Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Hogere voorziening ° Middelen ° Verkeerde beoordeling van bewijsmiddelen ° Niet-ontvankelijkheid, gelet op motivering voor verwerping van beroep door Gerecht
(Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 119)
Samenvatting
In het kader van een hogere voorziening kan een middel ontleend aan fouten die het Gerecht zou hebben gemaakt bij de beoordeling van de voor het onderzoek van de gegrondheid van het beroep noodzakelijke bewijsmiddelen, niet met succes worden aangevoerd tegen de verwerping van het beroep wegens niet-ontvankelijkheid van bepaalde onderdelen ervan en evenmin tegen de verwerping ten gronde van een ander onderdeel van het beroep, wanneer die verwerping gebaseerd is op de vaststelling, dat het door requirante bestreden besluit het enige wettig mogelijke besluit was. In een dergelijk geval moet artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering worden toegepast.
Partijen
In zaak C-294/91 P,
E. Sebastiani, ambtenaar van het Europees Parlement, woonachtig te Wellen (Bondsrepubliek Duitsland), vertegenwoordigd door P. Greinert, advocaat te Trier, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij het secretariaat-generaal van het Europees Parlement, Kirchberg,
requirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest op 25 september 1991 door het Gerecht van eerste aanleg (Vijfde kamer) gewezen in zaak T-163/89 tussen E. Sebastiani en het Europees Parlement, en strekkende tot nietigverklaring van dat arrest,
andere partij bij de procedure:
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Campinos, juridisch adviseur, en M. Peter, afdelingshoofd, als gemachtigden, bijgestaan door A. Bonn, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg te diens kantore, Côte d' Eich 22,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, R. Joliet, F. A. Schockweiler en F. Grévisse, kamerpresidenten, G. F. Mancini, C. N. Kakouris, J. C. Moitinho de Almeida, G. C. Rodríguez Iglesias, M. Zuleeg, J. L. Murray en D. A. O. Edward, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: J.-G. Giraud
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 21 november 1991, heeft E. Sebastiani krachtens artikel 49 van het Statuut-EEG en de overeenkomstige bepalingen van de Statuten-EGKS en EGA van het Hof van Justitie, hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 25 september 1991 (zaak T-163/89, Sebastiani, Jurispr. 1991, blz. II-715) houdende verwerping van het beroep waarin Sebastiani het Gerecht had verzocht het Europees Parlement ertoe te veroordelen:
1) de schade te vergoeden die zij zou hebben geleden door de weigering haar ad interim in een B 3-post bij de Duitse vertaalafdeling aan te stellen;
2) haar met terugwerkende kracht naar de rang B 3 of naar een hogere rang te bevorderen;
3) de discriminerende en onbillijke aspecten van het personeelsbeleid van die instelling te corrigeren.
2 In het bestreden arrest heeft het Gerecht allereerst vastgesteld, dat het tweede onderdeel van het petitum niet ontvankelijk was, omdat het niet aan de gemeenschapsrechter staat de administratie bevelen te geven.
3 Vervolgens heeft het vastgesteld, dat het derde onderdeel van het petitum niet ontvankelijk was, omdat de ter ondersteuning daarvan aangevoerde grieven de verzoekster niet persoonlijk betroffen, maar het algemene personeelsbeleid van het Parlement, en omdat de gemeenschapsrechter de administratie geen bevelen kan geven.
4 Ten slotte heeft het Gerecht het eerste onderdeel van het petitum afgewezen, omdat geen van de middelen die de verzoekster had aangevoerd tegen de weigering haar ad interim aan te stellen, gegrond was.
5 Met betrekking tot dit eerste onderdeel van het petitum heeft het Gerecht in de eerste plaats het middel ontleend aan schending van het beginsel van gelijke behandeling afgewezen. Het was van oordeel, dat de verzoekster dit middel niet had geschraagd met nauwkeurige concrete feiten op grond waarvan het Gerecht tot de slotsom zou kunnen komen, dat het tot aanstelling bevoegd gezag, door een kennelijke beoordelingsfout of door misbruik van bevoegdheid, inbreuk op dat beginsel had gemaakt, en voorts dat evenmin uit de stukken bleek, dat het tot aanstelling bevoegd gezag zijn bevoegdheid voor een ander doel had gebruikt dan waarvoor zij hem was verleend.
6 In de tweede plaats heeft het Gerecht het middel ontleend aan schending van het vertrouwensbeginsel afgewezen, zulks op grond dat de verzoekster, ofschoon uitdrukkelijk daartoe uitgenodigd, er niet in was geslaagd het schriftelijk bewijs te leveren, dat haar hiërarchieke meerderen haar toezeggingen hadden gedaan met betrekking tot haar administratieve situatie, waardoor bij haar een gewettigd vertrouwen was gewekt.
7 In de derde plaats heeft het Gerecht het middel ontleend aan schending van artikel 45 van het Statuut, waarin de bevorderingscriteria zijn vastgesteld, afgewezen, op grond dat er volgens het organigram tot 1 januari 1990 geen vacature in de rang B 3 bij de betrokken dienst bestond.
8 In de vierde plaats heeft het Gerecht het middel ontleend aan schending van artikel 7, lid 2, van het Statuut betreffende de bezetting van posten ad interim, om dezelfde redenen afgewezen.
9 Het Gerecht heeft vastgesteld, dat onder die omstandigheden het beroep van de verzoekster moest worden verworpen, "zonder dat het noodzakelijk is overlegging van de door verzoekster in haar verzoekschrift verlangde stukken te gelasten" (r.o. 51 van het arrest van het Gerecht).
10 Tot staving van de hogere voorziening betoogt requirante, dat de procedure voor het Gerecht niet regelmatig is verlopen, in de eerste plaats omdat het Gerecht niet alle middelen en bewijsaanbiedingen heeft onderzocht; in de tweede plaats omdat het haar heeft gevraagd bewijzen te leveren die niet geleverd konden worden, en in de derde plaats omdat het bewijsmiddelen heeft onderzocht die niet geschikt zijn om vast te stellen of het Parlement haar heeft gediscrimineerd of haar belangen ernstig heeft veronachtzaamd.
11 Het Parlement betwist primair de ontvankelijkheid van de hogere voorziening door, zakelijk weergegeven, te stellen, dat de beslissing van het Gerecht over de toelaatbaarheid van requirantes bewijsaanbiedingen valt onder zijn soevereine bevoegdheid om de feiten te beoordelen, en dus geen voorwerp kan zijn van een tot rechtsvragen beperkte hogere voorziening. Het Parlement voegt hieraan toe, dat de hogere voorziening hoe dan ook als ongegrond moet worden afgewezen, omdat het Gerecht in het bestreden arrest geen procedurele fouten heeft gemaakt.
12 De door requirante tot staving van de hogere voorziening aangevoerde middelen moeten worden afgewezen.
13 In de eerste plaats kan requirante, ter betwisting van de niet-ontvankelijkverklaring van de tweede en de derde vordering, zich niet met succes beroepen op fouten die het Gerecht zou hebben gemaakt bij de beoordeling van de voor het onderzoek van de gegrondheid van het beroep noodzakelijke bewijsmiddelen.
14 In de tweede plaats kan requirante zich evenmin met succes op deze beweerde fouten beroepen ter betwisting van de afwijzing van haar eerste vordering. Requirante bestrijdt immers niet, dat er tot 1 januari 1990 binnen de Duitse vertaalafdeling geen post van de rang B 3 beschikbaar was. Zoals het Gerecht in het bestreden arrest heeft opgemerkt, kon het tot aanstelling bevoegd gezag requirante niet regelmatig ad interim benoemen of bevorderen naar een post van die rang en moest het de door requirante verlangde maatregel dus wel weigeren. Het Gerecht kon derhalve niet anders dan de vordering tot vergoeding van de daardoor ontstane schade verwerpen.
15 Uit het voorgaande volgt, dat de hogere voorziening van requirante kennelijk ongegrond is en krachtens artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering moet worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
16 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Volgens artikel 70 van dit Reglement blijven in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, te hunnen laste. Ingevolge artikel 122 van dit Reglement is artikel 70 evenwel niet van toepassing voor hogere voorzieningen die door de ambtenaren of andere personeelsleden van de instellingen worden ingesteld. Waar requirante in het ongelijk is gesteld, moet zij derhalve in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Requirante wordt in de kosten verwezen.
Luxemburg, 30 september 1992.
Full & Egal Universal Law Academy