Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Ambtenaren ° Aanwerving ° Vergelijkend onderzoek ° Intern vergelijkend onderzoek op grondslag van schriftelijke bewijsstukken en examen ° Verplichtingen van jury ° Inachtneming van voorwaarden van aankondiging van vergelijkend onderzoek ° Motivering van besluiten ° Onregelmatig verloop van vergelijkend onderzoek ° Nietigverklaring
(Ambtenarenstatuut, bijlage III, art. 1 en 5)
Samenvatting
Een jury kan zich noch wat het object noch wat de aard van de examens betreft, onttrekken aan de regels van de aankondiging van vergelijkend onderzoek. Voor de rangschikking van de kandidaten mag zij niet een globaal aantal punten geven in plaats van de voor de verschillende examenonderdelen behaalde punten bij elkaar op te tellen. Daarmee komt zij immers haar verplichting niet na, de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek bepaalde puntenwaardering van de examens in acht te nemen en haar besluiten te motiveren.
Het ontbreken van motivering van het besluit van de jury, dat het gevolg is van het feit dat zij de examens niet overeenkomstig de aankondiging van vergelijkend onderzoek heeft gewaardeerd, leidt er bovendien toe, dat de rechter niet kan controleren, in welke mate de uitslag van het vergelijkend onderzoek is beïnvloed doordat de jury, in strijd met de aankondiging, een criterium heeft toegepast dat niets van doen heeft met de bekwaamheden van de kandidaten.
Bij dergelijke onregelmatigheden dient het Gerecht alle verrichtingen van de jury vanaf het stadium waarin die onregelmatigheden zich hebben voorgedaan, nietig te verklaren.
Partijen
In zaak T-22/91,
I. Raiola-Denti, M.-T. de Cuyper-Pirotte, L. De Nil, E. Diks, A. Forsyth, C. Hendrickx, C. Impens, R. Talloen, D. Vandenameele, ambtenaren van de Raad van de Europese Gemeenschappen, woonachtig te Brussel, vertegenwoordigd door G. Collin en M. Deruyver, advocaten te Brussel, en voor L. De Nil en E. Diks, ter terechtzitting door J.-N. Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
verzoeksters,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door zijn juridisch adviseur Y. Crétien, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van X. Herlin, directeur van de juridische dienst van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de jury van vergelijkend onderzoek B/228 om het ambt van verzoeksters in categorie C, rang 1, niet te herwaarderen tot een ambt van categorie B, rang 5,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. P. M. Barrington, kamerpresident, K. Lenaerts en A. Kalogeropoulos, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 9 december 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten en de administratieve procedure
1 De paritaire commissie van de Raad van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Raad") heeft een aantal studies verricht met betrekking tot de bepalingen inzake interne vergelijkende onderzoeken bij de gemeenschapsinstellingen, teneinde eigen modaliteiten vast te stellen voor deze onderzoeken, waaronder de zogenoemde "herwaarderingsonderzoeken". Volgens de laatste van die studies, gedateerd op 20 december 1990 en bij mededeling nr. 16/91 van 11 februari 1991 ter kennis van het personeel gebracht, moest dit soort vergelijkend onderzoek, dat dient ter bevordering van de mobiliteit van de ambtenaren en van een soepel personeelsbeheer binnen de instelling, worden georganiseerd om te voorzien in ambten die in een andere categorie worden ingedeeld na daartoe te zijn aangewezen in het kader van de begrotingsprocedure, na raadpleging van het personeelscomité en advies van de paritaire commissie.
2 Na een besluit van de secretaris-generaal om die studies in praktijk te brengen, opende de Raad in 1989 een eerste intern herwaarderingsonderzoek (B/225), gevolgd door het thans in geding zijnde onderzoek B/228, dat in grote trekken overeenstemde met het eerste en dat bij mededeling nr. 100/90 van 26 oktober 1990 ter kennis van het personeel werd gebracht. Het herwaarderingsonderzoek B/228, bestaande in een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken en een examen, diende ter voorziening in vijftien ambten van adjunct-assistent bij het secretariaat-generaal van de Raad. Aanstelling zou geschieden in de rang B 5, zonder overplaatsing.
3 Om tot de examens van onderzoek B/228 te worden toegelaten, moesten de kandidaten behoren tot de categorie C, rang 1, ten minste drie jaar bij de instelling verantwoordelijk zijn geweest voor het zelfstandig beheer van een werkterrein, en in totaal ten minste zes jaar bij de Europese Gemeenschappen hebben gewerkt.
4 De aard en de beoordeling van het mondelinge examen was in punt V van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek omschreven als volgt:
"a) Een onderhoud ter beoordeling van de vakkennis en het organisatievermogen van de kandidaat en van zijn kennis van de werking van het secretariaat-generaal. Tijdens dit onderhoud zal de kandidaat onder meer worden ondervraagd over de gedetailleerde functieomschrijving die hij als bijlage bij zijn sollicitatiebrief heeft overgelegd.
Beoordeling: 0 tot 60 punten.
b) Een onderhoud ter beoordeling van de talenkennis van de kandidaat.
Beoordeling: 0 tot 20 punten."
5 Met betrekking tot de vaststelling van de lijst van geschikte kandidaten vermeldde de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, dat op deze lijst zouden worden geplaatst de kandidaten die voor het gehele mondelinge examen ten minste 48 van de 80 punten hadden behaald.
6 De rangschikking op de lijst van geschikte kandidaten zou worden bepaald door het voor alle examens te zamen behaalde aantal punten, en door de extra punten toegekend op grond van de dienstanciënniteit bij de Gemeenschappen en de duur van de bijzondere beroepservaring van de kandidaat.
7 De aankondiging vermeldde voorts dat, gezien de aard van het onderzoek, geen reservelijst zou worden opgesteld en dat het aantal geslaagde kandidaten niet hoger mocht zijn dat het aantal ambten waarin moest worden voorzien.
8 Bij standaardbrief van 4 december 1990 werd de geselecteerde kandidaten meegedeeld, dat zij tot de examens waren toegelaten.
9 In deze brief werd de aandacht van de kandidaten gevestigd op een verklaring van de paritaire commissie, opgenomen in de Mededeling aan het personeel nr. 112/89, inzake het eerste herwaarderingsonderzoek B/225, maar die niet voorkwam in de aankondiging van vergelijkend onderzoek B/228. Deze verklaring luidde als volgt:
"° Dit soort intern vergelijkend onderzoek moet worden beschouwd als een mogelijkheid voor C 1-ambtenaren met een hoge anciënniteit in een verantwoordelijke functie, die zij zelf door hun prestaties hebben helpen herwaarderen, om feitelijke herwaardering van deze post te verkrijgen door indeling ervan in categorie B. Alleen uit dien hoofde is dit onderzoek gerechtvaardigd.
° Deze weg dient gelijk op te gaan met de organisatie van interne vergelijkende onderzoeken voor categorie B op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken en een examen, die toegankelijk zijn voor andere C-ambtenaren."
10 Op 14 december 1990 legden verzoeksters het mondeling examen af in de vorm van een onderhoud met de jury van het vergelijkend onderzoek.
11 Bij standaardbrief van 8 januari 1991 stelde de Raad verzoeksters in kennis van het besluit van de jury, hun ambt niet te herwaarderen tot de categorie B. De datum van ontvangst van deze brief kan niet nauwkeurig worden vastgesteld. Ter terechtzitting heeft de Raad verklaard, dat het niet uitgesloten is dat dat in de tweede helft van januari 1991 is geweest.
12 In een nota van 21 januari 1991, gericht aan de leden van de jury, trok een van de verzoeksters, E. Diks, het regelmatige verloop van het examen in twijfel; zij stelde onder meer, dat de jury geen vragen had gesteld over de werking van het secretariaat-generaal van de Raad en dat de niet-Franstalige kandidaten op het stuk van de talenkennis waren gediscrimineerd ten opzichte van de Franstalige, doordat alle kandidaten direct in het Frans waren ondervraagd. De jury heeft op deze nota niet gereageerd.
13 Onder deze omstandigheden hebben verzoeksters op 13 april 1991 bij ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld.
14 Bij brief van 17 juli 1991 aan de griffie van het Gerecht hebben verzoeksters afgezien van repliek.
15 Bij griffiersbrief van 25 mei 1992 heeft het Gerecht verzoeksters uitgenodigd, het stuk waarmee zij in kennis waren gesteld van de weigering van de jury om hun ambt te herwaarderen tot een B-ambt, over te leggen zoals het aan hen was toegezonden.
16 Bij een tweede griffiersbrief van 25 mei 1992 heeft het Gerecht de Raad uitgenodigd:
a) aan te geven wat de rechtsgrondslag is van interne "herwaarderingsonderzoeken";
b) de verslagen van de mondelinge examens van het onderzoek over te leggen;
c) het met redenen omklede juryrapport en alle andere stukken over te leggen, waarin de selectiecriteria voor de herwaardering van ambten waarvoor een vergelijkend onderzoek wordt uitgeschreven, zijn vermeld.
17 Verzoeksters en de Raad hebben binnen de daartoe gestelde termijn gevolg gegeven aan de uitnodiging van het Gerecht.
18 De Raad heeft in antwoord op de eerste vraag meegedeeld, dat de rechtsgrondslag van een intern herwaarderingsonderzoek bestaat in "het besluit van de secretaris-generaal van de Raad om gevolg te geven aan een door de paritaire commissie van de instelling verrichte studie met betrekking tot de interne vergelijkende onderzoeken", welk besluit bij mededeling nr. 16/91 van 11 februari 1991 ter kennis van het personeel was gebracht.
19 In antwoord op de tweede vraag heeft de Raad meegedeeld "dat de jury van intern vergelijkend onderzoek B/228 geen verslagen van de mondelinge examens heeft opgesteld", daarmee een vaste gedragslijn volgend. In dit antwoord zegt de Raad voorts, dat "de jury punten heeft toegekend voor het door iedere kandidaat afgelegde examen, op basis van de door elk jurylid afzonderlijk gegeven punten en beoordelingen, en van de volgens de aankondiging van vergelijkend onderzoek toe te passen anciënniteitscriteria". Ten slotte heeft de Raad gepreciseerd, dat "de jury de administratie geen verslag heeft doen toekomen betreffende de beoordeling van iedere kandidaat voor de verschillende examens", doch haar "slechts een lijst van geschikte kandidaten heeft verstrekt, waarop de geslaagde kandidaten zijn gerangschikt volgens de door hen behaalde resultaten en rekening houdende met de anciënniteitscriteria, alsmede een verslag over het verloop van de examens".
20 Naar aanleiding van de derde vraag heeft de Raad het Gerecht het met redenen omklede juryrapport overgelegd, waarin onder meer wordt uiteengezet, dat "tijdens het mondelinge examen (...) aan iedere kandidaat is meegedeeld, dat de jury een zekere billijkheid moet betrachten bij de verdeling van de herwaarderingsmogelijkheden tussen de verschillende diensten van het secretariaat-generaal van de Raad". Voorts heeft de Raad drie andere documenten overgelegd ° waarnaar wordt verwezen in punt 4 van het met redenen omklede juryrapport °, te weten: a) de verklaring van de paritaire commissie van 20 juli 1989, die evenzeer voor vergelijkend onderzoek B/228 gold als voor het eerste herwaarderingsonderzoek B/225 (Mededeling aan het personeel nr. 112/89), b) een nota van 13 november 1990 van de secretaris-generaal aan de jury van vergelijkend onderzoek B/228, en c) het verslag dat de jury van vergelijkend onderzoek B/225 op 18 december 1989 aan het tot aanstelling bevoegd gezag had gezonden. De Raad heeft voorts gepreciseerd, dat "in geen ander stuk dan de op 26 oktober 1990 gepubliceerde kennisgeving bijzondere selectiecriteria geldende voor de kandidaten voor vergelijkend onderzoek B/228 zijn vervat".
21 De schriftelijke procedure heeft een normaal verloop gehad. Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vijfde kamer) besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan; het heeft partijen bij griffiersbrief van 11 november 1992 uitgenodigd, ter terechtzitting een aantal vragen te beantwoorden.
22 De terechtzitting heeft plaatsgevonden op 9 december 1992. Partijen hebben hun zaak bepleit en de vragen van het Gerecht beantwoord. Voorts hebben verzoeksters ter terechtzitting een document overgelegd met de verklaringen van zeven hunner over het verloop van het mondeling examen. Verweerder heeft de volgende stukken overgelegd: a) het rapport van de jury van vergelijkend onderzoek B/228 aan het tot aanstelling bevoegd gezag, waarin in handschrift het aan elke geslaagde kandidaat toegekende cijfer is vermeld; b) een alfabetische lijst van de aan de jury gezonden dossiers, waarop in handschrift bepaalde gegevens en opmerkingen over de beroepservaring van de kandidaten voorkomen; c) een door een lid van de jury voor eigen gebruik opgesteld kladje van de lijst van de examinandi, met dag en uur van de examens en aantekeningen betreffende de door hen vervulde functies alsmede de door 40 van de 71 kandidaten voor de examens behaalde cijfers; d) twee door een lid van de jury voor eigen gebruik opgestelde kladjes met gegevens over de aan de voor het vergelijkend onderzoek geslaagde kandidaten toegekende cijfers en hun eindcijfer; e) een handgeschreven lijst met vermelding van de afweging van de anciënniteit, in rang en bij de Raad, van de kandidaten.
Conclusies van partijen
23 Verzoeksters concluderen dat het het Gerecht behage:
1) het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
2) bijgevolg, nietig te verklaren:
° de besluiten van de jury, genomen na de besluiten tot toelating tot de examens van het vergelijkend onderzoek;
° althans de besluiten van de jury om het ambt van verzoeksters niet als een ambt van categorie B te herwaarderen;
° verweerder te verwijzen in de kosten.
24 De Raad concludeert dat het het Gerecht behage:
° het door verzoeksters tegen de besluiten van de jury van intern vergelijkend onderzoek B/228 ingestelde beroep ongegrond te verklaren;
° in voorkomend geval de voorzitter van de jury vooraf als getuige te horen;
° verzoeksters in de kosten te verwijzen.
Ten gronde
Middelen en argumenten van partijen
25 Verzoeksters stellen, dat de jury zich had moeten houden aan de aard en de puntenbeoordeling van de examens, zoals gespecificeerd in de aankondiging van vergelijkend onderzoek B/228. In feite is er slechts één onderhoud met de kandidaten geweest, waarbij zij werden uitgenodigd "over hun werk te praten". Zij zijn dus noch beoordeeld op hun kennis van de werking van het secretariaat-generaal noch op de door hen verworven vakkennis die zij in hun huidige functie niet gebruiken. Voorts stellen verzoeksters, dat de jury niet is toegekomen aan een beoordeling van de talenkennis van de kandidaten, terwijl daarvoor 0 tot 20 punten hadden moeten worden toegekend.
26 Volgens verzoeksters zijn de kandidaten dus slechts beoordeeld op een der in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek genoemde criteria en is derhalve het beginsel van gelijke behandeling geschonden. Zij wijzen er daarbij op, dat de jury, door de andere in de aankondiging genoemde criteria buiten beschouwing te laten, de kandidaten met een goede talenkennis en die zich de moeite hadden gegeven kennis van de werking van het secretariaat-generaal van de Raad te verwerven of die kennis te vergroten, heeft benadeeld ten opzichte van de kandidaten die de jury een voor hen voordelige beschrijving van hun functie hebben gegeven.
27 Ten slotte beroepen zij zich op ontoereikende motivering van de besluiten van de jury, omdat noch de kandidaten noch het Gerecht kan nagaan of de gestelde gebreken de einduitslag van het vergelijkend onderzoek hebben kunnen vervalsen, en de Raad dus niet kan beweren, dat zij geen invloed op die uitslag hebben gehad.
28 De Raad betoogt, dat de jury de omschrijving van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek heeft gerespecteerd en dat de omstandigheid dat zij slechts één onderhoud met de kandidaten heeft gehad, haar niet heeft belet zich een oordeel te vormen over hun kennis bedoeld in punt V van deze aankondiging. Elke kandidaat heeft de gelegenheid gehad, uiteen te zetten waarom hij meende dat zijn ambt moest worden geherwaardeerd, en aan te geven hoe hij in het kader van de werkzaamheden van het secretariaat-generaal van de Raad heeft bijgedragen tot deze herwaardering. Bij die gelegenheid had de jury zich een oordeel kunnen vormen over de talenkennis van de kandidaten. De plaatsing en de rangorde van de kandidaten op de lijst van geschikte kandidaten ten slotte, waren volgens de Raad het resultaat van de in het kader van het onderhoud verkregen punten en van de extra punten voor de anciënniteit van de kandidaten in de dienst, het ambt en de rang.
29 Met betrekking tot de beoordeling van de talenkennis van de kandidaten betoogt de Raad inzonderheid, dat de jury deze wel degelijk heeft onderzocht en er punten voor heeft gegeven. Het taalexamen was op zich niet eliminatoir en de jury heeft rekening gehouden met de talenkennis voor zover deze werkelijk kon bijdragen tot de herwaardering van het ambt van de kandidaten "in de welbegrepen zin van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek".
30 Wat de schending van het beginsel van gelijke behandeling betreft, merkt de Raad op, dat verzoeksters geen enkel bewijs ervoor leveren, dat sommige kandidaten de jury een voor hen voordelige beschrijving van hun functie hebben gegeven, en dat de jury de juistheid van de in de sollicitaties verstrekte gegevens en functiebeschrijving van de kandidaten nauwkeurig heeft kunnen verifiëren. De kandidaten zijn dus gelijk behandeld en de na het mondelinge examen tussen hen gemaakte keuze was objectief.
31 Met betrekking tot de inhoud van het mondelinge examen wijst de Raad erop, dat het verloop daarvan niet in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek behoefde te worden vastgesteld, daar de precieze inhoud van het examen altijd aan het oordeel van de jury wordt overgelaten. Volgens de rechtspraak beschikt de jury daarbij over een ruime beoordelingsvrijheid, die buiten de rechterlijke controle valt voor wat betreft de juistheid van de in dat kader gedane keuzes en uitgesproken waardeoordelen (arresten Hof van 9 oktober 1974, gevoegde zaken 112/73, 144/73 en 145/73, Campogrande e.a., Jurispr. 1974, blz. 957, en 24 maart 1988, zaak 228/86, Goosens e.a., Jurispr. 1988, blz. 1819; arrest Gerecht van 20 maart 1991, zaak T-1/90, Pérez-Mínguez Casariego, Jurispr. 1991, blz. II-143).
32 Met betrekking tot de gestelde schending van de motiveringsplicht merkt de Raad ten slotte op, dat het verzoekschrift op dit punt geen enkele toelichting bevat.
Beoordeling van het Gerecht
33 Onderzocht moet worden, of de jury van vergelijkend onderzoek B/228 zich aan de aankondiging van het vergelijkend onderzoek heeft gehouden.
34 In de eerste plaats moet dan worden vastgesteld, dat met betrekking tot de vaststelling van de lijst van geschikte kandidaten in punt VI, sub c, werd bepaald, dat wat de puntenwaardering van de examens betreft, "de voor alle examens te zamen behaalde punten en de extra punten, toegekend voor de anciënniteit in de dienst en de duur van de bijzondere beroepservaring, worden opgeteld", en dat "het aldus verkregen resultaat bepalend zal zijn voor de rangschikking van de kandidaten op de lijst van geschikte kandidaten".
35 Om op dit punt in overeenstemming te zijn met de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, moest de rangschikking van de kandidaten dus voortvloeien uit de optelling van de punten die de jury aan elk hunner had toegekend voor elk van de in de aankondiging voorziene examens (onderzoek van de algemene kennis en onderzoek van de talenkennis), en van de extra punten die aan de kandidaten waren toegekend voor hun anciënniteit en bijzondere beroepservaring.
36 Uit geen van de stukken die de Raad heeft overgelegd, valt echter af te leiden dat de rangschikking van de kandidaten door een dergelijke optelling is bepaald. Desgevraagd door het Gerecht, heeft het de Raad immers geen enkel stuk weten over te leggen waaruit blijkt dat de jury die optelling inderdaad heeft verricht. Ter terechtzitting heeft de Raad zelfs toegegeven, dat de jury geen stuk desbetreffend
heeft opgesteld; de Raad heeft enkel persoonlijke stukken van twee juryleden geproduceerd, waarin de punten zijn vermeld die zij na het mondelinge examen aan bepaalde kandidaten hebben toegekend, alsmede een lijst van de geslaagde kandidaten, met achter iedere naam in handschrift het totale aantal punten. De Raad heeft dus niet aangetoond, dat de jury van vergelijkend onderzoek B/228 zich voor de puntenwaardering van de examens aan de aankondiging heeft gehouden, zowel wat de plaatsing van de kandidaten op de lijst van geschikte kandidaten als wat hun rangschikking op die lijst betreft.
37 Het betreft hier een kennelijke schending van de verplichting tot motivering van jurybesluiten, die de rechter belet te controleren of het verloop van de examens en de puntenwaardering ervan in overeenstemming was met de aankondiging van het vergelijkend onderzoek (zie arresten Hof van 14 december 1965, zaak 21/65, Morina, Jurispr. 1965, blz. 1279, en 14 juli 1983, zaak 144/82, Detti, Jurispr. 1983, blz. 2421).
38 Voorts stelt het Gerecht vast, dat uit het op zijn verzoek door de Raad overgelegde, met redenen omklede rapport van de jury blijkt, dat deze een criterium moest toepassen dat verband hield met de noodzaak "een zekere billijkheid te betrachten bij de verdeling van de herwaarderingsmogelijkheden tussen de verschillende diensten van het secretariaat-generaal van de Raad". Dit criterium, dat geen verband houdt met de bekwaamheden van de kandidaten ° en alleen om de beoordeling daarvan gaat het bij een vergelijkend onderzoek °, was in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek niet genoemd en de toepassing ervan noopte de jury zich te begeven op een gebied waarop uitsluitend het tot aanstelling bevoegd gezag bevoegd is, te weten uit de geslaagde kandidaten diegenen te kiezen die een aanstelling krijgen, en de ambten te bepalen waarin na het vergelijkend onderzoek wordt voorzien.
39 Met betrekking tot de mogelijke invloed van de toepassing van bedoeld criterium op de resultaten van het vergelijkend onderzoek is het Gerecht van oordeel, dat enkel wanneer een beoordeling van de examens in overeenstemming met de in aankondiging van vergelijkend onderzoek B/228 vermelde puntenwaardering was opgesteld, aangetoond had kunnen worden dat de toepassing door de jury van een dergelijk, naar zijn aard niet meetbaar criterium slechts een beperkte invloed op de resultaten had gehad in die zin, dat dat criterium enkel was toegepast bij kandidaten die een gelijk aantal punten hadden behaald bij toepassing van de andere in de aankondiging vermelde beoordelingscriteria.
40 Ook op dit punt belet het ontbreken van een motivering van de jurybesluiten een controle door het Gerecht.
41 In de tweede plaats stelt het Gerecht vast, dat de examens van het vergelijkend onderzoek B/228 niet overeenkomstig punt V van de aankondiging zijn verlopen.
42 Enerzijds blijkt uit de verklaringen van verzoeksters, die worden bevestigd door de ter terechtzitting door de Raad overgelegde aantekeningen van de juryleden, dat het eerste examen in wezen enkel inhield, dat men de kandidaten een beschrijving van hun functie liet geven. Anders dan bepaald in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, betrof dit examen dus niet de kennis van de werking van het secretariaat-generaal van de Raad, welke kennis een van de belangrijkste onderdelen van dit examen had moeten zijn.
43 Anderzijds heeft het tweede examen, betreffende de talenkennis, niet plaatsgehad. Er is geen onderhoud met de kandidaten geweest over hun talenkennis en de jury heeft slechts in één taal met de kandidaten gesproken. Immers, naar verzoeksters hebben verklaard en door de Raad niet is weersproken, is bij het onderhoud uitsluitend het Frans, de werktaal van de kandidaten, gebezigd. Dusdoende heeft de jury de kandidaten wier moedertaal een andere was dan de werktaal, benadeeld. De jury heeft derhalve aan het taalexamen van vergelijkend onderzoek B/228 alle inhoud ontnomen.
44 Het Gerecht is van oordeel, dat de Raad niet kan stellen dat het taalexamen niet eliminatoir was en dat de talenkennis in aanmerking is genomen in zoverre zij werkelijk kon bijdragen tot de herwaardering van het ambt van de kandidaten "in de welbegrepen zin van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek". Een taalexamen kan immers enkel bedoeld zijn om de kennis van de kandidaten te beoordelen, zowel wat het aantal talen als wat het niveau van de kennis betreft. Ook op dit punt heeft de jury de aankondiging van vergelijkend onderzoek B/228 dus geschonden.
45 Zonder dat het noodzakelijk is mogelijke andere onregelmatigheidsgronden te onderzoeken, volgt uit het voorgaande, dat de verrichtingen die hebben plaatsgevonden na de besluiten tot toelating tot de examens van het intern vergelijkend onderzoek B/228 van de Raad ° het zogenoemde herwaarderingsonderzoek, aangekondigd in de Mededeling aan het personeel nr. 100/90 van 26 oktober 1990 ° moeten worden nietigverklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
46 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien de Raad in het ongelijk is gesteld, dient hij in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart nietig de verrichtingen die hebben plaatsgevonden na de besluiten tot toelating van de kandidaten tot de examens van het door de Raad georganiseerde intern vergelijkend onderzoek B/228, waarvan de aankondiging is gepubliceerd in de Mededeling aan het personeel nr. 100/90 van 26 oktober 1990.
2) Verwijst de Raad in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy