Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren - Beroep - Voorafgaande administratieve klacht - Termijnen - Van openbare orde
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
2. Ambtenaren - Beroep - Voorafgaande administratieve klacht - Niet tijdig betwist stilzwijgend besluit tot afwijzing van verzoek - Later uitdrukkelijk besluit - Bevestigend besluit - Verval van recht
(Ambtenarenstatuut, art. 90, lid 1, en 91)
Samenvatting
1. De in de artikelen 90 en 91 Ambtenarenstatuut bedoelde klacht- en beroepstermijnen, die zijn ingesteld ter verzekering van de duidelijkheid en zekerheid der rechtssituaties, zijn van openbare orde, zodat partijen of de rechter er niet vrijelijk over kunnen beschikken.
De omstandigheid dat een instelling niet erop heeft gewezen dat de klacht te laat was ingediend, kan het Gerecht niet ontslaan van zijn verplichting te verifiëren of de statutaire termijnen in acht zijn genomen.
2. Daar een uitdrukkelijk besluit tot afwijzing van een verzoek, dat afkomt na een stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van hetzelfde verzoek, een louter bevestigende handeling is, geeft het, nu een statutaire bepaling in die zin ontbreekt, de ambtenaar die het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van zijn verzoek niet tijdig heeft betwist, niet de mogelijkheid de precontentieuze procedure voort te zetten door voor hem een nieuwe klachttermijn te doen ingaan. Daardoor zou immers afbreuk worden gedaan aan de rechtszekerheid, die verlangt dat de verzoeken en beroepen van de ambtenaren en personeelsleden van de Gemeenschappen door nauwkeurige, strikt te interpreteren regels worden beheerst.
Partijen
In zaak T-15/91,
J. Bollendorff, ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Bertrange (Luxemburg), vertegenwoordigd door L. Mosar, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende aldaar te diens kantore, Rue Notre-Dame 8,
verzoekster,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door zijn juridisch adviseur J. Campinos en M. Peter en J. Pantalis, leden van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij zijn secretariaat-generaal, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het stilzwijgend genomen besluit van het Parlement tot afwijzing van verzoeksters klacht van 10 augustus 1990, tot verkrijging van een rechterlijk bevel tot herindeling van verzoekster of, subsidiair, tot inleiding van een intern vergelijkend onderzoek, alsmede tot veroordeling van het Parlement tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die verzoekster stelt te hebben geleden,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, H. Kirschner en D. Barrington, rechters,
griffier: B. Pastor, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 9 januari 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten en het procesverloop
1 Verzoekster trad op 24 oktober 1977 in dienst bij het Europees Parlement (hierna: "Parlement") als hulpfunctionaris bij het directoraat-generaal Voorlichting en Public relations. Na te zijn geslaagd voor intern vergelijkend onderzoek nr. C/246, kreeg zij op 1 april 1980 haar aanstelling in vaste dienst in de rang C 3 en werd zij tewerkgesteld bij de diensten van het Parlement te Luxemburg. Op 1 april 1982 werd zij bevorderd naar de rang C 2.
2 In de aankondiging van intern vergelijkend onderzoek nr. C/246 van 7 januari 1982 werd de aard van de functie omschreven als volgt:
"Uitvoerende werkzaamheden van administratieve aard, betreffende onder meer:
° ontvangst van bezoekers, met name uit Latijns Amerika;
° kantoorwerkzaamheden, waaronder typewerk;
Deze werkzaamheden vereisen ervaring en oordeelsvermogen, alsook gevoel voor public relations en contactuele eigenschappen.
Voor dit ambt kunnen dienstreizen, met name naar Straatsburg en Brussel, noodzakelijk zijn."
3 Toen zij deze omschrijving vergeleek met de omschrijving van haar werkzaamheden in haar beoordelingsrapporten sedert haar vaste aanstelling in 1980, kwam verzoekster tot de conclusie, dat het belang van de haar opgedragen werkzaamheden voortdurend was toegenomen. Zij meende hiervoor bevestiging te vinden in het feit, dat in kennisgeving van vacature nr. 5363 van 21 september 1987, betreffende een ambt binnen dezelfde afdeling doch met standplaats Brussel, dat ambt in rang B 3/2 was ingedeeld, ofschoon de betrokken werkzaamheden volgens verzoekster vergelijkbaar en zelfs identiek waren met de hare, terwijl zij op dat moment nog steeds in de rang C 2 was ingedeeld.
4 De functieomschrijving in kennisgeving van vacature nr. 5363 luidt als volgt:
"Ambtenaar die in het kader van algemene richtlijnen en onder het gezag van het hoofd van het secretariaat belast is met moeilijke en ingewikkelde werkzaamheden van uitvoerende en controlerende aard met betrekking tot de uitvoering van een gezamenlijk programma van het Parlement en de Commissie voor het ontvangen van bezoekers uit bepaalde derde landen, en met name:
° voorbereiding van individuele programma' s voor bezoekers (reisroutes, reservering van hotels en biljetten, contacten met externe informatiebureaus enz.);
° boekhouding en financiële werkzaamheden (ramingen, betalingen, maandrekeningen enz.);
° administratieve werkzaamheden (voorbereiden van vergaderingen van het directiecomité, jaarverslag, statistieken en opstellen van nota' s, brieven enz.);
° secretariaatswerkzaamheden (stenotypie, klasseren enz.).
Deze werkzaamheden vereisen aanleg voor public relations, verantwoordelijkheidszin, initiatief en de orde en methode die noodzakelijk zijn voor de harmonieuze werking van een klein team."
5 Verzoekster diende daarom op 10 november 1987 een eerste verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, Ambtenarenstatuut in, waarin zij verzocht dat "het ambt dat ik thans te Luxemburg vervul en dat na intern vergelijkend onderzoek nr. C/246 in de rang C 3/2 is ingedeeld, wordt omgezet in een ambt van de rang B 3/2". Zij vervolgde, "dat [zij zich] bij uitblijven van een gunstig antwoord van de administratie gedwongen [zou] zien, een administratieve klacht in de zin van artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut in te dienen."
6 Op 5 januari 1988 wees de secretaris-generaal van het Parlement dit verzoek af, op grond dat de herwaardering van een ambt niet automatisch en noodzakelijk de bevordering meebrengt van de ambtenaar die dat ambt vervult. Hij voegde daaraan toe, dat van herwaardering van het betrokken ambt hoe dan ook geen sprake kon zijn en dat overgang naar een andere categorie slechts mogelijk was via een vergelijkend onderzoek.
7 Nadien constateerde verzoekster, dat haar op 22 februari 1988 definitief vastgesteld beoordelingsrapport over de periode 1985-1986 en haar op 16 november 1989 vastgesteld beoordelingsrapport over de periode 1987-1988 een bevestiging gaven van het feit dat haar werkzaamheden waren uitgebreid.
8 Het feit dat zij tijdens een ziekteverlof door een ambtenaar van dezelfde afdeling, doch van categorie B was vervangen, sterkte haar in die overtuiging.
9 Verzoekster diende derhalve op 28 november 1989 een nieuw verzoek in, dat ertoe strekte, "ambt 2337 (ten minste tot de rang C 1) te herwaarderen en in voorkomend geval een intern vergelijkend onderzoek B in te leiden". Opmerking verdient, dat zij dit verzoek de vorm had gegeven van een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut.
10 Op 17 mei 1990 wees de secretaris-generaal van het Parlement dit verzoek ° dat verzoekster volgens hem, nu een bezwarend administratief besluit ontbrak, ten onrechte als een klacht had aangemerkt ° af, op grond dat "het Ambtenarenstatuut niet voorziet in de herwaardering van ambten noch in de instelling van vergelijkende onderzoeken op verzoek van belanghebbenden."
11 Hij voegde daaraan toe: "Dergelijke besluiten kunnen in voorkomend geval worden genomen na objectieve evaluatie van de beroepsinhoud van het ambt. Na een grondig onderzoek van uw geval is gebleken, dat de werkzaamheden die u moet verrichten, niet overeenkomen met een hogere loopbaan dan die waarin u thans een ambt vervult."
12 Op 10 augustus 1990 diende verzoekster een klacht in tegen dat besluit.
13 Op 13 februari 1991 weigerde de secretaris-generaal van het Parlement uitdrukkelijk het ambt van verzoekster te herwaarderen en wees hij haar klacht af. Opgemerkt zij, dat een stilzwijgend besluit tot afwijzing moet worden geacht op 10 december 1990 te zijn genomen.
14 Bij verzoekschrift ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 8 maart 1991, heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het stilzwijgend besluit tot afwijzing van haar klacht van 10 augustus 1990.
15 De schriftelijke procedure heeft een normaal verloop gehad en is op 12 augustus 1991 beëindigd.
16 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht het Parlement op 28 november 1991 verzocht om toelichtingen over de organisatie en het budgettair beheer van het programma voor bezoeken aan de Europese Gemeenschap en om overlegging van het organigram van de afdeling "Bezoeken en seminaries" van het directoraat-generaal Voorlichting en Public relations. Bij brief van 16 december 1991 heeft het Parlement de gevraagde toelichtingen verstrekt en het organigram overgelegd.
17 Het Gerecht heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
Conclusies van partijen
18 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep naar de vorm en als tijdig ingesteld ontvankelijk te verklaren;
° nietig te verklaren het op 10 december 1990 stilzwijgend genomen besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag tot afwijzing van de door verzoekster op 10 augustus 1990 ingediende klacht in de zin van artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut;
° primair, te verklaren dat verzoekster voor de door haar bij de instelling verrichte werkzaamheden recht heeft op een ambt van de rang C 1 met terugwerkende kracht tot de dag van indiening van het verzoek om herwaardering (28 november 1989) dan wel tot een door het Gerecht te bepalen andere datum; subsidiair, te gelasten dat ten behoeve van verzoekster een intern vergelijkend onderzoek B wordt ingeleid;
° te verklaren dat verzoekster in ieder geval recht heeft op betaling, met terugwerkende kracht tot de dag van indiening van het verzoek om herwaardering (28 november 1989) dan wel tot een door het Gerecht te bepalen andere datum, van het verschil tussen het salaris dat zij daadwerkelijk sinds die datum heeft ontvangen, en het salaris dat overeenkomt met een indeling in een ambt van de rang C 1;
° het Europees Parlement te veroordelen tot betaling van moratoire interessen op de voet van 8 % 's jaars over het bedrag van dat salarisverschil, vanaf 28 november 1989 dan wel vanaf een door het Gerecht te bepalen andere datum, tot de dag van vereffening;
° het Europees Parlement te veroordelen om verzoekster 50 000 BFR te betalen als vergoeding voor de door haar geleden immateriële schade;
° onder voorbehoud van verzoeksters recht om in de loop van de schriftelijke behandeling elk gewenst bewijsaanbod te formuleren.
19 Het Parlement concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
° voor zoveel als nodig, het met betrekking tot alle vorderingen te verwerpen;
° kosten rechtens.
De vordering tot nietigverklaring van het bestreden besluit
De ontvankelijkheid
De beroepstermijnen
20 Overeenkomstig artikel 113 van zijn Reglement voor de procesvoering wil het Gerecht in de eerste plaats onderzoeken, of de instelling van het onderhavige beroep, los van de door partijen aangevoerde middelen, niet afstuit op een niet-ontvankelijkheidsmiddel van openbare orde.
21 In casu dient te worden nagegaan, of de in de artikelen 90 en 91 Ambtenarenstatuut gestelde termijnen daadwerkelijk in acht zijn genomen.
22 Volgens vaste rechtspraak zijn die termijnen immers van openbare orde en kunnen partijen of de rechter er niet vrijelijk over beschikken, aangezien zij ter verzekering van de duidelijkheid en zekerheid der rechtssituaties zijn ingesteld (zie met name arresten Hof van 13 november 1986, zaak 232/85, Becker, Jurispr. 1986, blz. 3401, en 14 juni 1988, zaak 161/87, Muysers, Jurispr. 1988, blz. 3037, alsook arresten Gerecht van 7 februari 1991, zaak T-58/89, Williams, Jurispr. 1991, blz. II-77, en 17 oktober 1991, zaak T-129/89, Offermann, Jurispr. 1991, blz. II-855).
23 In casu moet het verzoek van 28 november 1989 ° door verzoekster ten onrechte als klacht aangeduid ° bij gebreke van enig antwoord vanwege het Parlement worden geacht op 28 maart 1990 stilzwijgend te zijn afgewezen overeenkomstig artikel 90, lid 1, Ambtenarenstatuut.
24 Volgens artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut beschikte verzoekster toen over een termijn van drie maanden om tegen dat stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing een klacht in te dienen.
25 Het staat echter onomstreden vast, dat de klacht van verzoekster dateert van 10 augustus 1990 en dus niet vóór 28 juni 1990, de datum waarop bedoelde termijn afliep, is ingediend.
26 Opgemerkt zij nog, dat het antwoord van de secretaris-generaal van het Parlement van 17 mei 1990, waarmee het verzoek van 28 november 1989 uitdrukkelijk werd afgewezen, een loutere bevestiging vormde van het eerdere stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing en dus de verstreken klachttermijn geenszins opnieuw kon doen ingaan (zie met name arrest Gerecht van 17 oktober 1991, zaak T-129/89, Offermann, reeds aangehaald).
27 Ofschoon volgens artikel 91, lid 3, laatste alinea, Ambtenarenstatuut de beroepstermijn opnieuw ingaat wanneer een uitdrukkelijk besluit tot afwijzing van een klacht is afgekomen na het stilzwijgend genomen afwijzende besluit, is het bij gebreke van een uitdrukkelijke bepaling in die zin niet mogelijk genoemde bepaling op overeenkomstige wijze toe te passen op de in artikel 90, lid 1, Ambtenarenstatuut geregelde precontentieuze fase van het verzoek, omdat dan afbreuk zou worden gedaan aan de rechtszekerheid, die verlangt dat de verzoeken en beroepen van de ambtenaren en andere personeelsleden door nauwkeurige, strikt te interpreteren regels worden beheerst.
28 Ook de omstandigheid dat verweerder noch in zijn schrifturen noch in zijn pleidooi heeft aangevoerd, dat verzoeksters klacht van 10 augustus 1990 te laat is ingediend, kan het Gerecht niet ontslaan van zijn verplichting te verifiëren of de statutaire termijnen in acht zijn genomen (zie ook arresten Gerecht van 6 december 1990, zaak T-130/89, B., en zaak T-6/90, Petrilli, Jurispr. 1990, blz. II-761, resp. II-765; 11 juli 1991, zaak T-19/90, von Hoessle, Jurispr. 1991, blz. II-615; en 25 september 1991, zaak T-54/90, Lacroix, Jurispr. 1991, blz. II-749).
29 Het Gerecht stelt mitsdien vast, dat in de onderhavige zaak de statutaire termijnen niet in acht zijn genomen.
30 In de tweede plaats heeft het Parlement, ten betoge dat het beroep niet ontvankelijk is, erop gewezen, dat verzoekster op 10 november 1987 een eerste verzoek om herwaardering van het door haar vervulde ambt had ingediend. Dit eerste verzoek was op 5 januari 1988 uitdrukkelijk afgewezen, zonder dat verzoekster binnen de in artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut gestelde termijn van drie maanden een klacht tegen die afwijzing had ingediend.
31 Naar de mening van het Parlement is door het feit dat geen klacht is ingediend, verzoeksters recht om beroep in te stellen, definitief vervallen. Tegen het besluit van 5 januari 1988 kon zij niet meer opkomen door middel van haar tweede verzoek van 28 november 1989, aangezien dit tweede verzoek ° nog steeds volgens het Parlement ° identiek was aan het eerste, in zoverre het eveneens strekte tot herwaardering van haar ambt of eventueel tot inleiding van een intern vergelijkend onderzoek.
32 Verzoekster wijst deze redenering van de hand en beklemtoont, dat de twee verzoeken een verschillend voorwerp hadden: met het eerste beoogde zij haar indeling in een hogere categorie dan waartoe zij ten tijde van dat verzoek behoorde, met het tweede beoogde zij in wezen een gewone bevordering binnen dezelfde categorie.
33 Subsidiair betoogt verzoekster tot staving van de ontvankelijkheid van haar beroep, dat haar tweede verzoek van 28 november 1989 op nieuwe feiten berustte.
34 Daartoe verwijst zij in de eerste plaats naar de beoordelingsrapporten over de jaren 1985/1986 en 1987/1988, waaruit zou blijken dat haar verantwoordelijkheden ten opzichte van de voorgaande beoordelingsperioden waren uitgebreid. Naar de mening van verzoekster bevestigt dat, dat zij toen al geen eigenlijke kantoorwerkzaamheden meer verrichtte, maar met de opstelling en het beheer van de programma' s voor bezoeken te Luxemburg en Straatsburg was belast.
35 In de tweede plaats wijst verzoekster op het feit, dat zij, wanneer zij om gezondheidsredenen afwezig was, door ambtenaren van hogere rang werd vervangen.
36 Verzoekster stelt in de derde plaats, dat het Parlement het bestaan van dergelijke nieuwe feiten impliciet heeft erkend door haar in het besluit van 17 mei 1990 mee te delen, dat haar tweede verzoek van 28 november 1989 "na een diepgaand onderzoek" was afgewezen. Volgens verzoekster was een dergelijk diepgaand onderzoek bij ontbreken van nieuwe gegevens niet noodzakelijk geweest en had het besluit van 17 mei 1990 eenvoudig naar het eerste afwijzende besluit van 5 januari 1988 kunnen verwijzen.
37 Het Parlement houdt staande, dat verzoeksters twee verzoeken hetzelfde voorwerp hadden, en voert tegen het subsidiaire betoog van verzoekster in de eerste plaats aan, dat in het verzoek van 10 november 1987 reeds naar voormelde kennisgeving van vacature nr. 5363 van 21 september 1987 werd verwezen, en in de tweede plaats, dat in dit eerste verzoek reeds werd gewezen op het voortdurend toenemende belang van haar werkzaamheden sedert haar aanstelling in vaste dienst, zulks op grond van een vergelijking tussen aankondiging van vergelijkend onderzoek nr. C/246 en het beoordelingsrapport over 1983-1984.
38 Nog meer bepaald betwist het Parlement, dat de beoordelingsrapporten over 1985/1986 en 1987/1988, vergeleken met die waarop eerder een beroep is gedaan, nieuwe elementen bevatten.
39 Ook in de omstandigheid dat verzoekster door een ambtenaar van hogere rang werd vervangen, wenst het Parlement geen nieuw feit te zien; tijdens verzoeksters talrijke ziekteverloven zijn immers ambtenaren van de rang C 3/2, B 4, A 7 en zelfs het afdelingshoofd in eigen persoon als vervangers opgetreden. Bedoelde vervanging is een normale maatregel in het kader van de organisatie van de werkzaamheden van een dienst en in geen geval kan er een aanwijzing in worden gezien, dat het Parlement zijn standpunt ten aanzien van verzoekster sedert haar eerste verzoek had gewijzigd.
40 Ten slotte betwist het Parlement, dat verzoekster uit het feit dat in het besluit van 17 mei 1990 van een "diepgaand onderzoek" van haar tweede verzoek wordt gesproken, kan afleiden dat het Parlement bepaalde nieuwe elementen erkent. Volgens het Parlement verwees die vermelding naar het verzoek om herwaardering van het ambt en paste zij dus in het kader van de goede betrekkingen tussen administratie en geadministreerden, die verlangen dat aanspraken van deze laatsten serieus worden bekeken.
41 Gelet op deze elementen feitelijk en rechtens, herinnert het Gerecht eraan, dat wanneer een ambtenaar of ander personeelslid zich geschaad acht door een besluit in de zin van artikel 90, lid 1, Ambtenarenstatuut, hij tegen dit besluit moet opkomen met een binnen de termijn van artikel 90, lid 2, van het Statuut ingediende klacht.
42 Daaruit volgt, dat na het verstrijken van bedoelde klachttermijn de indiening van een nieuw verzoek krachtens artikel 90, lid 1, van het Statuut slechts toelaatbaar is in geval van een nieuw feit dat een heronderzoek van de situatie rechtvaardigt.
43 De tegengestelde opvatting, die erop zou neerkomen, dat een verzoek telkens opnieuw zou kunnen worden ingediend, zou er ook toe leiden, dat de beroepstermijn tegen een bezwarend besluit tot in het oneindige werd verlengd, wat onverenigbaar is met de beroepsregeling van het Ambtenarenstatuut (zie onder meer arresten Hof van 11 maart 1986, zaak 294/84, Adams, Jurispr. 1986, blz. 977, 987, en 4 februari 1987, zaak 302/85, Pressler-Hoeft, Jurispr. 1987, blz. 513, 526).
44 In de onderhavige zaak constateert het Gerecht, dat verzoekster geen klacht heeft ingediend tegen het besluit van de secretaris-generaal van het Parlement van 5 januari 1988, houdende afwijzing van haar eerste verzoek van 10 november 1987.
45 Daaruit volgt, dat bij ontbreken van een dergelijke klacht het tweede verzoek van 28 november 1989 slechts toelaatbaar zou zijn wanneer nieuwe feiten een heronderzoek van verzoeksters situatie rechtvaardigden.
46 Het Gerecht stelt echter vast, dat noch de schrifturen van verzoekster noch haar verklaringen ter terechtzitting vermogen aan te tonen, dat haar verantwoordelijkheden in de periode tussen het eerste en het tweede verzoek wezenlijk waren gewijzigd.
47 Het Gerecht concludeert daaruit, dat bij ontbreken van enig nieuw element het tweede verzoek van 28 november 1989 tardief was, aangezien het werd ingediend na het verstrijken van de termijn voor een klacht tegen het besluit van 5 januari 1988.
48 Uit het voorgaande volgt, dat het beroep niet-ontvankelijk is.
Ten gronde
49 Na aldus de niet-ontvankelijkheid van het beroep te hebben vastgesteld, wijst het Gerecht er ten overvloede op, dat verzoekster zich voor de gegrondheid beroept op twee middelen, ontleend aan schending van het gelijkheidsbeginsel respectievelijk het beginsel van goed bestuur.
50 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekster tot staving van haar beweringen in wezen staande houdt, dat zij binnen dezelfde instelling en nog wel binnen dezelfde afdeling werkzaamheden te Luxemburg verrichtte die vergelijkbaar zo niet identiek waren met die welke te Brussel door een ambtenaar van categorie B werden verricht, terwijl zijzelf, zonder dat dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is, tot categorie C behoort.
51 Het Parlement erkent, dat het ambt waarop de door verzoekster genoemde kennisgeving van vacature nr. 5363 betrekking heeft, inderdaad hetzelfde activiteitenterrein bestrijkt als verzoeksters ambt, namelijk het programma voor bezoeken aan de Europese Gemeenschap. Het beklemtoont evenwel, dat er tussen die twee ambten naar zijn mening beslissende verschillen bestaan, en wel met betrekking tot boekhouding en financiële werkzaamheden (ramingen, betalingen, maandrekeningen enz.); het beheer en de centrale boekhouding van het betrokken programma vallen uitsluitend onder ambt nr. 5363. In dit verband preciseert het Parlement, dat het interinstitutionele aspect van het programma voor bezoeken aan de Europese Gemeenschap, dat door het Parlement en de Commissie gezamenlijk wordt uitgevoerd, tot gevolg heeft, dat de bekleder van ambt nr. 5363, te zamen met andere ambtenaren, allen met standplaats Brussel, belangrijke werkzaamheden verricht met betrekking tot de centrale organisatie van het programma, terwijl verzoekster, die als enige te Luxemburg is tewerkgesteld, ten tijde van de betrokken feiten enkel was belast met de uitvoering van een deel van dat programma bij bezoeken te Straatsburg en Luxemburg. Uit een en ander blijkt het bestaan van een groot verschil in functie, zodat van schending van de door verzoekster aangevoerde beginselen geen sprake is.
52 Op dit punt constateert het Gerecht, gezien de overgelegde stukken en de door het Parlement op 16 december 1991 gegeven antwoorden op de op 28 november 1991 gestelde vragen, en gehoord de door partijen ter terechtzitting gegeven toelichtingen, dat de beweringen van verzoekster geenszins door de feiten worden gestaafd.
53 De werkzaamheden van verzoekster en die van de ambtenaar die het in kennisgeving van vacature nr. 5363 bedoelde ambt vervult, kunnen dan wel vergelijkbaar lijken, aangezien zij hetzelfde activiteitenterrein, namelijk de uitvoering van het programma voor bezoeken aan de Europese Gemeenschap bestrijken, doch zoals het Parlement terecht heeft beklemtoond, bestaan er beslissende verschillen met betrekking tot het niveau van de verantwoordelijkheden die verzoekster respectievelijk de ambtenaar die ambt nr. 5363 vervult, in het kader van dat programma droegen.
54 Dienaangaande wijst het Gerecht erop, dat het interinstitutionele aspect van het programma voor bezoeken aan de Europese Gemeenschap, dat door het Parlement en de Commissie gezamenlijk wordt uitgevoerd, tot gevolg heeft, dat de bekleder van ambt nr. 5363, te zamen met andere ambtenaren, allen met standplaats Brussel, belangrijke werkzaamheden betreffende de centrale organisatie van het programma verricht, terwijl verzoekster, die als enige te Luxemburg is tewerkgesteld, zich slechts bezighoudt met de uitvoering van een deel van dat programma bij bezoeken te Straatsburg en eventueel te Luxemburg.
55 Hieraan valt nog toe te voegen, dat degenen die verantwoordelijk zijn voor de centrale organisatie van bedoeld programma te Brussel, en met name de bekleder van ambt nr. 5363, zich bij gelegenheid van regelmatige bezoeken vergewissen van de goede uitvoering te Straatsburg en te Luxemburg en dus toezicht houden op de door verzoekster verrichte werkzaamheden.
56 Uit al het voorgaande volgt, dat de middelen ontleend aan schending van de beginselen van gelijkheid van behandeling en goed bestuur ongegrond zijn en hoe dan ook moeten worden afgewezen.
De vordering tot verkrijging van een rechterlijk bevel tot herindeling van verzoekster of, subsidiair, tot inleiding van een intern vergelijkend onderzoek te haren gunste
57 Dienaangaande volstaat het eraan te herinneren, dat de communautaire rechter niet zonder inbreuk te maken op de prerogatieven van het administratief gezag een communautaire instelling bevelen kan geven.
58 Ingevolge dit beginsel moet worden geconcludeerd, dat de onderhavige vordering niet-ontvankelijk is.
De vordering tot vergoeding van geleden schade
59 Verzoekster betoogt, dat het Parlement, door met miskenning van de beginselen van goed bestuur en gelijke behandeling te weigeren haar verzoek om herwaardering van het door haar vervulde ambt in te willigen, een ernstige dienstfout heeft begaan en deswege aansprakelijk is.
60 Het Parlement zou derhalve verplicht zijn de schade te vergoeden die zij door deze dienstfout heeft geleden. Naar de mening van verzoekster komt die schade overeen met het verschil tussen het salaris dat zij in geval van herwaardering van haar ambt zou hebben ontvangen, en dat wat zij daadwerkelijk heeft ontvangen, te vermeerderen met moratoire interessen op de voet van 8 % 's jaars vanaf de respectieve vervaldagen. Zij vordert voorts 50 000 BFR schadevergoeding voor de immateriële schade die zij heeft geleden.
61 Het Gerecht wijst erop, dat het geheel van deze vorderingen nauw verband houdt met de vordering tot nietigverklaring, waarvan het de niet-ontvankelijkheid reeds heeft vastgesteld.
62 Tevens herinnert het Gerecht eraan, dat ten overvloede is vastgesteld dat verzoekster geen enkel middel heeft aangevoerd dat tot nietigverklaring van het bestreden besluit kan leiden. Bijgevolg heeft verzoekster niet het bewijs geleverd van enige onregelmatigheid die een aan het Parlement toe te rekenen dienstfout zou kunnen opleveren en toekenning van schadevergoeding zou kunnen rechtvaardigen.
63 De vordering tot vergoeding van de beweerdelijk geleden materiële en immateriële schade moet derhalve worden verworpen, daar zij zowel niet-ontvankelijk als ongegrond is.
64 Uit het voorgaande volgt, dat het beroep moet worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
65 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Volgens artikel 88 van hetzelfde Reglement blijven echter de kosten in beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen door de instellingen gemaakt, te hunnen laste.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer)
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy