ADVIES 2/91 VAN HET HOF
19 maart 1993
„Verdrag nr. 170 van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende veiligheid bij het gebruik van chemische stoffen bij de arbeid”
Bij het Hof van Justitie is op 21 augustus 1991 ter griffie een verzoek om advies ingediend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 228, lid 1, tweede alinea, EEG-Verdrag. Deze bepaling luidt als volgt:
„De Raad, de Commissie of een Lid-Staat kunnen tevoren het advies inwinnen van het Hof van Justitie over de verenigbaarheid van het beoogde akkoord met de bepalingen van dit Verdrag. Het akkoord, ten opzichte waarvan door het Hof van Justitie een afwijzend advies is uitgebracht, kan slechts in werking treden onder de voorwaarden welke bij artikel 236 zijn gesteld.”
I — Het verzoek om advies
De Commissie verzoekt het Hof om een advies over de verenigbaarheid met het EEG-Verdrag van verdrag nr. 170 van de Internationale Arbeidsorganisatie (hierna: „IAO”) betreffende veiligheid bij het gebruik van chemische stoffen bij de arbeid (hierna: „verdrag nr. 170”). Meer in liet bijzonder wenst de Commissie te vernemen, of de Gemeenschap bevoegd is dit verdrag te sluiten, en welke consequenties een en ander voor de Lid-Staten heeft.
Verdrag nr. 170 is op 25 juni 1990 tijdens de 771 zitting van de Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie aangenomen.
II — Procedure
Overeenkomstig artikel 107, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof is het verzoek om advies aan de Raad en de Lid-Staten betekend. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door de Commissie en de Raad, alsmede door de regering van het Koninkrijk Denemarken, van de Bondsrepubliek Duitsland, van de Helleense Republiek, van het Koninkrijk Spanje, van de Franse Republiek, van Ierland, van het Koninkrijk der Nederlanden en van het Verenigd Koninkrijk.
Bij brief, ingekomen ter griffie van het Hof op 30 april 1992, heeft de Commissie geantwoord op een schriftelijke vraag van het Hof. De Commissie, de Raad, de voormelde regeringen alsmede de Belgische regering zijn gehoord ter openbare terechtzitting van 30 juni 1992.
De advocatengeneraal zijn door het Hof op 23 oktober 1992 in raadkamer gehoord, overeenkomstig artikel 108, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering.
III — De IAO
De IAO, een gespecialiseerde instelling van de Verenigde Naties, is in 1919 opgericht om de arbeidsvoorwaarden te verbeteren en de sociale rechtvaardigheid te bevorderen. Tot deze organisatie kunnen toetreden de staten die lid zijn van de Verenigde Naties, alsmede andere staten, behoudens de in het IAO-Statuut gestelde voorwaarden. De organen van de IAO zijn de Algemene Conferentie van afgevaardigden der leden (hierna: „Conferentie”), de Raad van Beheer en het Internationaal Arbeidsbureau (hierna: „IAB”). De Conferentie, het hoogste orgaan van de IAO, heeft als voornaamste taak het aannemen van voorstellen in de vorm van internationale verdragen of aanbevelingen. Zij heeft een tripartite structuur, dat wil zeggen dat elke aangesloten staat wordt vertegenwoordigd door twee regeringsvertegenwoordigers en één werkgevers- en één werknemersvertegenwoordiger. Iedere vertegenwoordiger heeft het recht hoofdelijk te stemmen over alle aangelegenheden die door de Conferentie worden behandeld (artikel 4, lid 1, van het IAO-Statuut).
De procedure voor de aanneming van verdragen en aanbevelingen verloopt, kort weergegeven, als volgt: wanneer de Raad van Beheer besluit de totstandkoming van normen op een bepaald gebied op de agenda van de Conferentie te plaatsen, stelt het IAB een rapport op aan de hand van de antwoorden van de leden op vragenlijsten die het hun tevoren heeft toegezonden. Dit rapport wordt in eerste lezing besproken tijdens de jaarlijkse Conferentie, waarna het IAB een ontwerp opstelt dat aan de regeringen wordt voorgelegd voor commentaar. Voor de aanneming van een verdrag of aanbeveling is een meerderheid van twee derde van de door de aanwezige afgevaardigden uitgebrachte stemmen vereist (artikel 19, lid 2, van het IAO-Statuut) en uitsluitend de leden mogen een verdrag bekrachtigen (lid 5, sub d, van hetzelfde artikel).
De leden moeten het aangenomen instrument (verdrag of aanbeveling) met het oog op de uitvoering ervan aan de bevoegde nationale autoriteiten voorleggen en de directeurgeneraal van het IAB op de hoogte stellen van de als daartoe bevoegd beschouwde autoriteit of autoriteiten en van de besluiten die deze hebben genomen (artikel 19, leden 5, sub b ene, en 6, sub b ene, van het IAO-Statuut).
Volgens het reglement van orde van de Conferentie en verdrag nr. 144 van de IAO — betreffende tripartite raadplegingsprocedures ter bevordering van de tenuitvoerlegging van internationale arbeidsnormen—, dat op 2 juni 1976 door de Conferentie is aangenomen, dienen de sociale partners te worden geconsulteerd over de antwoorden van de regeringen op de hun toegezonden vragenlijsten (artikel 39, lid 1, van het reglement van orde van artikel 5, lid 1, sub a, van verdrag nr. 144), over het commentaar van de regeringen op door de Conferentie te bespreken ontwerpen (artikel 39, lid 6, van het reglement van orde) alsmede over de voorstellen die aan de bevoegde autoriteiten worden voorgelegd op grond van voormeld artikel 19 (artikel 5, lid 1, sub b, van verdrag nr. 144).
Voorts voorziet het IAO-Statuut in een procedure van toezicht op de wijze waarop de leden uitvoering geven aan de verdragen waartoe zij zijn toegetreden; bij deze procedure zijn eveneens de sociale partners betrokken (artikelen 22-34 van het IAO-Statuut).
Ten slotte moet worden gewezen op het bepaalde in artikel 19, lid 8, van het IAO-Statuut: „In geen geval mag de aanneming van een Verdrag of een Aanbeveling door de Conferentie, of de bekrachtiging van een Verdrag door een Lid, worden beschouwd van invloed te zijn op een wet, uitspraak, gewoonte of overeenkomst die aan de betrokken werknemers gunstiger voorwaarden biedt dan het Verdrag of de Aanbeveling.”
IV — De deelneming van de Gemeenschap aan de totstandkoming van IAO-verdragen
De kwestie van de deelneming van de Gemeenschap — die geen lid is van de IAO, maar de status van waarnemer heeft— aan de onderhandelingen over in het kader van de IAO gesloten verdragen kwam voor het eerst aan de orde in verband met verdrag nr. 153 inzake de arbeidsduur en de rusttijden in het wegvervoer (1977-1979); deze materie was destijds geregeld in verordening (EEG) nr. 543/69 van 25 maart 1969 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PB 1969, L 77, blz. 49). Om de deelneming van de Gemeenschap aan de verschillende onderhandelingen te vergemakkelijken, heeft het IAB een werkdocument opgesteld ten behoeve van de Conferentie. De daarin voorgestelde oplossingen werden door sommige Lid-Staten evenwel niet aanvaard wegens weerstanden bij hun sociale partners, die vreesden hun invloed binnen de Conferentie te zien verminderen.
Dit document, dat door de Raad van Beheer van het IAB op 12 februari 1981 was opgesteld, is aangevuld door een ander document van 31 mei 1989. In deze documenten werd kort gezegd voorgesteld, wat de onderhandelingen betreft, dat de Lid-Staten de Commissie konden machtigen uit hun gezamenlijke naam wijzigingen voor te stellen, en dat de in artikel 19 van het Statuut bedoelde autoriteit de Raad kon zijn, en wat de bekrachtiging betreft, dat deze kon plaatsvinden door middel van een desbetreffende kennisgeving van de Gemeenschap, mits de twaalf Lid-Staten bij een voorafgaande kennisgeving bevestigden dat die kennisgeving gold als bekrachtiging door de Twaalf.
Voorts werd in deze documenten nog ingegaan op de naleving van de verplichtingen van de Lid-Staten die een verdrag hadden bekrachtigd. In dit verband werd gesteld, dat uitsluitend de Lid-Staten aansprakelijk konden zijn in geval van niet-naleving van deze verplichtingen, zelfs indien de schending van de bepalingen van een dergelijk verdrag was terug te voeren op een met meerderheid van stemmen vastgestelde handeling van de Gemeenschap.
Het probleem van de bevoegdheid van de Gemeenschap in IAO-verband deed zich opnieuw voor bij de voorbereiding van verdrag nr. 162 betreffende de veiligheid bij het gebruik van asbest (1983-1986), op welk gebied vier communautaire richtlijnen bestaan. Sommige Lid-Staten waren evenwel van mening, zonder nochtans de communautaire bevoegdheid in twijfel te trekken, dat het IAO-Statuut een optreden van de Gemeenschap in de Conferentie niet toeliet. Daarop besliste de Raad, dat de Gemeenschap en de Lid-Staten zouden uiteenzetten wat op communautair niveau op dit gebied was bereikt, met vermelding van de desbetreffende richtlijnen. Tegen dit besluit van de Raad stelde de Commissie een beroep tot nietigverklaring in wegens schending van artikel 228 EEG-Verdrag. Zij trok haar beroep evenwel in na de goedkeuring door de Raad van een besluit van 22 december 1986, waardoor het vraagstuk van de deelneming van de Gemeenschap aan onderhandelingen in het kader van de IAO haar inziens over het geheel genomen bevredigend werd opgelost.
Dit besluit, dat in overleg met de Commissie is genomen, regelt enkel de gevallen waarin de Gemeenschap bij uitsluiting bevoegd is. Het verlangt een volledige eerbiediging van de tripartite raadplegingsprocedure als bedoeld in verdrag nr. 144, en van de autonomie van de sociale partners. Het preciseert, dat de antwoorden van de Gemeenschap op de IAO-vragenlijst worden vastgesteld dooide Raad op voorstel van de Commissie, en dat in die antwoorden rekening wordt gehouden met het overleg met de sociale partners. Met het oog op de voorbereiding van de eerste lezing van een ontwerpverdrag zendt de Commissie de Raad een mededeling met een aanbeveling voor een besluit waarbij zij wordt gemachtigd te onderhandelen overeenkomstig door de Raad vastgestelde richtsnoeren. Tijdens de Conferentie treedt de Commissie op als woordvoerder van de Gemeenschap en in nauw overleg ter plaatse met de Lid-Staten. De afgevaardigden van de Lid-Staten behouden het recht in de algemene zitting van de Conferentie het woord te voeren.
Toen de Commissie in juli 1988 krachtens voormeld besluit van de Raad van 22 december 1986 de Lid-Staten verzocht de IAO-vragenlijst betreffende verdrag nr. 170 te beantwoorden, hebben verschillende Lid-Staten de uitsluitende bevoegdheid van de Gemeenschap ter zake betwist. De Lid-Staten hebben bijgevolg elk hun eigen antwoorden aan de IAO gezonden en verhinderden daarmee, dat de Gemeenschap de IAO antwoordde. Van mening dat de uitsluitende bevoegdheid van de Gemeenschap buiten kijf stond, zond de Commissie op 12 mei 1989 een mededeling aan de Raad met het verzoek, met de onderhandelingen over verdrag nr. 170 te worden belast.
Op 30 november 1989 stelde de Raad een ander besluit vast, waarbij de Commissie werd gemachtigd in het kader van de onderhandelingen over dit verdrag het standpunt van de Gemeenschap uiteen te zetten, zij het in nauwe samenwerking met de Lid-Staten. Deze bleven bevoegd zich uit te spreken over de aspecten die onder hun nationale bevoegdheid vielen, en voor de regeling van geschillen ter zake was in het besluit een procedure voorzien. De Raad stemde ermee in, zijn besluit van 22 december 1986 te herzien en, indien nodig, in overleg met de Commissie aan te vullen met bepalingen tot regeling van de gevallen van gemengde bevoegdheid van de Gemeenschap en de Lid-Staten, en met bepalingen ter voorkoming van moeilijkheden voortvloeiend uit het Statuut of de institutionele praktijk van de IAO.
Nadat verdrag nr. 170 was aangenomen, heeft de Commissie de Raad er bij een mededeling op gewezen, dat haars inziens de Lid-Staten de directeur van het IAB ervan in kennis moesten stellen, dat de bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 19, lid 5, sub c, van het IAO-Statuut in dit geval de communautaire instellingen waren. Verscheidene nationale delegaties bij de Raad hebben daarop verklaard, de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap tot sluiting van het verdrag niet te aanvaarden.
V — Inhoud van het verdrag
Verdrag nr. 170 beoogt de bescherming van de werknemers tegen de schadelijke gevolgen van het gebruik van chemische stoffen bij de arbeid.
Het verdrag is in zeven delen verdeeld.
In deel I wordt het toepassingsgebied van het verdrag gedefinieerd. Het verdrag geldt voor alle economische sectoren waarin chemische stoffen worden gebruikt (artikel 1, lid 1). De staten die het verdrag hebben bekrachtigd, mogen evenwel bepaalde economische sectoren, ondernemingen of produkten uitsluiten van de toepassing van het verdrag of van sommige bepalingen daarvan, mits aan bepaalde in het verdrag genoemde voorwaarden is voldaan. Voor een dergelijke uitsluiting is voorafgaande raadpleging van de meest representatieve werknemers- en werkgeversorganisaties vereist (artikel 1, lid 2).
Deel II behandelt de algemene beginselen. De artikelen 3 en 4 voorzien in verplichte raadpleging van voormelde organisaties door de leden over de ter uitvoering van het verdrag te nemen maatregelen en over die gericht op de uitwerking, toepassing en periodieke herziening van een coherent veiligheidsbeleid ten aanzien van het gebruik van chemische stoffen op het werk. Volgens artikel 5 „dient de bevoegde autoriteit de bevoegdheid te hebben om, indien dat gerechtvaardigd is om redenen van veiligheid en gezondheid, het gebruik van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen te verbieden of te beperken, of voorafgaande kennisgeving en vergunning te verlangen voor die chemische stoffen worden gebruikt”.
Deel III behandelt de indeling van de chemische stoffen en bevat regels over het vervoer, etiketteren en merken ervan, over het opstellen van informatiebladen die aan de werkgevers dienen te worden geleverd, en over de verantwoordelijkheden van de leveranciers op deze gebieden (artikelen 6-9).
Deel IV definieert de verantwoordelijkheden van de werkgevers ten aanzien van de identificatie van de chemische stoffen (etikettering, merking en gebruik van de informatiebladen over deze stoffen), het overbrengen van chemische stoffen in andere houders of installaties en de blootstelling van werknemers aan gevaarlijke chemische stoffen (artikelen 10-12). De werkgevers dienen met passende maatregelen enerzijds de werknemers te beschermen tegen de risico's verbonden aan het gebruik van gevaarlijke chemische stoffen en anderzijds de risico's in verband met het verwijderen van de niet meer gebruikte stoffen tot een minimum te beperken (artikelen 13 en 14). Tenslotte hebben de werkgevers de verplichting de werknemers te informeren over en op te leiden in het gebruik van chemische stoffen op de arbeidsplaats (artikelen 15 en 16).
In deel V worden de verplichtingen van de werknemers omschreven: zij dienen met de werkgevers samen te werken bij de nakoming van de op de laatste rustende verantwoordelijkheden en alle procedures en werkwijzen met betrekking tot de veiligheid bij het gebruik van chemische stoffen bij de arbeid na te leven. De werknemers dienen eveneens al het redelijke te doen om de risico's voor henzelf en voor anderen weg te nemen of zoveel mogelijk te beperken (artikel 17).
Deel VI betreft de rechten van de werknemers en hun vertegenwoordigers. De werknemers dienen het recht te hebben, zich te verwijderen van gevaar dat voortkomt uit het gebruik van chemische stoffen, wanneer zij een redelijke grond hebben om aan te nemen dat er een ernstig gevaar dreigt voor hun veiligheid of gezondheid; zij moeten dit onverwijld aan hun chef melden. De werknemers moeten worden beschermd tegen de ongerechtvaardigde gevolgen van de uitoefening van een dergelijk recht of van een enig ander in het verdrag voorzien recht. Eveneens dienen zij recht te hebben op informatie over de identiteit van de bij de arbeid gebruikte chemische stoffen, de gevaarlijke eigenschappen van deze stoffen, de te nemen voorzorgsmaatregelen, de opleiding en de scholing, alsmede op de informatie vermeld op de etiketten en merken, de informatiebladen en op alle andere informatie die op grond van het verdrag beschikbaar moeten worden gehouden (artikel 18).
In deel VII is de verantwoordelijkheid van de exporterende landen geregeld. Wanneer het gebruik van een gevaarlijke chemische stof in een uitvoerende Lid-Staat geheel of gedeeltelijk is verboden om redenen van veiligheid en gezondheid bij de arbeid, dient deze staat dit feit alsmede de desbetreffende redenen mede te delen aan elk land waarnaar hij uitvoert (artikel 19).
De artikelen 20 en volgende regelen formele aangelegenheden, onder meer de bekrachtiging, opzegging en wijziging van het verdrag.
VI — Samenvatting van de schriftelijke opmerkingen van de instellingen en de regeringen van de Lid-Staten
A — De ontvankelijkheid
De Duitse regering acht de adviesaanvraag niet-ontvankelijk. Artikel 228, lid 1, tweede alinea, betreft slechts overeenkomsten die de Gemeenschap beoogt te sluiten. Dit geval doet zich hier echter niet voor, daar de Gemeenschap geen lid is van de IAO en volgens artikel 19, lid 5, sub d, van het IAO-Statuut alleen leden van de organisatie verdragen kunnen bekrachtigen. Bovendien verzet de structuur van de IAO, die gebaseerd is op een tripartite systeem, zich tegen de sluiting van verdrag nr. 170 door de Gemeenschap. De geest van het IAO-Statuut en van verdrag nr. 170 vereist een doeltreffende raadpleging van de sociale partners; die raadpleging is immers bedoeld om hen in staat stellen, invloed uit te oefenen op hun nationale regeringen. Deze invloed zou verminderen, indien het standpunt van de sociale partners via de respectieve regeringen ter kennis van de gemeenschapsinstellingen werd gebracht. De Duitse regering wijst ook op een reeks praktische problemen, waaronder het feit dat de antwoordtermijn voor de vragenlijst zeer kort is en de afgevaardigden van de Lid-Staten alleen daarom al geen rekening meer kunnen houden met de suggesties van hun sociale partners. De invloed van de sociale partners zou ten slotte eveneens verzwakken doordat bij de vertegenwoordiger van de Commissie tijdens het overleg ter Conferentie een soortgelijke politieke affiniteit als bij de afgevaardigden van de regeringen van de Lid-Staten, die regelmatig contact hebben met hun sociale partners, ontbreekt.
De Nederlandse regering acht de adviesaanvraag eveneens niet-ontvankelijk, aangezien het bij verdrag nr. 170 niet gaat om een overeenkomst tussen de Gemeenschap en een of meer staten of een internationale organisatie. De Gemeenschap kan geen partij worden bij het verdrag, omdat zij geen lid is van de IAO. Bij een ruime uitlegging van artikel 228 zou het Hof de adviesaanvraag evenwel ontvankelijk kunnen oordelen.
B — Ten gronde
1.
De Commissie en de Griekse regering zijn van mening, dat uitsluitend de Gemeenschap bevoegd is verdrag nr. 170 te sluiten.
De Commissie verwijst hiertoe naar de rechtsoverwegingen 17 en 22 van's Hofs arrest van 31 maart 1971 (zaak 22/70, Commissie/Raad, „AETR”, Jurispr. 1971, blz. 263), waarin het Hof overwoog:
„dat (...) telkens wanneer de Gemeenschap voor de tenuityoerlegging van een in het Verdrag voorzien gemeenschappelijk beleid bepalingen heeft getroffen, waarbij in enigerlei vorm gemeenschappelijke regels worden ingevoerd, de Lid-Staten niet meer gerechtigd zijn (...) met derde landen verplichtingen aan te gaan, welke deze regels aantasten”;
„dat bij een vergelijking dezer bepalingen blijkt dat, naarmate communautaire regels worden vastgesteld om de doelstellingen van het Verdrag te verwezenlijken, de Lid-Staten buiten het kader van de gemeenschappelijke instellingen geen verbintenissen mogen aangaan, welke genoemde regels zouden kunnen aantasten of aan de betekenis hiervan zouden kunnen afdoen”.
Haars inziens bestaat het gevaar, dat de krachtens artikel 118 A EEG-Verdrag vastgestelde gemeenschappelijke regels worden aangetast —in de zin van deze rechtspraak — door de verplichtingen die de Lid-Staten in het kader van IAO-verdragen op zich nemen. Het feit dat de communautaire regels ter zake het karakter van minimumvoorschriften hebben, evenals trouwens de regels in de IAO-verdragen, sluit dit risico niet uit.
In antwoord op een desbetreffende vraag van het Hof heeft de Commissie gesteld, dat de door artikel 118 A gewilde geleidelijke harmonische verbetering van de omstandigheden ten aanzien van het arbeidsmilieu vooralle werknemers van de Gemeenschap, moeilijk te verenigen is met door de Lid-Staten aangegane internationale verplichtingen die waarschijnlijk tot gevolg zullen hebben, dat binnen de Gemeenschap het gemeenschapsrecht en gedeeltelijke akkoorden naast elkaar zullen bestaan, wat de autonomie van de communautaire wetgever kan aantasten.
Het zal niet steeds mogelijk of wenselijk zijn, bepaalde op artikel 118 A gefundeerde bepalingen af te stemmen op de IAO-regelgeving, bij voorbeeld in verband met het vereiste van lid 2 van dit artikel, geen buitensporige verplichtingen op te leggen aan kleine en middelgrote ondernemingen, wat de uitvoering van dergelijke regelgeving evenwel zou kunnen impliceren.
Bovendien kunnen in IAO-verband door de Lid-Staten aangegane verbintenissen moeilijkheden voor hen meebrengen om bepalingen vast te stellen die beter zijn aangepast aan de specifieke sociale en technologische omstandigheden in de Gemeenschap. De Commissie herinnert er hierbij aan, dat IAO-verdragen slechts om de tien jaar opzegbaar zijn.
De Gemeenschap is slechts bij uitsluiting bevoegd tot sluiting van een internationale overeenkomst, wanneer de door een dergelijk verdrag behandelde materie in wezenlijke mate wordt bestreken door communautaire regelgeving. Dit is hier het geval, aangezien de materie van verdrag nr. 170 reeds door verscheidene richdijnen wordt beheerst, die niet alleen op basis van artikel 118 A, maar ook op die van de artikelen 100 en 100 A zijn vastgesteld.
De verplichting in artikel 3 van verdrag nr. 170 om de sociale partners te raadplegen, ziet de Commissie als een procedureregel die de Gemeenschap kan nakomen. Zij wijst erop, dat sinds besluit 74/325/EEG van de Raad van 27 juni 1974 (PB 1974, L185, biz. 15) bij de voorbereiding van communautaire maatregelen op het gebied van verdrag nr. 170 een tripartite samengesteld orgaan, het Raadgevend comité voor de veiligheid, hygiëne en gezondheidsbescherming op de arbeidsplaats, is betrokken. Zij meent, dat de bepalingen van verdrag nr. 170 ten aanzien waarvan geen communautaire regelgeving bestaat, een aanvulling vormen van de arbeidsveiligheid.
Tot slot merkt de Commissie op, dat indien de Gemeenschap moeilijkheden ondervindt om haar exclusieve bevoegdheid binnen de IAO uit te oefenen, de Lid-Staten gezamenlijk in het belang en voor rekening van de Gemeenschap dienen op te treden.
De Griekse regering is eveneens van mening, dat de Gemeenschap een exclusieve bevoegdheid heeft om verdrag nr. 170 te sluiten. Alle bepalingen van dit verdrag betreffen de bescherming van de werknemers, wat ook het doel is van artikel 118 A EEG-Verdrag en met het oog waarop reeds twaalf richtlijnen zijn vastgesteld. Haars inziens dient het Hof evenwel het algemene systeem van sluiting en bekrachtiging van IAO-verdragen te onderzoeken, en in het bijzonder de vraag, of de Gemeenschap deze verdragen namens de Lid-Staten kan voorbereiden, ondertekenen, goedkeuren en bekrachtigen.
De Raad en de Duitse, de Spaanse, de Deense, de Franse, de Ierse, de Nederlandse en de Belgische regering zijn van mening, dat de bevoegdheid tot sluiting van verdrag nr. 170 zowel aan de Gemeenschap als aan de Lid-Staten toekomt.
Voor hun afwijzing van de uitsluitende bevoegdheid van de Gemeenschap ter zake voeren de Duitse, de Spaanse en de Ierse regering aan, dat de door de Commissie geciteerde overwegingen van het AETR-arrest slechts gelden voor het geval de Gemeenschap optreedt in het kader van een gemeenschappelijk beleid. Dit is bij de op basis van artikel 118 A vastgestelde regels niet het geval. Het sociale beleid behoort nog steeds voor het grootste gedeelte tot de bevoegdheid van de Lid-Staten.
Volgens de Spaanse regering kan in casu geen beroep worden gedaan op de krachtens artikelen 100 en 100 A vastgestelde richtlijnen, aangezien deze betrekking hebben op andere doelstellingen en gebieden dan het sociaal beleid.
Naar de mening van de Raad en van de Deense, de Franse, de Nederlandse en de Belgische regering kunnen de op grond van artikel 118 A vastgestelde bepalingen niet worden „aangetast”, in de zin van het AETR-arrest, door een IAO-verdrag dat hetzelfde gebied bestrijkt en waarbij de Lid-Staten partij worden. De communautaire bepalingen bevatten minimumvoorschriften (artikel 118 A, lid 3) evenals de IAO-verdragen (artikel 19, lid 8, van het IAO-Statuut). De gemeenschapsregels worden slechts aangetast, indien de Gemeenschap zou besluiten minder strenge normen in te voeren dan de internationale norm, zonder de Lid-Staten de mogelijkheid te verlenen strengere beschermende maatregelen vast te stellen. Hiervan kan in casu geen sprake zijn, juist vanwege artikel 118 A, lid 3.
De Raad en de Duitse en de Deense regering zijn van mening, dat de Gemeenschap in ieder geval niet bevoegd is om verplichtingen aan te gaan op gebieden waarvoor de procedure van het tripartite overleg als bedoeld in de artikelen 3 en 4 van verdrag nr. 170, moet worden gevolgd. In zoverre zijn de Lid-Staten bij uitsluiting bevoegd.
Volgens de Raad geldt hetzelfde voor de verplichting, een samenhangend beleid inzake veiligheid bij het gebruik van chemische stoffen bij de arbeid tot stand te brengen (artikel 4 van het verdrag), en voor de uitvoering van artikel 5, dat wil zeggen de toekenning van de daarin bedoelde bevoegdheden aan de bevoegde nationale autoriteiten.
De regering van het Verenigd Koninkrijk betoogt, dat de bevoegdheden van de Gemeenschap op het gebied van de sociale politiek verschillen van die van die inzake het vervoerbeleid, dat in de AETR-zaak aan de orde was, en dat het karakter van de op basis van artikel 118 A vastgestelde bepalingen (minimumvoorschriften) een externe bevoegdheid van de Gemeenschap niet kan rechtvaardigen. Een dergelijke bevoegdheid op dit gebied kan slechts op artikel 235 worden gefundeerd.
De Franse regering meent, dat hoe dan ook alleen de Lid-Staten bevoegd zijn toe te treden tot verdrag nr. 170, aangezien zij de belangen van hun overzeese gebieden moeten kunnen verdedigen en de materiële werkingssfeer van dit bedrag buiten de associatieregeling van het EEG-Verdrag valt.
De Deense, de Spaanse, de Franse, de Ierse en de Nederlandse regering wijzen op een aantal moeilijkheden in verband met de organisatie en werking van de IAO, die zich zouden voordoen indien de Gemeenschap bevoegd was een IAO-verdrag te sluiten. Hun standpunt kan als volgt worden samengevat.
De Gemeenschap heeft slechts de status van waarnemer. Zij kan wel deelnemen aan de beraadslagingen, doch heeft geen stemrecht (artikel 12, lid 2, van het IAO-Statuut). Ingevolge artikel 15 van dit statuut kunnen bovendien alleen de Lid-Staten een IAO-verdrag bekrachtigen. De Ierse regering betoogt in dit verband, dat de vraag of de Lid-Staten de Gemeenschap wel kunnen machtigen om namens hen een IAO-verdrag te bekrachtigen, problemen van internationaal publiekrecht doet rijzen, onder meer bijvoorbeeld de vraag, wie verantwoordelijk is wanneer de Lid-Staten hun verplichtingen niet nakomen.
De op het tripartisme gebaseerde werking van de IAO vormt eveneens een hinderpaal voor de uitoefening van de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap. De op dit punt naar voren gebrachte argumenten vallen grotendeels samen met hetgeen de Duitse regering heeft betoogd over de ontvankelijkheid van het verzoek.
Sommige regeringen hebben erop gewezen, dat de procedure die de Raad in zijn besluiten van 22 december 1986 en 30 november 1989 heeft uitgestippeld ten behoeve van de sluiting van IAO-verdragen door de Gemeenschap, wil zij kunnen worden toegepast, de goedkeuring van de IAO nodig heeft; vooralsnog is echter nog geen overeenstemming bereikt.
Stellingname van het Hof
I — De ontvankelijkheid van de adviesaanvraag
1
De Duitse regering betwist de ontvankelijkheid van de adviesaanvraag die de Commissie krachtens artikel 228, lid 1, EEG-Verdrag heeft ingediend, en ook de Nederlandse regering heeft twijfel geuit aan de ontvankelijkheid ervan. Naar hun mening is de procedure van dit artikel enkel bedoeld om te onderzoeken, of een overeenkomst die de Gemeenschap met een of meer staten of een internationale organisatie beoogt te sluiten, verenigbaar is met het EEG-Verdrag. Het onderhavige verzoek heeft daarentegen betrekking op de bevoegdheid van de Gemeenschap om een overeenkomst te sluiten die uitsluitend door de Lid-Staten van de IAO kan worden bekrachtigd en niet door de Gemeenschap, die geen lid van deze internationale organisatie is.
2
Dit betoog kan niet worden aanvaard.
3
Volgens vaste rechtspraak van het Hof (advies 1/75 van 11 november 1975, Jurispr. 1975, blz. 1355; advies 1/76 van 26 april 1977, Jurispr. 1977, blz. 741; uitspraak 1/78 van 14 november 1978 krachtens artikel 103 EGA-Verdrag, Jurispr. 1978, blz. 2151, en advies 1/78 van 4 oktober 1979, Jurispr. 1979, blz. 2871) kunnen in de procedure van artikel 228 evenals in die van artikel 103 EGA-Verdrag alle vragen in verband met de verenigbaarheid van een beoogde overeenkomst met bet Verdrag aan de orde worden gesteld, in het bijzonder de vraag of de Gemeenschap al dan niet bevoegd is een dergelijke overeenkomst te sluiten. Deze uitlegging wordt bevestigd door artikel 107, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering.
4
Hieruit volgt, dat het verzoek om advies geen betrekking heeft op de internationale bekwaamheid van de Gemeenschap om partij te worden bij een onder auspiciën van de IAO opgestelde overeenkomst, maar op de — uitsluitend naar de regels van gemeenschapsrecht te beoordelen — omvang van de bevoegdheden van de Gemeenschap en van de Lid-Staten op het door verdrag nr. 170 bestreken gebied. Het Hof kan derhalve geen oordeel uitspreken over de moeilijkheden die de Gemeenschap bij de uitoefening van haar bevoegdheid eventueel zou ontmoeten als gevolg van bepaalde regels van het IAO-Statuut.
5
In ieder geval moet erop worden gewezen, dat ook al kan de Gemeenschap ingevolge het IAO-Statuut verdrag nr. 170 niet zelf sluiten, zij haar externe bevoegdheid zo nodig zou kunnen uitoefenen door tussenkomst van de Lid-Staten, in de vorm van een gezamenlijk optreden in het belang van de Gemeenschap.
6
Mitsdien moet worden geconcludeerd, dat aan de voorwaarden van artikel 228, lid 1, EEG-Verdrag is voldaan en dat het verzoek om advies derhalve kan worden ontvangen.
II — Ten gronde
7
Alvorens in te gaan op de vraag of verdrag nr. 170 binnen de bevoegdheidssfeer van de Gemeenschap valt en, in voorkomend geval, of haar bevoegdheid ter zake exclusief is, wenst het Hof eraan te herinneren dat, zoals het onder meer in advies 1/76 heeft verklaard (punt 3), de bevoegdheid tot het aangaan van internationale verbintenissen niet enkel kan berusten op een uitdrukkelijke bevoegdheidstoedeling door het Verdrag, maar ook impliciet kan voortvloeien uit de bepalingen ervan. Het Hof is met name tot de slotsom gekomen, dat telkens wanneer het gemeenschapsrecht de instellingen op intern vlak bevoegdheden toekent om een bepaald doel te verwezenlijken, de Gemeenschap bevoegd is de ter verwezenlijking van dat doel noodzakelijke internationale verbintenissen aan te gaan, ook indien een uitdrukkelijke bepaling ter zake ontbreekt. In het arrest van 14 juli 1976 (gevoegde zaken 3/76, 4/76 en 6/76, Kramer, Jurispr. 1976, blz. 1279, r. o. 20) had het Hof reeds opgemerkt, dat deze bevoegdheid impliciet kan voortvloeien uit handelingen die de instellingen van de Gemeenschap in het kader van de bepalingen van het Verdrag of van de Toetredingsakten hebben vastgesteld.
8
Het exclusieve karakter van de bevoegdheid van de Gemeenschap is door het Hof erkend voor artikel 113 van het Verdrag (advies 1/75, reeds aangehaald, en arrest van 15 december 1976, zaak 41/76, Donckerwolcke, Jurispr. 1976, blz. 1921, r. o. 32) en artikel 102 van de Toetredingsakte (arrest van 5 mei 1981, zaak 804/79, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1981, blz. 1045, r. o. 17 en 18). Indien een dergelijke, uit een bepaling van het Verdrag voortvloeiende bevoegdheid bestaat, is blijkens deze rechtspraak een parallelle bevoegdheid van de Lid-Staten en de Gemeenschap zowel in de communautaire als in de internationale rechtsorde uitgesloten (zie advies 1/75, reeds aangehaald).
9
Het al dan niet exclusieve karakter van de bevoegdheid van de Gemeenschap berust niet uitsluitend op de bepalingen van het Verdrag: het kan eveneens afhangen van de omvang van de maatregelen die de gemeenschapsinstellingen ter uitvoering van deze bepalingen hebben getroffen en waardoor de Lid-Staten een bevoegdheid verliezen die zij daarvóór tijdelijk konden uitoefenen. Zoals het Hof overwoog in zijn arrest van 31 maart 1971 („AETR”, reeds aangehaald, r. o. 22), mogen de Lid-Staten, indien communautaire regels zijn vastgesteld om de doelstellingen van het Verdrag te verwezenlijken, buiten de gemeenschapsinstellingen om geen verbintenissen aangaan die die regels zouden kunnen aantasten of aan de betekenis ervan zouden kunnen afdoen.
10
Anders dan de Duitse, de Spaanse en de Ierse regering hebben betoogd, mag deze rechtspraak niet worden beperkt tot het geval dat de Gemeenschap communautaire maatregelen heeft vastgesteld in het kader van een gemeenschappelijk beleid. Op grond van artikel 5 van het Verdrag zijn de Lid-Staten immers voor alle met de doelstellingen van het Verdrag samenhangende gebieden verplicht, de vervulling van de taak van de Gemeenschap te vergemakkelijken en zich te onthouden van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag in gevaar kunnen brengen.
11
De taak van de Gemeenschap en de doelstellingen van het Verdrag zouden immers eveneens in het gedrang komen wanneer de Lid-Staten internationale overeenkomsten konden sluiten die bepalingen bevatten welke de bestaande regels op niet onder een gemeenschappelijk beleid vallende gebieden zouden kunnen aantasten of aan de betekenis ervan zouden kunnen afdoen.
12
Ten slotte kan een overeenkomst betrekking hebben op een materie ten aanzien waarvan de bevoegdheden tussen de Gemeenschap en de Lid-Staten zijn verdeeld. In een dergelijk geval vereist het onderhandelen over en het uitvoeren van de overeenkomst een gezamenlijk optreden van de Gemeenschap en de Lid-Staten (arrest Kramer, reeds aangehaald, r. o. 39-45, en advies 1/78, reeds aangehaald, punt 60).
III
13
Met inachtneming van het voorgaande dient thans te worden onderzocht, of verdrag nr. 170 binnen de bevoegdheidssfeer van de Gemeenschap valt en, in voorkomend geval, of haar bevoegdheid ter zake exclusief is.
14
Verdrag nr. 170 heeft betrekking op de veiligheid bij het gebruik van chemische stoffen bij de arbeid. Blijkens de preambule is het voornaamste doel van het verdrag, ziekten of ongevallen bij de arbeid ten gevolge van chemische stoffen te voorkomen of te verminderen, door al deze stoffen op hun risico's te toetsen, de werkgevers en de werknemers de ter bescherming noodzakelijke informatie te verschaffen en door uitgangspunten vast te stellen voor beschermingsprogramma's.
15
De materie die door verdrag nr. 170 wordt bestreken, valt onder de „sociale bepalingen” van het Verdrag, die zijn opgenomen in hoofdstuk 1 van titel III betreffende de sociale politiek.
16
Volgens artikel 118 A van het Verdrag beijveren de Lid-Staten zich om de verbetering van met name het arbeidsmilieu te bevorderen teneinde de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te beschermen, en stellen zij zich de harmonisatie bij de verbetering van de op dit gebied bestaande omstandigheden ten doel. Teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van deze harmonisatie, is de Raad bevoegd door middel van richtlijnen minimumvoorschriften vast te stellen. Volgens het derde lid van dit artikel beletten de krachtens dit artikel vastgestelde bepalingen echter niet, dat een Lid-Staat maatregelen voor een hogere graad van bescherming van de arbeidsomstandigheden handhaaft en treft, die met het Verdrag verenigbaar zijn.
17
De Gemeenschap beschikt dus op sociaal gebied over een interne regelgevende bevoegdheid. Bijgevolg valt verdrag nr. 170, waarvan het onderwerp overigens samenvalt met dat van verschillende krachtens artikel 118 A vastgestelde richtlijnen, binnen de bevoegdheidssfeer van de Gemeenschap.
18
Wat de vraag betreft, of deze bevoegdheid exclusief is, moet worden opgemerkt, dat de bepalingen van verdrag nr. 170 geen invloed hebben op de regels die krachtens artikel 118 A zijn vastgesteld. Zou immers de Gemeenschap besluiten minder strenge normen vast te stellen dan die waarin een IAO-verdrag voorziet, dan kunnen de Lid-Staten overeenkomstig artikel 118 A, lid 3, maatregelen voor een hogere graad van bescherming van de arbeidsomstandigheden treffen, dan wel met dit doel de bepalingen van het IAO-Verdrag toepassen. Besluit de Gemeenschap daarentegen tot strengere normen dan die voorzien in een IAO-Verdrag, dan is er niets wat de Lid-Staten verhindert volledig toepassing te geven aan het gemeenschapsrecht. Artikel 19, lid 8, van het IAO-Statuut laat immers toe, dat de leden strengere maatregelen vaststellen dan die waarin de door deze organisatie aanvaarde verdragen en aanbevelingen voorzien.
19
De Commissie heeft evenwel opgemerkt, dat soms moeilijk is uit te maken, of een bepaalde maatregel gunstiger voor de werknemers is dan een andere. Zo zouden bij de Lid-Staten, vanuit het streven niet in strijd te komen met de bepalingen van een IAO-verdrag, weerstanden kunnen bestaan tegen de vaststelling van bepalingen die beter aansluiten bij de specifieke sociale en technologische omstandigheden binnen de Gemeenschap. De Commissie is derhalve van mening, dat wegens het gevaar dat de ontwikkeling van het gemeenschapsrecht door deze houding wordt belemmerd, de Gemeenschap de exclusieve bevoegdheid tot sluiting van verdrag nr. 170 behoort te hebben.
20
Dit argument kan niet worden aanvaard. Eventuele moeilijkheden voor de uitoefening van de wetgevende functie van de Gemeenschap, als die welke de Commissie noemt, zijn geen grond om de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap aan te nemen.
21
Om dezelfde redenen kan een exclusieve bevoegdheid evenmin worden gebaseerd op de krachtens artikel 100 van het Verdrag vastgestelde gemeenschapsregelingen, waaronder met name richtlijn 80/1107/EEG van de Raad van 27 november 1980 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan chemische, fysische en biologische agentia op het werk (PB 1980, L 327, biz. 8), en de op grond van artikel 8 hiervan vastgestelde bijzondere richtlijnen, die alle minimumvoorschriften bevatten.
IV
22
Sommige van de richtlijnen op de in deel III van verdrag nr. 170 geregelde gebieden behelzen daarentegen regels die niet het karakter van minimumvoorschriften hebben. Dit is het geval bij de krachtens artikel 100 vastgestelde richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PB 1967, L 196, biz. 1), gewijzigd bij, onder meer, richtlijn 79/831/EEG van de Raad van 18 september 1979 (PB 1979, L 259, biz. 10), en bij richtlijn 88/379/EEG van de Raad van 7 juni 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PB 1988, L 187, biz. 14), die is gebaseerd op artikel 100 A.
23
Deze richtlijnen bevatten bepalingen die de werknemers in sommige opzichten een ruimere bescherming in hun arbeidsomstandigheden bieden dan de bepalingen van deel III van verdrag nr. 170. Dit is met name het geval met de zeer gedetailleerde etiketteringsvoorschriften van artikel 7 van richtlijn 88/379.
24
Dit neemt niet weg, dat het toepassingsgebied van verdrag nr. 170 ruimer is dan dat van de voormelde richtlijnen. Zo gaat het verdrag uit van een ruimer begrip chemische stoffen (artikel 2, sub a) en bevatten de artikelen 6, lid 3, en 7, lid 3, een regeling inzake het vervoer van chemische stoffen, waarover in de richtlijnen niets is te vinden.
25
Ofschoon er tussen deze bepalingen van het verdrag en die van voormelde richtlijnen geen tegenstrijdigheid bestaat, moet niettemin worden vastgesteld, dat deel III van verdrag nr. 170 betrekking heeft op een gebied dat goeddeels reeds wordt bestreken door communautaire regelgeving, die sedert 1967 geleidelijk tot stand is gebracht in het vooruitzicht van een nog vollediger harmonisatie met het doel, enerzijds belemmeringen voor het handelsverkeer uit de weg te ruimen die het gevolg zijn van dispariteiten tussen de wetgevingen van de Lid-Staten, en anderzijds zowel de bevolking als het milieu te beschermen.
26
Gezien deze omstandigheden is het Hof van oordeel, dat de verplichtingen die voortvloeien uit deel III van verdrag nr. 170 op het door de in punt 22 vermelde richtlijnen bestreken gebied, een aantasting betekenen van de in deze richtlijnen neergelegde gemeenschapsregels en dat de Lid-Staten dergelijke verplichtingen derhalve niet buiten het kader van de gemeenschappelijke instellingen op zich mogen nemen.
V
27
Deel II van verdrag nr. 170 (artikelen 3 tot en met 5) bevat algemene beginselen voor de uitvoering van het verdrag.
28
Nu vaststaat, dat de materiële bepalingen van verdrag nr. 170 binnen de bevoegdheidssfeer van de Gemeenschap vallen, is de Gemeenschap eveneens bevoegd verplichtingen aan te gaan die op de uitvoering van deze bepalingen betrekking hebben.
29
Artikel 3 voorziet in verplichte raadpleging van de meest representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties over de ter uitvoering van de bepalingen van het verdrag te nemen maatregelen. Artikel 4 bepaalt, dat rekening houdend met de nationale omstandigheden en praktijk en in overleg met genoemde organisaties, elk lid een samenhangend beleid inzake veiligheid bij het gebruik van chemische stoffen bij de arbeid dient te formuleren, tot uitvoering te brengen, en op geregelde tijden te herzien.
30
Het is juist, dat bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht de sociale politiek, en in het bijzonder het overleg tussen de sociale partners, een aangelegenheid is die in overwegende mate tot de bevoegdheid van de Lid-Staten behoort.
31
Deze materie is echter niet geheel aan de bevoegdheid van de Gemeenschap onttrokken. In dit verband moet met name worden gewezen op artikel 118 B van het Verdrag, volgens hetwelk de Commissie zich beijvert de dialoog tussen de sociale partners op Europees niveau verder te ontwikkelen.
32
De vraag of het aangaan van internationale verplichtingen op het vlak van de raadpleging van de representatieve werkgevers- en werknemersorganisatie, tot de bevoegdheid van de Lid-Staten dan wel tot die van de Gemeenschap behoort, kan derhalve niet los worden gezien van het voorwerp van de raadpleging.
33
Artikel 5 van verdrag nr. 170 bepaalt, dat de bevoegde autoriteit de bevoegdheid dient te hebben om, indien dat gerechtvaardigd is om redenen van veiligheid en gezondheid, het gebruik van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen te verbieden of te beperken, of voorafgaande kennisgeving en vergunning te verlangen voor het gebruik van die chemische stoffen.
34
Hierbij dient te worden opgemerkt, dat ook indien de in dit artikel bedoelde bevoegde autoriteit een instantie van een van de Lid-Staten zou zijn, de Gemeenschap de verplichting van dit artikel op extern vlak kan aanvaarden. Want evengoed als de Gemeenschap intern op een door communautaire regelgeving bestreken gebied kan voorschrijven dat nationale autoriteiten over bepaalde controlebevoegdheden beschikken [zie met name artikel 4 van richtlijn 80/1107/EEG van de Raad van 27 november 1980 betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan chemische, fysische en biologische agentia op het werk (PB 1980, L 327, blz. 8), geciteerd door de Raad], kan zij extern verplichtingen aangaan die de naleving van tot haar bevoegdheid behorende materiële bepalingen beogen te garanderen en die de toekenning van bepaalde controlebevoegdheden aan de nationale autoriteiten meebrengen.
VI
35
Zoals, ten slotte, de Franse regering heeft opgemerkt, valt de materiële werkingssfeer van het verdrag buiten het gebied dat wordt bestreken door de associatieregeling voor de landen en gebieden overzee. De Lid-Staten die de internationale belangen van deze gebieden behartigen en hen uit dien hoofde vertegenwoordigen, zijn derhalve, zoals het Hof heeft uiteengezet in advies 1/78 (reeds aangehaald, punten 61 en 62), bevoegd tot verdrag nr. 170 toe te treden.
VII
36
In uitspraak 1/78 van 14 november 1978 (Jurispr. 1978, blz. 2151, punten 34-36) heeft het Hof beklemtoond, dat wanneer het onderwerp van een akkoord of verdrag deels tot de bevoegdheid van de Gemeenschap en deels tot die van de Lid-Staten blijkt te behoren, een nauwe samenwerking tussen de Lid-Staten en de gemeenschapsinstellingen vereist is, zowel in de fase van onderhandeling en sluiting als bij de uitvoering van de aangegane verbintenissen. Deze verplichting tot samenwerking, waarop in het kader van het EGA-Verdrag is gewezen, geldt eveneens in het kader van het EEG-Verdrag, daar zij voortvloeit uit het vereiste van eenheid in de internationale vertegenwoordiging van de Gemeenschap.
37
In het onderhavige geval is de samenwerking tussen de Gemeenschap en de Lid-Staten te meer noodzakelijk, omdat de Gemeenschap bij de huidige stand van het internationale recht niet zelf partij kan worden bij een verdrag van de IAO, maar daartoe is aangewezen op de bemiddeling van de Lid-Staten.
38
De gemeenschapsinstellingen en de Lid-Staten dienen derhalve al het nodige te doen om die samenwerking zo goed mogelijk te verzekeren, zowel in de fase van de voorlegging aan de bevoegde autoriteit en de bekrachtiging van verdrag nr. 170, als bij de uitvoering van de uit dit verdrag voortvloeiende verbintenissen.
VIII
39
Uit het voorgaande volgt, dat de bevoegdheid tot sluiting van verdrag nr. 170 van de IAO bij de Lid-Staten en de Gemeenschap te zamen berust.
HET HOF VAN JUSTITIEbrengt het volgende advies uit: De bevoegdheid tot sluiting van verdrag nr. 170 van de IAO berust bij de Lid-Staten en de Gemeenschap te zamen.
Due
president
Kakouris
kamerpresident
Rodríguez Iglesias
kamerpresident
Zuleeg
kamerpresident
Murray
kamerpresident
Mancini
rechter
Joliet
rechte
Schockweiler
rechter
Moitinho de Almeida
rechter
Grévisse
rechter
Diez de Velasco
rechter
Kapteyn
rechter
Edward
rechter
Luxemburg, 19 maart 1993.
De griffier
J.-G. Giraud
Full & Egal Universal Law Academy