Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren - Bevordering - Vergelijking van verdiensten - A 2-ambten - Inschakeling van door Statuut niet voorziene raadgevende instantie - Vrijheid van administratie inzake samenstelling en verantwoordelijkheden
(Ambtenarenstatuut, art. 45)
2. Ambtenaren - Bevordering - Beoordelingsvrijheid van administratie - Rechterlijke toetsing - Grenzen
(Ambtenarenstatuut, art. 45)
3. Ambtenaren - Bevordering - Klacht van niet-bevorderd kandidaat - Besluit tot afwijzing - Motivering - Draagwijdte
(Ambtenarenstatuut, art. 45 en 90, lid 2)
Samenvatting
1. Hoewel bevorderingsbesluiten en de in artikel 45 Ambtenarenstatuut bedoelde onderlinge vergelijking van de verdiensten van de sollicitanten tot de uitsluitende bevoegdheid van het tot aanstelling bevoegd gezag behoren, kan dit bij de voorbereiding van die besluiten een raadgevende instantie inschakelen zoals een comité belast met het onderzoek van de kandidaturen voor een ambt van de rang A 2, waarvan het de samenstelling en de verantwoordelijkheden vrij kan regelen.
2. Het tot aanstelling bevoegd gezag beschikt bij de onderlinge vergelijking van de verdiensten van de kandidaten voor een bevordering over een ruime beoordelingsvrijheid, en het Gerecht moet zijn controle beperken tot de vraag of het tot aanstelling bevoegd gezag niet op kennelijk onjuiste wijze van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt dan wel met een ander doel dan waartoe het die bevoegdheid heeft gekregen.
3. Hoewel het tot aanstelling bevoegd gezag volgens artikel 90, lid 2, gehouden is een uitdrukkelijk besluit tot afwijzing van een klacht tegen een bevorderingsbesluit met redenen te omkleden, behoeft het de afgewezen kandidaat niet in kennis te stellen van het resultaat van de vergelijking van zijn verdiensten met die van de bevorderde kandidaat. Het tot aanstelling bevoegd gezag kan zich bepalen tot een beknopte motivering inzake het al dan niet voorhanden zijn van de wettelijke voorwaarden waarvan het Statuut de regelmatigheid der bevordering afhankelijk stelt.
Partijen
In zaak T-11/91,
B. Schloh, ambtenaar van de Raad van de Europese Gemeenschappen, wonende te Tervuren (België), vertegenwoordigd door E. Lebrun, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van L. Schiltz, advocaat aldaar, Rue du Fort Rheinsheim 2,
verzoeker,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door Ph. Bentley, Barrister of Lincoln' s Inn en medewerker van het kantoor Stanbrook and Hooper te Brussel, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij X. Herlin, adjunct-directeur van de directie juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de besluiten van de secretaris-generaal van de Raad houdende aanstelling van R. B. als directeur bij de juridische dienst van de Raad en afwijzing van verzoekers sollicitatie naar dat ambt, alsmede van het besluit tot afwijzing van de door verzoeker ingediende klacht,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, D. Barrington en H. Kirschner, rechters,
griffier: B. Pastor, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 5 december 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Verzoeker, geboren in 1929, is op 12 mei 1964 in dienst getreden van het secretariaat-generaal van de Raad. Hij is juridisch adviseur bij de juridische dienst van de Raad. Sedert 1 oktober 1973 is hij ingedeeld in de rang A 3.
2 Op 28 juni 1989 publiceerde de Raad een kennisgeving van vacature betreffende een ambt van de rang A 2 bij de juridische dienst, waarin bij wege van overplaatsing zou worden voorzien. Toen deze kennisgeving van vacature niets opleverde, werden de ambtenaren van het secretariaat-generaal van de Raad bij mededeling aan het personeel nr. 4/90 van 11 januari 1990 ervan in kennis gesteld, dat bij wege van bevordering in het ambt zou worden voorzien.
3 Verzoeker stelde zich op 21 januari 1990 kandidaat, evenals zeven andere ambtenaren met de rang A 3 van het secretariaat-generaal van de Raad.
4 Op 3 april 1990 had verzoeker een gesprek met de secretaris-generaal van de Raad, die bij deze instelling optreedt als het tot aanstelling bevoegd gezag voor benoemingen van ambtenaren in de rang A 2. Bij brief van 21 mei 1990 deelde de secretaris-generaal verzoeker mee, dat zijn sollicitatie was afgewezen en dat de keuze van het tot aanstelling bevoegd gezag "op een andere kandidaat was gevallen".
5 Deze andere kandidaat was R. B., geboren in 1936 en in 1964 in dienst getreden van het secretariaat-generaal van de Raad, die in 1979 tot de rang A 3 was opgeklommen. R. B. heeft evenals verzoeker de Duitse nationaliteit en was laatstelijk tewerkgesteld bij het directoraat-generaal Buitenlandse betrekkingen van het secretariaat-generaal van de Raad.
6 Op 17 augustus 1990 diende verzoeker krachtens artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut een klacht in, stellende dat de in de brief van de secretaris-generaal van de Raad van 21 mei 1990 vervatte besluiten in strijd waren met de geldende rechtsregels.
7 Hij beklaagde zich er in de eerste plaats over, dat de verdiensten die hij door zijn werk te Brussel en door zijn optreden als gemachtigde van de Raad voor het Hof van Justitie had verworven, niet in aanmerking waren genomen.
8 Bovendien stelde hij, dat de secretaris-generaal van de Raad, N. Ersboell, hem niet op objectieve wijze behandelde. In verschillende gevallen waarbij hij was betrokken, zou Ersboell zich "aan het recht noch aan het Hof van Justitie" hebben gestoord, en in het gewraakte besluit zou de houding van Ersboell jegens hem tot uiting komen. Als aanwijzingen voor de juistheid van zijn bewering noemde verzoeker de volgende punten:
- In juli 1988 zou Ersboell zijn kabinetschef in de rang A 2 hebben aangesteld zonder vooraf het mobiliteitscomité, waarvan verzoeker destijds lid was, te raadplegen. In weerwil van een schriftelijk protest van dit comité bij de secretaris-generaal, was deze aanvankelijk bij zijn besluit gebleven, zodat verzoeker zich genoopt had gezien ontslag te nemen als lid van het comité. Een maand later had de secretaris-generaal, op grond van een door hem gevraagd advies van de juridische dienst, zijn besluit ingetrokken, waarop verzoeker zijn functie in het comité weer had opgenomen.
- Eind 1989 zou Ersboell onder diverse voorwendsels een gesprek met verzoeker over zijn bevordering uit de weg zijn gegaan.
- Ersboell zou de uitvoering van het arrest van het Hof van 30 juni 1983 (zaak 85/82, Schloh/Raad, Jurispr. 1983, blz. 2105, 2131) onnodig hebben vertraagd. Met dat arrest had verzoeker de nietigverklaring verkregen van de aanstelling van een ambtenaar in de rang A 2 (directeur begroting en statuut), op grond dat het betrokken ambt in strijd met artikel 27, laatste alinea, van het Statuut voor een onderdaan van een bepaalde Lid-Staat was bestemd. Na het arrest van het Hof was de betrokkene tot september 1984 als tijdelijk functionaris met de rang A 2 in dienst van de Raad gebleven. Eerst per 1 september 1984 was door aanstelling van een ambtenaar in het betrokken ambt voorzien. Volgens verzoeker bleek uit deze chronologie van de feiten, dat M. Ersboell zich niet aan het arrest had gestoord.
9 Verzoeker voegde daaraan toe, dat het in zijn geboortestreek (Hamburg) als onbehoorlijk ("nicht anstaendig") wordt beschouwd een personeelslid te laten werken en bij tal van gelegenheden voor het Hof van Justitie te laten pleiten zonder de waarde van zijn werk te erkennen.
10 De klacht werd afgewezen bij nota van de secretaris-generaal van de Raad aan verzoeker van 14 november 1990, van de volgende inhoud:
"Uw klacht tegen de in mijn brief van 21 mei 1990 vervatte besluiten betreffende de benoeming van een directeur bij de juridische dienst van de Raad heeft tot een diepgaand onderzoek aanleiding gegeven.
Dienaangaande wil ik het volgende opmerken.
Ingevolge artikel 45 van het Statuut geschiedt bevordering bij besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag en uitsluitend bij keuze uit de ambtenaren welke een minimumdiensttijd in hun rang hebben, en na een onderzoek waarbij de verdiensten der ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, alsmede de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht, onderling worden vergeleken.
Ik wijs erop, dat het tot aanstelling bevoegd gezag bij de beoordeling van de voor de bevordering in aanmerking te nemen verdiensten en beoordelingsrapporten der kandidaten over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt, die overigens in de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen uitdrukkelijk is erkend; ik wens te beklemtonen, dat het tot aanstelling bevoegd gezag zich op het gebied van bevorderingen nauwgezet aan de regels van artikel 45 van het Statuut houdt.
Gelet op het voorgaande, kan ik tot mijn spijt geen gunstig gevolg geven aan uw klacht van 17 augustus 1990."
Het procesverloop
11 In deze omstandigheden heeft verzoeker op 15 februari 1991 het onderhavige beroep ingesteld. De schriftelijke behandeling heeft een normaal verloop gehad.
12 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten, zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Door het Gerecht daarom verzocht, heeft verweerder een dossier overgelegd bevattende de documenten inzake de procedure tot voorziening in het betrokken ambt alsmede de persoonsdossiers van verzoeker en van de kandidaat op wie de keuze is gevallen.
13 Het administratief dossier inzake de procedure tot voorziening in het ambt bevatte onder meer een nota van de secretaris-generaal van 23 mei 1990, die bestemd was voor het dossier van het directoraat Personeelszaken en algemeen beheer, met een beschrijving van de door het tot aanstelling bevoegd gezag gevolgde procedure. Volgens deze nota had de secretaris-generaal een selectiecomité van drie personen aangewezen, te weten de directeur-generaal van de juridische dienst, de directeur Personeelszaken en algemeen beheer, en een raadadviseur uit zijn eigen kabinet. De secretaris-generaal preciseerde dat hij, na een mondeling verslag van dat comité te hebben aangehoord, met elke kandidaat afzonderlijk had gesproken. Tijdens deze gesprekken had hij elk van de kandidaten gevraagd, of deze iets had toe te voegen aan wat tijdens diens eerder gesprek met de directeur-generaal van de juridische dienst ter sprake was gekomen. Voorts beklemtoonde de secretaris-generaal, dat volgens het tot aanstelling bevoegd gezag en de directeur-generaal van de juridische dienst "een van de wezenlijke voorwaarden waaraan de succesvolle kandidaat moest voldoen, naast evidente juridische kwalificaties, was dat hij in staat moest zijn leiding te geven aan een team juristen". Bij de nota waren beknopte verslagen gevoegd van de gesprekken van de secretaris-generaal met de kandidaten, waaronder van dat met verzoeker op 3 april 1990. Een kopie van het administratief dossier is aan verzoeker toegezonden.
14 Wat het persoonsdossier van R. B. betreft, is alleen zijn laatste beoordelingsrapport in het dossier van de zaak opgenomen. Verzoekers vertegenwoordiger heeft dit document ter griffie van het Gerecht kunnen inzien.
15 Partijen zijn ter terechtzitting van 5 december 1991 in hun pleidooien gehoord en hebben geantwoord op vragen van het Gerecht. De vertegenwoordiger van de verwerende instelling heeft meer in het bijzonder geantwoord op verschillende hem vooraf door het Gerecht toegezonden vragen over door de instelling overgelegde documenten. De president heeft aan het einde van de terechtzitting de mondeling behandeling gesloten verklaard.
16 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
- nietig te verklaren de besluiten van de secretaris-generaal van de Raad houdende aanstelling van R. B. als directeur bij de juridische dienst en afwijzing van verzoekers sollicitatie naar dat ambt - hem bij brief van de secretaris-generaal van 21 mei 1990 ter kennis gebracht - alsmede van het besluit tot afwijzing van zijn klacht - hem bij nota van de secretaris-generaal van 14 november 1990 ter kennis gebracht;
- De Raad te verwijzen in de kosten van het geding.
17 De Raad concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep ongegrond te verklaren;
- verzoeker te verwijzen in de kosten, voor zover deze niet ingevolge artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof ten laste van de Raad komen.
Ten gronde
18 In de fase van de schriftelijke behandeling heeft verzoeker zijn grieven tegen de bestreden besluiten voorgedragen in de vorm van een enig middel. Het Gerecht meent evenwel, dat men drie middelen dient te onderscheiden, te weten: 1) schending van artikel 5, lid 3, van het Statuut en van algemene rechtsbeginselen, met name het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van verdelende rechtvaardigheid, 2) schending van artikel 45, lid 1, van het Statuut, en 3) misbruik van bevoegdheid. Ter terechtzitting heeft verzoeker nog een vierde middel geformuleerd, te weten ontoereikende motivering van het besluit tot afwijzing van zijn klacht.
Schending van artikel 5, lid 3, van het Statuut en van de algemene rechtsbeginselen
19 Ofschoon verzoeker in zijn verzoekschrift uitdrukkelijk gewag maakt van schending van artikel 5, lid 3, van het Statuut en van de algemene rechtsbeginselen, heeft hij ter zake geen enkel concreet argument aangevoerd.
20 Wat de beweerde schending van artikel 5, lid 3, van het Statuut betreft, betoogt de Raad, dat de sollicitaties van verzoeker en van R. B. op dezelfde wijze zijn onderzocht en dat verzoeker niet heeft verklaard, hoe uit de in zijn verzoekschrift vermelde feiten het tegendeel zou kunnen blijken. Wat het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van verdelende rechtvaardigheid betreft, stelt de Raad zich op het standpunt, dat deze tot uitdrukking komen in de artikelen 5, lid 3, en 45, lid 1, en dat de draagwijdte ervan in casu niet verder reikt dan die van genoemde bepalingen. In dupliek merkt de Raad op, dat verzoeker in zijn repliek niet meer over schending van deze beginselen spreekt, waaraan hij de conclusie verbindt, dat verzoeker deze grief heeft laten vallen.
21 Waar verzoeker niets heeft aangevoerd wat het Gerecht in staat zou kunnen stellen de gegrondheid van het middel ontleend aan schending van artikel 5, lid 3, van het Statuut en van de algemene rechtsbeginselen, te beoordelen, dient dit middel te worden afgewezen.
Schending van artikel 45, lid 1, van het Statuut
22 Wat de schending van artikel 45, lid 1, betreft, wijst verzoeker er in de eerste plaats op, dat hoewel het tot aanstelling bevoegd gezag over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt, het daarvan in volstrekte objectiviteit gebruik dient te maken. Hij meent niet objectief te zijn behandeld, en verwijst daarvoor naar de in zijn klacht geformuleerde verwijten, meer in het bijzonder die betreffende de aanstelling van de kabinetschef van de secretaris-generaal op een A 2-post in 1988 en zijn vruchteloze pogingen eind 1989 om tot een onderhoud met de secretaris-generaal over zijn bevordering te komen.
23 In de tweede plaats voert verzoeker aan, dat bij de vaststelling van het bestreden besluit zijn verdiensten buiten beschouwing zijn gebleven. Voor zijn werk te Brussel refereert verzoeker aan zijn persoonsdossier, met de beoordelingen en commentaren ter zake.
24 Wat zijn optreden als gemachtigde van de Raad voor het Hof van Justitie betreft, verwijt verzoeker de secretaris-generaal, deze werkzaamheden als van generlei waarde te behandelen. Verzoeker voert aan, dat hij de Raad in ten minste 30 zaken voor het Hof van Justitie heeft vertegenwoordigd, en dat hij in vijf procestalen en in de meest diverse aangelegenheden heeft gepleit. Deze werkzaamheden gedurende een periode van vijftien jaar hebben nooit erkenning gevonden en zijn soms niet eens in zijn beoordelingsrapport vermeld. In dit verband wijst verzoeker er voorts op, dat hij weliswaar toelating heeft gekregen om aan de universiteit te Brussel en te Saarbruecken bepaalde cursussen te geven, doch dat hij slechts één maal betaald verlof heeft gekregen om in de Verenigde Staten gemeenschapsrecht te doceren, en dat hij zijn jaarlijks verlof heeft moeten gebruiken om aldaar andere onderwijsopdrachten te vervullen. Hij vermeldt ook, dat hij nooit een FIDE-congres heeft bijgewoond, terwijl één of meer directeuren of directeuren-generaal van de Raad daar steeds aanwezig zijn. Dat aan zijn activiteiten voor het Hof geen waarde werd gehecht - zijns inziens "een blijk van weinig achting voor het Hof" -, is volgens hem eveneens tot uitdrukking gekomen in de late uitvoering van 's Hofs arrest van 30 juni 1983 (reeds aangehaald), gewezen in een zaak waarin hij het tegen de Raad had opgenomen.
25 In repliek voegt verzoeker hieraan toe, dat de Raad zelf het bewijs heeft geleverd dat zijn secretaris-generaal geen waarde hecht aan verzoekers werkzaamheden voor het Hof, waar hij in het verweerschrift uiteenzet, dat voor een post van de rang A 2 "niet noodzakelijk en uitsluitend een bijzondere technische opleiding vereist is, doch ook en vooral de bekwaamheid om op hoog niveau leiding te geven, te cooerdineren en contacten te leggen (...)". Volgens verzoeker is het volstrekt ten onrechte om van de werkzaamheden van de gemachtigden van de instellingen voor het Hof te zeggen, dat er "uitsluitend een bijzondere technische opleiding" voor vereist is.
26 In de derde plaats stelt verzoeker, dat er geen vergelijkend onderzoek heeft plaatsgevonden dat voldoet aan de vereisten van artikel 45, lid 1, van het Statuut. Hiervoor verwijst hij in zijn repliek naar de omstandigheden van R. B.' s aanstelling in het betrokken ambt. In werkelijkheid zou R. B. mét zijn post zijn overgeplaatst van het directoraat-generaal Buitenlandse betrekkingen naar de juridische dienst, welke overplaatsing gepaard ging met een herwaardering van de post en dus met een bevordering van R. B. In die omstandigheden had de vergelijking van de verdiensten, waarvan gezegd wordt dat zij heeft plaatsgevonden, niets te betekenen, hetgeen noodzakelijkerwijs inhoudt dat artikel 45, lid 1, van het Statuut is geschonden. Verzoeker wijst erop, dat in de kennisgeving van vacature niet was gepreciseerd, wat de aard was van de werkzaamheden die behoorden bij het ambt waarin "zogezegd moest worden voorzien".
27 Tijdens de schriftelijke behandeling heeft verzoeker voorts gesteld, dat de Raad geen enkel document heeft overgelegd met betrekking tot een vergelijking van de verdiensten van de sollicitanten. Ter terechtzitting heeft hij betoogd, dat uit de door de Raad op verzoek van het Gerecht overgelegde documenten blijkt, dat die vergelijking achterwege is gebleven. Het aanbod verzoekers persoonsdossier en dat van R. B. over te leggen, volstaat niet als bewijs dat een dergelijk onderzoek wel heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot de nota van de secretaris-generaal van 23 mei 1990 heeft hij erop gewezen, dat deze van na de bestreden aanstelling dateert en dat zij eerst na het einde van de schriftelijke behandeling in de onderhavige zaak is overgelegd. Voorts heeft hij aangevoerd, dat hij destijds nooit had gehoord van het bestaan van een selectiecomité en dat de sollicitanten niet door dit comité zijn gehoord, terwijl in een andere procedure ter voorziening in een ambt de gegadigden wel van meet af aan in kennis waren gesteld van het bestaan van een dergelijk comité en door dat comité ook waren gehoord.
28 Wat de "management"-kwaliteiten betreft waarover in voornoemde nota wordt gesproken, verwijt verzoeker het tot aanstelling bevoegd gezag een begrip te hebben gebruikt dat aan elke controle ontsnapt. Hij stelt, dat R. B. zich in zijn vorige ambt meer bezig heeft gehouden met diplomatieke kwesties en 25 jaar lang geen echt juridisch werk heeft verricht, terwijl hijzelf in een vijftigtal zaken voor het Hof van Justitie heeft gepleit. R. B. is dus "uitsluitend manager", terwijl hijzelf door de voormalig directeur-generaal van de juridische dienst, Fornasier, die hem persoonlijk kende, in zijn beoordelingsrapporten wordt beschreven als iemand met leidinggevende capaciteiten. De secretaris-generaal, die hem niet kende, kan niet het tegendeel beweren zonder het Gerecht de redenen daarvoor mede te delen.
29 Desgevraagd door het Gerecht, heeft verzoeker erop gewezen, dat uit de antwoorden van de Raad niet blijkt dat de persoonsdossiers van de sollicitanten aan het selectiecomité en aan het tot aanstelling bevoegd gezag zijn voorgelegd. Bovendien, aldus verzoeker, beschikt het Gerecht niet over de noodzakelijke gegevens om na te gaan of het tot aanstelling bevoegd gezag zich aan de bepalingen van artikel 45 van het Statuut heeft gehouden. Volgens de nota van 23 mei 1990 heeft het selectiecomité enkel een mondeling verslag uitgebracht, wat een wettigheidstoetsing verhindert.
Het feit dat het voor de communautaire rechter onmogelijk is de wettigheid te toetsen, zou op zich voldoende rechtvaardiging moeten zijn om het bestreden besluit nietig te verklaren.
30 In zijn repliek heeft verzoeker het Gerecht nog in overweging gegeven, de verschijning in persoon ter terechtzitting te gelasten van de secretaris-generaal van de Raad en van verzoeker zelf. Ter terechtzitting heeft hij gepreciseerd, dat hij niet verlangde dat de secretaris-generaal van de Raad als getuige zou worden gehoord, doch wel dat hij aanwezig zou zijn om eventueel, zonder beëdigd te zijn, vragen van het Gerecht te beantwoorden.
31 Wat de gestelde schending van artikel 45, lid 1, van het Statuut betreft, zet de Raad uiteen, dat de door verzoeker genoemde aanwijzingen wel aantonen dat deze een jurist is die nauwlettend toeziet op de eerbiediging van het recht bij de benoeming van ambtenaren van het secretariaat-generaal van de Raad, doch dat uit geen der door hem aangevoerde feiten blijkt van een gebrek aan objectiviteit van het tot aanstelling bevoegd gezag jegens hem.
32 Volgens de Raad heeft verzoeker niet het bewijs geleverd dat zijn verdiensten buiten beschouwing zijn gebleven. De door hem genoemde feiten in verband met zijn universitaire activiteiten bewijzen niet, dat hem erkenning wordt onthouden voor zijn werk als gemachtigde voor het Hof. Onderwijs dat een ambtenaar tijdens zijn vakantie geeft, heeft geen belang voor de beoordeling van zijn bekwaamheid, prestaties en gedrag in de dienst in het kader van artikel 43 van het Statuut. Een instelling is voorts geenszins verplicht een ambtenaar onbetaald verlof toe te staan om onderwijs te kunnen geven.
33 De Raad voegt in dupliek daaraan toe, dat het geenszins in zijn bedoeling lag, door het gebruik in zijn verweerschrift van de woorden "uitsluitend een bijzondere technische opleiding" verzoekers werkzaamheden als gemachtigde voor het Hof te kleineren. Wel is hij van mening, dat de beste advocaat ter wereld nog niet de beste kandidaat voor de functie van directeur van de juridische dienst behoeft te zijn. Niet alleen de eigenschappen van een jurist en advocaat zijn van belang, doch ook de bekwaamheid om op zeer hoog niveau leiding te geven, te cooerdineren en contacten te leggen. De Raad nodigt het Gerecht uit, de persoonsdossiers van verzoeker en van R. B. te vergelijken; het zal dan kunnen vaststellen dat het tot aanstelling bevoegd gezag binnen de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid is gebleven en alle elementen, met inbegrip van verzoekers activiteiten voor het Hof, in de beschouwing heeft betrokken. De Raad verklaart voorts, dat hij al het verschuldigde respect heeft voor het Hof en diens arresten. Zou men evenwel toch een gebrek aan respect vaststellen, dan bewijst dit nog steeds niet, dat de Raad ten opzichte van verzoeker niet de vereiste objectiviteit aan de dag heeft gelegd.
34 Wat verzoekers stelling betreft, dat een vergelijking van de verdiensten in overeenstemming met artikel 45, lid 1, van het Statuut niet heeft plaatsgevonden, voert de Raad aan, dat de bewijslast voor die stelling op verzoeker rust. Hij beroept zich op het arrest van het Hof van 11 mei 1978 (zaak 34/77, Oslizlok, Jurispr. 1978, blz. 1099, 1113), ten betoge dat het tot aanstelling bevoegd gezag bij de aanwerving en de ambtsontheffing van ambtenaren van de rang A 1 en A 2 over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt, wat een grote beslissingsvrijheid veronderstelt zowel ten aanzien van de objectieve behoeften van de dienst als ten aanzien van de beoordeling van de individuele bekwaamheden der betrokken ambtenaren. Daaruit volgt zijns inziens, dat verzoeker feiten dient aan te voeren waaruit duidelijk blijkt, dat het tot aanstelling bevoegd gezag de verdiensten en de beoordelingsrapporten van de sollicitanten niet onderling heeft vergeleken. Volgens de Raad zou dit bij voorbeeld het geval zijn, wanneer bleek dat het tot aanstelling bevoegd gezag beïnvloed is door een Lid-Staat of zich heeft laten leiden door de nationaliteit van de kandidaat op wie de keuze is gevallen, zoals in de eerste zaak Schloh (arrest van 30 juni 1983, zaak 85/82, reeds aangehaald). In de onderhavige zaak echter hebben verzoeker en de gekozen kandidaat dezelfde nationaliteit en is niet gesteld dat een Lid-Staat de beslissing van het tot aanstelling bevoegd gezag heeft beïnvloed. De Raad wijst bovendien op de kwalificaties van de gekozen kandidaat en op zijn beoordelingsrapporten, die steeds uitzonderlijk gunstig waren.
35 In dupliek betwist de Raad, dat het ambt of de taken van R. B. van het directoraat-generaal Buitenlandse betrekkingen naar de juridische dienst zouden zijn overgedragen. Sedert zijn tewerkstelling bij de juridische dienst heeft R. B. een volstrekt nieuwe taak gekregen. Aanvankelijk was hij daar belast met werkzaamheden in verband met de Duitse vereniging, toen de noodzaak van dringende maatregelen vanwege de Gemeenschap zich opdrong. Thans staat hij de directeur-generaal terzijde als juridisch adviseur voor de twee intergouvernementele conferenties over de economische en monetaire unie en de politieke unie, en voor de juridische aspecten van het vrije verkeer van personen. Volgens de Raad hebben deze werkzaamheden niets te maken met die waarmee R. B. vroeger belast was bij het directoraat-generaal Buitenlandse betrekkingen, waar hij zich bezighield met de betrekkingen met Oost-Europa en China, de handelsregelingen, daaronder begrepen anti-dumpingzaken, de internationale economische organisaties, de Noord-Zuidbetrekkingen enzovoort.
36 De Raad is van mening, dat er wel degelijk een vergelijkend onderzoek voor het te begeven ambt is geweest: er is een kennisgeving van vacature gepubliceerd, acht ambtenaren waaronder verzoeker hebben gesolliciteerd, de dossiers van de acht kandidaten zijn zorgvuldig onderzocht, met elk van de acht kandidaten is een afzonderlijk gesprek gevoerd; de keuze is gevallen op de kandidaat die naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegd gezag over het geheel genomen de beste kwalificaties bezat.
37 Wat de tegen hem ingebrachte grief betreft dat hij geen enkel document inzake het onderzoek van de sollicitaties heeft overgelegd, verklaart de Raad, dat het Gerecht aan de hand van de persoonsdossiers van R. B. en verzoeker zal kunnen beoordelen, of het tot aanstelling bevoegd gezag de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid heeft overschreden waar het tot de conclusie kwam, dat R. B. beter voldeed aan de vereisten van het vacante ambt dan verzoeker, met name gelet op de beoordelingsrapporten van de twee kandidaten, die sedert hun bevordering naar de rang A 3 door hun successieve hiërarchieke meerderen zijn opgesteld.
38 In antwoord op vragen van het Gerecht heeft de Raad gepreciseerd, dat de personeelsdienst op 30 januari 1990 aan het tot aanstelling bevoegd gezag dossiers heeft laten toekomen met de beoordelingsrapporten van de acht kandidaten voor het betrokken ambt, overzichten van hun loopbaan binnen de instelling en hun sollicitatieformulieren. De Raad heeft voorts verklaard, dat het in de nota van 23 mei 1990 bedoelde selectiecomité was ingesteld op basis van een ad hoc-beslissing van de secretaris-generaal, en dat dit comité R. B. voor benoeming aan het tot aanstelling bevoegd gezag had voorgedragen. Zowel het selectiecomité als het tot aanstelling bevoegd gezag hadden beschikt over de onderdelen van de persoonsdossiers van de sollicitanten, waarin zich hun beoordelingsrapporten bevonden.
39 Wat de grief betreft dat in de kennisgeving van vacature niet was gepreciseerd welke taken aan het vacante ambt waren verbonden, verklaart de Raad, dat op het tijdstip van publikatie van de kennisgeving de functieomschrijving van de nieuwe directeur nog niet was vastgesteld, en dat deze functieomschrijving, zoals de toewijzing van alle taken van het personeel van de juridische dienst, niet tot de bevoegdheid van het tot aanstelling bevoegd gezag, doch tot die van de directeur-generaal van de dienst behoort. Het is trouwens niet gebruikelijk, aldus de Raad, in de kennisgevingen van vacature voor A 2-posten bij de juridische dienst melding te maken van vereisten inzake bijzondere bekwaamheden op dit of dat gebied, aangezien de bevoegdheden van de "chefs d' équipe" van deze dienst, afhankelijk van de omstandigheden en bij besluit van de directeur-generaal, wijzigingen kunnen ondergaan, wat in de praktijk ook gebeurt. Ten bewijze hiervan refereert de Raad aan de bij zijn dupliek gevoegde kennisgevingen van vacature voor dergelijke ambten, die de laatste tien jaar zijn gepubliceerd.
40 Wat verzoekers suggestie betreft om de verschijning in persoon van de secretaris-generaal en van verzoeker zelf ter terechtzitting te gelasten, betoogt de Raad, dat de door verzoeker genoemde aanwijzingen zelfs geen begin van bewijs van een schending van artikel 45, lid 1, van het Statuut of van misbruik van bevoegdheid opleveren, en dat het daarom nutteloos zou zijn het tot aanstelling bevoegd gezag te laten getuigen.
41 Alvorens in te gaan op de argumenten van partijen, dient in de eerste plaats het rechtskarakter te worden onderzocht van de in casu door de Raad ter voorziening in het vacante ambt van directeur bij de juridische dienst (rang A 2) gevolgde aanwervingsprocedure.
42 Naar luid van artikel 29, lid 1, van het Statuut onderzoekt het tot aanstelling bevoegd gezag, ten einde te voorzien in vacatures bij een instelling: a) de mogelijkheden tot bevordering en tot overplaatsing binnen de instelling, b) de mogelijkheden tot het organiseren van een vergelijkend onderzoek binnen de instelling, c) de verzoeken tot overgang van ambtenaren van andere instellingen der drie Europese Gemeenschappen, en gaat het vervolgens over tot een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken, van een examen of op de grondslag van beide. Lid 2 van dit artikel bepaalt, dat het tot aanstelling bevoegd gezag een andere procedure dan die van het vergelijkend onderzoek kan volgen voor de aanwerving van ambtenaren in de rangen A 1 en A 2, alsmede in buitengewone gevallen voor het vervullen van ambten waarvoor bijzondere kundigheden vereist zijn.
43 In casu blijkt uit het door de Raad overgelegde dossier en uit zijn verklaringen ter terechtzitting, dat het tot aanstelling bevoegd gezag van de Raad had besloten in het vacante A 2-ambt bij de juridische dienst te voorzien bij wege van bevordering uit hoofde van artikel 45, lid 1, van het Statuut. Artikel 29, lid 2, van het Statuut, dat het tot aanstelling bevoegd gezag de mogelijkheid biedt voor ambten van de rang A 2 een andere procedure te volgen, is dus voor de beoordeling van de regelmatigheid van het bestreden besluit niet ter zake dienend. Onderzocht moet dus worden, of het tot aanstelling bevoegd gezag van de Raad zich bij zijn besluit om R. B. tot het betrokken ambt te bevorderen, aan de bepalingen van artikel 45, lid 1, heeft gehouden.
44 In dit verband moet in de eerste plaats worden ingegaan op verzoekers grief, dat een onderlinge vergelijking van de verdiensten van de sollicitanten niet heeft plaatsgevonden.
45 Volgens de Raad heeft de secretaris-generaal wel degelijk een dergelijk onderzoek verricht. Volgens de nota van 23 mei 1990 heeft het tot aanstelling bevoegd gezag, alvorens een beslissing te nemen, het advies ingewonnen van een selectiecomité waarvan onder meer het betrokken diensthoofd deel uitmaakte, dat met elke sollicitant een gesprek heeft gehad. Vervolgens heeft de secretaris-generaal de sollicitanten persoonlijk gehoord. In antwoord op vragen van het Gerecht heeft de Raad, door verzoeker onweersproken, verklaard, dat het selectiecomité en het tot aanstelling bevoegd gezag de beschikking hadden over de beoordelingsrapporten van de kandidaten, de door de afdeling personeelszaken opgestelde overzichten betreffende ieders administratieve situatie en loopbaan binnen de instelling, en over de sollicitatieformulieren.
46 Verzoeker heeft uiting gegeven aan bepaalde twijfels ten aanzien van vorenbedoelde nota van 23 mei 1990. De juistheid van de inhoud ervan heeft hij evenwel niet uitdrukkelijk betwist. Hoewel de namen van de leden van het selectiecomité, die daarover als getuigen hadden kunnen worden gehoord, uit de nota blijken, heeft verzoeker evenmin aangeboden te bewijzen dat de gevolgde procedure in deze nota en de bijlagen erbij niet correct is beschreven. Wel heeft hij erkend, dat hij met de directeur-generaal van de juridische dienst en met het tot aanstelling bevoegd gezag de gesprekken heeft gehad waarvan in de nota melding is gemaakt. In die omstandigheden volstaan de vage bezwaren van verzoeker niet om twijfel te doen rijzen over de beschrijving in vorenbedoelde nota van de ter voorziening in het betrokken ambt gevolgde procedure.
47 Blijkens het door de Raad overgelegde dossier en de antwoorden van de Raad op vragen van het Gerecht was er door het tot aanstelling bevoegd gezag veel zorg besteed aan de in casu gevolgde procedure, ten einde een serieus onderzoek van de ingediende sollicitaties te verzekeren. De instelling van een selectiecomité vormt een bewijs van het streven van het tot aanstelling bevoegd gezag, zijn beslissing eerst na een zo uitvoerig en objectief mogelijke raadpleging te nemen. Dat het Statuut niet in de instelling van een dergelijk ad hoc-comité voorziet, heeft overigens geen gevolgen voor de regelmatigheid van de door het tot aanstelling bevoegd gezag gevolgde procedure. Hoewel bevorderingsbesluiten en de in artikel 45 Ambtenarenstatuut bedoelde onderlinge vergelijking van de verdiensten van de sollicitanten tot de uitsluitende bevoegdheid van het tot aanstelling bevoegd gezag behoren, kan dit immers bij de voorbereiding van die besluiten een raadgevende instantie inschakelen waarvan het de samenstelling en verantwoordelijkheden vrij kan regelen (zie bij voorbeeld het arrest van het Hof van 4 februari 1987, zaak 324/85, Bouteiller, Jurispr. 1987, blz. 529, 547). Bovendien kon dit comité zijn aanbeveling aan het tot aanstelling bevoegd gezag baseren op de beoordelingsrapporten van de sollicitanten, die het heeft kunnen inzien, en op de resultaten van de gesprekken die de directeur-generaal van de juridische dienst, lid van het comité, met hen had gehad.
48 Dat de secretaris-generaal niet enkel over de beoordelingsrapporten van de sollicitanten beschikte, doch bovendien met elk van hen afzonderlijk een gesprek heeft gehad, wijst er vervolgens op, dat het tot aanstelling bevoegd gezag er zorg voor heeft gedragen, alle nuttige informatie over de sollicitanten te verzamelen en zich een persoonlijk idee te vormen over hun persoon en hun verdiensten als grondslag voor een onderlinge vergelijking. Uit het verslag van het onderhoud van verzoeker met de secretaris-generaal op 3 april 1990 blijkt, dat verzoeker de gelegenheid heeft gehad de aandacht van het tot aanstelling bevoegd gezag te vestigen op zijn verdiensten als ambtenaar van de juridische dienst van de Raad.
49 Dit alles bevestigt de stelling van de Raad, dat een vergelijking van de verdiensten der sollicitanten wel degelijk plaats heeft gevonden.
50 Wat verzoekers grief betreft, dat de onderlinge vergelijking van de verdiensten die beweerdelijk heeft plaatsgevonden, niets te betekenen heeft, omdat de aanstelling van R. B. in werkelijkheid neerkomt op een overgang van de betrokkene met zijn ambt, gevolgd door een herwaardering van zijn functie en een bevordering, zij erop gewezen, dat deze stelling wordt weerlegd door het verloop van de procedure tot voorziening in het ambt, zoals deze blijkt uit de overgelegde stukken en uit de verklaringen van verweerder, welker juistheid verzoeker niet met nauwkeurig geformuleerde stellingen heeft betwist. Verzoeker heeft niets aangevoerd wat zou kunnen verklaren, waarom het tot aanstelling bevoegd gezag een procedure met zoveel etappes heeft gevolgd en met name, zonder daartoe door het Statuut gedwongen te zijn, een selectiecomité "ad hoc" heeft ingeschakeld indien de uitslag van deze procedure al bij voorbaat had vastgestaan. Met betrekking tot verzoekers argument, dat in de kennisgeving van vacature niet was gepreciseerd welke taken aan het vacante ambt waren verbonden, moet worden opgemerkt, dat de voornaamste taken van een directeur van de juridische dienst van een gemeenschapsinstelling - met name leiding geven aan een administratieve eenheid, de directeur-generaal adviseren, contacten onderhouden en gespecialiseerd onderzoek op hoog niveau verrichten - in die kennisgeving voldoende nauwkeurig waren omschreven. Het feit dat deze beschrijving overeenkomt met die welke gewoonlijk in kennisgevingen van vacature voor directeursposten bij de juridische dienst wordt gegeven, toont eveneens aan, dat dit argument niet kan slagen.
51 Wat verzoekers subsidiaire grief betreft, dat een gebeurlijke onderlinge vergelijking van de verdiensten der sollicitanten gebrekkig is geweest, zij er om te beginnen aan herinnerd, dat het tot aanstelling bevoegd gezag bij bevorderingen over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt en dat het Gerecht zijn controle moet beperken tot de vraag, of het tot aanstelling bevoegd gezag niet op kennelijk onjuiste wijze van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt (zie bij voorbeeld het arrest van het Hof van 16 december 1987, zaak 111/86, Delauche, Jurispr. 1987, blz. 5345, 5362).
52 Dienaangaande voert verzoeker aan, dat de persoonsdossiers van de sollicitanten niet volledig aan het selectiecomité en aan het tot aanstelling bevoegd gezag zijn voorgelegd. Ingevolge artikel 45, lid 1, van het Statuut, is evenwel voor een onderlinge vergelijking uitsluitend de overlegging van de beoordelingsrapporten van de ambtenaren vereist. Dat de rest van de persoonsdossiers van de sollicitanten niet is overgelegd, betekent dus niet, dat de onderlinge vergelijking van hun verdiensten op een onvolledige of ontoereikende grondslag heeft plaatsgevonden. Bovendien is de beoordeling van de respectieve verdiensten der sollicitanten gebaseerd op een hele reeks gegevens, die niet per se in de persoonsdossiers zijn te vinden.
53 Wat het gestelde gebrek aan objectiviteit van het tot aanstelling bevoegd gezag ten opzichte van verzoeker betreft, zij erop gewezen, dat de in dit verband door verzoeker genoemde aanwijzingen vooral betrekking hebben op verschillen van mening, inzonderheid op juridisch vlak, die in het verleden tussen hem en het tot aanstelling bevoegd gezag hebben bestaan, en op vruchteloze pogingen van verzoeker om een gesprek te hebben met de secretaris-generaal. Al kan niet worden uitgesloten, dat verschillen van opvatting zoals die waarop verzoeker zinspeelt, een zekere irritatie kunnen wekken bij een meerdere ten opzichte van een ondergeschikte, toch behoeft dit op zich niet te betekenen, dat de meerdere niet langer in staat is de verdiensten van de betrokken ambtenaar objectief te beoordelen. De door verzoeker aangevoerde omstandigheden zijn geen concrete elementen waaruit men zou kunnen afleiden dat het de secretaris-generaal van de Raad aan objectiviteit te zijnen aanzien heeft ontbroken. Het optreden van het selectiecomité in de betrokken bevorderingsprocedure en de omstandigheid dat het tot aanstelling bevoegd gezag het voorstel van dit comité heeft gevolgd, vallen bovendien niet te rijmen met de stelling, dat de afwijzing van verzoekers sollicitatie het gevolg is van vooroordelen van het tot aanstelling bevoegd gezag te zijnen aanzien.
54 Ook beklaagt verzoeker zich erover, dat zijn verdiensten, inzonderheid als gemachtigde van de instelling voor het Hof, niet zijn erkend en niet naar waarde zijn geschat. De aanwijzingen die hij in dit verband aanvoert, en die enerzijds zijn wetenschappelijke en onderwijsactiviteiten betreffen, waarvoor de Raad hem niet de gewenste faciliteiten heeft verleend, en anderzijds de door de Raad ter uitvoering van 's Hofs arrest in zaak 85/82 genomen maatregelen, leveren evenwel geen grond op voor de vaststelling dat verzoekers werk als "van generlei waarde" zou zijn beschouwd. Dat de hiërarchieke meerderen van een hoge ambtenaar van mening zijn, dat het dienstbelang zich verzet tegen een buitengewoon verlof om in het buitenland onderwijs te geven, is immers geenszins onverenigbaar met een zeer gunstige beoordeling van zijn capaciteiten en prestaties. Er bestaat verder geen enkel verband tussen de door de instelling aan het arrest van 30 juni 1983 in zaak 85/82, waarin verzoeker partij was, verbonden gevolgen en de beoordeling van zijn beroepsbezigheden als gemachtigde van de instelling. De aanwijzingen waarover verzoeker het heeft, bewijzen dus niet, dat zijn verdiensten als gemachtigde van de Raad voor het Hof bij de onderlinge vergelijking der verdiensten buiten beschouwing zijn gebleven.
55 Ook de door de Raad in zijn verweerschrift gebruikte uitdrukking "bijzondere technische opleiding" betekent niet, dat verzoekers werkzaamheden als gemachtigde voor het Hof door het tot aanstelling bevoegd gezag zijn miskend. Deze uitdrukking wijst er veeleer op, dat het tot aanstelling bevoegd gezag bij de onderlinge vergelijking der verdiensten meer belang heeft gehecht aan andere kwalificaties dan die welke vereist zijn om de taak van gemachtigde van een instelling voor de communautaire rechter behoorlijk te vervullen. Een dergelijke afweging van de vereiste kwalificaties behoort tot de beoordelingsvrijheid van het tot aanstelling bevoegd gezag bij de onderlinge vergelijking van de verdiensten van de kandidaten voor een bevordering.
56 Ten slotte zij erop gewezen, dat verzoeker, hoewel zijn raadsman het in het procesdossier opgenomen laatste beoordelingsrapport van R. B. heeft kunnen inzien, ter terechtzitting geen enkel hieraan ontleend argument heeft ingebracht tegen de juistheid van de onderlinge vergelijking.
57 Uit een en ander volgt, dat uit de door verzoeker aangevoerde gegevens niet blijkt dat zich onregelmatigheden hebben voorgedaan bij de onderlinge vergelijking van de verdiensten van de kandidaten.
58 Voorts stelt verzoeker, dat de bestreden aanstelling nietig moet worden verklaard omdat het Gerecht niet over voldoende gegevens beschikt om de wettigheid ervan te toetsen. Door het Gerecht daarom verzocht, heeft de Raad evenwel documenten overgelegd waaruit, in samenhang met de antwoorden op vragen van het Gerecht ter terechtzitting, blijkt dat het tot aanstelling bevoegd gezag de vereisten van artikel 45, lid 1, van het Statuut heeft nageleefd. Verzoeker heeft niets concreets aangevoerd tegen de inhoud van deze documenten of tegen de juistheid van wat de gemachtigde van de Raad ter terechtzitting heeft verklaard. Bij gebreke van enig door precieze beweringen of een concreet bewijsaanbod gestaafd bezwaar, zijn de feitelijke gegevens waarover het in casu beschikt, voor het Gerecht voldoende om de wettigheid van het bestreden besluit te toetsen. Het bestreden besluit behoeft dus niet op deze grond nietig te worden verklaard.
59 Evenmin is er reden om in te gaan op het verzoek van verzoeker om de verschijning in persoon van de secretaris-generaal van de Raad ter terechtzitting te gelasten. Enkel indien verzoeker concrete, nauwkeurig omschreven feiten had aangevoerd die in tegenspraak zijn met wat de Raad heeft verklaard, zou het Gerecht tot maatregelen van instructie hebben moeten overgaan.
Misbruik van bevoegdheid
60 Verzoeker stelt, dat de secretaris-generaal van de Raad op zijn laatst in 1989 of 1990 zich vast had voorgenomen "Schloh nooit te bevorderen", en dat hij sindsdien steeds dienovereenkomstig had gehandeld. Volgens verzoeker was het bestreden besluit dus niet ingegeven door het dienstbelang, doch door de wil van de secretaris-generaal om hem niet te bevorderen, omdat hij "hem in slechte herinnering had" wegens de twee bovenvermelde incidenten (te weten de later ingetrokken bevordering van de kabinetschef van de secretaris-generaal tot A 2-ambtenaar, en zaak 85/82), waar verzoeker bij betrokken was en waarin de secretaris-generaal "op juridisch vlak het onderspit had gedolven".
61 In zijn verzoekschrift heeft verzoeker erop gewezen, dat het besluit tot afwijzing van zijn klacht in feite slechts twee regels telde en dus "nauwelijks" was gemotiveerd. Onder verwijzing naar het arrest van 30 juni 1983 (Schloh, reeds aangehaald) stelt hij, dat de beknoptheid van dit antwoord, waarin niet wordt ingegaan op zijn aantijgingen betreffende het negeren van het recht en van het Hof van Justitie, en evenmin op zijn verwijt dat de handelwijze van het tot aanstelling bevoegd gezag "nicht anstaendig" (onbehoorlijk) was, een aanwijzing vormt voor misbruik van bevoegdheid.
62 Vervolgens beschrijft verzoeker de context waarin het tot bevordering van R. B. is gekomen, ten betoge dat tot deze bevordering is besloten met een ander doel dan het dienstbelang. Hij wijst erop, dat toen in juli 1989 bleek dat er geen kandidaat was voor overgang naar het bij de juridische dienst opengevallen A 2-ambt, de directeur-generaal, Fornasier, had besloten de betrokken dienst tijdelijk te reorganiseren, namelijk in drie teams (elk onder leiding van een A 2-ambtenaar) in plaats van vier. Het team onder leiding van A. Dashwood was toen belast met landbouwkwesties en institutionele kwesties. Fornasier had beslist, dat verzoeker zich binnen dat team bezig diende te houden met juridische vragen inzake landbouw. Volgens verzoeker was deze maatregel als tijdelijke oplossing aanvaardbaar, doch als definitieve oplossing in strijd met het belang van de dienst, omdat het werkvolume in deze twee materies, die in de voorafgaande 25 jaar nooit onder één teamleider hadden geressorteerd, deze laatste belette zich met een aantal belangrijke dossiers bezig te houden.
63 Volgens verzoeker werd er destijds van uitgegaan, dat de aanstelling van een vierde A 2-ambtenaar het weer mogelijk zou maken de taken van de juridische dienst over vier teams te verdelen, en dat de institutionele kwesties en die betreffende de landbouw opnieuw zouden worden gescheiden. Dit is evenwel niet gebeurd. Alleen immigratievragen en enkele andere materies waren aan R. B. toevertrouwd, die hoofdzakelijk belast was met de juridische vragen voortvloeiend uit de Duitse vereniging. Deze taken kwamen volgens verzoeker overeen met die waarmee R. B. reeds belast was geweest toen hij nog bij het directoraat-generaal Buitenlandse betrekkingen werkzaam was, waar hij zich onder meer met de Oosteuropese problemen bezig had gehouden. Verzoeker betoogt, dat de juridische dienst bij de vorige uitbreiding niet belast was geweest met de wetgeving die door de geografische uitbreiding van de Gemeenschap noodzakelijk was geworden. Ook de taken in verband met de intergouvernementele conferenties over de economische en monetaire unie en over de politieke unie, die aan R. B. waren opgedragen, hadden vroeger onder het directoraat-generaal Buitenlandse betrekkingen geressorteerd.
64 Volgens hem blijkt uit het voorgaande, dat de secretaris-generaal "de Duitse vereniging heeft gebruikt" om R. B. met zijn vroegere taken naar de juridische dienst over te plaatsen, zodat hij kon zeggen dat er geen A 2-ambt meer vacant was en verzoeker niet kon worden bevorderd. Verzoeker leidt hieruit af, dat de secretaris-generaal zijn ruime beslissingsbevoegdheid heeft gebruikt met een ander doel dan waartoe zij hem was verleend, zodat de aanstelling van R. B. in feite neerkomt op misbruik van bevoegdheid.
65 De Raad antwoordt hierop, dat de door verzoeker vermelde aanwijzingen niet bewijzen, dat het tot aanstelling bevoegd gezag een doel voor ogen had dat los stond van het dienstbelang, en geen enkel verband houden met de vragen waarover het Gerecht zich heeft uit te spreken.
66 Meer in het bijzonder is de Raad van mening, dat de beknoptheid van het antwoord op verzoekers klacht niet op misbruik van bevoegdheid wijst. Hij beklemtoont, dat de situatie in casu verschilt van die in zaak 85/82, waar de afwezigheid van elke verwijzing in de afwijzing van de klachten van verscheidene ambtenaren naar de door hen aangevoerde specifieke grief, dat de betrokken A 2-post was "bezet door middel van parachutage van een Luxemburgse ambtenaar", was aanvaard als een aanwijzing voor misbruik van bevoegdheid. Terwijl in die zaak zowel verzoeker als een andere ambtenaar in hun klachten spraken van schending van een rechtsbeginsel bij de betrokken aanstelling, ontbreekt een dergelijke verwijzing in verzoekers klacht in de onderhavige zaak.
67 Wat het dienstbelang betreft, betoogt de Raad, dat verzoeker de interne reorganisatie van de juridische dienst door de directeur-generaal in 1989 verkeerd heeft geïnterpreteerd. De Raad beklemtoont, dat dat besluit is genomen door de directeur-generaal in het normale kader van zijn beheersbevoegdheid en niet door het tot aanstelling bevoegd gezag van de Raad. Hij herinnert eraan, dat de kwestie van de Duitse vereniging in juli 1989, toen het besluit tot reorganisatie van de juridische dienst werd genomen, niet aan de orde was. In de loop van de aanwervingsprocedure was de Duitse vereniging evenwel tot de mogelijkheden gaan behoren en hadden de vragen van de economische en monetaire unie en van de politieke unie aan betekenis gewonnen. Na de aanstelling van R. B. was de directeur-generaal tot de conclusie gekomen, dat een klein team in nauwe samenwerking met hemzelf belast diende te worden met deze uiterst gewichtige en juridisch delicate aangelegenheden.
68 Volgens de Raad geeft verzoeker een verkeerde interpretatie van de feiten wanneer hij stelt, dat het tot aanstelling bevoegd gezag in juli 1989 het aantal teams bij de juridische dienst van vier tot drie heeft teruggebracht ten einde later een team te kunnen instellen dat belast was met de door de geografische uitbreiding van de Gemeenschap noodzakelijk geworden wetgeving, voor welke taak hij (verzoeker) niet de vereiste ervaring zou hebben gehad.
69 In dupliek heeft de Raad aangeboden, memoranda van R. B. aan het Gerecht voor te leggen ten blijke dat deze laatste daadwerkelijk belast is met juridische werkzaamheden die niet aan hem zouden zijn opgedragen indien hij in zijn vorige dienst was gebleven.
70 Om te bepalen of het onderhavige, aan misbruik van bevoegdheid ontleende middel gegrond is, moet worden onderzocht of het tot aanstelling bevoegd gezag in het kader van de onderlinge vergelijking van de kandidaten voor bevordering zijn beoordelingsvrijheid heeft gebruikt met een ander doel dan waartoe het die bevoegdheid heeft gekregen, namelijk in de vacature te voorzien door de aanstelling van de kandidaat die het meest geschikt is voor de aan het ambt verbonden werkzaamheden.
71 Volgens verzoeker was het het tot aanstelling bevoegd gezag er in werkelijkheid om te doen, verzoekers bevordering tot de rang A 2 te voorkomen. De aanwijzingen die verzoeker hiervoor vermeldt, betreffen in de eerste plaats feiten waaruit blijkt, dat er tussen verzoeker en de secretaris-generaal verschillen van mening op juridisch gebied bestonden met betrekking tot enkele gevallen waarin verzoekers standpunt ten slotte heeft gezegevierd. Al valt niet uit te sluiten, dat zulke omstandigheden bij een hiërarchieke meerdere tot een zekere irritatie ten opzichte van een ondergeschikte kunnen leiden, toch behoeft dit op zich niet te betekenen, dat de secretaris-generaal zich in casu heeft laten leiden door persoonlijke wrevel ten opzichte van verzoeker en aldus een beslissing heeft genomen die in strijd was met het dienstbelang en met de toepasselijke bepalingen. Verzoeker heeft geen enkele concrete omstandigheid aangevoerd waaruit kon blijken van een vooroordeel van de secretaris-generaal te zijnen opzichte, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het bestreden besluit zou zijn genomen om zijn bevordering te verhinderen.
72 Wat vervolgens de beknoptheid van het antwoord op verzoekers klacht betreft, zij erop gewezen, dat er geen algemene regel bestaat die zegt, dat een beknopt of zelfs een ontbrekend antwoord op een klacht een aanwijzing voor een onregelmatigheid is.
73 In de eerste plaats volgt uit artikel 90, lid 2, van het Statuut, dat het tot aanstelling bevoegd gezag niet verplicht is een klacht te beantwoorden. In de tweede plaats is het tot aanstelling bevoegd gezag volgens artikel 90, lid 2, weliswaar gehouden een uitdrukkelijk besluit tot afwijzing van een klacht tegen een bevorderingsbesluit met redenen te omkleden (zie bij voorbeeld de arresten van het Hof van 30 oktober 1974, zaak 188/73, Grassi, Jurispr. 1974, blz. 1099, en 7 februari 1990, zaak 343/87, Culin, Jurispr. 1990, blz. I-225), doch behoeft het de afgewezen kandidaat niet in kennis te stellen van het resultaat van de vergelijking van zijn verdiensten met die van de bevorderde kandidaat. Het tot aanstelling bevoegd gezag kan zich bepalen tot een motivering inzake het al dan niet voorhanden zijn van de wettelijke voorwaarden waarvan het Statuut de regelmatigheid der bevordering afhankelijk stelt (zie arrest van het Hof van 30 oktober 1974, Grassi, reeds aangehaald, en, wat de motivering van een besluit krachtens artikel 50 van het Statuut betreft, arrest van het Hof van 11 mei 1978, zaak 34/77, Oslizlok, Jurispr. 1978, blz. 1099, 1113).
74 In zijn nota van 14 november 1990 houdende afwijzing van verzoekers klacht refereerde de secretaris-generaal, na te hebben verklaard dat de klacht grondig was onderzocht, aan de bewoordingen van artikel 45, lid 1, van het Statuut. Hij beklemtoonde, dat het tot aanstelling bevoegd gezag bij bevorderingen over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt, en verklaarde zich nauwgezet aan de voorschriften van artikel 45 van het Statuut te hebben gehouden. Op basis van deze overwegingen van algemene aard kwam hij tot de conclusie, dat hij aan verzoekers klacht geen gunstig gevolg kon geven.
75 De nota bevat dus geen gegevens betreffende de concrete omstandigheden van de onderhavige zaak ter rechtvaardiging van de afwijzing van de klacht. Wel bevat zij de duidelijke verklaring van het tot aanstelling bevoegd gezag, dat de verdiensten en de beoordelingsrapporten van de kandidaten onderling zijn vergeleken. Impliciet doch ondubbelzinnig blijkt uit deze nota tevens, dat als gevolg van dit onderzoek de keuze op een andere kandidaat dan verzoeker is gevallen.
76 Vastgesteld moet dus worden, dat de in de nota van 14 november 1990 vervatte motivering, hoe beknopt ook, voldoet aan het vereiste van artikel 90, lid 2, van het Statuut. De beknoptheid van deze motivering kan dus geen aanwijzing voor misbruik van bevoegdheid zijn.
77 Dat het Hof in zaak 85/82 tot een andere beoordeling kwam, had te maken met de bijzondere omstandigheden van die zaak, waarin de verwerende instelling stilzwijgend voorbij was gegaan aan concrete, specifieke en gedetailleerde verwijten met betrekking tot de in geding gebrachte onregelmatigheid (arrest van 30 juni 1983, zaak 85/82, Schloh, Jurispr. 1983, blz. 2105, 2129 e.v.). In casu gaat het echter om het ontbreken van een specifiek antwoord op verzoekers appreciatie van gedragingen van het tot aanstelling bevoegd gezag. Dat dit zich in zijn antwoord op verzoekers klacht van commentaar op deze appreciatie heeft onthouden, vormt geen aanwijzing voor misbruik van bevoegdheid.
78 De omstandigheden van de reorganisatie van de juridische dienst, eerst om een oplossing te vinden voor het ontbreken van een vierde directeur, en vervolgens om rekening te houden met de nieuwe taken waarmee deze dienst werd belast, leveren evenmin grond op voor de onderstelling, dat de taken niet opnieuw zijn verdeeld met het oog op het dienstbelang, doch om de mogelijkheid van een bevordering van verzoeker uit te sluiten. De eerste reorganisatie, waarbij het aantal teams tot drie werd teruggebracht, vindt haar verklaring in de bevordering van een voormalig directeur; van enige discriminatie van verzoeker daarbij blijkt niets. De tweede reorganisatie is een gevolg van de bestreden bevordering naar een ambt waarvan de kennisgeving van vacature geen enkele verwijzing naar de Duitse vereniging bevatte. Verzoekers stelling, dat het tot aanstelling bevoegd gezag van deze maatregel gebruik heeft gemaakt om niet hem, maar R. B. te bevorderen, is dus niet met objectieve gegevens gestaafd.
79 In deze omstandigheden zij eraan herinnerd, dat slechts van misbruik van bevoegdheid kan worden gesproken wanneer de verzoeker objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen aanvoert waaruit blijkt van het bestaan ervan (zie het arrest van het Hof van 13 juli 1989, gevoegde zaken 361/87 en 362/87, Caturla-Poch, Jurispr. 1989, blz. 2471, 2489, en het arrest van het Gerecht van 27 juni 1991, zaak T-156/89, Valverde Mordt, Jurispr. 1991, blz. II-407, r.o. 120). Uit wat voorafgaat volgt, dat de door verzoeker aangevoerde aanwijzingen aan deze vereisten niet voldoen. Vastgesteld dient dus te worden, dat het middel dat verzoeker aan misbruik van bevoegdheid ontleent, niet genoegzaam is bewezen.
80 Tevens zij erop gewezen, dat voor zover bij het einde van de schriftelijke procedure nog twijfels bestonden omtrent het door het tot aanstelling bevoegd gezag met het bestreden besluit nagestreefde doel, het Gerecht op grond van de door de Raad desgevraagd overgelegde documenten betreffende de bij de onderlinge vergelijking van de verdiensten van de kandidaten gevolgde werkwijze, inzonderheid de respectieve beoordelingsrapporten, heeft kunnen vaststellen dat die twijfels ongegrond waren.
81 Uit een en ander volgt, dat ook het middel ontleend aan misbruik van bevoegdheid faalt.
De motivering van het bestreden besluit
82 Tijdens de schriftelijke behandeling heeft verzoeker zich tot staving van zijn aan misbruik van bevoegdheid ontleend middel ertoe bepaald, te verwijzen naar de "zeer summiere" motivering van het besluit tot afwijzing van zijn klacht. Eerst ter terechtzitting heeft hij voorts gesteld, dat dit besluit niet met redenen was omkleed. Dienaangaande heeft de Raad reeds tijdens de schriftelijke behandeling onder verwijzing naar het arrest van 11 mei 1978 (zaak 34/77, Oslizlok, reeds aangehaald) betoogd, dat de nota waarbij de klacht werd afgewezen, een toereikende motivering behelst die aan de vereisten van artikel 190 EEG-Verdrag voldoet.
83 Ingevolge artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht mogen nieuwe middelen in de loop van het geding niet worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Wel dient het Gerecht ambtshalve na te gaan, of de Raad aan het vereiste van motivering van zijn besluit heeft voldaan (zie de arresten van het Gerecht van 20 september 1990, zaak T-37/89, Hanning, Jurispr. 1990, blz. II-463, en 13 december 1990, zaak T-115/89, González Holguera, Jurispr. 1990, blz. II-831).
84 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat de motivering in de nota van 14 november 1990 houdende afwijzing van verzoekers klacht, voldeed aan de vereisten van artikel 90, lid 2, van het Statuut (zie r.o. 73-76 supra).
85 Subsidiair wijst het Gerecht erop, dat de desgevraagd door de Raad na de schriftelijke behandeling overgelegde nota van 23 mei 1990 nadere aanwijzingen oplevert met betrekking tot de motivering, met name doordat daarin wordt gesproken over het aan de "management"-kwaliteiten van de kandidaten gehechte belang. Ter terechtzitting is verzoeker in kennis gesteld van de aard van de documenten op basis waarvan de keuze is geschied. Hij heeft kennis kunnen nemen van de conclusie van het mondeling verslag van het selectiecomité, dat R. B. voor bevordering heeft voorgedragen. Zijn vertegenwoordiger heeft voorts toegang gehad tot het laatste beoordelingsrapport van R. B. Verzoeker was aldus in staat opmerkingen te formuleren over de onderlinge vergelijking door het tot aanstelling bevoegd gezag, en zijn middelen desbetreffend verder uit te werken. Tevens hebben de door de Raad meegedeelde gegevens het Gerecht in staat gesteld de regelmatigheid van het bestreden besluit te toetsen, voor zover dat te rijmen valt met de ruime beoordelingsvrijheid van het tot aanstelling bevoegd gezag inzake bevorderingen.
86 Onder deze omstandigheden moet worden vastgesteld, dat een eventuele ontoereikende motivering van het bestreden besluit hoe dan ook is gedekt door de door de Raad ter terechtzitting verstrekte toelichtingen en niet kan worden aangemerkt als een schending van een wezenlijk vormvoorschrift, die op zich de nietigverklaring van de afwijzing van verzoekers sollicitatie zou rechtvaardigen (zie bij voorbeeld het arrest van het Hof van 8 maart 1988, gevoegde zaken 64/86, 71/86-73/86 en 78/86, Sergio, Jurispr. 1988, blz. 1399, 1440).
Beslissing inzake de kosten
Kosten
87 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Ingevolge artikel 88 van het Reglement evenwel blijven in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, te hunnen laste. Bijgevolg dient elk der partijen in de eigen kosten te worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy