Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren ° Vertegenwoordiging ° Belasting in verband met uitoefening van functies op gebied van personeelsvertegenwoordiging ° Inaanmerkingneming bij opstelling van beoordelingsrapport ° Verplichtingen van beoordelaars
(Ambtenarenstatuut, art. 24 bis en 43; bijlage II, art. 1, zesde alinea)
2. Ambtenaren ° Beoordeling ° Beoordelingsrapport ° Rechterlijke toetsing ° Grenzen ° Verplichtingen van beoordelaars ° Motivering van verslechtering van beoordelingsrapport ten opzichte van vorige beoordelingsrapport ° Noodzakelijke samenhang tussen waarderingen en specifieke toelichtingen
(Ambtenarenstatuut, art. 43)
Samenvatting
1. Op grond van het Statuut dient de instelling de vertegenwoordigers van het personeel de faciliteiten ter beschikking te stellen die noodzakelijk zijn om hun functie als vertegenwoordiger uit te oefenen. De in artikel 24 bis erkende vrijheid van vakvereniging betekent voorts met name, dat de vakbondsvertegenwoordigers moeten worden vrijgesteld van de dienst teneinde deel te nemen aan het overleg met de instellingen.
Hieruit volgt in het bijzonder, dat de activiteiten op het gebied van de personeelsvertegenwoordiging in aanmerking moeten worden genomen bij de opstelling van het beoordelingsrapport van de betrokken ambtenaren, opdat dezen door de uitoefening van dergelijke activiteiten niet worden benadeeld. Dit betekent dat, ofschoon de beoordelaar en de beoordelaar in beroep uitsluitend een beoordeling mogen geven over de prestaties die de ambtenaar, houder van een mandaat op het gebied van de personeelsvertegenwoordiging, verricht in het kader van het ambt waarin hij is tewerkgesteld, met uitsluiting van de activiteiten die verband houden met dit mandaat, welke niet onder hun gezag vallen, zij niettemin rekening moeten houden met de verplichtingen voortvloeiend uit de uitoefening van functies op het gebied van de personeelsvertegenwoordiging.
Meer in het bijzonder dienen zij er rekening mee te houden dat een beoordeelde ambtenaar, wegens zijn vertegenwoordigende werkzaamheden, gedurende de periode waarop het rapport betrekking heeft minder dagen bij zijn dienst heeft kunnen werken dan het normale aantal werkdagen. Voor de beoordeling moeten de geschiktheid en het werk van deze ambtenaar derhalve worden beoordeeld op basis van de prestaties die de instelling normaliter mag verwachten van een ambtenaar in dezelfde rang gedurende een periode die overeenkomt met de tijd die hij daadwerkelijk heeft besteed aan zijn werk bij de dienst waar hij is tewerkgesteld, na aftrek van de tijd die hij, onder de in het Statuut vastgelegde voorwaarden, aan zijn vertegenwoordigende werkzaamheden heeft besteed.
2. De beoordelaars hebben een grote beoordelingsvrijheid bij hun waardering van het werk van degenen die zij moeten beoordelen, en het staat niet aan de rechter in deze beoordeling te treden, behoudens in geval van een kennelijke vergissing of onredelijkheid. Bij een dergelijke beoordelingsvrijheid, is de naleving van de door de communautaire rechtsorde geboden waarborgen van fundamenteel belang. Tot die waarborgen behoren met name de verplichting voor de bevoegde instelling om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken, het recht van de belanghebbende om zijn standpunt kenbaar te maken en zijn recht op een beschikking die toereikend is gemotiveerd. Enkel dan kan de communautaire rechter nagaan, of is voldaan aan alle feitelijke en juridische vereisten waarvan de uitoefening van de beoordelingsvrijheid afhangt.
In een beoordelingsrapport heeft de facultatieve toelichting bij de beoordelingen in de gespecificeerde tabel tot doel deze beoordelingen te motiveren, opdat de beoordeelde ambtenaar met volledige kennis van zaken de gegrondheid ervan kan beoordelen en het Gerecht, zo nodig, zijn rechterlijke controle kan uitoefenen. Daartoe is het van belang, dat de beoordelaars de beoordelingen die ten opzichte van het vorige beoordelingsrapport minder gunstig zijn, met redenen omkleden en dat er een samenhang bestaat tussen deze beoordelingen en de ter motivering ervan verstrekte toelichtingen.
Partijen
In zaak T-23/91,
H. Maurissen, ambtenaar van de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. N. Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij de Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
verzoeker,
tegen
Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J.-M. Sténier, lid van de juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij de Rekenkamer,
verweerster,
betreffende een verzoek om nietigverklaring van verzoekers definitieve beoordelingsrapport over de periode 1988-1989,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: B. Vesterdorf, kamerpresident, A. Saggio en J. Biancarelli, rechters,
griffier: B. Pastor, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 16 september 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten en het procesverloop
1 Verzoeker, H. Maurissen, werd in 1983 aangesteld als ambtenaar bij de Rekenkamer in de rang B 3. Na zijn benoeming in vaste dienst werd hij tewerkgesteld bij de sector "Ontwikkelingshulp" en vervolgens bij de sector "Europees Ontwikkelingsfonds" (hierna: "EOF"), tot 4 december 1989. Op die datum werd hij rechtstreeks tewerkgesteld bij de directeur van groep III, S., die de hiërarchieke meerdere was van G., zijn vroegere afdelingshoofd bij de sector EOF. Nadat deze directeur op 24 januari 1991 was overgeplaatst, stelde de voorzitter van de groep audit III Maurissen bij nota van 25 januari 1991 ervan in kennis dat hij onmiddellijk werd overgeplaatst naar de sector "Huishoudelijke uitgaven"; de post van directeur van groep III bleef tot 6 juni 1991 vacant.
2 Sinds 1985-1986 is verzoeker lid van het personeelscomité en het uitvoerend comité van de Union syndicale Luxemburg.
3 Verzoekers beoordelingsrapport over de periode 4 januari 1988 tot en met 31 december 1989 werd op 7 februari 1990 opgesteld door zijn beoordelaar, G., na overleg met S., die het rapport op 9 februari 1990 ondertekende. Zoals alle door G. beoordeelde ambtenaren en functionarissen kreeg verzoeker, in het kader van een harmonisatie tussen de verschillende beoordelaars, een forfaitaire bonificatie van vijf punten. In cijfers uitgedrukt, leverden de beoordelingen in de gespecificeerde tabel van zijn beoordelingsrapport hem daarmee in totaal 42 van de 70 punten op.
4 Deze beoordeling betekende een verlaging van 22 % ten opzichte van verzoekers beoordelingsrapport over de periode 1986-1987 en was de laagste van alle ambtenaren van de Rekenkamer over de periode 1988-1989. Het rapport bevatte de volgende algemene beoordeling:
"De prestaties en resultaten van de heer H. Maurissen zijn niet op het niveau van zijn capaciteiten. Hij spant zich dermate weinig in, dat hij weigert dossiers aan te leggen en deze ter correctie aan zijn hiërarchieke meerderen voor te leggen. Hij schept er plezier in, zich het slachtoffer te voelen van vervolging en zich dienovereenkomstig te gedragen, hetgeen hem de mogelijkheid geeft zich aan een deel van zijn verantwoordelijkheden in de dienst te onttrekken. Dit uitgesproken gebrek aan verantwoordelijkheidszin heeft tot gevolg gehad, dat de heer Maurissen in het jaar 1989 geen enkel tastbaar resultaat voor de sector EOF heeft bereikt. In dat opzicht zou zijn recente overplaatsing een gelegenheid moeten zijn om dit gedrag radicaal te veranderen."
5 Op 15 mei 1990 stelde verzoeker beroep in tegen bovengenoemd beoordelingsrapport. Op 22 juni 1990 bracht de paritaire beoordelingscommissie haar advies uit. Wat de inhoud van het beoordelingsrapport betreft, luidde dit advies als volgt:
"1. Door het afzonderlijk horen van de beoordeelde en de beoordelaar en door het bestuderen van het beroep, de bijlagen en het door de beoordelaar overgelegde omvangrijke dossier, heeft de commissie getracht zich een mening te vormen over de gegrondheid van de waarderingen in het beoordelingsrapport en over het in beroep gevoerde betoog.
2. Wat de beweringen van de beoordeelde betreft, dat de beoordelaar zich bemoeit met zijn vakbonds- of zijn met de vertegenwoordiging van het personeel verbonden activiteiten en betrokken is bij een poging tot 'wraakneming' , is de commissie, gezien het overgelegde dossier, niet tot de overtuiging gekomen dat deze stelling gegrond is.
3. De commissie stelt vast:
° dat de verstandhouding tussen beoordeelde en beoordelaar niet al te best was; en
° dat gedurende de periode van deze beoordeling tussen de betrokkenen geen enkel gesprek heeft plaatsgevonden.
Niettemin is de commissie van mening, dat voor de beoordeling de juiste gegevens zijn gebruikt, te weten de door de beoordeelde gedurende de periode waarop het rapport betrekking heeft verrichte werkzaamheden, en dat deze gegevens terecht zijn beoordeeld door de beoordelaar zelf.
4. Onder deze omstandigheden acht de commissie het, met name gelet op het feit dat volgens de verklaringen van de beoordelaar, de uit hoofde van technische compensatie aan alle beoordeelde functionarissen van zijn afdeling forfaitair toegewezen vijf punten bij deze beoordeling van Maurissen reeds zijn inbegrepen, niet nodig de in de tabel onder paragraaf 10 opgenomen punten te wijzigen.
5. De commissie is evenwel van mening, dat een verbetering van de toelichtingen bij de gespecificeerde en de algemene beoordeling ervoor zou kunnen zorgen, dat de in woorden uitgedrukte beoordeling en de tabel van toebedeelde punten beter op elkaar zijn afgestemd."
6 Op 27 juli 1990 werd verzoekers definitieve beoordelingsrapport opgesteld door R., zijn beoordelaar in beroep. Deze bevestigde alle in de tabel opgenomen gespecificeerde beoordelingen en wijzigde de daarmee verband houdende facultatieve toelichtingen op sommige punten. Voorts bevatte het rapport de volgende algemene beoordeling: "Uit de dossiers van de Rekenkamer blijkt, dat het door Maurissen gedurende de periode 1988-1989 in zijn sector verrichte werk, niet van voldoende kwaliteit is om zijn vorige beoordelingsrapport ongewijzigd te kunnen handhaven. De achteruitgang in de prestaties van Maurissen valt samen met zijn kennelijke verlangen naar wat hij noemt 'een oplossing' voor de problemen, die volgens hem hun oorzaak vinden in de benoeming van een bepaald afdelingshoofd boven hem. Hij lijkt de samenwerkingszin te missen die noodzakelijk is opdat de accountantsgroep van de sector efficiënt kan functioneren. Hij vat de aanwijzingen en raadgevingen van zijn afdelingshoofd of elke controle van zijn werk door hoofdadministrateurs bij voorkeur slecht op. Dit schaadt zijn persoonlijke bijdrage aan het functioneren van de sector."
7 Op 30 oktober 1990 diende verzoeker een klacht in tegen dit definitieve beoordelingsrapport, dat hem op 31 juli 1990 was meegedeeld. Nadat hij op 15 januari 1991 in kennis was gesteld van het uitdrukkelijke besluit tot afwijzing van die klacht heeft hij, bij op 13 april 1991 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift, verzocht om nietigverklaring van het besluit van 27 juli 1990 houdende vaststelling van zijn beoordelingsrapport over de periode 1988-1989. In de schriftelijke procedure heeft verzoeker ervan afgezien, overeenkomstig artikel 47 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een conclusie van repliek in te dienen. Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht overeenkomstig artikel 53 van zijn Reglement voor de procesvoering besloten, zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
Conclusies van partijen
8 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
° nietig te verklaren het besluit van 27 juli 1990 houdende vaststelling van zijn beoordelingsrapport over de periode 1988-1989;
° verweerster te verwijzen in de kosten van het geding.
Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep te verwerpen;
° te verstaan dat elk der partijen haar eigen kosten zal dragen.
Ten gronde
9 Tot staving van zijn vordering tot nietigverklaring voert verzoeker drie middelen aan, te weten, in de eerste plaats, schending van artikel 24 bis van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut") en van artikel 1 van bijlage II bij het Statuut, alsmede de duidelijke beoordelingsfout die daarvan het gevolg zou zijn, in de tweede plaats misbruik van bevoegdheid, en in de derde plaats incoherentie van de motivering van de beoordeling en de onmogelijkheid om de gegrondheid ervan te beoordelen.
Het middel ontleend aan schending van artikel 24 bis van het Statuut en van artikel 1 van bijlage II ervan, en de kennelijke beoordelingsfout die daarvan het gevolg zou zijn
Argumenten van partijen
10 In het kader van het eerste middel merkt verzoeker om te beginnen op, dat de functies die hij op zich heeft genomen als lid van het personeelscomité en als vertegenwoordiger van de Union syndicale, op grond van artikel 24 bis van het Statuut en artikel 1, zesde alinea, van bijlage II ervan, moeten worden beschouwd als een onderdeel van de taken die hij in het kader van zijn ambt moet verrichten. Hij beroept zich op het arrest van 18 januari 1990, waarin het Hof heeft beslist, dat de vrijheid van vakvereniging inhoudt dat vakbondsvertegenwoordigers, teneinde onder meer deel te kunnen nemen aan het overleg met de communautaire instellingen op alle gebieden die voor het personeel van belang zijn, moeten worden vrijgesteld van de dienst, volgens voorwaarden die eenzijdig of bij overeenkomst door de autoriteiten van elk van de instellingen kunnen worden vastgesteld (gevoegde zaken C-193/87 en C-194/87, Maurissen en Union syndicale, Jurispr. 1990, blz. I-95, r.o. 37). Ingevolge dit arrest, zo preciseert verzoeker, heeft hij vrijstelling van de dienst verkregen om als vertegenwoordiger van de Union syndicale deel te nemen aan vergaderingen.
11 Verzoeker stelt, dat de eerste beoordelaar noch de beoordelaar in beroep bij hun beoordeling rekening hebben gehouden met zijn aan het mandaat als lid van het personeelscomité en statutaire organen verbonden werkzaamheden, noch met zijn deelneming aan de werkzaamheden van het door de Rekenkamer ingestelde comité "mobiliteit". Dit zou eveneens gelden voor zijn activiteiten als vakbondsvertegenwoordiger en, in het bijzonder, voor zijn deelneming aan vergaderingen waarin wordt overlegd met de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Zo heeft hij in 1989 73 van de 205 werkdagen besteed aan zijn ambt binnen de sector EOF en is het restant besteed aan zijn vakbondsactiviteiten en zijn werkzaamheden op het gebied van de personeelsvertegenwoordiging. Bovendien zou bij de opstelling van zijn beoordelingsrapport geen rekening zijn gehouden met de aan beroepsopleiding bestede tijd waarvoor het tot aanstelling bevoegd gezag toestemming had gegeven, noch met zijn afwezigheid wegens ziekte. Onder deze omstandigheden is verzoeker van mening, dat de beoordelaars "niet alleen de bepalingen van artikel 24 bis en artikel 1 van bijlage II bij het Statuut hebben geschonden, maar zich voorts willens en wetens schuldig hebben gemaakt aan een kennelijke beoordelingsfout, door het door verzoeker in 73 dagen verrichte werk te vergelijken met het door zijn collega' s in 205 dagen verrichte werk".
12 Verweerster betwist, dat verzoeker bij de vaststelling van zijn beoordelingsrapport is gestraft omdat hij lid van het personeelscomité of vakbondsvertegenwoordiger is. Zij stelt dat de beoordelaar en de beoordelaar in beroep rekening hebben gehouden met deze functies als diensten die verzoeker in zijn instelling moest verrichten. In zoverre is verzoeker overigens op precies dezelfde wijze behandeld als de vier ambtenaren van zijn sector die eveneens lid van het personeelscomité zijn. Aangaande het exacte aantal dagen dat verzoeker in 1989 aan controlewerkzaamheden heeft besteed, heeft verweerster ter terechtzitting bevestigd, dat dit aantal 73 bedroeg. Dit was voldoende om verzoekers werk en prestaties te kunnen beoordelen, door deze te vergelijken met de werkzaamheden die een ambtenaar in dezelfde rang als verzoeker normaal in 73 dagen verricht. Bij de beoordeling heeft verweerster derhalve niet alleen rekening gehouden met het ziekteverlof en met het door het tot aanstelling bevoegd gezag toegestane buitengewone verlof voor beroepsopleiding, maar eveneens met de tijd die de betrokkene heeft besteed aan zijn activiteiten als personeels- en vakbondsvertegenwoordiger.
Beoordeling in rechte
13 Het Gerecht herinnert eraan, dat de instelling de vertegenwoordigers van het personeel op grond van de statutaire bepalingen zoals die door het Hof zijn uitgelegd, de faciliteiten ter beschikking moet stellen die noodzakelijk zijn om hun functie als vertegenwoordiger uit te oefenen. Artikel 1, zesde alinea, van bijlage II bij het Statuut bepaalt immers: "De functies der leden van het personeelscomité en van de ambtenaren die in opdracht van het Comité zitting hebben in statutaire of door de instelling ingestelde organen, worden beschouwd als een onderdeel van de taken die zij in hun instelling moeten verrichten. De betrokkene mag door de uitoefening van zijn functie geen enkel nadeel ondervinden." De in artikel 24 bis van het Statuut erkende vrijheid van vakvereniging betekent voorts met name, dat de vakbondsvertegenwoordigers moeten worden vrijgesteld van de dienst teneinde deel te nemen aan het overleg met de instellingen (arrest Hof van 18 januari 1990, gevoegde zaken C-193/87 en C-194/87, Maurissen en Union syndicale, reeds aangehaald).
14 Hieruit volgt in het bijzonder, dat de actitiviteiten op het gebied van de personeelsvertegenwoordiging in aanmerking moeten worden genomen bij de opstelling van het beoordelingsrapport van de betrokken ambtenaren, opdat dezen door de uitoefening van dergelijke activiteiten niet worden benadeeld. Dit betekent dat, ofschoon de beoordelaar en de beoordelaar in beroep uitsluitend een beoordeling mogen geven over de prestaties die de ambtenaar, houder van een mandaat op het gebied van de personeelsvertegenwoordiging, verricht in het kader van het ambt waarin hij is tewerkgesteld, met uitsluiting van de activiteiten die verband houden met dit mandaat, welke niet onder hun gezag vallen, zij niettemin rekening moeten houden met de verplichtingen voortvloeiend uit de uitoefening van functies op het gebied van personeelsvertegenwoordiging. Meer in het bijzonder dienen zij er in omstandigheden als de onderhavige rekening mee te houden dat de belanghebbende, in overeenstemming met bovengenoemde statutaire bepalingen, gedurende de periode waarop het rapport betrekking heeft minder dagen bij zijn dienst heeft kunnen werken dan het normale aantal werkdagen. Voor de beoordeling moeten de geschiktheid en het werk van deze ambtenaar derhalve worden beoordeeld op basis van de prestaties die de instelling normaliter mag verwachten van een ambtenaar in dezelfde rang gedurende een periode die overeenkomt met de tijd die hij daadwerkelijk heeft besteed aan zijn werk bij de dienst waar hij is tewerkgesteld, na aftrek van de tijd die hij, onder bovengenoemde statutaire voorwaarden, aan zijn vertegenwoordigende werkzaamheden heeft besteed.
15 In de onderhavige zaak stelt het Gerecht vast, dat verzoeker geen enkele aanwijzing heeft verschaft op grond waarvan kan worden aangenomen dat verweerster, in strijd met artikel 24 bis van het Statuut en artikel 1, zesde alinea, van bijlage II ervan, geen rekening heeft gehouden met zijn werkzaamheden op het gebied van de personeelsvertegenwoordiging, en dat zij daardoor bij de opstelling van verzoekers beoordelingsrapport over de periode 1988-1989 zowel heeft gedwaald ten aanzien van het recht alsook een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt.
16 Integendeel, blijkens de stukken hebben verzoekers beoordelaar en zijn beoordelaar in beroep wel degelijk rekening gehouden met de door verzoeker in het kader van zijn mandaten als personeelsvertegenwoordiger uitgeoefende functies. Dit blijkt uit de uitdrukkelijke vermelding in zijn beoordelingsrapport, in de rubriek waarin een uitvoerige omschrijving is opgenomen van de door hem gedurende de periode waarop het rapport betrekking heeft verrichte taken, van zijn "werkzaamheden in het kader van het personeelscomité" en zijn "door het Hof erkende vakbondstaken".
17 Uit de stukken en met name uit de beoordelingen en de toelichting in het beoordelingsrapport blijkt bovendien, dat de beoordelaar en de beoordelaar in beroep verzoeker hebben beoordeeld op grond van de door hem geleverde prestaties, door zich te baseren op de vaststelling dat de belanghebbende in 1989 73 van de 205 werkdagen had besteed aan zijn werk in het kader van de sector EOF. Dit blijkt duidelijk uit de nota die de beoordelaar in beroep verzoeker op 27 juli 1990 tezamen met het betwiste beoordelingsrapport deed toekomen. Hierin verklaarde de beoordelaar in beroep immers dat "volgens het uuroverzicht van de eerste elf maanden van 1989 73 werkdagen zijn besteed aan werkzaamheden van de sector. Voor december 1989 is in de stukken niets opgenomen. Ik ben tot de overtuiging gekomen, dat de gedurende de betrokken periode aan controlewerkzaamheden bestede tijd en de daarop betrekking hebbende stukken voldoende zijn om uw prestaties en rendement te beoordelen."
18 Uit een en ander blijkt dat het betrokken beoordelingsrapport, gelijk verweerster stelt, is opgesteld door verzoekers geschiktheid en werk gedurende de periode waarop het rapport betrekking heeft, te vergelijken met de prestaties die een ambtenaar in dezelfde rang gewoonlijk in 73 dagen verricht, dat wil zeggen na aftrek van de tijd die verzoeker heeft besteed aan zijn werkzaamheden op het gebied van de vertegenwoordiging van het personeel en rekening houdend met zijn ziekteverlof en zijn buitengewoon verlof voor beroepsopleiding. Onder deze omstandigheden moet het eerste middel worden afgewezen.
Het middel ontleend aan misbruik van bevoegdheid
Argumenten van partijen
19 In het kader van het tweede middel stelt verzoeker, dat verweerster met de opstelling van het bestreden rapport misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt. Verweerster zou de boordeling hebben gebruikt om hem te straffen voor de door hem in het kader van artikel 9, lid 3, van het Statuut en artikel 1 van bijlage II bij het Statuut rechtmatig uitgeoefende werkzaamheden als personeels- en vakbondsvertegenwoordiger.
20 Ten bewijze van misbruik van bevoegdheid voert verzoeker het volgende aan. In de eerste plaats vergelijkt hij het bestreden beoordelingsrapport met zijn vorige beoordelingen. Zo werd in zijn beoordeling aan het einde van de proeftijd verklaard dat zijn geschiktheid qua begrip, aanpassings- en oordeelsvermogen ver boven het gemiddelde lag. In die beoordeling werden de toen door verzoeker verrichte werkzaamheden als "uitstekend" beoordeeld. Verzoeker beklemtoont, dat deze lovende beoordelingen zijn bevestigd in zijn eerste beoordelingsrapport, over de periode 1984-1985. Voor de daarop volgende periode, 1986-1987, kreeg hij aanvankelijk, na het arrest van het Hof van 4 februari 1987 waarin zijn beroep tegen de weigering om hem tot het examen van een intern vergelijkend onderzoek toe te laten werd toegewezen (zaak 417/85, Maurissen, Jurispr. 1987, blz. 551), een uitermate ongunstig beoordelingsrapport. Daarbij werden hem met name zijn activiteiten als personeels- en vakbondsvertegenwoordiger alsmede zijn deelname aan cursussen in het kader van de beroepsopleiding verweten. Pas nadat verzoeker een onderhoud had gehad met zijn toenmalige beoordelaar was deze bereid, bepaalde ongunstige beoordelingen opnieuw in overweging te nemen, en werd, in het op 19 april 1988 vastgestelde definitieve rapport over de periode 1986-1987, de beoordeling voor de jaren 1984-1985 bevestigd.
21 Verzoeker merkt vervolgens op, dat de raadsman van de Rekenkamer in de gevoegde zaken C-193/87 en C-194/87 ter terechtzitting had verklaard, dat verzoeker ofwel een "destabiliserende factor" binnen de instelling was of dat hij door zijn vakbondsorganisatie werd gemanipuleerd om "de Rekenkamer te destabiliseren". Voorts is verzoeker sinds de publikatie, op 26 februari 1987, van een vlugschrift van de Union syndicale tegen de verhoging van het aantal tijdelijke functionarissen bij de Rekenkamer, door het tot aanstelling bevoegd gezag ongunstig behandeld. Zo werd zijn in 1987 ingediende aanvraag voor een beroepsopleiding pas na meer dan zes maanden, nadat hij tegen een eerste weigering een klacht had ingediend, goedgekeurd, terwijl één van zijn collega' s binnen dertien dagen een antwoord in gunstige zin had ontvangen. Hij wijst eveneens op de vertragingen waarmee hem op zijn verzoek werd toegestaan om tijdens zijn ziekteverlof, in het eerste halfjaar van 1989, buiten zijn plaats van tewerkstelling te mogen verblijven.
22 Ten slotte beklemtoont verzoeker, dat de relatie met zijn afdelingshoofd sinds de indiensttreding van laatstgenoemde in januari 1989, steeds slechter is geworden. Hij verwijt G. met name, dat hij hem tijdens hun eerste onderhoud op 30 januari 1989 te verstaan had gegeven, dat zijn werk in de sector EOF voorrang moest hebben boven elke andere activiteit, met name die van vertegenwoordiger van het personeel. G. had hieraan toegevoegd, dat, indien verzoekers deelname aan de werkgroep "mobiliteit" zou voortduren, hij hem dringend aanraadde de president om overplaatsing te verzoeken. Verzoeker stelt na dit onderhoud op 1 februari 1989 een aangetekende brief aan zijn afdelingshoofd te hebben gezonden, waarin hij hem in het bijzonder verweet "jegens hem (verzoeker) als personeels- en vakbondsvertegenwoordiger opzettelijk en onophoudelijk blijk te geven van intimidatie, druk en discriminatie". Vanaf die datum, zo vervolgt verzoeker, heeft zijn afdelingshoofd niet meer met hem gesproken, tot het onderhoud dat plaatsvond in het kader van de betrokken beoordelingsprocedure. Bovendien kreeg verzoeker van G. geen antwoord op zijn verzoek om een omschrijving van de taken en de rol die hij hem wilde toebedelen. Volgens verzoeker was de houding van G. onverenigbaar met die van een verantwoordelijke hiërarchieke meerdere, die zijn medewerkers bij hun dagelijkse taken moet leiden en bijstaan. Verzoekers afdelingshoofd had daarentegen duidelijk de wens kenbaar gemaakt om ten nadele van de belanghebbende zijn overplaatsing te verkrijgen. Dit doel zou op 4 december 1989 zijn bereikt met verzoekers overplaatsing.
23 Verweerster wijst de grief van misbruik van bevoegdheid af. Volgens haar is het bestreden beoordelingsrapport op objectieve en regelmatige wijze vastgesteld en is daarbij rekening gehouden met het door verzoeker verrichte werk, met geen ander doel dan het weergeven van zijn prestaties gedurende de betrokken periode. Haars inziens bevat verzoekers betoog geen objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende gegevens waaruit blijkt, dat de bestreden beoordeling een ander doel heeft gediend dan het gewoonlijk daarmee beoogde doel, te weten ervoor te zorgen dat de administratie periodiek wordt geïnformeerd over de wijze waarop haar ambtenaren hun werk vervullen.
24 Verweerster betwist achtereenvolgens alle door verzoeker genoemde aanwijzingen voor misbruik van bevoegdheid. Om te beginnen verwerpt zij de bewering dat verzoeker minder gunstig zou zijn behandeld, zowel wat betreft de beroepsopleiding alsook wat betreft de toestemming om op medische gronden in het buitenland te mogen verblijven. Dienaangaande herinnert zij eraan, dat verzoeker de door hem gevraagde toestemming heeft gekregen. Voorts stelt zij verzoeker verantwoordelijk voor de verslechtering van de relatie met zijn afdelingshoofd. Nadat verzoeker hem op 1 februari 1989 een aangetekende brief had toegezonden, "kon men G. niet verwijten dat hij, gezien verzoekers onvoorspelbare reacties, verergering van de situatie wilde voorkomen door zich van Maurissen te distantiëren en te handelen via zijn eerste ondergeschikten in de rang A 4/A 5". Bovendien, aldus verweerster, stond het niet aan het afdelingshoofd om verzoekers taakomschrijving te preciseren, omdat die vraag binnen de Rekenkamer werd onderzocht. In afwachting van die officiële omschrijving zou G. derhalve hebben verwezen naar de aankondiging van het vergelijkend onderzoek en de kennisgeving van vacature op basis waarvan verzoeker was aangeworven.
25 Voor zover verzoeker zou zijn verplicht, zich uitsluitend te wijden aan het werk van de sector, betwist verweerster, dat G. verzoeker te verstaan had gegeven, dat hij zich volledig op zijn werk in de sector EOF moest richten, of anders overplaatsing moest aanvragen. Hij zou hem slechts hebben gevraagd zich, afgezien van de normale bijeenkomsten van het personeelscomité, niet met de werkzaamheden daarvan bezig te houden, omdat vier van zijn acht personeelsleden lid waren van het personeelscomité, dat zelf uit zestien personen bestond. Een en ander zou blijken uit het antwoord van 13 februari 1989 op verzoekers aangetekende brief van 1 februari 1989, waarin G. preciseert dat "ook al is het geheel juist om te zeggen, dat, wat mij betreft, de voornaamste zorg de uitvoering van het werkprogramma van de Rekenkamer is, ik ten aanzien van uw vakbondsactiviteiten moet preciseren, dat zij mij gerechtvaardigd lijken (...). Wat uw eervolle functies op het gebied van de vertegenwoordiging van het personeel betreft, deze hebben een statutair karakter en in tegenstelling tot hetgeen u stelt, wil ik daarop geen enkele inbreuk maken. Gedurende ons onderhoud heb ik u gevraagd rekening te houden met de werklast van de sector en, gezien het aantal vertegenwoordigers dat in het personeelscomité zitting heeft, ervoor te zorgen, geen onredelijke verplichtingen op u te nemen bij de samenstelling van groepen of comités." Onder deze omstandigheden is verweerster van mening, dat er geen enkele aanwijzing is om te veronderstellen, dat bij de opstelling van de beoordeling sprake was van een gebrek aan objectiviteit of misbruik van bevoegdheid.
26 Verweerster betwist eveneens verzoekers argument, dat zijn twee overplaatsingen ambtshalve het karakter hadden van een straf. Ten aanzien van de eerste overplaatsing merkt zij op, dat verzoeker is tewerkgesteld bij de nieuwe directeur van G. Aangezien verzoeker sinds zes maanden een moeilijke relatie had met zijn oude afdelingshoofd, was het, aldus verweerster, zowel in het belang van de administratie als van de beide betrokken ambtenaren dat zij niet langer samenwerkten. Tot de overplaatsing van 25 januari 1991 zou eveneens zijn besloten in het belang van de dienst, na de overplaatsing van de directeur van groep III voor wie Maurissen werkzaam was en de daarop volgende vacature van deze directeurspost tot 6 juni 1991.
27 Wat verzoekers beweringen betreft dat zijn activiteiten als personeels- en vakbondsvertegenwoordiger hem reeds in het eerste ontwerp van het beoordelingsrapport over de voorgaande periode, 1986-1987, zouden zijn verweten, verklaart verweerster, dat het door de toenmalige beoordelaar geuite verwijt geen betrekking had op de uitoefening van verzoekers vakbondsactiviteiten of zijn beroepsopleiding, doch op het feit dat deze activiteiten, hoe gerechtvaardigd zij ook mochten zijn, hem beletten zijn controlewerkzaamheden uit te oefenen op het moment waarop zijn tijdschema dat bepaalde. In het definitieve beoordelingsrapport zou de beoordelaar, na een onderhoud met de belanghebbende zoals in het Statuut vastgelegd, deze beoordeling bovendien hebben gewijzigd. Op grond van dergelijke gegevens kan derhalve niet worden aangenomen, dat het beoordelingsrapport over de periode 1988-1989, dat is opgesteld door een andere beoordelaar en een andere beoordelaar in beroep, op misbruik van bevoegdheid berust. Het feit dat deze laatste beoordeling zoveel lager was dan die over de voorgaande periode, duidt in dit geval op een verminderde kwaliteit van verzoekers prestaties en laat zich verklaren door de "tweede kans" die hem was gegeven door de vorige beoordelaar over de periode 1986-1987, in de loop waarvan zijn werk reeds te wensen over liet.
Beoordeling in rechte
28 Teneinde vast te stellen of verweerster, door verzoekers beoordeling ten opzichte van zijn beoordeling over de vorige periode met 22 % te verlagen, misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt, moet volgens vaste rechtspraak worden nagegaan, of in het onderhavige geval op grond van objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende gegevens kan worden vastgesteld, dat het bestreden besluit een ander doel diende dan het doel waartoe het op grond van de toepasselijke statutaire bepalingen moet dienen (zie bij voorbeeld arresten Hof van 5 mei 1966, gevoegde zaken 18/65 en 35/65, Gutmann, Jurispr. 1966, blz. 150, en 29 september 1976, zaak 105/75, Giuffrida, Jurispr. 1976, blz. 1395; zie eveneens arrest Gerecht van 23 oktober 1990, zaak T-46/89, Pitrone, Jurispr. 1990, blz. II-577, r.o. 70 en 71).
29 Artikel 43 van het Statuut bepaalt dienaangaande, dat "(...) van iedere ambtenaar, met uitzondering van de ambtenaren in de rangen A 1 en A 2, ten minste om de twee jaar een periodiek beoordelingsrapport wordt opgesteld inzake diens bekwaamheid, prestaties en gedrag in de dienst". Hieruit volgt, dat het beoordelingsrapport "een intern document vormt, dat de administratie allereerst moet verzekeren van periodieke inlichtingen inzake de wijze waarop haar ambtenaren hun dienst vervullen" (arrest Hof van 3 juli 1980, gevoegde zaken 6/79 en 97/79, Grassi, Jurispr. 1980, blz. 2141, r.o. 20).
30 In de onderhavige zaak stelt het Gerecht vast, dat op grond van de door verzoeker aangevoerde omstandigheden niet kan worden vastgesteld, dat zijn beoordelingsrapport geen objectieve beoordeling beoogde te geven van zijn geschiktheid en prestaties gedurende de periode waarop het rapport betrekking had en, gelijk hij stelt, zou zijn gebruikt met het doel zijn activiteit als personeelsvertegenwoordiger en vakbondsafgevaardigde te bestraffen.
31 Op grond van verzoekers betoog, dat is gebaseerd op een vergelijking van het thans in geding zijnde beoordelingsrapport en zijn vorige beoordelingsrapporten en de beoordeling aan het einde van zijn proeftijd, kan immers niet worden vastgesteld, dat verweerster geen objectieve beoordeling heeft willen geven van het specifiek gedurende de periode 1988-1989 verrichte werk. De opstelling van een beoordelingsrapport om de twee jaar heeft juist tot doel, de geschiktheid en prestaties van een ambtenaar gedurende een bepaalde periode te beoordelen. Een verschil in beoordeling van de ene tot de andere periode, kan dan ook op zich geen aanwijzing vormen voor misbruik van bevoegdheid.
32 Aangaande het argument dat is gebaseerd op de beweerde discriminerende behandeling van verzoeker, met name wat betreft ziekteverlof en beroepsopleiding, is het Gerecht van oordeel, dat dergelijke omstandigheden, zo deze al zouden zijn aangetoond, geen enkel verband houden met de opstelling van het beoordelingsrapport. Bij gebreke van andere ter zake dienende gegevens kan op grond daarvan derhalve niet worden vastgesteld, dat het rapport niet in alle onpartijdigheid is opgesteld. Bovendien blijkt uit de door verzoeker niet-betwiste opmerkingen van verweerster, dat verzoeker het gevraagde ziekteverlof en het bijzonder verlof voor beroepsopleiding, bedoeld om een gedeeltelijk door verweerster gefinancierde opleiding voor handelsingenieur te volgen, uiteindelijk heeft gekregen.
33 Aangaande de argumenten die verzoeker ontleent aan de mogelijke invloed van zijn eerdere beroepen voor de communautaire rechter en de verslechtering van de relatie met zijn hiërarchieke meerdere, is het Gerecht van oordeel, dat dergelijke gegevens niet aantonen, dat vroegere conflicten tussen verzoeker en verweerster en de onverenigbaarheid van verzoekers karakter met dat van G., de beoordelaars hebben kunnen beïnvloeden bij de opstelling van het beoordelingsrapport (zie arrest Hof van 5 december 1963, gevoegde zaken 35/62 en 16/63, Leroy, Jurispr. 1963, blz. 417, 438). Gezien de verslechtering van de relatie met zijn afdelingshoofd, is het bovendien duidelijk, dat verzoekers overplaatsing op 4 december 1989 naar S., directeur van groep III, gelijk verweerster stelt, zowel in het belang van de dienst als van verzoeker was. Evenzo blijkt uit zijn tweede overplaatsing, op 25 januari 1991, na de overplaatsing van de directeur bij wie hij rechtstreeks tewerk was gesteld en de vacature van deze directiepost gedurende bijna zes maanden, geenszins dat verweerster de bedoeling had om verzoekers activiteit als personeelsvertegenwoordiger te bestraffen.
34 Uit het voorgaande volgt, dat het middel ontleend aan misbruik van bevoegdheid moet worden afgewezen.
Het middel ontleend aan onsamenhangende motivering en de onmogelijkheid om de gegrondheid ervan te beoordelen
Argumenten van partijen
35 In het kader van het derde middel legt verzoeker de nadruk op de verplichting van de beoordelaar en de beoordelaar in beroep, de verslechtering van zijn beoordeling ten opzichte van de vorige periode nauwkeurig te motiveren. In dat verband merkt hij op, dat de gespecificeerde en algemene beoordelingen niet overeenkomen met de tabel van toebedeelde punten en bovendien geen melding maken van zijn, door het tot aanstelling bevoegd gezag toegestane, activiteiten als personeels- en vakbondsvertegenwoordiger, noch van de invloed van zijn om gezondheidsredenen gerechtvaardigde afwezigheid. Derhalve kan op grond van de toelichting in het beoordelingsrapport, de gegrondheid ervan niet worden gecontroleerd. Bovendien, aldus verzoeker, was de nota van 27 juli 1990 waarmee de beoordelaar in beroep verzoeker zijn definitieve beoordelingsrapport deed toekomen, gelijk aan de nota die aan een andere ambtenaar van de Rekenkamer, die eveneens beroep had ingesteld tegen zijn beoordeling, was gezonden.
36 Verweerster betwist verzoekers betoog. Zij acht de motivering van de nieuwe beoordeling volledig en gedetailleerd, omdat voor alle gewijzigde specifieke beoordelingen zowel door de beoordelaar als door de beoordelaar in beroep een duidelijke rechtvaardiging is gegeven. Voorts heeft de beoordelaar in beroep verzoeker in zijn brief van 27 juli 1990 duidelijk de redenen voor zijn definitieve beoordeling uiteengezet. Aangaande het beweerde verschil tussen de toelichting en de in de tabel opgenomen punten, merkt verweerster op dat dit verschil zijn oorzaak vindt in de technische correctie die alle door verzoekers eerste beoordelaar beoordeelde ambtenaren in de vorm van een forfaitaire toewijzing van vijf punten hebben gekregen, als compensatie voor het feit dat hij verschillende beoordelingscriteria strikter interpreteert dan de andere beoordelaars. De paritaire beoordelingscommissie heeft dienaangaande in haar advies geoordeeld, dat de punten in de definitieve tabel niet behoefden te worden gewijzigd. Bovendien, zo heeft verweerster ter terechtzitting verklaard, is het verschil tussen bepaalde beoordelingen en de bijbehorende toelichting gewijzigd door de beoordelaar in beroep, die een deel van de gespecificeerde toelichting heeft gewijzigd. Onder deze omstandigheden, aldus verweerster, stelt de in verzoekers beoordelingsrapport opgenomen toelichting het Gerecht in staat zijn controle uit te oefenen, welke controle zich beperkt tot gevallen van kennelijke dwaling en misbruik van bevoegdheid, omdat, volgens vaste rechtspraak, "de beoordelaars een zeer grote beoordelingsvrijheid hebben bij hun waardering van het werk van degenen die zij moeten beoordelen" (arrest Hof van 1 juni 1983, gevoegde zaken 36/81, 37/81 en 218/81, Seton, Jurispr. 1983, blz. 1789, r.o. 23).
37 Met betrekking tot de gelijkheid van de door de beoordelaar in beroep aan twee beoordeelden gezonden nota' s, herinnert verweerster eraan, dat de beoordelaar in beroep een zeer ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat niets er zich derhalve tegen verzet, dat hij over het werk van twee ambtenaren dezelfde mening heeft. Bovendien hebben de identieke passages alleen betrekking op de procedure, algemene overwegingen en overeenkomstige argumenten. Het specifieke betoog dat op verzoeker betrekking heeft, berust op een individuele beoordeling.
Beoordeling in rechte
38 Om de gegrondheid van het onderhavige middel te beoordelen, moet het Gerecht om te beginnen de toepasselijke bepalingen en de omvang van zijn controle op het gebied van beoordelingsrapporten vaststellen, en vervolgens deze beginselen toepassen op de onderhavige zaak.
39 Wat de toepasselijke bepalingen en de omvang van de controle van de communautaire rechter op het gebied van beoordelingsrapporten betreft, moet er in de eerste plaats aan worden herinnerd, dat beoordelingsrapporten, die geen besluiten in de zin van artikel 25 van het Statuut vormen, worden beheerst door de bijzondere bepalingen van artikel 43 van het Statuut (zie arrest Hof van 25 november 1976, zaak 122/75, Kuester, Jurispr. 1976, blz. 1685, r.o. 24 en 25). Ingevolge artikel 5 van het besluit van de Rekenkamer van 22 maart 1984 houdende algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 43 van het Statuut, is de beoordelaar verplicht, elke wijziging van de gespecificeerde beoordelingen ten opzichte van de vorige beoordeling te motiveren.
40 Voorts moet eraan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak "de beoordelaars een zeer grote beoordelingsvrijheid hebben bij hun waardering van het werk van degenen die zij moeten beoordelen, en dat de rechter, behoudens in geval van een kennelijke vergissing of onredelijkheid, niet in deze beoordeling dient te treden" (arrest Hof van 1 juni 1983, gevoegde zaken 36/81, 37/81 en 218/81, Seton, reeds aangehaald, r.o. 23).
41 Dat de beoordelaars een grote beoordelingsvrijheid hebben bij hun waardering van het werk van degenen die zij moeten beoordelen, neemt evenwel niet weg dat, gelijk het Hof overwoog in zijn arrest van 21 november 1991, wanneer de administratie over een dergelijke beoordelingsvrijheid beschikt, "de naleving van de door de communautaire rechtsorde (...) geboden waarborgen van des te groter fundamenteel belang is. Tot die waarborgen behoren met name de verplichting voor de bevoegde instelling om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken, het recht van de belanghebbende om zijn standpunt kenbaar te maken en zijn recht op een beschikking die toereikend is gemotiveerd. Enkel dan kan het Hof nagaan, of voldaan is aan alle feitelijke en juridische vereisten waarvan de uitoefening van de beoordelingsvrijheid afhangt" (zaak C-269/90, Technische Universitaet Muenchen, Jurispr. 1991, blz. I-5469, r.o. 14). Hieruit volgt, dat de facultatieve toelichting bij de beoordelingen in de gespecificeerde tabel tot doel heeft deze beoordelingen te motiveren, opdat de beoordeelde met volledige kennis van zaken de gegrondheid ervan kan beoordelen en het Gerecht, zo nodig, zijn rechterlijke controle kan uitoefenen. Een dergelijke, zelfs beperkte controle, die impliceert dat de beoordelaars de beoordelingen die ten opzichte van het vorige beoordelingsrapport minder gunstig zijn, met redenen dienen te omkleden, vereist eveneens dat er een samenhang bestaat tussen deze beoordelingen en de ter motivering ervan verstrekte toelichting.
42 Ten slotte moet eraan worden herinnerd, dat de Gids voor de beoordeling van de Commissie, die krachtens het besluit van de Rekenkamer van 22 maart 1984 houdende algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 43 van het Statuut eveneens voor deze instelling geldt, de waarde van een interne richtlijn heeft die de instelling volgens vaste rechtspraak moet toepassen, tenzij zij beslist er door middel van een gemotiveerd en gedetailleerd besluit van af te wijken, hetgeen in casu niet het geval is.
43 Deze beginselen op de onderhavige zaak toepassend, is het Gerecht van oordeel dat, ter beoordeling van de samenhang tussen de gespecificeerde beoordelingen en de toelichtingen daarbij, verwezen moet worden naar de door de instelling vastgestelde criteria om de verschillende beoordelingen te omschrijven, zoals deze voortvloeien uit bovengenoemde Gids voor de beoordeling en op synthetische wijze zijn overgenomen in het beoordelingsrapport zelf. Hieruit blijkt met name, dat het begrip "goed" overeenkomt met "het hoge niveau dat met recht mag worden verwacht van een ambtenaar van de Gemeenschappen" en het oordeel "redelijk" overeenkomt met een "aanvaardbaar niveau". Voorts moet worden opgemerkt, dat de Gids voor de beoordeling preciseert, dat "de beoordelaar bij het opstellen van de gespecificeerde beoordelingen één grondbeginsel in acht moet nemen: hij moet elke waardering afzonderlijk geven en zich daarbij niet laten leiden door het totaal van de waarderingen die hij aan de betrokken ambtenaar wil toekennen. Het formuleren van waarderingen van onderdelen met de bedoeling een totale waardering te motiveren, zou volslagen in strijd zijn met de bedoeling van de beoordeling. Ten slotte dient de beoordelaar die een groot aantal rapporten moet opstellen, voortdurend de handleiding te gebruiken met het oog op het inachtnemen van de definitie van de verschillende termen."
44 Onder deze omstandigheden dient het Gerecht aan de hand van bovengenoemde criteria de logische samenhang tussen de waarderingen en de toelichtingen daarbij te controleren, zonder dat eventuele tegenstrijdigheden kunnen worden gerechtvaardigd met een beroep op de door verweerster aangevoerde technische correctie. Uit de Gids voor de beoordeling blijkt immers duidelijk, dat voor elke rubriek een individuele, naar behoren met redenen omklede waardering moet worden gegeven. De noodzakelijke harmonisatie tussen de verschillende beoordelaars kan er derhalve in geen geval toe leiden, dat de specifieke beoordelingen worden losgekoppeld van de daarbij behorende toelichting met het enkele doel, zoals in deze zaak, de totale beoordeling van de belanghebbende hoger te doen uitvallen.
45 Dienaangaande stelt het Gerecht vast, dat het onderzoek van de gespecifeerde tabel in het door de beoordelaar in beroep opgestelde beoordelingsrapport talrijke ernstige kennelijke onsamenhangendheden tussen de beoordelingen en de toelichtingen aan het licht heeft gebracht. In het bijzonder moet worden opgemerkt, dat in de rubriek "gedrag in de dienst" het "plichtsgevoel" de beoordeling "goed" heeft gekregen, welke beoordeling op de volgende tegenstrijdige wijze is gemotiveerd: "het werk van de sector heeft niet alle aandacht gekregen die redelijkerwijs mag worden verwacht". Bovendien ging de ter omschrijving van verzoekers "initiatief" gegeven waardering "redelijk", hetgeen volgens de in de Gids voor de beoordeling opgenomen criteria "aanvaardbaar" betekent, vergezeld van de toelichting "geen". Deze waardering "redelijk" is derhalve op tegenstrijdige wijze gemotiveerd, omdat de uitdrukking "geen" slechts het totaal ontbreken van initiatief kan betekenen. Het onderdeel "werken in groepsverband", dat eveneens de beoordeling "redelijk" kreeg, is met de toelichting "miniem" eveneens op onsamenhangende wijze gemotiveerd. Bovendien hebben de in de rubriek "bekwaamheid" gegeven waarderingen voor verzoekers "inzicht" en "schriftelijk uitdrukkingsvermogen", te weten "goed", hetgeen volgens bovengenoemde criteria overeenkomt met een "hoog niveau", respectievelijk de volgende tegenstrijdige toelichtingen gekregen: "beweert teveel zonder dit te kunnen aantonen. De conclusies zijn onvoldoende gemotiveerd" en "zijn schriftelijke bijdragen zijn slecht verzorgd, de uiteenzettingen zijn inhoudelijk en structureel onvoldoende". De waardering "goed" die werd gebruikt om verzoekers organisatievermogen te omschrijven, kreeg de volgende, eveneens tegenstrijdige toelichting: "werkdocumenten ronduit onvoldoende wat aantoonbaarheid van de verrichte verificaties betreft; ongeorganiseerde en onvolledige dossiers". Deze ernstige kennelijke onsamenhangendheid tussen de specifieke beoordelingen en de toelichtingen doet zich ook voor in de rubriek "prestaties", waarin het "werktempo", de "regelmaat" en de "aanpassing aan de eisen van de dienst" de waardering "goed" hebben gekregen, maar respectievelijk zijn gemotiveerd met de volgende tegenstrijdige toelichting: "overschrijdt de voor de uitvoering van het werk gestelde termijnen", "spant zich voor de verschillende werkzaamheden niet in gelijke mate in" en "mist flexibiliteit in het werk".
46 Bovendien stelt het Gerecht vast dat de paritaire beoordelingscommissie, na te hebben opgemerkt dat de waarderingen in de specifieke tabel, met name gelet op de forfaitaire toewijzing van vijf punten als technische compensatie, niet behoefden te worden gewijzigd, in haar advies te kennen heeft gegeven, dat een verbetering van zowel de specifieke als de algemene toelichtingen "ervoor zou kunnen zorgen, dat de in woorden uitgedrukte beoordeling en de tabel met de toebedeelde punten beter op elkaar zijn afgestemd". Na dit advies heeft de beoordelaar in beroep de gespecificeerde beoordelingen bevestigd en de formulering van de algemene beoordeling aanzienlijk gewijzigd, maar daarbij alleen de toelichtingen bij de gespecificeerde beoordelingen hier en daar aangepast, zonder daarin de aanzienlijker wijzigingen aan te brengen waarom de paritaire commissie had gevraagd.
47 Gelet op een en ander, vertoont de motivering van het bestreden beoordelingsrapport een ernstig kennelijk gebrek aan samenhang, aangezien negen van de tien toelichtingen in de gespecificeerde tabel volledig in tegenspraak zijn met de waarderingen die zij in beginsel dienen te rechtvaardigen. Verzoeker stelt derhalve terecht, dat hij onmogelijk de gegrondheid van zijn beoordelingsrapport kan controleren. In deze omstandigheden is ook de communautaire rechter niet in staat, de regelmatigheid van het bestreden besluit te controleren.
48 Hieruit volgt, dat het derde middel gegrond moet worden verklaard.
49 Mitsdien moet verzoekers vordering tot nietigverklaring van zijn beoordelingsrapport worden toegewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
50 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verweerster in het ongelijk is gesteld, dient zij in alle kosten te worden veroordeeld.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart nietig het besluit van 27 juli 1990 houdende vaststelling van verzoekers beoordelingsrapport over de periode 1988-1989.
2) Verwijst de Rekenkamer in alle kosten.
Full & Egal Universal Law Academy