor verzoeker
(EEG-Verdrag, art. 185 en 186; Reglement voor de procesvoering, art. 83, lid 2)
Samenvatting
De spoedeisendheid van een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging of om voorlopige maatregelen moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de noodzaak, een voorlopige beslissing te nemen om te voorkomen dat de partij die om de opschorting of de voorlopige maatregelen verzoekt, ernstige en onherstelbare schade lijdt. Het staat aan deze partij, aan te tonen dat zij de beslissing in de procedure in de hoofdzaak niet kan afwachten zonder schade te lijden die voor haar ernstige en onherstelbare gevolgen zal hebben.
Het is niet aangetoond, dat een verzoeker die de wettigheid bestrijdt van een beschikking van de Commissie houdende goedkeuring van de toekenning door een Lid-Staat van regionale steun ten gunste van een concurrent, zonder voorlopige maatregelen ernstige en onherstelbare schade dreigt te lijden, wanneer de beslissing in de procedure in de hoofdzaak is te verwachten voordat het grootste deel van de steun, gelet op een gespreide betaling, ter beschikking van de begunstigde zou worden gesteld en de markt zou dreigen te worden verstoord.
Partijen
In zaak C-225/91 R,
Matra SA, vennootschap naar Frans recht, gevestigd te Parijs, vertegenwoordigd door M. Siragusa, advocaat te Rome, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Arendt en Medernach, advocaten aldaar, Avenue Marie-Thérèse 4,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch hoofdadviseur A. Abate en M. Nolin, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, vertegenwoordiger van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende primair een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking van de Commissie, medegedeeld aan de Portugese autoriteiten bij brief van 16 juli 1991 en aan Matra SA bij brief van 30 juli 1991, houdende goedkeuring van een programma van overheidssteun ten behoeve van een gemeenschappelijke onderneming van Ford Motor Company Inc. en Volkswagen AG voor de bouw van een fabriek voor polyvalente wagens te Setúbal (Portugal),
geeft
DE PRESIDENT VAN HET HOF VAN JUSTITIE
VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 6 september 1991, heeft Matra SA (hierna: "Matra") krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van de beschikking van de Commissie, medegedeeld aan de Portugese autoriteiten bij brief van 16 juli 1991 en aan Matra bij brief van 30 juli 1991, houdende goedkeuring van een door bovengenoemde autoriteiten aangemeld programma van overheidssteun ten behoeve van een gemeenschappelijke onderneming van Ford Motor Company Inc. en Volkswagen AG voor de bouw van een fabriek voor polyvalente wagens te Setúbal (Portugal).
2 Voorts heeft Matra bij afzonderlijke akte, op dezelfde datum neergelegd ter griffie van het Hof, krachtens de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag een verzoek in kort geding ingediend, ertoe strekkende dat het Hof de opschorting van de tenuitvoerlegging van bovengenoemde beschikking beveelt en de Portugese autoriteiten gelast, de betrokken steun niet uit te keren en, zoals ter terechtzitting nader is aangegeven, de reeds betaalde bedragen terug te vorderen.
3 De Commissie heeft op 8 oktober 1991 schriftelijke opmerkingen over het verzoek in kort geding ingediend en partijen zijn op 4 november 1991 in hun mondelinge toelichtingen gehoord.
4 Alvorens de gegrondheid van het verzoek in kort geding te onderzoeken, moet een beknopte samenvatting van de antecedenten van het geschil worden gegeven.
5 Ingevolge een communautair kader voor staatssteun aan de automobielindustrie (PB 1989, C 123, blz. 3), dat door de Commissie krachtens artikel 93, lid 1, EEG-Verdrag is vastgesteld en welke maatregelen op 1 januari 1989 in werking zijn getreden, zijn de Lid-Staten verplicht, alle voorgenomen steunmaatregelen die binnen het toepassingsgebied van een reeds door de Commissie goedgekeurde steunregeling vallen, overeenkomstig artikel 93, lid 3, EEG-Verdrag vooraf aan te melden, indien de steun wordt verleend aan een onderneming uit de automobielsector en de kosten van het te steunen project 12 miljoen ECU overschrijden.
6 Wat betreft de steun toegekend binnen het toepassingsgebied van een goedgekeurde regeling voor regionale steun, erkent de Commissie in dat communautair kader, dat de vestiging van nieuwe automobielfabrieken in achtergebleven gebieden een waardevolle bijdrage kan leveren tot de regionale ontwikkeling, en verklaart zij, in het algemeen een positief standpunt in te nemen jegens investeringssteun aan het verhelpen van structurele belemmeringen in die gebieden. De voorafgaande aanmelding van dergelijke steun zal de Commissie evenwel in de gelegenheid stellen, de voordelen voor de regionale ontwikkeling af te wegen tegen de eventuele nadelige gevolgen voor de automobielsector in zijn geheel (zoals het ontstaan van omvangrijke overcapaciteit).
7 Bij brief van 16 april 1991, aangevuld bij brief van 31 mei daaraanvolgend, heeft de regering van de Portugese Republiek het in de bestreden beschikking bedoelde steunprogramma overeenkomstig dat communautair kader bij de Commissie aangemeld. De Portugese regering wilde die steun verlenen op grond van, met name, de Portugese regeling voor regionale steun ("Sistema de Incentivos de Base Regional").
8 Blijkens de bestreden beschikking is de te steunen onderneming een gemeenschappelijke onderneming van Ford Motor Company Inc. en Volkswagen AG, die door die twee automobielfabrikanten voor gelijke delen is opgericht voor de ontwikkeling en produktie van een polyvalente wagen, die zij onafhankelijk van elkaar en in verschillende presentatie via hun respectieve verkoopnetten zullen verkopen. Uit de bestreden beschikking blijkt dat de totale kostprijs van het project 2 550 miljoen ECU beloopt.
9 Die gemeenschappelijke onderneming wil tussen 1991 en 1995 te Setúbal een fabriek voor polyvalente wagens bouwen. De geplande fabriek zou eind 1994 met de produktie beginnen en vanaf 1996 830 wagens per dag, ofwel 190 000 wagens per jaar, produceren. Daarbij zou zij rechtstreeks werkgelegenheid bieden aan 5 020 personen.
10 Naar uit de bestreden beschikking blijkt, waren de Portugese autoriteiten van oordeel, dat een bedrag van 1 668 miljoen ECU aan investeringen voor overheidssteun in aanmerking kwam en besloten zij op basis van de Portugese regeling voor regionale steun, voor 500 miljoen ECU rechtstreekse steun te verlenen. Daarnaast besloten die autoriteiten op grond van de Portugese belastingwetgeving, de gemeenschappelijke onderneming voor een periode van vijf jaar, ingaande in 1997, vrijstelling van vennootschapsbelasting te verlenen voor een gecumuleerd bedrag dat 47 miljoen ECU niet mag overschrijden.
11 In haar beschikking wijst de Commissie er in de eerste plaats op, dat het steunbedrag van 547 miljoen ECU overeenkomt met een netto subsidie-equivalent van slechts 27,1 %, terwijl zij met haar goedkeuring van de Portugese regeling voor regionale steun voor de regio Setúbal steun tot een netto subsidie-equivalent van 75 % heeft toegestaan, ongeacht de omvang van het te steunen project.
12 Met betrekking tot de voordelen voor de regionale ontwikkeling wijst de Commissie op het grote belang van verwezenlijking van het project voor de economische ontwikkeling van de regio Setúbal, zowel wat de werkgelegenheid als wat de infrastructuur betreft. Volgens haar stuit lokalisatie van het project te Setúbal op ernstige structurele belemmeringen, aangezien de geografische afstand tot de belangrijkste markten en de relatieve economische achterstand van de regio erg hoge kosten ter zake van vervoer, opslag, buitenlands personeel en infrastructuur meebrengen. Ook al worden deze structurele belemmeringen gedeeltelijk gecompenseerd door met name goedkopere arbeidskrachten, toch is de Commissie van mening, dat de uiteindelijke nadelen, uitgedrukt in termen van kosten, en de noodzaak van een extra stimulans om investeringen in dit achtergebleven gebied aan te trekken, steun van de voorgenomen omvang en intensiteit rechtvaardigen.
13 Wat de gevolgen van het project voor de automobielsector in zijn geheel betreft, merkt de Commissie op, dat de marktprognoses voor polyvalente wagens een gestage en belangrijke groei van de vraag te zien geven. Zo zal de verkoop van deze wagens tegen 1995 2 tot 3 % van de Europese markt voor personenauto' s in Europa vertegenwoordigen, hetgeen neerkomt op 300 000 tot 400 000 wagens per jaar. Hoewel de gemeenschappelijke onderneming door het betrokken project over een aanzienlijk deel van de produktiecapaciteit in de Gemeenschap zal beschikken, zijn er volgens de Commissie weinig aanwijzingen, dat dit in de nabije toekomst tot overcapaciteit kan leiden, zelfs wanneer rekening wordt gehouden met projecten op het gebied van polyvalente wagens die op dit ogenblik door andere automobielfabrikanten worden verwezenlijkt of bestudeerd.
14 Uit de bestreden beschikking blijkt voorts, dat de Portugese autoriteiten van plan zijn een omvangrijk opleidingsprogramma ten bedrage van 202 miljoen ECU op te zetten, waarvan 90 % door hen wordt gefinancierd. Dit programmma omvat verschillende opleidingen, die met name worden verstrekt in een samen met de geplande fabriek op te richten opleidingscentrum, dat te zamen met de gemeenschappelijke onderneming wordt beheerd en gefinancierd. De Commissie is evenwel van mening, dat dit programma geen steunmaatregel voor het betrokken project vormt, aangezien de geplande opleidingen niet uitsluitend beogen te voorzien in de behoeften van de gemeenschappelijke onderneming en toegankelijk zijn voor andere werknemers uit de automobielsector. Ook bepaalde door de Portugese autoriteiten voorgenomen investeringen op het gebied van de lokale infrastructuur worden door de Commissie op dezelfde wijze opgevat, aangezien deze infrastructuur toegankelijk is voor elke industriële gebruiker of het gebruik ervan de gemeenschappelijke onderneming in rekening wordt gebracht tegen de op de markt geldende voorwaarden.
15 Matra, die reeds op 26 juni 1991 bij de Commissie een klacht had ingediend tegen het door de Portugese autoriteiten geplande steunprogramma, welke klacht door de Commissie in haar beschikking is afgewezen, is een onafhankelijke automobielfabrikant. Zij ontwierp en ontwikkelde onder de naam "Espace" een polyvalente wagen, die sinds 1986 in een daartoe gebouwde fabriek in Frankrijk wordt geproduceerd. Het aandeel van deze door de Renault-groep op de markt gebrachte wagen in de communautaire markt voor polyvalente wagens - in 1991 ongeveer 95 000 stuks - bedraagt thans ongeveer 50 %.
16 Matra stelt dat de beschikking van de Commissie in strijd is met de bepalingen van artikel 93 EEG-Verdrag. Haars inziens is de beschikking op een onwettige - want met artikel 93, lid 3, strijdige - wijze gegeven. De Commissie had de in artikel 93, lid 2, bedoelde "interlocutoire" procedure moeten aanvangen en had, alvorens een beschikking te geven, belanghebbenden moeten aanmanen hun opmerkingen te maken. De Commissie moet een dergelijke procedure aanvangen wanneer zij eraan twijfelt, of de aangemelde steunmaatregelen wel verenigbaar zijn met de bepalingen van het Verdrag. De lange duur van de onderhandelingen en de aanpassingen in het oorspronkelijke steunprogramma tonen aan dat dit wel degelijk het geval is geweest. De Commissie had ook niet zonder meer mogen aannemen, dat de gemeenschappelijke onderneming en haar project verenigbaar zijn met de in het Verdrag neergelegde mededingingsregels. Zoals de Commissie in haar beschikking opmerkt, valt de door de twee belangrijke automobielfabrikanten gesloten overeenkomst tot oprichting van de gemeenschappelijke onderneming onder het in artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag neergelegde verbod. De beschikking is eveneens in strijd met deze bepaling en met de uitvoeringsregeling hiervan, aangezien de Commissie zich in een beschikking betreffende steunmaatregelen niet wettig kan baseren op haar voornemen om voor die overeenkomst vrijstelling op de grondslag van artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag te verlenen, zonder de daarvoor ingestelde voorafgaande procedure in acht te nemen en zelfs maar in te leiden.
17 Matra betoogt voorts dat de beschikking onwettig is wegens kennelijk onjuiste beoordeling. Het is een verkeerde veronderstelling, dat het gesubsidieerde project niet tot een teveel aan produktiecapaciteit zal leiden. De optimistische raming van de ontwikkeling van de markt voor polyvalente wagens waarop de Commissie zich baseert, wordt door weinig deskundigen gedeeld en de thans door de verschillende Europese constructeurs, waaronder ook de gemeenschappelijke onderneming, voor 1995 aangekondigde produktiecapaciteit bedraagt reeds meer dan 450 000 stuks per jaar, waarbij dan geen rekening is gehouden met de invoer. De aan de gekozen lokalisatie inherente structurele belemmeringen zijn onrealistisch ingeschat, en de toegekende steun, die neerkomt op een subsidie van 4 000 tot 7 000 FF per geproduceerde wagen, staat niet in verhouding tot de extra vervoerkosten in kwestie. Verder heeft de Commissie, in strijd met de voorschriften van artikel 92, lid 3, EEG-Verdrag, in haar berekening een premie ter stimulering van investeringen in achtergebleven gebieden opgenomen. Ten slotte meent de Commissie ten onrechte, dat het zeer omvangrijke opleidingsprogramma en de infrastructuurinvesteringen van de Portugese autoriteiten geen steunmaatregelen voor het project vormen.
18 Opgemerkt zij, dat ingevolge artikel 83, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering opschorting van de tenuitvoerlegging van een beschikking of voorlopige maatregelen slechts kunnen worden gelast ingeval de zaak spoedeisend is, en er tevens middelen, zowel feitelijk als rechtens, zijn aangevoerd op grond waarvan de opschorting of de voorlopige maatregelen aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomen.
19 Volgens vaste rechtspraak moet de spoedeisendheid van een verzoek om opschorting of om voorlopige maatregelen worden beoordeeld tegen de achtergrond van de noodzaak, een voorlopige beslissing te nemen om te voorkomen dat de partij die om de opschorting of de voorlopige maatregelen verzoekt, ernstige en onherstelbare schade lijdt. Het staat aan deze partij, aan te tonen dat zij de beslissing in de procedure in de hoofdzaak niet kan afwachten zonder schade te lijden die voor haar ernstige en onherstelbare gevolgen zal hebben.
20 Dienaangaande stelt Matra, dat de door de Commissie goedgekeurde subsidies tot een ingrijpende verandering van de markt voor polyvalente wagens leiden. De gemeenschappelijke onderneming, die over de twee grootste verkoopnetten van de Gemeenschap beschikt en aanzienlijke steun krijgt, kan deze markt door kunstmatig laag gehouden produktiekosten op korte termijn verzadigen. Matra, die in de automobielsector enkel polyvalente wagens produceert, ondervindt hiervan rechtstreeks schade, hetgeen de aan de gang zijnde ontwikkeling van een nieuwe versie van de "Espace" in gevaar brengt. De schadelijke gevolgen treden onmiddellijk in, aangezien de betrokken steun waarschijnlijk wordt betaald zodra een begin wordt gemaakt met de verwezenlijking van het gesubsidieerde project. Op die manier worden de ontwikkelings- en financieringskosten van de gemeenschappelijke onderneming fors gedrukt. De geldmarkten hebben overigens reeds gereageerd door hun verwachtingen omtrent de toekomstige bedrijfsresultaten van Matra bij te stellen, waardoor de koersen van het aandeel Matra zijn gedaald. Ten slotte is er sprake van onherstelbare schade, daar de Commissie terugvordering van - zij het ten onrechte - goedgekeurde steun heeft uitgesloten.
21 In de eerste plaats moet worden opgemerkt, dat Matra erkent dat de projecten op het gebied van polyvalente wagens, die door de verschillende Europese constructeurs zijn ontwikkeld en die thans worden uitgevoerd, haar marktaandeel onvermijdelijk in toenemende mate zal terugdringen. Matra beseft evenwel ook, dat het gemeenschappelijke project van Ford en Volkswagen ook zonder de bestreden steunmaatregelen doorgang zal vinden, zij het waarschijnlijk op minder grote schaal.
22 In de tweede plaats zij er op gewezen, dat volgens het door de Portugese autoriteiten bij de Commissie aangemelde steunprogramma 5 % van de bestreden steun wordt betaald bij de ondertekening van de overeenkomst, 20 % op 31 januari 1992, 12,5 % op 30 juni 1992, 12,5 % op 28 februari 1993, 25 % op 30 december 1993 en de overige 25 % op 30 december 1994.
23 Verder blijkt uit het dossier, dat de door de gemeenschappelijke onderneming geplande fabriek eind 1994 met de produktie zal beginnen en pas in 1996 haar volledige produktiecapaciteit zal benutten. De gestelde verstoring van de markt zal zich derhalve pas vanaf 1994 kunnen voordoen.
24 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat de betaling van het grootste deel van de steun en de eventuele verstoring van de markt pas na de te verwachten uitkomst van de procedure in de hoofdzaak zullen plaatsvinden. Daarbij komt dat, zoals door de Commissie is opgemerkt, verzoekster niet de wettigheid van een regionale steunmaatregel voor het betrokken project in het algemeen bestrijdt, maar enkel opkomt tegen het deel van de steun dat volgens haar overcompensatie van de aan de gekozen lokalisatie inherente structurele belemmeringen vormt.
25 Derhalve is niet aangetoond, dat verzoekster zonder voorlopige maatregelen ernstige en onherstelbare schade dreigt te lijden, en behoeft dus niet te worden ingegaan op verzoeksters argument inzake de onmogelijkheid om de vóór de beslissing in de procedure in de hoofdzaak uitgekeerde bedragen terug te vorderen.
26 Aangezien niet is voldaan aan de voorwaarde van spoedeisendheid, moet het verzoek in kort geding worden afgewezen.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET HOF
beschikt:
1) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 4 december 1991.
Full & Egal Universal Law Academy