Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren - Aanwerving - Proeftijd - Besluit om ambtenaar op proef niet in vaste dienst aan te stellen - Mededeling aan betrokkene van advies van beoordelingscomité - Eerbiediging van rechten van verdediging
(Ambtenarenstatuut, art. 34, lid 2)
2. Ambtenaren - Aanwerving - Proeftijd - Doel - Omstandigheden waaronder proeftijd dient te verlopen
(Ambtenarenstatuut, art. 34, lid 2)
3. Ambtenaren - Aanwerving - Proeftijd - Beoordeling van resultaten - Beoordeling van geschiktheid van ambtenaar op proef - Rechterlijke toetsing - Grenzen
(Ambtenarenstatuut, art. 34)
Samenvatting
1. Ingeval van een besluit om een ambtenaar op proef niet in vaste dienst aan te stellen, vormt de toezending van het advies van het beoordelingscomité aan betrokkene een voldoende waarborg voor de eerbiediging van de rechten van de verdediging. De regelmatigheid van de werkzaamheden van het beoordelingscomité kan door de ambtenaar op proef en door het Gerecht immers op basis van het advies alleen worden beoordeeld, zonder dat het noodzakelijk is over de notulen van dit comité te beschikken.
2. Anders dan vergelijkende onderzoeken die toegang geven tot een ambt bij de Europese Gemeenschappen en die zodanig zijn opgezet, dat de kandidaten op basis van algemene en prognostische criteria kunnen worden geselecteerd, heeft de in artikel 34 van het Statuut bedoelde proeftijd tot doel, de administratie in staat te stellen een concreter oordeel te vellen over de geschiktheid van de kandidaat voor een bepaalde functie, over de gezindheid waarmee hij zijn werkzaamheden verricht, en over zijn prestaties in de dienst.
Hoewel de proeftijd niet als een opleidingsperiode is te beschouwen, is het wel noodzakelijk dat de betrokkene gedurende die periode in staat wordt gesteld het bewijs van zijn kunnen te leveren. Deze voorwaarde is onlosmakelijk verbonden met het begrip proeftijd en beantwoordt bovendien aan de vereisten verband houdend met de eerbiediging van de algemene beginselen van goed bestuur en gelijke behandeling en van de zorgplicht. Bijgevolg moet de ambtenaar op proef niet slechts onder passende materiële omstandigheden kunnen werken, maar, gelet op de aard van de hem toevertrouwde taken, tevens passende aanwijzingen, instructies en adviezen krijgen, zodat hij zich kan aanpassen aan de specifieke eisen van het ambt dat hij vervult.
Daarentegen is de administratie op grond van haar zorgplicht niet gehouden, de ambtenaar op proef taken op te dragen waarbij meer rekening wordt gehouden met zijn bijzondere bekwaamheden dan met het belang van de dienst waarbij hij is aangesteld.
3. Ingevolge de statutaire beginselen die de aanwerving en de proeftijd beheersen, beschikt de administratie over een ruime marge bij de beoordeling van de geschiktheid en de prestaties van een ambtenaar op proef volgens het belang van de dienst. Het staat dus niet aan het Gerecht zich in de plaats van de instellingen te stellen, waar het gaat om hun beoordeling van de resultaten van een proeftijd en van de geschiktheid van een kandidaat voor een vaste aanstelling als gemeenschapsambtenaar, behoudens in het geval van duidelijke beoordelingsfouten of van misbruik van bevoegdheid.
Partijen
In zaak T-26/91,
L. Kupka-Floridi, voormalig ambtenaar op proef bij het Economisch en Sociaal Comité, wonende te Amsterdam (Nederland), vertegenwoordigd door G. Vandersanden, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. Schmitt, advocaat aldaar, Avenue Guillaume 62,
verzoekster,
tegen
Economisch en Sociaal Comité, vertegenwoordigd door M. Bermejo Garde als gemachtigde, bijgestaan door D. Waelbroeck, advocaat te Brussel, en ter terechtzitting door D. Pardes, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst van de Commissie, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de secretaris-generaal van het Economisch en Sociaal Comité van 27 juni 1990 om verzoekster na afloop van haar proeftijd te ontslaan,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: B. Vesterdorf, kamerpresident, A. Saggio en J. Biancarelli, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 12 februari 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten en het procesverloop
1 Nadat verzoekster was geslaagd voor het door de Raad georganiseerde vergelijkend onderzoek LA/301 (87/C/101/05) met het oog op de vorming van een reserve van Italiaanstalige vertalers, werd zij op 1 oktober 1989 door het Economisch en Sociaal Comité (hierna: "ESC") aangeworven als ambtenaar op proef in de rang LA 7.
2 Het aan het eind van de proeftijd opgestelde beoordelingsrapport (hierna: "stagerapport"), waarvan de eerste bladzijde is gedateerd op 14 mei 1990 en dat op 31 mei 1990 door haar beoordelaar is ondertekend, werd verzoekster op 1 juni 1990 ter kennis gebracht. Het bevatte het voorstel haar niet in vaste dienst aan te stellen, en wel om de volgende redenen:
"Gedurende de referentieperiode heeft mevrouw Kupka niet bewezen de basiskennis, werkmethode en geschiktheid te hebben die nodig zijn voor het vertalen van teksten van het Comité. Zij kent weliswaar verscheidene talen, maar zij kent deze niet voldoende. Wat zij echter mist, is het vermogen de Italiaanse taal deskundig en nauwgezet te gebruiken.
Mevrouw Kupka heeft in de afgelopen maanden blijk gegeven van goede wil, maar dit was niet genoeg, ondanks de vele opmerkingen die over haar werk zijn gemaakt en de herhaalde aanwijzingen die haar zijn gegeven.
Tenslotte heeft mevrouw Kupka zich onvoldoende bereid getoond om met de reviseurs en haar collega' s te praten en te discussiëren.
De conclusie luidt dan ook, dat uit de kwaliteit van de door mevrouw Kupka gemaakte vertalingen niet blijkt, dat zij iemand is die de bekwaamheden, de basiskennis en de geschiktheid bezit die voor de voortzetting van haar vertaalwerkzaamheden bij het Comité noodzakelijk zijn."
Dit stagerapport was ook ondertekend door Pertoldi, hoofd van de Italiaanse vertaalafdeling en haar directe hiërarchieke meerdere, en door drie reviseurs.
3 Op 8 juni 1990 diende verzoekster overeenkomstig artikel 34, lid 2, tweede alinea, Ambtenarenstatuut haar opmerkingen over het stagerapport in bij de beoordelaar.
4 Op 19 juni 1990 verzocht zij om bijeenroeping van het beoordelingscomité, een paritair comité dat kan worden ingesteld ingevolge artikel 9, lid 5, van het Statuut. Volgens deze bepaling heeft dit comité tot taak, advies uit te brengen over, onder meer, hetgeen na de proeftijd dient te geschieden. In casu is een dergelijk comité ingesteld bij besluit nr. 76/83A van de voorzitter van het ESC van 25 februari 1983, waarin de voor dit comité geldende procedureregels zijn vastgesteld.
5 Het beoordelingscomité vergaderde voor de eerste keer op 22 juni 1990 en hoorde verzoekster, die op de dag zelf, volgens haar zeggen "letterlijk op het laatste moment", was opgeroepen. Nadat haar verzoek om een deskundigenonderzoek van haar werk was afgewezen, omdat dit onmogelijk zou zijn, werd verzoekster naar zij in het verzoekschrift stelt, beloofd dat het comité het oordeel van de reviseurs over haar werk zou vragen. Op 25 juni 1990 kwam het comité andermaal bijeen. Verzoekster woonde deze vergadering niet bij: zij was tien minuten voor de aanvang ervan opgeroepen en kon onder die omstandigheden een andere afspraak op hetzelfde tijdstip niet meer afzeggen.
6 Op 26 juni 1990 bracht het beoordelingscomité een advies uit waarin het de negatieve conclusie van het stagerapport unaniem bevestigde. In dit advies kwam het comité, na het horen van de beoordeelde, de beoordelaar, de directe hiërarchieke meerderen van de beoordeelde, te weten Pertoldi en twee reviseurs, Apollonio en Giordano, alsmede een door verzoekster aangewezen ambtenaar en een ambtenaar van de directie Personeelszaken en financiën, en na onderzoek van de door de secretaris-generaal toegezonden stukken, tot de volgende conclusie:
"° de in casu gevolgde procedure is in overeenstemming met de regels van het Statuut en de uitvoeringsbepalingen ervan;
7 Op 27 juni 1990 besloot de secretaris-generaal van het ESC op grond van het stagerapport en het advies van het beoordelingscomité, verzoekster aan het eind van haar proeftijd te ontslaan.
8 Op 24 september 1990 diende verzoekster een klacht in tegen dit besluit. Na afwijzing van deze klacht bij besluit van 18 januari 1991, heeft zij bij op 23 april 1991 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift nietigverklaring van genoemd besluit van 27 juni 1990 gevorderd. De schriftelijke procedure heeft een normaal verloop gehad. Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht overeenkomstig artikel 53 van het Reglement voor de procesvoering besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang heeft het Gerecht het ESC verzocht vóór de mondelinge behandeling over te leggen: een lijst van de in punt 4 van het advies van het beoordelingscomité bedoelde stukken, die door de secretaris-generaal van het ESC aan dit comité waren toegezonden, de in deze lijst vermelde stukken, alsmede besluit nr. 363/82A van het ESC betreffende de algemene regels met betrekking tot het opstellen van de beoordeling aan het eind van de proeftijd. In antwoord op het verzoek van het Gerecht om de notulen van de twee vergaderingen van het beoordelingscomité over te leggen, heeft de secretaris van dit comité bij nota van 22 januari 1992 verklaard, dat "overeenkomstig de steeds gevolgde praktijk geen volledig verslag van de beraadslagingen van het beoordelingscomité wordt opgemaakt. Het advies van 26 juni 1990 is het enige door het beoordelingscomité opgestelde document." De mondelinge behandeling heeft op 12 februari 1992 plaatsgevonden. Ter terechtzitting heeft het Gerecht met toepassing van artikel 68, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering Pertoldi ambtshalve als getuige gehoord over de omstandigheden waaronder verzoeksters proeftijd is verlopen. Na afloop van de terechtzitting heeft de president de mondelinge behandeling gesloten verklaard.
Conclusies van partijen
9 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
° nietig te verklaren het besluit van de secretaris-generaal van het ESC van 27 juni 1990 om verzoekster aan het eind van haar proeftijd te ontslaan;
° verweerder te veroordelen hieraan alle rechtsgevolgen te verbinden, met name verzoekster in staat te stellen een tweede proeftijd te doorlopen aan het eind waarvan haar bekwaamheden opnieuw zullen worden beoordeeld;
° verweerder te veroordelen verzoekster vanaf 30 juni 1990 tot de datum van hervatting van haar werkzaamheden, haar salaris en alle in het Statuut voorziene vergoedingen te betalen, vermeerderd met rente volgens het geldende percentage;
° verweerder in alle kosten te veroordelen.
In repliek concludeert zij voorts dat het het Gerecht behage:
° de benoeming van een deskundige te gelasten ter beoordeling van de kwaliteit van de tijdens haar proeftijd gemaakte, met de hand geschreven vertalingen en van haar kennis van de Italiaanse taal.
Verweerder concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep te verwerpen;
° verzoekster in haar eigen kosten te verwijzen.
De vordering tot nietigverklaring
10 Tot staving van haar vordering voert verzoekster vier middelen aan, respectievelijk ontleend aan schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van de rechten van de verdediging, schending van de zorgplicht, en kennelijke dwaling bij de beoordeling van de feiten.
Het middel ontleend aan schending van wezenlijke vormvoorschriften
Argumenten van partijen
11 Het eerste middel bestaat uit drie onderdelen. Verzoekster stelt schending van artikel 25, tweede alinea, van het Statuut, niet-inachtneming van de nota van de secretaris-generaal aan Vermeylen van 19 oktober 1989 en miskenning van verzoeksters rechten tijdens de procedure voor het beoordelingscomité.
12 Wat het eerste onderdeel van het middel betreft, wijst verzoekster erop, dat het op 14 mei gedateerde stagerapport haar pas op 1 juni 1990 ter hand is gesteld, hetgeen in strijd is met artikel 25, tweede alinea, van het Statuut, dat luidt: "Elk besluit dat overeenkomstig dit Statuut ten aanzien van een ambtenaar wordt genomen, dient onverwijld schriftelijk te zijner kennis te worden gebracht." Daar haar proeftijd op 30 juni verstreek, moet de kennisgeving van het stagerapport op 1 juni 1990 als tardief worden beschouwd, aangezien ingevolge artikel 34, lid 2, van het Statuut "uiterlijk een maand voor het verstrijken van de proeftijd ten aanzien van de ambtenaar op proef een beoordeling [moet worden] opgesteld". Haar afwezigheid gedurende één dag wegens ziekte vormde voor het tot aanstelling bevoegd gezag geen beletsel om haar onverwijld schriftelijk van haar beoordeling in kennis te stellen. Verweerder heeft de schending van artikel 25, tweede alinea, overigens zelf erkend in een nota van Vermeylen aan de secretaris-generaal, waarin Vermeylen verklaarde, dat hij door verzoeksters afwezigheid wegens ziekte er niet in was geslaagd, "haar het stagerapport nog binnen de gestelde termijn te doen toekomen".
13 Verweerder is van mening, dat het eerste onderdeel van het middel moet worden afgewezen. Hij betoogt, dat een verloop van vijftien dagen tussen de opstelling en de kennisgeving van het stagerapport geenszins buitensporig kan worden geacht. De kennisgeving van het stagerapport op 1 juni 1990 heeft binnen de in artikel 34, lid 2, van het Statuut gestelde termijn plaatsgevonden, te weten één maand vóór het verstrijken van de proeftijd. In elk geval volgt uit deze bepaling uitdrukkelijk, dat die termijn enkel betrekking heeft op de opstelling van het rapport en niet op de kennisgeving ervan aan de belanghebbende. Na de kennisgeving van het rapport op 1 juni 1990 heeft verzoekster voldoende tijd gehad om de opmerkingen te formuleren die zij op 8 juni 1990 de beoordelaar deed toekomen.
Voorts betoogt verweerder, dat ook al zou het rapport te laat zijn overhandigd, dit geen grond kan opleveren voor nietigverklaring van het bestreden besluit. Volgens vaste rechtspraak van het Hof immers raken onregelmatigheden in de kennisgeving van een besluit de handeling zelf niet en kunnen zij niet leiden tot ongeldigheid ervan (arresten Hof van 14 juli 1972, zaak 48/69, ICI, Jurispr. 1972, blz. 619, r.o. 39; 29 mei 1974, zaak 185/73, Koenig, Jurispr. 1974, blz. 607, r.o. 6; 29 oktober 1981, zaak 125/80, Arning, Jurispr. 1981, blz. 2539; en 30 mei 1984, zaak 111/83, Picciolo, Jurispr. 1984, blz. 2323, r.o. 25). Voorts herinnert hij eraan, dat het Hof heeft verklaard, dat te late kennisgeving van het stagerapport de nietigverklaring van het besluit om de ambtenaar niet in vaste dienst aan te stellen, niet rechtvaardigt (arrest van 12 juli 1973, gevoegde zaken 10/72 en 47/72, Di Pillo, Jurispr. 1973, blz. 763, r.o. 2-6).
14 Het tweede onderdeel van het middel betreft de niet-inachtneming van de nota van de secretaris-generaal van 19 oktober 1989 aan Vermeylen, die luidt als volgt:
"2. Gezien het belang van de proeftijd, verzoek ik u om regelmatig ° op basis van objectieve en controleerbare criteria ° alle gegevens te verzamelen, zowel positieve als negatieve, over de geschiktheid, het rendement en het gedrag van de ambtenaar op proef.
Deze gegevens zullen het oordeel in de stagerapporten kunnen schragen.
15 Verzoekster merkt op, dat Vermeylen zich niet aan deze instructies heeft gehouden. Hij heeft niet met haar gesproken en haar geen schriftelijke toelichting doen toekomen. Evenmin heeft hij de secretaris-generaal ingelicht.
Door zich niet aan genoemde nota te houden, heeft verweerder een wezenlijk vormvoorschrift geschonden. Tot staving van haar stelling voert verzoekster aan, dat die nota een interne richtlijn vormde voor het gedrag van de administratie, waarvan deze, op straffe van schending van het gelijkheidsbeginsel, niet zonder vermelding van redenen mocht afwijken, zoals volgt uit 's Hofs rechtspraak en met name uit het arrest van 30 januari 1974 (zaak 148/73, Louwage, Jurispr. 1974, blz. 81, r.o. 12).
16 Verweerder wijst het betoog van verzoekster van de hand. Hij stelt, dat de genoemde nota van 19 oktober 1989 in geen enkel opzicht bindend is. Uit de tekst zelf ervan blijkt immers, dat daarin enkel een bepaalde gedragslijn wordt aanbevolen voor het geval van problemen. Het is dus geen interne richtlijn die rechten voor de ambtenaren schept en die de administratie bindt in de zin van de rechtspraak in de zaak Louwage (arrest van 30 januari 1974, reeds aangehaald).
Bovendien is verzoekster door haar hiërarchieke meerderen bij herhaling ten duidelijkste gewaarschuwd, dat haar werk tekortkomingen vertoonde. In het bijzonder is haar gezegd, dat haar vertalingen op het punt van stijl en terminologie zeer veel correcties behoefden. In dit verband zet verweerder uiteen, dat het vanaf een bepaald niveau van gebrekkigheid niet meer mogelijk is negen maanden lang "stelselmatig" de gemaakte fouten aan te geven, zoals verzoekster had gewild. De reviseurs hadden voorts besloten de in haar teksten aangebrachte wijzigingen niet meer met verzoekster te bespreken, vooral omdat zij, zoals in het stagerapport wordt vermeld, geen kritiek kon verdragen. Bovendien had Pertoldi haar schriftelijk van zijn ongenoegen laten blijken nadat zij een keer werk had geweigerd.
17 In het kader van het derde onderdeel van het eerste middel stelt verzoekster, dat de door het beoordelingscomité gevolgde procedure inbreuk maakt op artikel 2 van besluit nr. 76/83A van het ESC, volgens hetwelk de door de secretaris-generaal gestelde termijn waarbinnen het advies moet worden uitgebracht, niet minder dan zeven werkdagen mag bedragen. Het comité, dat op 19 juni 1990 werd bijeengeroepen, vergaderde op 22 en 25 juni en bracht op 26 juni advies uit, dus minder dan zeven werkdagen na de convocatie. Verzoekster is van mening, dat zij op grond van het vertrouwensbeginsel een strikte toepassing mocht verwachten van genoemd artikel, dat haars inziens beoogt het comité in staat te stellen in alle rust te werken en zoveel mogelijk inlichtingen in te winnen, en de ambtenaar op proef zich goed voor het comité te verweren.
18 Verweerder betwist verzoeksters uitlegging van artikel 2 van besluit nr. 76/83A. De minimumtermijn van zeven dagen is enkel vastgesteld ten behoeve van het beoordelingscomité en niet ten behoeve van de betrokken ambtenaren op proef. Het stond het comité dus vrij, op kortere termijn een besluit te nemen wanneer het dat zonder overhaasting kon doen.
Beoordeling rechtens
19 Wat het eerste onderdeel van dit middel betreft ° schending van artikel 25, tweede alinea, van het Statuut, doordat het stagerapport niet onverwijld ter kennis van verzoekster is gebracht °, stelt het Gerecht om te beginnen vast, dat blijkens de dossierstukken het stagerapport in werkelijkheid op 31 mei 1990 definitief is vastgesteld en niet op 14 mei 1990 zoals verzoekster voor het Gerecht heeft betoogd (overigens in tegenspraak met haar klacht, waarin zij uitdrukkelijk zegt dat het rapport op 31 mei 1990 is vastgesteld). Hoewel de eerste bladzijde de datum 14 mei 1990 draagt, is het rapport pas op 31 mei 1990 door de beoordelaar definitief vastgesteld, nadat het was voorbereid en ondertekend door Pertoldi en drie reviseurs op 30 mei 1990, zoals blijkt uit de respectieve data bij de ondertekeningen op bladzijde 7. Voorts blijkt uit de nota van 31 mei 1990 van verzoeksters beoordelaar, Vermeylen, aan de secretaris-generaal, dat zij, zoals door verweerder voor het Gerecht is bevestigd en door verzoekster niet is betwist, al op 30 mei "officieel in kennis [was] gesteld van het negatieve karakter van het stagerapport, dat haar in de loop van 31 mei door de beoordelaar ter hand [zou] worden gesteld". Daar verzoekster zich op die dag ziek had gemeld, is het stagerapport haar de dag daarop, 1 juni 1990, door de beoordelaar ter hand gesteld. Onder die omstandigheden kan verweerder niet worden verweten, het beoordelingsrapport niet, overeenkomstig artikel 25, tweede alinea, van het Statuut, onverwijld aan verzoekster ter kennis te hebben gebracht.
Met betrekking tot de grief dat de kennisgeving van het rapport op 31 mei 1990 niet in overeenstemming is met artikel 34, lid 2, van het Statuut, kan, gelet op de hiervóór uiteengezette feiten, worden volstaan met eraan te herinneren, dat het stagerapport op 31 mei 1990 definitief is vastgesteld, dat wil zeggen één maand voor het verstrijken van verzoeksters proeftijd op 30 juni 1990. Bovendien was het rapport al op 30 mei 1990 gereed; het was voorbereid door Pertoldi, na raadpleging van de reviseurs en in samenwerking met Vermeylen. Onder deze omstandigheden kan verzoeksters bewering, dat verweerder uitdrukkelijk heeft erkend het rapport niet binnen de voorgeschreven termijn aan haar te hebben overhandigd, geen twijfel doen opkomen nopens de conclusies die uit de zoëven vastgestelde feiten zijn getrokken.
20 Verder wijst het Gerecht erop, dat het gewraakte besluit op 27 juni 1990 is genomen onder meer op basis van een regelmatig stagerapport en van de opmerkingen die verzoekster op 8 juni 1990 krachtens artikel 34, lid 2, tweede alinea, van het Statuut over dit rapport had gemaakt. Aangezien verzoekster in staat is gesteld haar zienswijze op dit rapport onder normale omstandigheden te geven, kan het betwiste besluit hoe dan ook niet ongeldig zijn op grond van het enkele feit dat het te laat zou zijn meegedeeld (zie arrest Hof van 25 maart 1982, zaak 98/81, Munk, Jurispr. 1982, blz. 1155, r.o. 8 en 9).
21 Het eerste onderdeel van dit middel moet derhalve worden afgewezen.
22 In het kader van het tweede onderdeel van dit middel ° niet-inachtneming van de interne nota betreffende "de beoordeling van ambtenaren op proef", die overeenkomstig een vaste praktijk binnen het ESC aan verzoeksters beoordelaar was meegedeeld °, moet worden nagegaan of de in deze nota vervatte aanwijzingen in casu zijn opgevolgd.
23 Vooraf moet worden opgemerkt, dat Pertoldi, het hoofd van de Italiaanse vertaalafdeling en verzoeksters begeleider tijdens haar proeftijd, bevoegd was de aan de begeleiding van een proeftijd verbonden verantwoordelijkheden uit te oefenen, daaronder begrepen die vermeld in genoemde nota van 19 oktober 1989 aan Vermeylen, de krachtens besluit nr. 363/82A van het ESC tot vaststelling van de algemene bepalingen met betrekking tot de opstelling van de beoordeling aan het eind van de proeftijd, aangewezen beoordelaar van verzoekster. In overeenstemming met 's Hofs rechtspraak ter zake had Vermeylen de begeleiding van de proeftijd opgedragen aan Pertoldi, die als directe hiërarchieke meerdere in een nauwe werkrelatie met verzoekster stond (zie arresten Hof van 1 juni 1978, zaak 99/77, D' Auria, Jurispr. 1978, blz. 1267, r.o. 12 en 15 mei 1985, zaak 3/84, Patrinos, Jurispr. 1985, blz. 1421, r.o. 23). Aan Vermeylen kan dus niet worden verweten, dat hij het verloop van de proeftijd niet persoonlijk heeft gevolgd, aangezien Pertoldi hiervoor de verantwoordelijkheid droeg.
24 Met betrekking tot de in genoemde nota vermelde verplichting om in geval van problemen deze met de ambtenaar op proef te bespreken, stelt het Gerecht vast, dat uit de verklaring van Pertoldi ter terechtzitting, alsmede uit verzoeksters klacht zelf blijkt, dat Pertoldi begin maart 1990, ongeveer vijf maanden na aanvang van verzoeksters proeftijd, wel degelijk een gesprek met haar heeft gehad. Uit een aantal met elkaar overeenstemmende gegevens kan verder worden opgemaakt, dat dit gesprek, anders dan verzoekster beweert, betrekking had op de in het verloop van haar proeftijd gerezen problemen en op de mogelijkheid van een negatief stagerapport. Nadat Pertoldi de genoemde interne nota van 19 oktober 1989 had ontvangen, had hij een gesprek gehad met Brueggemann, ambtenaar bij de personeelsafdeling, om te vragen wat hij moest doen wanneer een proeftijd negatief dreigde uit te vallen. Volgens Pertoldi' s verklaring voor het Gerecht, waarvoor bevestiging is te vinden in de bij het dossier gevoegde nota van 31 mei 1990 van Vermeylen aan de secretaris-generaal, kreeg hij de raad zich te beperken tot een gesprek met verzoekster en haar mondeling te waarschuwen. Uit de chronologie van deze feiten blijkt dus, dat verzoeksters stagebegeleider zich aan de eerste aanwijzing van de nota heeft gehouden door verzoekster tijdens hun gesprek in maart voor het risico van een negatieve beoordeling te waarschuwen. Evenzo volgt uit de tegenoverstelling van verzoeksters verklaringen met de verklaring van Pertoldi ter terechtzitting, dat verzoekster met haar beweringen, dat Pertoldi haar een positief resultaat van haar proeftijd had voorgespiegeld, slechts het oog kan hebben op het feit dat Pertoldi, ondanks zijn waarschuwing dat haar proeftijd negatief kon aflopen, begin maart terecht de mogelijkheid niet heeft uitgesloten van een positieve beoordeling in geval van een aanmerkelijke verbetering van verzoeksters prestaties.
25 Wat de twee andere aanwijzingen van genoemde nota betreft, moet worden opgemerkt, dat het daarbij enkel om aanbevelingen gaat, in zoverre het aan het oordeel van de stagebegeleider of van de beoordelaar wordt overgelaten om een schriftelijke waarschuwing te geven en de secretaris-generaal in te lichten. In de nota wordt immers enkel gezegd, dat "zo nodig" een schriftelijke toelichting kan worden gegeven en dat kan worden "overwogen" de secretaris-generaal in te lichten. In dit geval meende Pertoldi onder de gegeven omstandigheden en na zijn gesprek met Brueggemann, dat het beter was verzoekster geen schriftelijke waarschuwing te geven, ten einde te voorkomen dat een dergelijke waarschuwing werd uitgelegd als een vooruitlopen op het stagerapport. Voorts achtte Vermeylen het niet wenselijk de secretaris-generaal vóór de opstelling van het stagerapport in te lichten over de tijdens de proeftijd gerezen problemen.
26 Onder deze omstandigheden en zonder dat het Gerecht zich behoeft bezig te houden met de vraag of de nota van 19 oktober 1989 het karakter van een interne richtlijn had, moet het tweede onderdeel van het middel hoe dan ook worden afgewezen.
27 Het derde onderdeel van dit middel houdt in: schending van artikel 2 van besluit nr. 76/83A van het ESC. Volgens deze bepaling wordt "het comité op verzoek van de betrokken ambtenaar bijeengeroepen door de secretaris-generaal (...) die een termijn stelt voor het uitbrengen van het advies; deze termijn mag in elk geval niet minder dan zeven werkdagen bedragen". Gelijk verweerder beklemtoont, is het duidelijk, dat deze bepaling is vastgesteld ten behoeve van het beoordelingscomité, en wel om het goede verloop van zijn werkzaamheden te waarborgen, en het beoogt in geen geval rechten te scheppen voor de betrokken ambtenaar, die er zich voor het Gerecht dus niet op kan beroepen. En hoe dan ook blijkt uit de bewoordingen ervan, dat deze bepaling specifiek tot de secretaris-generaal is gericht, die de termijn dient vast te stellen waarbinnen het beoordelingscomité zijn advies moet uitbrengen. Hiermee moet worden verzekerd dat het comité voldoende tijd heeft om zijn werk te doen; daarbij spreekt het vanzelf, dat het zijn advies vóór afloop van die termijn kan uitbrengen, indien het zich voldoende voorgelicht acht. In casu bedroeg de door de secretaris-generaal gestelde termijn zeven dagen en mocht het comité zijn advies al op de zesde dag uitbrengen, toen het meende over alle gegevens te beschikken die noodzakelijk waren om met kennis van zaken uitspraak te doen.
28 Het derde onderdeel van dit middel moet dus worden afgewezen.
Het middel ontleend aan schending van de rechten van de verdediging
Argumenten van partijen
29 Verzoekster stelt, dat de rechten van de verdediging in drieërlei opzicht zijn geschonden. In de eerste plaats zou haar niet genoeg tijd zijn gegund om zich voor het beoordelingscomité te verdedigen; in de tweede plaats is de tweede vergadering van het comité niet uitgesteld, ofschoon zij om geldige reden verhinderd was deze bij te wonen, en ten slotte heeft zij geen kennis kunnen nemen van de notulen van de vergaderingen van het comité.
30 Met betrekking tot het eerste punt stelt zij, dat zij in haar verzoek van 19 juni 1990 om bijeenroeping van het beoordelingscomité de wens had geuit, dat de vergadering niet binnen acht dagen zou plaatsvinden, ten einde haar in staat te stellen haar verweer voldoende voor te bereiden. De vergadering had evenwel drie dagen later plaatsgevonden, op 22 juni om 10 uur, zonder dat verzoekster vooraf was gewaarschuwd. Verder was zij op 25 juni 1990 om 17.20 uur opgeroepen voor een vergadering van het comité die om 17.30 uur zou beginnen. Dit ontbreken van een voorafgaande oproeping, aldus verzoekster, kan niet op één lijn worden gesteld met de "zelfs zeer korte" termijn, die naar 's Hofs oordeel in het arrest van 12 juli 1973 (gevoegde zaken 10/72 en 47/72, Di Pillo, reeds aangehaald) geen grond was om het ontslag als ongeldig te beschouwen. Het is integendeel onverenigbaar met het contradictoire karakter van de procedure, zoals dit blijkt uit de tekst zelf van besluit nr. 76/83A, dat met name in het horen van de beoordeelde voorziet. Het levert schending op van het vertrouwensbeginsel, van de rechten van de verdediging en van het beginsel van goed bestuur.
31 Wat het tweede punt betreft, stelt verzoekster, dat door de weigering de tweede vergadering van het beoordelingscomité uit te stellen ° deze vond op 25 juni 1990 in haar afwezigheid plaats °, de rechten van de verdediging te meer zijn geschonden omdat zij tijdens de eerste vergadering, nadat haar verzoek om een deskundigenonderzoek was afgewezen, had uiteengezet waarom zij een tweede vergadering noodzakelijk achtte ten einde de reviseurs te horen over de kwaliteit van haar werk.
32 In de derde plaats verwijt verzoekster verweerder, haar niet te hebben toegestaan kennis te nemen van de notulen van het comité. Zij weet dus niet, of J. Hughes, die zij als getuige wenste, is gehoord, en zo ja hoe haar getuigenis in het proces-verbaal is weergegeven. Evenmin kent zij de identiteit van de ambtenaar van de directie Personeelszaken en financiën, die volgens het beoordelingscomité is gehoord. Ten slotte is de lijst van de door de secretaris-generaal aan het comité gezonden stukken, waarnaar het advies van het comité verwijst, niet aan haar meegedeeld. Waar het Gerecht verweerder had verzocht deze documenten over te leggen ° zoals verzoekster in haar verzoekschrift had gevraagd °, en het ESC heeft geantwoord dat volgens vast gebruik van het beoordelingscomité geen notulen waren opgesteld, heeft verzoekster ter terechtzitting betoogd dat haar recht op verweer duidelijk en ernstig is miskend, omdat het ontbreken van het proces-verbaal iedere controle op het verloop van de werkzaamheden van het comité belette.
33 Voorts beklaagt verzoekster er zich in repliek over, dat verweerder haar niet vóór de instelling van het beroep de als bijlage bij het verweerschrift gevoegde stukken heeft doen toekomen, te weten de tussen haar hiërarchieke meerderen gewisselde nota' s haar betreffende. Door deze stukken die betrekking hebben op haar bekwaamheid, gedrag en rendement, niet aan haar mee te delen, heeft verweerder artikel 26 van het Statuut en de rechten van de verdediging geschonden. Deze stukken kunnen haar dus niet worden tegengeworpen. Bovendien zijn zij in tegenspraak met enkele positieve beoordelingen in het stagerapport. Subsidiair wijst verzoekster erop, dat ook wanneer deze stukken haar wel ter kennis waren gebracht, zij evenzeer voor een "fait accompli" zou hebben gestaan, want "in de eerste plaats betreffen de meeste stukken haar medische problemen (bijlagen 3, 5, 6 en 7 van het verweerschrift), wat niets te maken heeft met eventuele kritiek op haar bekwaamheid, en in de tweede plaats zijn zij pas aan het eind van de proeftijd opgesteld".
34 Verweerder betwist de gegrondheid, rechtens en feitelijk, van het tweede middel. Hij beklemtoont, dat de procedure voor het beoordelingscomité is vastgesteld bij besluit 76/83A, waarin geen termijn is bepaald voor het oproepen van de betrokken ambtenaar op proef. Deze procedure heeft geen contradictoir karakter. In dit verband betoogt verweerder, dat een instelling volgens het Hof een ambtenaar op proef mag ontslaan zonder het advies van het beoordelingscomité in te winnen, wanneer een dergelijk comité niet is opgericht, hetgeen ingevolge het Statuut niet verplicht is (arrest van 1 juni 1978, zaak 99/77, D' Auria, reeds aangehaald, r.o. 24). Hij beroept zich eveneens op het arrest van het Hof van 12 juli 1973, volgens hetwelk de instelling "gehouden is de beoordeling inzake de proeftijd aan de betrokken ambtenaar op proef ter kennis te brengen, opdat deze zijn opmerkingen kan maken, maar dat zij niet verplicht is hem tevens gelegenheid te geven zich uit te spreken over haar voornemen hem te ontslaan als gevolg van het negatieve karakter der beoordeling (...) [en dat] wanneer [de instelling] in zodanige omstandigheden de ambtenaar op proef niettemin uitnodigt zijn opmerkingen te doen toekomen, zulks overeenkomstig de regels van een goed personeelsbeheer, de toekenning van een zeer korte antwoordtermijn het ontslag niet ongeldig vermag te maken" (gevoegde zaken 10/72 en 47/72, Di Pillo, reeds aangehaald). Gelet op een en ander is verweerder van mening, dat de omstandigheid dat artikel 2 van besluit 76/83A voorziet in het horen van de beoordeelde, geenszins betekent, dat de procedure voor dit comité op tegenspraak verloopt, te meer omdat de ambtenaar op proef reeds de gelegenheid heeft gehad zijn opmerkingen over het negatieve stagerapport te maken (conclusie van advocaat-generaal Trabucchi in de gevoegde zaken 10/72 en 47/72, Di Pillo, reeds aangehaald, blz. 775 in fine en 776). In casu, aldus verweerder, had verzoekster haar standpunt al uiteen kunnen zetten middels zeer uitvoerige schriftelijke opmerkingen die zij haar beoordelaar op 8 juni 1990 heeft doen toekomen. Bovendien is zij gehoord door het beoordelingscomité, dat de door haar genoemde ambtenaar eveneens heeft gehoord.
35 Wat de stukken in bijlage bij het verweerschrift betreft, wijst verweerder erop, dat met uitzondering van een bijlage die slechts een verzoek om medische controle bevat, alle bijlagen waarvan verzoekster niet in kennis is gesteld, dateren van na haar negatieve stagerapport. Enkel de stukken die van beslissende invloed op het bestreden besluit zijn geweest, moesten aan de belanghebbende worden meegedeeld en in zijn persoonsdossier worden opgenomen op straffe van schending van de rechten van de verdediging (arresten Hof van 3 februari 1971, zaak 21/70, Rittweger, Jurispr. 1971, blz. 7, r.o. 35, en 28 juni 1972, zaak 88/71, Brasseur, Jurispr. 1972, blz. 499, r.o. 18). Dat bedoelde bijlagen niet aan verzoekster zijn meegedeeld, levert geen schending van wezenlijke vormvoorschriften op, omdat zij niet van beslissende invloed op het besluit zijn geweest. In casu heeft een aantal van die bijlagen betrekking op zuiver administratieve aangelegenheden en behoefden zij dus niet in verzoekster persoonsdossier te worden opgenomen.
Beoordeling rechtens
36 Met betrekking tot de grief, dat verzoekster zonder termijn voor het beoordelingscomité is opgeroepen, wat in strijd zou zijn met het beweerdelijk contradictoire karakter van de procedure voor het comité, zij opgemerkt, dat besluit nr. 76/83A van het ESC, waarin de procedure voor dit orgaan is geregeld en dat uitdrukkelijk voorziet in het horen van de beoordeelde en de beoordelaar, geen enkele termijn voor hun oproeping bepaalt. Het horen van bedoelde personen moet het comité in staat stellen zich een objectief beeld te vormen van de zienswijze van de betrokkene, ten einde zijn advies met kennis van zaken te kunnen uitbrengen.
Zonder dat een uitspraak nodig is over de vraag of in de procedure voor het beoordelingscomité het beginsel van tegenspraak geldt, moet erop worden gewezen, dat dit beginsel in casu hoe dan ook is geëerbiedigd. Verzoekster heeft immers op 8 juni 1990 overeenkomstig artikel 34, lid 2, eerste alinea, van het Statuut haar schriftelijke opmerkingen over het stagerapport bij de beoordelaar ingediend en deze zijn aan het beoordelingscomité gezonden toen de zaak daaraan werd voorgelegd. Bovendien blijkt uit de stukken van het dossier, dat het comité tijdens zijn eerste vergadering verzoekster heeft gehoord en tijdens zijn tweede vergadering ook de functionaris die verzoekster daartoe had voorgedragen. Bij het uitbrengen van zijn advies kende het beoordelingscomité dus verzoeksters standpunt, zowel uit haar schriftelijke opmerkingen als uit haar verklaringen tijdens de eerste vergadering.
Het Gerecht stelt mitsdien vast, dat het feit dat verzoekster zonder termijn is opgeroepen, hoe dan ook geen invloed heeft gehad op de inhoud van het advies van het beoordelingscomité. Op die grond kan de procedure voor dit comité dus niet ongeldig worden geacht.
37 Wat de grief betreft dat de tweede vergadering van het beoordelingscomité niet is uitgesteld, kan worden volstaan met de vaststelling, dat het comité, na verzoekster tijdens zijn eerste vergadering te hebben gehoord, tot het oordeel mocht komen, dat het voldoende was ingelicht over haar standpunt en zijn laatste vergadering niet behoefde uit te stellen. Bovendien vermeldt verzoekster niet, om welke redenen precies een tweede vergadering gerechtvaardigd zou zijn geweest om haar standpunt over de kwaliteit van haar werk tegenover dat van de reviseurs te stellen.
38 Met betrekking tot de grief dat geen notulen van het beoordelingscomité ter kennis van verzoekster zijn gebracht, moet erop worden gewezen, dat volgens 's Hofs rechtspraak de toezending van het advies van het beoordelingscomité aan de ambtenaar op proef een voldoende waarborg vormt voor de eerbiediging van de rechten van de verdediging (arrest van 13 december 1989, zaak C-17/88, Patrinos, Jurispr. 1989, blz. 4249, summiere publikatie). De regelmatigheid van de werkzaamheden van het beoordelingscomité kan door de ambtenaar op proef en door het Gerecht immers op basis van het advies alleen worden beoordeeld, zonder dat het noodzakelijk is over notulen van dit comité te beschikken. In casu nu staat vast, dat het advies van het beoordelingscomité ter kennis van verzoekster is gebracht.
39 Wat de laatste grief betreft ° betreffende het feit dat verzoekster vóór de instelling van het beroep niet in kennis is gesteld van de bij het verweerschrift gevoegde stukken °, moet erop worden gewezen, dat het enige van deze stukken dat van vóór het stagerapport dateert en waarvan verzoekster geen kennis droeg, een nota is van Vermeylen van 27 maart 1990, waarin hij vraagt dat in verband met een ziekteverzuim van verzoekster een medische controle zou worden verricht, en dit, zo wordt uitdrukkelijk gezegd, met het oog op een negatieve beoordeling aan het eind van de proeftijd. Voor het overige gaat het om nota' s die tussen de ondertekening van het stagerapport en het ontslag zijn gewisseld. In twee hiervan, gedateerd op 19 en 20 juni 1990, stelt Pertoldi Vermeylen en het hoofd van de personeelsafdeling in kennis van verzoeksters afwezigheid wegens ziekte. De twee overige bijlagen zijn nota' s van Vermeylen aan de secretaris-generaal, gedateerd op 31 mei en 15 juni 1990, waarin verslag wordt gedaan van verzoeksters reacties op de mededeling dat haar stagerapport negatief was uitgevallen. Verder wordt in genoemde nota van 31 mei 1990 melding gemaakt van een nota van Pertoldi aan verzoekster nadat zij werk had geweigerd, en van het feit dat zij de Italiaanse taal niet beheerst; voorts bevat de nota opmerkingen over haar beweerde weigering om met de reviseurs in discussie te gaan. De opmerkingen betreffende met name verzoeksters talenkennis bevatten echter geen enkel nieuw gegeven ten opzichte van die welke in het beoordelingsrapport voorkomen.
Onder deze omstandigheden stelt het Gerecht vast, dat de gegevens betreffende verzoeksters gedrag in deze stukken, die niet in het stagerapport zijn vermeld of uitgewerkt, niet aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, zoals het eerder verrichte onderzoek in het kader van het derde middel uitwijst. Het bestreden besluit wordt namelijk gemotiveerd met het tekortschieten van verzoekster bij "het deskundig en nauwgezet gebruiken van de Italiaanse taal". Hieruit volgt, dat de overwegingen die verband houden met verzoeksters ziekteverzuim tijdens haar proeftijd, met haar beweerd gebrek aan bereidheid om tot een dialoog te komen, met een eenmalige werkweigering en met haar gedrag toen het negatieve karakter van haar stagerapport haar officieel werd meegedeeld, niet van invloed op het bestreden besluit zijn geweest. Dat de bedoelde stukken verzoekster niet ter kennis zijn gebracht, heeft dus geen inbreuk gemaakt op haar recht om vóór de vaststelling van het bestreden besluit te worden gehoord, en kan overeenkomstig vaste rechtspraak van het Hof de geldigheid van dit besluit dus niet aantasten (zie met name arresten Hof van 3 februari 1971, zaak 21/70, Rittweger, reeds aangehaald, r.o. 29-41; 28 juni 1972, zaak 88/71, Brasseur, reeds aangehaald, r.o. 11, en 12 februari 1987, zaak 233/85, Bonino, Jurispr. 1987, blz. 739, r.o. 11).
40 Het tweede middel en bijgevolg alle conclusies tot nietigverklaring moeten mitsdien worden verworpen.
Het middel ontleend aan schending van de zorgplicht
Argumenten van partijen
41 In het kader van het derde middel betoogt verzoekster, dat zij gedurende haar proeftijd geen passende opmerkingen, aanwijzingen en raadgevingen van de reviseurs en van haar hiërarchieke meerderen heeft gekregen. Enkel Pertoldi, het hoofd van de Italiaanse afdeling, had haar gevolgd, doch uitsluitend gedurende de eerste twee weken van haar proeftijd, en positieve opmerkingen gemaakt. Begin mei 1990 had hij haar doen weten, dat zij, mits zij serieus bleef werken, zeker in vaste dienst zou worden aangesteld. De reviseurs hadden, anders dan in het stagerapport wordt verklaard, verbeteringen op het punt van stijl en terminologie aangebracht, maar zonder haar deze te verklaren en zelfs zonder haar de gereviseerde teksten terug te geven. Om kennis te nemen van de gereviseerde teksten, had zij deze in de archieven moeten opzoeken. Zij verwijt de reviseurs en de beoordelaar Vermeylen in het bijzonder, haar niet systematisch attent te hebben gemaakt op de punten die verbetering behoefden. Ook had zij dienaangaande geen enkele dienstaanwijzing ontvangen. Verder wijst verzoekster op een tegenstrijdigheid in het stagerapport, waarin wordt gezegd dat zij onvoldoende bereid was tot dialoog en discussie met de reviseurs en haar collega' s, terwijl in het analytisch gedeelte van dat rapport haar vermogen tot aanpassing aan de eisen van de dienst en haar sociale betrekkingen als goed worden aangemerkt.
Tenslotte stelt verzoekster, dat verweerder tekort is geschoten in zijn zorgplicht, door er niet nauwlettend op toe te zien, dat zij onder omstandigheden kon werken waarin zij haar geschiktheid optimaal kon bewijzen. In dit verband had verweerder erkend, dat haar kennis van het Nederlands tijdens haar proefperiode niet was benut. Hieruit blijkt, dat alleen rekening is gehouden met het dienstbelang, ten koste van het belang van verzoekster. Deze omstandigheid is grotendeels de oorzaak van het bestreden besluit geweest.
42 Verweerder is van oordeel, dat hij blijk heeft gegeven van de nodige zorg jegens verzoekster. Om te beginnen beklemtoont hij, dat de proeftijd niet bedoeld is om de kandidaat een opleiding te geven, maar enkel om "de administratie in staat te stellen een concreter oordeel te vellen over de geschiktheid van de kandidaat voor een bepaalde functie, over de gezindheid waarmee hij zijn werkzaamheden verricht, en over de prestaties in de dienst", gelijk het Hof overwoog in zijn arrest van 17 november 1983 (zaak 290/82, Tréfois, Jurispr. 1983, blz. 3751). Verder herinnert hij eraan, dat de zorgplicht zich dient te verdragen met het vereiste van een goede werking van de dienst en dus binnen redelijke grenzen moet blijven (arrest van 14 juli 1977, zaak 61/76, Geist, Jurispr. 1977, blz. 1419, r.o. 37-42).
Met betrekking tot het onderhavige geval merkt verweerder op, dat niemand betwist dat de proeftijd onder normale omstandigheden is verlopen. In het bijzonder waren verzoeksters materiële arbeidsomstandigheden bevredigend geweest en had zij geen reden tot klagen gehad over te weinig dan wel te veel werk. Verweerder is voorts van mening, dat hij geenszins verplicht was verzoeksters kennis van het Nederlands te benutten. Verzoekster had een functie bij het ESC aanvaard en diende zich dus aan de door de aanwervende dienst gestelde eisen aan te passen. Verweerder wijst ook verzoeksters klacht van de hand, dat zij niet voldoende was ingelicht over de tekortkomingen van haar werk. Hij herinnert eraan, dat naar het oordeel van het Hof, "de administratie geenszins verplicht is een ambtenaar op proef wiens prestaties onbevredigend zijn, op een bepaald moment te waarschuwen" (arrest van 15 mei 1985, zaak 3/84, Patrinos, reeds aangehaald, r.o. 19). Zoals in het stagerapport wordt verklaard, zijn hoe dan ook "vele opmerkingen (...) over [verzoeksters] werk (...) gemaakt" en zijn haar "herhaalde aanwijzingen" gegeven.
Beoordeling rechtens
43 Alvorens vast te stellen of verzoekster in staat is gesteld haar proeftijd onder normale omstandigheden ° in de zin van de toepasselijke bepalingen van het Statuut ° te volbrengen, moet allereerst worden herinnerd aan het doel van de proeftijd. Blijkens de omschrijving van het doel van de proeftijd in artikel 34, lid 2, eerste alinea, van het Statuut is de verplichte proefperiode aan het einde waarvan een beoordeling moet worden opgesteld, bedoeld om de "geschiktheid [van de ambtenaar op proef] voor het vervullen van de hem uit hoofde van zijn functie opgedragen taken, alsmede (...) zijn prestaties en zijn gedrag in de dienst" te verifiëren. Volgens dezelfde bepaling moet "de ambtenaar op proef die zich niet voldoende geschikt heeft getoond om in vaste dienst te worden aangesteld", worden ontslagen. Anders dan vergelijkende onderzoeken vóór de indiensttreding, die zodanig zijn opgezet, dat de kandidaten op basis van algemene en prognostische criteria kunnen worden geselecteerd, heeft de proeftijd dus tot doel de administratie in staat te stellen, een concreter oordeel te vellen over de geschiktheid van de kandidaat voor een bepaalde functie, over de gezindheid waarmee hij zijn werkzaamheden verricht, en over zijn prestaties in de dienst, zoals het Hof beklemtoonde in zijn arrest van 17 november 1983 (zaak 290/82, Tréfois, reeds aangehaald, r.o. 24).
44 Hoewel de proeftijd dus dient ter beoordeling van de geschiktheid en het gedrag van de ambtenaar op proef en niet kan worden beschouwd als een opleidingsperiode, is het wel noodzakelijk dat de betrokkene gedurende die periode in staat wordt gesteld het bewijs van zijn kunnen te leveren. Deze voorwaarde is onlosmakelijk verbonden met het begrip proeftijd en impliciet in artikel 34, lid 2, van het Statuut, zoals in 's Hofs rechtspraak is bevestigd (zie met name arresten van 12 december 1956, zaak 10/55, Mirossevich, Jurispr. 1956, blz. 389, 411 e.v., en 15 mei 1985, zaak 3/84, Patrinos, reeds aangehaald, r.o. 20). Deze voorwaarde beantwoordt bovendien aan de vereisten verband houdend met de eerbiediging van de algemene beginselen van goed bestuur en gelijke behandeling en van de zorgplicht, die de uitdrukking vormt van "het door het Statuut geschapen evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen in de betrekkingen tussen het administratief gezag en de ambtenaren", zoals het Hof verklaarde in zijn arrest van 28 mei 1980 (gevoegde zaken 33/79 en 75/79, Kuhner, Jurispr. 1980, blz. 1677, r.o. 22).
Overeenkomstig vaste rechtspraak van het Hof betekent dit in de praktijk, dat de ambtenaar op proef niet slechts onder passende materiële omstandigheden moet kunnen werken, maar, gelet op de aard van de hem toevertrouwde taken, tevens passende aanwijzingen, instructies en adviezen moet krijgen, zodat hij zich kan aanpassen aan de specifieke eisen van het ambt dat hij vervult (zie met name arrest van 15 mei 1985, zaak 3/84, Patrinos, reeds aangehaald, r.o. 21).
45 In casu stelt het Gerecht vast, dat verzoeksters proeftijd onder normale omstandigheden is verlopen, op basis van de objectieve criteria die in de betrokken vertaalafdeling van toepassing zijn, zowel ten aanzien van de verdeling van het werk als ten aanzien van de werkomgeving. Uit de ondervraging van Pertoldi blijkt immers, dat verzoekster in geen enkel opzicht anders is behandeld dan ambtenaren op proef vóór haar, en dat zij niets heeft weten aan te voeren wat haar bewering inzake ongelijke behandeling zou kunnen staven of wat een beoordeling van de juistheid van die bewering mogelijk zou maken.
46 In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt, dat verzoekster zich niet beklaagt over de aard of de hoeveelheid van het haar opgedragen werk of over de materiële omstandigheden waaronder het moest worden verricht. Wat haar klacht betreft, dat haar kennis van het Nederlands niet is benut, waardoor haar tegen haar belang in werd belet haar bekwaamheid op dat gebied aan te tonen, moet erop worden gewezen, dat de zorgplicht er in geen geval toe kon leiden, dat aan verzoeksters bijzondere kennis van het Nederlands meer belang werd toegekend dan aan de eisen die een rationele werkverdeling binnen de betrokken afdeling stelde. Verzoekster kreeg immers teksten ter vertaling toegewezen naargelang de behoeften van de dienst, en die opdrachten kwamen overeen met de taak waarvoor zij als ambtenaar op proef was aangesteld.
47 Gelet op de gegevens van het dossier en de verklaring van de getuige ter terechtzitting, stelt het Gerecht in de tweede plaats vast, dat verzoekster tijdens haar proeftijd aanwijzingen en raadgevingen van haar stagebegeleider en van de reviseurs heeft gekregen, om haar te helpen zich aan te passen aan het bijzondere karakter van het vertaalwerk bij het ESC. Gedurende de eerste twee weken van haar proeftijd werd zij van nabij gevolgd door Pertoldi, die haar systematisch informeerde over de werkmethoden bij het ESC en over de wijze waarop de vertaling, afhankelijk van de aard van het betrokken document, moest worden aangepakt. Verder blijkt uit zijn door verzoekster niet weersproken antwoorden op vragen van het Gerecht, dat Pertoldi haar herhaaldelijk technische adviezen heeft gegeven en haar heeft gewezen op punten die verbetering behoefden, voornamelijk op basis van de gegevens die hem door de met de controle op haar werk belaste reviseurs waren verstrekt. De gereviseerde teksten werden in beginsel door de reviseurs aan verzoekster teruggegeven, meestal nadat ze met haar waren besproken. In het geval van spoedzaken ° volgens Pertoldi een zeer gering percentage van de totale werkhoeveelheid van de afdeling ° kon verzoekster in elk geval kennis nemen van de in haar vertalingen aangebrachte verbeteringen, daar deze teksten haar hetzij werden teruggegeven, hetzij werden opgeborgen in het archief, waartoe zij vrije toegang had. Op grond van het dossier en de antwoorden van Pertoldi op de vragen van het Gerecht kan worden vastgesteld, dat de gesprekken met de reviseurs pas zeldzamer werden nadat zich bepaalde spanningen hadden voorgedaan als gevolg van het feit dat verzoekster geen kritiek op haar werk verdroeg. Dit wordt bevestigd door het door Vermeylen opgestelde en door Pertoldi en drie reviseurs ondertekende stagerapport, waarin gewag wordt gemaakt van "vele opmerkingen die over [verzoeksters] werk zijn gemaakt en de herhaalde aanwijzingen die haar zijn gegeven". Ook het met eenparigheid van stemmen vastgestelde advies van het beoordelingscomité komt tot de conclusie, dat "uit de arbeidsomstandigheden waaronder de proeftijd is verlopen, niet blijkt van enig abnormaal voorval of van noemenswaardige bijzondere situaties".
48 Wat ten slotte verzoeksters bewering betreft dat zij niet is ingelicht over de mogelijkheid van een negatief stagerapport, kan worden volstaan met eraan te herinneren, dat naar het Gerecht in verband met het tweede onderdeel van het eerste middel heeft vastgesteld, verzoekster door haar stagebegeleider Pertoldi tijdens een onderhoud in maart 1990 naar behoren is gewaarschuwd dat haar prestaties onvoldoende waren en dat, wanneer daarin geen verandering kwam, het risico van een negatief stagerapport bestond. In de loop van de proeftijd is verzoekster tijdens diverse gesprekken met Pertoldi of met de reviseurs gewezen op ernstige problemen van technische en taalkundige aard die de kwaliteit van haar werk beïnvloedden. Ten slotte moet erop worden gewezen, dat de stagebegeleider op grond van de zorgplicht niet gedwongen is de betrokkene schriftelijk te waarschuwen dat zijn beoordeling negatief zou kunnen uitvallen. Verzoeksters recht om haar proeftijd onder regelmatige omstandigheden te volbrengen, was voldoende gewaarborgd door een mondelinge waarschuwing om haar de kans te geven haar prestaties te verbeteren en zich aan te passen aan de eisen van de dienst.
49 Gelet op een en ander stelt het Gerecht vast, dat verzoeksters proeftijd onder regelmatige omstandigheden is verlopen. Het derde middel moet derhalve worden afgewezen.
Het middel ontleend aan kennelijke dwaling bij de beoordeling van de feiten
Argumenten van partijen
50 In het kader van het vierde middel stelt verzoekster, dat het stagerapport onjuiste oordelen bevat, die op onjuiste of verkeerd geïnterpreteerde feiten berusten, en dat in enkele gevallen de analytische en de algemene beoordeling met elkaar in tegenspraak zijn. Zij is van mening, buiten haar schuld "het slachtoffer te zijn geworden van een gebrek aan integratie binnen de vertaaldienst van het ESC". Zij wijst in dit verband op de tegenstrijdigheid tussen haar beweerd gebrek aan bereidheid om met de reviseurs en haar collega' s te discussiëren, en de beoordeling "goed" in de rubrieken "vermogen tot aanpassing aan de eisen van de dienst" en "sociale betrekkingen" in het stagerapport. Met betrekking tot de beoordeling "matig" ("discreto") in de rubriek "vermogen tot werk in groepsverband" merkt verzoekster op, dat zij nooit in groepsverband heeft behoeven te werken. Voorts stelt zij, dat het haar gemaakte verwijt dat zij het Italiaans niet beheerst, volstrekt ongegrond is; immers, zij is Italiaanse, haar moedertaal is Italiaans en zij heeft tot haar negenentwintigste jaar in Italië gewoond, en haar stagerapport bevat in de rubriek "voor de functie benodigde kennis" de beoordeling "matig" en niet "onvoldoende". Hetzelfde geldt voor het oordeel dat het verzoekster ontbreekt aan de basiskennis, de werkmethode en de bekwaamheid die nodig zijn om teksten van het ESC te vertalen. Deze kritiek strookt evenmin met de beoordeling "matig" ("discreto") in de rubrieken "voor de functie benodigde kennis", "begripsvermogen", en "werktempo" en met de beoordeling "goed" in de rubriek "organisatievermogen". Bovendien, aldus verzoekster, wordt die kritiek gelogenstraft door haar diploma' s, haar meerjarige beroepservaring met vertalen in het Italiaans en door het feit dat zij na een vergelijkend onderzoek voor de aanwerving van vertalers op de lijst van geschikte kandidaten is geplaatst.
51 Verweerder betwist, dat de beoordelingen en opmerkingen in het stagerapport onjuist zouden zijn. Om te beginnen wijst hij erop, dat "het op de weg ligt van het bevoegde administratieve gezag, gebruik te maken van zijn beoordelingsvrijheid bij de waardering van de geschiktheid van de betrokkene om de hem opgedragen taken te vervullen, onverminderd de rechtelijke toetsing van dat gebruik door het Hof met oog op kennelijke dwaling" (arrest van 25 maart 1982, zaak 98/81, Munk, reeds aangehaald, r.o. 16; zie ook arresten van 5 april 1984, zaak 347/82, Alvarez, Jurispr. 1984, blz. 1847, r.o. 16, en 15 mei 1985, zaak 3/84, Patrinos, reeds aangehaald). In dit verband stelt verweerder, dat verzoekster niet heeft aangetoond, dat er sprake is van kennelijke dwaling in de beoordeling van haar basiskennis, werkmethoden en bekwaamheid in het vertalen en vooral die om met grote nauwkeurigheid in het Italiaans te vertalen, een en ander gelet op de concrete eisen die aan een vertaler bij het ESC worden gesteld. Het stagerapport is overigens niet enkel door de directeur van de vertaaldienst ondertekend, maar ook door het hoofd van de Italiaanse vertaalafdeling en door de reviseurs, die allen zijn geraadpleegd. Dit rapport is met eenparigheid van stemmen bekrachtigd door het beoordelingscomité, die het zelfs als "welwillend" jegens verzoekster heeft aangemerkt. Wat verzoeksters vordering tot instelling van een deskundigenonderzoek betreft, betoogt verweerder, dat dit niet gerechtvaardigd is, nu elk begin van bewijs van een kennelijke dwaling ontbreekt. Bovendien is deze vordering voor het eerst in de conclusie van de repliek geformuleerd, wat in strijd is met artikel 48 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
Beoordeling rechtens
52 Allereerst moet eraan worden herinnerd, dat de administratie ingevolge de statutaire beginselen die de aanwerving en de proeftijd beheersen, over een ruime marge beschikt bij de beoordeling van de geschiktheid en de prestaties van een ambtenaar op proef volgens het belang van de dienst. Het staat dus niet aan het Gerecht zich in de plaats van de instellingen te stellen, waar het gaat om hun beoordeling van de resultaten van een proeftijd en van de geschiktheid van een kandidaat voor een vaste aanstelling als gemeenschapsambtenaar, behoudens in het geval van duidelijke beoordelingsfouten of van misbruik van bevoegdheid, zoals het Hof heeft verklaard in zijn arrest van 15 mei 1985 (zaak 3/84, Patrinos, reeds aangehaald, r.o. 25; zie ook de arresten van 25 maart 1982, zaak 98/81, Munk, reeds aangehaald, r.o. 16; 17 november 1983, zaak 290/82, Tréfois, reeds aangehaald, r.o. 29, en 5 april 1984, zaak 347/82, Alvarez, reeds aangehaald, r.o. 16).
53 In casu moet dus worden nagegaan, of bij de beoordelingen op grond waarvan is besloten om niet tot vaste aanstelling over te gaan, sprake is van een kennelijke dwaling, zoals verzoekster stelt. Dienaangaande zij erop gewezen, dat het betrokken besluit, dat gebaseerd is op de met eenparigheid van stemmen door het beoordelingscomité bevestigde negatieve conclusie van het stagerapport, als redengeving primair vermeldt, dat verzoekster niet heeft aangetoond te beschikken over "het vermogen de Italiaanse taal deskundig en nauwgezet te gebruiken", zoals in het stagerapport onder "algemene beoordeling" uitdrukkelijk wordt gezegd. Gezien de beoordeling in het stagerapport en de hiermee overeenstemmende verklaringen van de stagebegeleider in antwoord op vragen van het Gerecht, wordt daarmee in de eerste plaats gedoeld op verzoeksters onvermogen om de taalkundige nuances weer te geven, met name in documenten, zoals de adviezen, die tijdens hun totstandkoming herhaaldelijk worden gewijzigd en die meer dan een derde van het werk van de afdeling uitmaken. In de tweede plaats wordt daarmee gedoeld op verzoeksters problemen met het inhoudelijk begrijpen van de documenten van het ESC, welke problemen tot uiting zijn gekomen in de aard van de door haar vervaardigde vertalingen, die te letterlijk en vaak onzinnig waren. Dit alles is in het analytisch gedeelte van het stagerapport tot uitdrukking gebracht door de vermelding "onvoldoende" voor "schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid", "oordeelsvermogen" en "kwaliteit van het werk" van verzoekster gedurende de proeftijd.
54 Gelet op een en ander stelt het Gerecht vast, dat van de door verzoekster gestelde tegenstrijdigheden in het stagerapport niet is gebleken. In het bijzonder heeft de beoordeling "matig" ("discreto") in de rubriek "voor de functie benodigde kennis" geen betrekking op haar beheersing van de Italiaanse taal, die apart is beoordeeld in de rubriek "schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid", maar op kennis op andere gebieden en met name op haar vermogen de relevante documentatie te verzamelen, zoals blijkt uit de verklaringen van de getuige ter terechtzitting. Bij verzoeksters "begripsvermogen", dat in het analytisch gedeelte van het stagerapport eveneens als "matig" ("discreto") is beoordeeld, gaat het niet om het vermogen de betekenis van een tekst bij de vertaling in het Italiaans getrouw weer te geven. Dit vermogen is in het stagerapport in de rubriek "oordeelsvermogen" beoordeeld en daar als "onvoldoende" aangemerkt. Voorts is de onvoldoende beheersing van het Italiaans geenszins in tegenspraak met het feit dat verzoeksters "organisatievermogen" en de "regelmaat van haar prestaties" als "goed" zijn aangemerkt, en haar "werktempo" als "voldoende". Het negatieve oordeel over verzoeksters talenkennis is ook niet in tegenspraak met de beoordeling "goed" in de rubrieken "verantwoordelijkheidsgevoel", "initiatief" en "sociale betrekkingen", of met de beoordeling "matig" ("discreto") in de rubriek "vermogen tot werken in groepsverband", aangezien het daarmee in geen enkel verband staat. Tenslotte vormden verzoeksters opleiding, beroepservaring en de omstandigheid dat zij na een door de Raad georganiseerd vergelijkend onderzoek voor de aanwerving van vertalers op de lijst van geschikte kandidaten is geplaatst, geen garantie voor de specifieke taalkundige bekwaamheden die in een vertaalafdeling van het ESC noodzakelijk zijn. Die aspecten zijn dus niet in tegenspraak met het negatieve oordeel in het stagerapport over verzoeksters beheersing van het Italiaans, gelet op de concrete behoeften van de dienst. Uit het doel van de proeftijd, zoals omschreven in 's Hofs rechtspraak (zie r.o. 31), volgt immers dat de administratie aan het einde van de proeftijd, "zonder gebonden te zijn aan de beoordelingen bij de aanwerving, een oordeel moet kunnen vellen over de vraag of de ambtenaar op proef verdient in vaste dienst te worden aangesteld in de door hem gewenste functie. Voor dit besluit is een algemene beoordeling van de kwaliteiten en het gedrag van de ambtenaar op proef noodzakelijk en dient zowel rekening te worden gehouden met de positieve als met de negatieve factoren die gedurende de proeftijd aan het licht zijn getreden" (arrest van 17 november 1983, zaak 290/82, Tréfois, reeds aangehaald, r.o. 24).
55 Waar verzoekster geen begin van bewijs heeft geleverd voor haar stelling, dat er sprake is van een kennelijke dwaling bij de beoordeling van de waarde van haar werk gedurende haar proeftijd, kan haar vordering tot het gelasten van een deskundigenonderzoek niet worden toegewezen.
56 Uit het voorgaande volgt, dat niet is komen vast te staan dat het bestreden besluit op een kennelijke beoordelingsfout berust. Het vierde middel moet derhalve worden afgewezen.
De vordering om verzoekster een tweede proeftijd toe te staan
57 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat de vordering om in geval van nietigverklaring van het bestreden besluit de administratie te gelasten verzoekster de mogelijkheid te bieden een tweede proeftijd te volbrengen, hoe dan ook niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het Gerecht volgens vaste rechtspraak van het Hof de administratie geen bevelen kan geven (zie met name arresten Hof van 16 juni 1971, gevoegde zaken 63/70-75/70, Bode, Jurispr. 1971, blz. 549, en 9 juni 1983, zaak 225/82, Verzyck, Jurispr. 1983, blz. 1991, r.o. 19 en 20).
De vordering tot schadevergoeding
58 Deze vordering berust uitsluitend op de gestelde onregelmatigheid van het besluit om verzoekster aan het eind van haar proeftijd te ontslaan. Zij is verbonden met de vordering tot nietigverklaring, die verworpen is, en moet dus zelf eveneens worden verworpen.
59 Mitsdien moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
60 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd. Volgens artikel 88 van dat Reglement blijven evenwel in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, te hunnen laste.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy