Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Ambtenaren - Beroep - Bezwarend besluit - Begrip - Weigering om bepaalde modaliteiten voor berekening van pensioenrechten, zoals aanpassingscoëfficiënt, vooraf vast te stellen - Daarvan uitgesloten
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
Samenvatting
Onder het begrip bezwarend besluit vallen zowel besluiten als het verzuim om maatregelen te nemen waartoe de administratie op grond van het Statuut verplicht is. Het uitblijven van een besluit kan voor de betrokkene derhalve bezwarend zijn, indien de instelling waartoe hij behoort, heeft nagelaten een besluit te nemen dat ofwel uitdrukkelijk in een specifieke statutaire bepaling is voorzien, ofwel impliciet door het Statuut is voorgeschreven ten einde de rechten van ambtenaren te waarborgen.
De stilzwijgende afwijzing van het verzoek van een ambtenaar aan de instelling waartoe hij behoort, om bepaalde modaliteiten voor de vaststelling van zijn pensioenrechten vooraf, dat wil zeggen vóór zijn pensionering, vast te stellen, vormt geen bezwarend besluit dat als zodanig vatbaar is voor beroep. Geen bepaling van het Statuut legt de administratie immers uitdrukkelijk een dergelijke verplichting op. Uit de artikelen 10 en 40 van bijlage VIII bij het Statuut vloeit integendeel voort, dat de instelling eerst bij de beëindiging van de dienst tot betaling van de pensioenrechten van een ambtenaar kan overgaan, aangezien de grondslagen voor de berekening daarvoor in beginsel onbepaald en aan veranderingen onderhevig zijn.
Slechts bij wijze van uitzondering, indien een element van die berekening op een gegeven moment definitief vaststaat, is de administratie gehouden een besluit te nemen dat pas naderhand moet worden uitgevoerd, maar dat de rechtspositie van de betrokkene rechtstreeks en onmiddellijk kan aantasten en dat daardoor ten aanzien van hem een bezwarend besluit vormt. In dit geval heeft de betrokken ambtenaar een rechtmatig, reeds bestaand en actueel belang om een onzeker element van zijn positie vooraf te doen vaststellen.
Daarentegen heeft een ambtenaar die nog in dienst is, geen bestaand en actueel belang bij een besluit over de aanpassingscoëfficiënt die op zijn toekomstig ouderdomspensioen van toepassing zal zijn. De vaststelling van deze coëfficiënt, die immers enerzijds wordt bepaald door de woonplaats die de betrokkene na de beëindiging van zijn dienst kiest, en anderzijds door de op het moment van vaststelling van de pensioenrechten geldende regeling, is niet vatbaar voor een besluit vooraf dat de rechtspositie van de betrokkene rechtstreeks en onmiddellijk aantast.
Partijen
In zaak T-6/91,
F. Pfloeschner, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Brussel, vertegenwoordigd door G. Vandersanden, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Schmitt, advocaat aldaar, Avenue Guillaume 62,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. Griesmar als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende, in het huidige stadium van de procedure, de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 30 oktober 1990, waarbij verzoekers klacht strekkende tot vaststelling van het bedrag van zijn pensioenrechten zonder voorwerp wordt verklaard, alsook van het gestelde stilzwijgende besluit van de Commissie om de op verzoekers pensioen toepasselijke aanpassingscoëfficiënt op 100 te handhaven indien verzoeker na zijn pensionering in Zwitserland mocht gaan wonen,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: B. Vesterdorf, kamerpresident, A. Saggio en C. Yeraris, rechters,
griffier: B. Pastor
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 16 oktober 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten en het procesverloop
1 Verzoeker, F. Pfloeschner, geboren in 1928 en van Zwitserse nationaliteit, is in 1958, in afwijking van de nationaliteitsclausule, met toepassing van artikel 28, sub a, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "het Statuut") als ambtenaar van de Commissie aangesteld.
2 Op 18 juli 1988 werd de aanpassingscoëfficiënt van 145,4 die tot dat moment van toepassing was geweest op in Zwitserland uitgekeerde pensioenen, verlaagd bij verordening (EGKS, EEG, Euratom) nr. 2175/88 van de Raad tot vaststelling van de aanpassingscoëfficiënten die van toepassing zijn in derde landen. Artikel 3 van deze verordening bepaalt dat "de aanpassingscoëfficiënt die van toepassing is op het pensioen van een pensioengerechtigde die zijn woonplaats kiest in een derde land, gelijk [is] aan 100" (PB 1988, L 191, blz. 1; hierna: "verordening nr. 2175/88").
3 Na de inwerkingtreding van de nieuwe regeling stuurde de Commissie verzoeker op diens verzoek, in een nota van 16 januari 1989, een voorlopige berekening van zijn pensioenrechten. Op 18 september 1989 stelde verzoeker beroep in strekkende tot nietigverklaring van "het besluit van de Commissie van 16 januari 1989 houdende berekening van verzoekers pensioen, voor zover de op verzoekers pensioen toepasselijke aanpassingscoëfficiënt op 100 wordt bepaald indien hij na zijn pensioen in Zwitserland gaat wonen". Het Gerecht verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk, in hoofdzaak met de overweging dat uit onderzoek van de bestreden berekening was gebleken dat zij bij wijze van informatie was verstrekt en derhalve geen bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut vormde (arrest van 3 april 1990, zaak T-135/89, Pfloeschner, Jurispr. 1990, blz. II-153).
4 Op 3 mei 1990 diende verzoeker een verzoek in strekkende tot "verkrijging van een besluit op grond van artikel 90, lid 1, van het Statuut betreffende de vaststelling van [zijn] pensioenrechten met een uitsplitsing daarvan, op de leeftijd waarop hij het maximumpensioen zou ontvangen"; daarbij moest rekening worden gehouden, zo preciseerde hij, met het feit dat hij in Zwitserland zou gaan wonen, het land waarvan hij de nationaliteit bezit en waar hij is aangeworven.
5 Toen een antwoord van de Commissie binnen de gestelde termijn van vier maanden uitbleef, diende verzoeker op 25 september 1990 een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut in tegen het stilzwijgende besluit tot afwijzing van zijn verzoek.
6 Bij brief van de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer antwoordde de Commissie op 30 oktober 1990 op deze klacht, dat de voorlopige berekening van zijn pensioenrechten verzoeker zo snel mogelijk zou worden medegedeeld. Zij gaf daarbij evenwel te kennen, dat "deze berekening zuiver informatief zou zijn en geen besluit zou vormen, behalve indien zij zou worden opgesteld naar aanleiding van een verzoek van betrokkene om op een bepaalde datum te worden gepensioneerd". De Commissie besloot met de opmerking, dat de klacht zonder voorwerp was geraakt.
In een brief van 16 november 1990 aan Hay, directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer, bestreed verzoeker dat zijn klacht zonder voorwerp was geraakt. Hij verklaarde nog steeds geen antwoord te hebben ontvangen op zijn reeds genoemde verzoek van 3 mei 1990, waarin hij de Commissie had gevraagd jegens hem een besluit te nemen in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut.
De voorlopige berekening van het pensioen dat hem per 1 januari 1991 zou worden uitgekeerd, werd verzoeker op 18 december 1990 meegedeeld. Zij was opgesteld op basis van een aanpassingscoëfficiënt van 100 voor in Zwitserland uitgekeerde pensioenen.
7 Daarop heeft verzoeker bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 29 januari 1991, beroep ingesteld tot nietigverklaring van het "besluit van Hay van 30 oktober 1990 houdende afwijzing van zijn klacht strekkende tot vaststelling van het bedrag van zijn pensioen op de leeftijd waarop hem het maximumpensioen zal worden toegekend" en, bijgevolg, tot nietigverklaring van het "stilzwijgende besluit de aanpassingscoëfficiënt die van toepassing is op verzoekers pensioen indien hij na zijn pensionering in Zwitserland gaat wonen, op 100 te handhaven".
8 De Commissie heeft een exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep in al zijn onderdelen opgeworpen, zonder opmerkingen ten gronde in te dienen. Verzoeker heeft geconcludeerd tot verwerping van de door de Commissie opgeworpen exceptie. Het Gerecht heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, overeenkomstig artikel 114, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht besloten, zonder instructie tot de mondelinge behandeling van de exceptie van niet-ontvankelijkheid over te gaan. De mondelinge behandeling van deze exceptie heeft op 16 oktober 1991 plaatsgevonden en de president heeft de behandeling aan het einde van de terechtzitting gesloten verklaard.
Conclusies van partijen
9 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
- kosten rechtens.
Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
- de door verweerster opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen althans met de zaak ten gronde te voegen;
- bijgevolg, heropening van de behandeling van de zaak ten gronde te gelasten;
- verweerster in de kosten te veroordelen.
Argumenten van partijen en beoordeling in rechte
Argumenten van partijen
10 De Commissie werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid tegen het beroep op voor zover dit strekt tot nietigverklaring van het beweerde stilzwijgende besluit, de aanpassingscoëfficiënt die op verzoekers pensioen van toepassing zal zijn indien hij zich na zijn pensionering in Zwitserland vestigt, op 100 te handhaven, alsook van de brief van 30 september 1990 houdende afwijzing van zijn klacht.
11 Tot staving van de exceptie van niet-ontvankelijkheid die zij ten aanzien van eerstbedoelde vordering heeft opgeworpen, voert de Commissie aan, dat haar stilzwijgende afwijzing van het door verzoeker op 3 mei 1990 ingediende verzoek geen bezwarend besluit vormt.
12 De Commissie herinnert in de eerste plaats aan het rechtskader van het onderhavige geding. Zij merkt op, dat een ambtenaar die nog in actieve dienst is, geen aanspraak kan maken op een besluit waarbij zijn pensioenrechten vooruit worden vastgesteld. De rechten op pensioen ontstaan immers pas op het moment waarop de betrokkene zijn actieve dienst beëindigt, en kunnen pas op die dag worden vastgesteld. Dit blijkt uit artikel 40 van bijlage VIII bij het Statuut, waarin wordt bepaald dat gelijktijdig met het besluit waarbij een ouderdomspensioen wordt toegekend, een gespecificeerde berekening van dat pensioen wordt overgelegd, alsmede uit artikel 10 van deze bijlage, volgens hetwelk het ouderdomspensioen ingaat op de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand waarin dit pensioen aan de ambtenaar ambtshalve of op zijn verzoek is toegekend.
A fortiori, aldus de Commissie, kan een ambtenaar die nog in actieve dienst is niet eisen dat er een afzonderlijk besluit wordt genomen over een verrichting, in casu de vaststelling van de aanpassingscoëfficiënt, die een onlosmakelijk deel vormt van de verrichtingen waarbij het pensioen wordt berekend.
13 Gezien deze statutaire bepalingen wijst de Commissie de door verzoeker voorgestane uitlegging van de hand, volgens welke het uitblijven van een antwoord op zijn verzoek van 3 mei 1990 een anticiperend besluit vormde om de op zijn toekomstig pensioen toepasselijke aanpassingscoëfficiënt op 100 te handhaven indien dit pensioen in Zwitserland zou worden uitgekeerd. Volgens de Commissie kan dit uitblijven van een antwoord uitsluitend betekenen, dat zolang verzoeker niet is gepensioneerd, geen enkel besluit kan worden genomen over de vaststelling van de aanpassingscoëfficiënt die van toepassing zal zijn op de berekening van zijn pensioenrechten.
14 De Commissie beklemtoont dat, aangezien zij niet heeft nagelaten een bij het Statuut verplichte maatregel te nemen, haar stilzwijgende weigering een besluit te nemen waarbij verzoekers pensioen vooruit wordt vastgesteld, geen bezwarend besluit vormt waartegen als zodanig een klacht kan worden ingediend en beroep kan worden ingesteld (beschikking van het Gerecht van 14 december 1989, zaak T-119/89, Teissonnière, Jurispr. 1990, blz. II-7, r.o. 17). Zij betoogt, dat verzoeker geen enkele bijzondere omstandigheid heeft aangevoerd op grond waarvan, in afwijking van de regels, de nog niet ontstane pensioenrechten vooruit zouden moeten worden berekend en, meer in het bijzonder, een besluit zou moeten worden genomen waarbij de op verzoekers toekomstige rechten toe te passen aanpassingscoëfficiënt vooruit wordt vastgesteld.
15 Tot staving van de exceptie van niet-ontvankelijkheid die zij opgewerpt tegen het verzoek om nietigverklaring van de brief van Hay van 30 september 1990, brengt de Commissie naar voren, dat door deze brief aan verzoeker te kennen is gegeven dat aan zijn verzoek om vaststelling van zijn pensioenrechten op korte termijn gevolg zou worden gegeven, met dien verstande dat de berekening die zou worden overgelegd, slechts van zuiver informatieve waarde zou zijn zolang verzoeker niet was gepensioneerd. Volgens de Commissie zou het in ieder geval "zinloos en zonder enig belang" zijn te onderzoeken, of deze brief een besluit tot afwijzing van de klacht van 25 september 1990 vormt, aangezien deze klacht, zo preciseert zij, tegen een niet bestaand besluit was gericht. Volgens verweerster was de klacht immers gericht tegen het gestelde stilzwijgende besluit de aanpassingscoëfficiënt die op verzoekers pensioen van toepassing zou zijn indien hij zich na zijn pensionering in Zwitserland zou vestigen, op 100 te handhaven, en niet tegen het stilzwijgende besluit zijn pensioen niet vooruit vast te stellen, het enige besluit dat uit het uitblijven van een antwoord op het verzoek van 3 mei 1990 kan voortvloeien en bijgevolg tot de indiening van een klacht en de instelling van beroep kan leiden. Bovendien, aldus de Commissie, leidt de niet-ontvankelijkheid van de conclusies strekkende tot nietigverklaring van eerdergenoemd stilzwijgend besluit tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek om nietigverklaring van de brief van 30 oktober 1990.
16 Verzoeker stelt, dat het beroep ontvankelijk is. Hij merkt in de eerste plaats op, dat hij de Commissie op 3 mei 1990 krachtens artikel 90, lid 1, van het Statuut uitdrukkelijk en formeel heeft verzocht, een besluit te nemen over de hoogte van de aanpassingscoëfficiënt die na de inwerkingtreding van verordening nr. 2175/88 van de Raad op zijn pensioen van toepassing zou zijn, waarbij rekening moest worden gehouden met zijn voornemen zich na zijn pensionering in Zwitserland te vestigen, het land waarvan hij de nationaliteit bezit en waar hij is aangeworven.
17 Verzoeker merkt op, dat de weigering van de Commissie - eerst stilzwijgend door het uitblijven van een antwoord op zijn verzoek om een besluit op grond van artikel 90, lid 1, van het Statuut, en vervolgens uitdrukkelijk door de berekening van zijn pensioenrechten die hem op 18 december 1990 werd toegestuurd - de aanpassingscoëfficiënt op de berekening van zijn pensioenrechten toe te passen, een duidelijk en onvoorwaardelijk besluit van het bevoegde gezag vormt, waarbij nu al de hoogte van zijn pensioen is vastgesteld en waaruit blijkt dat op zijn pensioen een aanpassingscoëfficiënt van hoogstens 100 zal worden toegepast. Daarbij is het van weinig belang, dat dit recht eerst effect zal sorteren op de dag waarop hij daadwerkelijk met pensioen zal gaan, aangezien er reeds nu zekerheid over bestaat. Deze zekerheid is des te groter nu verzoeker de pensioengerechtigde leeftijd nadert en het zeer waarschijnlijk is dat de in dit incidentele geval bestreden regeling in de tussentijd niet zal worden gewijzigd. Bovendien, zo vervolgt verzoeker, heeft de vaststelling van de datum van zijn pensionering geen enkele invloed op de hoogte van zijn pensioenrechten, die op het maximumbedrag zijn berekend. Ten slotte brengt verzoeker naar voren, dat de vorm waarin het bestreden besluit hem is overgelegd, niet wegneemt dat het een bezwarend besluit betreft.
18 Tot staving van zijn stelling betoogt verzoeker, dat het niet logisch is van een ambtenaar, om wat voor reden ook, te verlangen dat hij de datum van zijn pensionering of van zijn vertrek vaststelt voordat hij kennis heeft kunnen nemen van zijn administratieve en financiële positie op die datum. Met een beroep op het arrest van het Hof van 1 februari 1979 (zaak 17/78, Deshormes, Jurispr. 1979, blz. 189) voert hij aan, dat hij een "rechtmatig, reeds bestaand en actueel, en voldoende gekarakteriseerd belang heeft, een onzeker element van [zijn] rechtspositie reeds nu in rechte te doen vaststellen". Hij voegt hieraan toe, dat hij reeds voldoet aan de voorwaarden om zijn pensionering te kunnen aanvragen, en dat "de datum waarop hij met pensioen zou willen gaan, voornamelijk afhangt van de vraag, wanneer hij in kennis zal worden gesteld van de berekening van het pensioen dat hem zal worden toegekend".
19 Verzoeker beklemtoont dat hij des te meer belang heeft bij de vaststelling van zijn rechtspositie, nu het omstreden besluit zijn oorspronkelijke positie wijzigt. Hij verklaart, dat in een eerdere berekening van zijn pensioen, uitgevoerd in 1988, vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 2175/88, waarbij de toepassing van een coëfficiënt op pensioenen die in een derde land werden uitgekeerd, werd afgeschaft, een aanpassingscoëfficiënt van 145,4 was toegepast op het pensioen dat hem in Zwitserland zou worden uitgekeerd.
20 Aangaande de brief van de Commissie van 30 oktober 1990 merkt verzoeker op, dat deze brief, ondanks haar opzettelijk dubbelzinnige betekenis, wel degelijk een afwijzing vormt van de klacht van 25 september 1990 tegen het stilzwijgende besluit tot afwijzing van zijn verzoek.
Beoordeling in rechte
21 Om een uitspraak te kunnen doen over het door de Commissie opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid, moet overeenkomstig artikel 91, lid 1, van het Statuut worden nagegaan, of de bestreden besluiten voor verzoeker bezwarend kunnen zijn in de zin van artikel 90, lid 2.
22 Volgens deze laatste bepaling vallen onder het begrip bezwarend besluit zowel besluiten als verzuimen om bij het Statuut verplichte maatregelen te nemen. Het uitblijven van een besluit kan voor de betrokkene derhalve bezwarend zijn, indien de instelling waartoe hij behoort, heeft nagelaten een besluit te nemen dat ofwel uitdrukkelijk is voorzien in een specifieke statutaire bepaling, ofwel impliciet door het Statuut is voorgeschreven ten einde de rechten van ambtenaren te waarborgen.
23 Mitsdien moet worden vastgesteld of de Commissie, door het stilzwijgen te bewaren nadat verzoeker op 3 mei 1990 een verzoek had ingediend ter verkrijging van een besluit over de aanpassingscoëfficiënt die van toepassing zou zijn op zijn toekomstig ouderdomspensioen indien hij zich in Zwitserland zou vestigen, heeft nagelaten een maatregel te nemen waarop verzoeker op grond van het Statuut aanspraak kon maken.
24 In dit verband herinnert het Gerecht eraan, dat geen bepaling van het Statuut de instelling waartoe een ambtenaar behoort, uitdrukkelijk verplicht bepaalde modaliteiten voor de berekening van de hoogte van de pensioenrechten van die ambtenaar vooraf, dat wil zeggen vóór zijn pensionering, vast te stellen. Volgens de relevante bepalingen van het Statuut vindt de vaststelling van de pensioenrechten van een ambtenaar plaats op het moment waarop het pensioen aan hem wordt toegekend. Artikel 40 van bijlage VIII bij het Statuut, die een nadere uitwerking van de pensioenregeling bevat, luidt als volgt: "De vaststelling van het ouderdomspensioen (...) geschiedt door de instelling waartoe de ambtenaar ten tijde van de beëindiging van de dienst behoorde. Gelijktijdig met het besluit waarbij het pensioen wordt toegekend, wordt aan de ambtenaar (...) een gespecificeerde berekening overgelegd." Artikel 10 van deze bijlage bepaalt het volgende: "Het ouderdomspensioen gaat in op de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand waarin dit pensioen aan de ambtenaar (...) is toegekend."
25 De hierboven aangehaalde statutaire bepaling, volgens welke een instelling uitsluitend tot de vaststelling van het pensioen van een ambtenaar kan overgaan wanneer deze de dienst beëindigt, is ingegeven door de vereisten die inherent zijn aan een recht dat nog wordt opgebouwd, aangezien de grondslagen voor de berekening ervan in beginsel onbepaald en aan veranderingen onderhevig zijn zolang de betrokkene niet is gepensioneerd. In het algemeen kunnen de elementen voor de berekening van het pensioen van een ambtenaar derhalve niet worden vastgesteld voordat die ambtenaar de dienst heeft beëindigd.
26 Deze regel is echter niet langer gerechtvaardigd wanneer, bij wijze van uitzondering, een element van die berekening op een gegeven moment definitief vaststaat. In dat geval moeten de statutaire bepalingen aldus worden uitgelegd, dat zij de betrokken instelling impliciet verplichten onverwijld een besluit te nemen. Het Hof sprak zich in deze zin uit in het arrest van 1 februari 1979 (zaak 17/78, Deshormes, reeds aangehaald, r.o. 10 tot en met 12), ten aanzien van een besluit over het in aanmerking nemen van dienstperiodes die een ambtenaar vóór zijn indiensttreding had volbracht, voor de berekening van zijn pensioenjaren. Uit dit arrest blijkt, dat wanneer een pas naderhand uit te voeren besluit dat de rechtspositie van een ambtenaar rechtstreeks en onmiddellijk kan aantasten, op basis van vaststaande en niet voor wijziging vatbare gegevens kan worden vastgesteld, de betrokkene een rechtmatig, reeds bestaand en actueel belang heeft om een onzeker element van zijn positie vooraf te doen vaststellen (zie ook beschikking van het Gerecht van 14 december 1989, zaak T-119/89, Teissonnière, reeds aangehaald, r.o. 19).
27 Aangaande het onderhavige geval merkt het Gerecht op, dat de toepasselijke aanpassingscoëfficiënt enerzijds wordt bepaald door de woonplaats van de betrokkene na de beëindiging van zijn dienst, en anderzijds door de op het moment van de vaststelling geldende regeling. In dit verband moet worden opgemerkt, dat de betrokkene zijn woonplaats moet kiezen op het moment waarop hij op zijn verzoek of ambtshalve wordt gepensioneerd. Hieruit volgt derhalve, dat een ambtenaar die nog in actieve dienst is, geen reeds bestaand en actueel belang heeft bij een besluit over de aanpasssingscoëfficiënt die op zijn toekomstig ouderdomspensioen van toepassing zal zijn. Wegens de hiervoor bedoelde factor verband houdend met de keuze van het land van vestiging, die eerst kan worden geverifieerd op het moment waarop de betrokkene de dienst beëindigt, is de vaststelling van de aanpassingscoëfficiënt niet vatbaar voor een besluit vooraf dat de rechtspositie van de betrokkene rechtstreeks en onmiddellijk aantast.
28 Gelet op bovenstaande overwegingen stelt het Gerecht vast, dat de Commissie, door het verzoek van 3 mei 1990 niet te beantwoorden, niet heeft nagelaten een bij het Statuut uitdrukkelijk of stilzwijgend verplichte maatregel te nemen.
29 Hieruit volgt, dat het stilzwijgend genomen afwijzende besluit dat ingevolge artikel 90, lid 1, van het Statuut na het verstrijken van een termijn van vier maanden na de indiening van het verzoek van 3 mei 1990 tot stand is gekomen doordat de Commissie dat verzoek niet heeft beantwoord, voor verzoeker niet bezwarend kan zijn. Het beroep moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
30 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld, indien zulks is gevorderd. Ingevolge artikel 88 van dit Reglement blijven evenwel de kosten door de instellingen ter zake van beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen gemaakt, te hunnen laste.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
2) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy