Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Ambtenaren - Hoedanigheid van ambtenaar - Voorwaarden voor verkrijging niet vervuld wegens ontbreken van regelmatige aanstelling - Niet-toepasselijkheid van bepalingen van Statuut inzake proeftijd
Samenvatting
De rechtsband tussen de ambtenaar en de administratie vloeit voort uit het Statuut en niet uit een overeenkomst; de aanstelling en de benoeming van een personeelslid zijn dus slechts mogelijk met inachtneming van de in het Statuut voorziene vormvoorschriften en voorwaarden.
Volgens artikel 3 van het Statuut vindt de aanstelling van een ambtenaar noodzakelijkerwijs haar oorsprong in een eenzijdig besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag, waarin de datum wordt bepaald waarop de aanstelling ingaat, en het ambt waarin de ambtenaar wordt tewerkgesteld.
Bij gebreke van een regelmatig aanstellingsbesluit van het tot aanstelling bevoegd gezag, kan de betrokkene geen beroep doen op de bepalingen van het Statuut inzake de proeftijd.
Partijen
In zaak T-40/91,
A. Ventura, voormalig hulpfunctionaris van het Europees Parlement, wonende te Mamer (Luxemburg), vertegenwoordigd door C. Revoldini, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te diens kantore te Luxemburg, Rue Aldringen 21,
verzoeker,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door zijn juridisch adviseur J. Campinos, en M. Peter en J. L. Rufas Quintana, leden van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij zijn secretariaat-generaal, Centre européen, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van het Europees Parlement van 30 juli 1990 houdende weigering om verzoeker aan te stellen als ambtenaar op proef van categorie D,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, H. Kirschner en D. Barrington, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 12 maart 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten en de administratieve procedure
1 Verzoeker slaagde voor het door het Europees Parlement georganiseerde algemeen vergelijkend onderzoek PE/2/D en werd op de na de afsluiting van dit vergelijkend onderzoek opgestelde reservelijst voor de aanwerving van "geschoolde beambten en arbeiders" (optie nr. 6 ° beambten belast met diverse expeditiewerkzaamheden) geplaatst. De geldigheid van deze reservelijst werd, wat verzoekers optie betreft, herhaaldelijk verlengd, tot 30 juni 1989.
2 Op 8 januari 1990 werd kennisgeving van vacature nr. 6143 bekendgemaakt voor een post van geschoold beambte (v/m) (loopbaan D 3/2) bij het directoraat-generaal III, Voorlichting en public relations, van het Parlement (hierna DG III), met standplaats te Parijs, en op 9 januari 1990 solliciteerde verzoeker naar deze post.
3 Volgens het Parlement liet de directeur-generaal van DG III zijn keuze op verzoeker vallen en op 18 februari 1990 stelde hij voor, hem met ingang van 1 april 1990 als ambtenaar op proef aan te stellen op de in de kennisgeving van vacature bedoelde post.
4 Op 13 maart 1990 besloot de secretaris-generaal van het Parlement op eenparig gunstig advies van de paritaire commissie de geldigheid van de reservelijst van vergelijkend onderzoek PE/2/D met terugwerkende kracht te verlengen voor het tijdvak van 1 juli 1989 tot 30 juni 1990.
5 Op 20 maart 1990 onderging verzoeker het medisch onderzoek als bedoeld in artikel 33 Ambtenarenstatuut. Op 1 april 1990 nam hij het werk op.
6 Toen verzoeker in Parijs zijn functie opnam, was hij hulpfunctionaris (free-lance) van het Parlement te Luxemburg. Zijn overeenkomst was gesloten op 15 januari 1990 en zou normaal op 30 april 1990 aflopen, een maand nadat hij zijn nieuwe functie had aanvaard.
7 Bij brief van 30 juli 1990 berichtte G. van den Berge, directeur-generaal Personeelszaken, begroting en financiën verzoeker, dat zijn benoeming tot ambtenaar niet doorging en dat zijn aanstelling zou worden beëindigd. Deze brief luidde als volgt:
"Gezien enerzijds de bezwaren van de financiële controle en anderzijds de negatieve opmerkingen in de nota' s die ik van uw hiërarchieke meerderen van DG III heb ontvangen over uw gedrag in de dienst, heeft de secretaris-generaal besloten, de voorzitter niet voor te stellen de weigering van de financiële controle om haar visum te verlenen, naast zich neer te leggen. Uw benoeming tot ambtenaar kan dus niet doorgaan.
Aangezien u evenwel de werkzaamheden van het ambt waarin u zou worden benoemd, daadwerkelijk heeft uitgeoefend, wordt uw werkzaamheid gedurende deze periode en tot 31 augustus aanstaande in het verlengde van uw eerdere overeenkomst gedekt door een overeenkomst van hulpfunctionaris."
8 Blijkens de door het Parlement aan het dossier toegevoegde stukken had de financieel controleur op 28 mei 1990 geweigerd het voorstel tot aanstelling van verzoeker als geschoold beambte op proef (D 3, salaristrap 3) te viseren, op grond dat de verlenging met terugwerkende kracht van de reservelijst van vergelijkend onderzoek PE/2/D onwettig was en verzoeker, gezien zijn plaats op deze lijst (110e plaats op 125), niet in aanmerking kwam.
9 Naar aanleiding van het besluit van 30 juli 1990 liet het Parlement verzoeker een op 11 juli 1990 gedateerde overeenkomst van hulpfunctionaris toekomen voor het tijdvak van 1 mei 1990, datum van beëindiging van zijn eerdere werkzaamheden, tot 31 augustus 1990; deze overeenkomst was ondertekend door de vertegenwoordiger van het Parlement en voorzien van het visum van de financiële controleur. In een aanhangsel, eveneens van 11 juli 1990, heette het, dat verzoeker vanaf 1 april 1990 zou worden tewerkgesteld bij het directoraat-generaal Voorlichting en public relations, op het voorlichtingsbureau te Parijs, doch dat voor het overige niet zou worden afgeweken van de overeenkomst van hulpfunctionaris van 15 januari 1990.
10 Tussen partijen staat vast, dat verzoeker geen van deze beide stukken heeft ondertekend. Blijkens de door verzoeker na de mondelinge behandeling overgelegde documenten, ontving hij tussen 1 mei 1990 tot 31 augustus 1990 maandelijkse voorschotten, waarvan het bedrag overeenkwam met het salaris van een hulpfunctionaris. Deze voorschotten werden toegekend onder voorbehoud van een latere definitieve afrekening.
11 Op 29 oktober 1990 diende verzoeker bij het tot aanstelling bevoegd gezag tegen voornoemd besluit van 30 juli 1990 een klacht in als bedoeld in artikel 90, lid 2, van het Statuut. In een brief van 19 april 1991 aan E. Vinci, secretaris-generaal van het Parlement, herhaalde verzoeker de redenen voor deze klacht en verzocht hij om "voortzetting van zijn proeftijd als ambtenaar".
12 Op 22 april 1991 wees E. Vinci, secretaris-generaal van het Parlement, verzoekers klacht af, wat neerkwam op bevestiging van het besluit van 30 juli 1990.
Procesverloop en conclusies van partijen
13 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 29 mei 1991, heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het besluit van de secretaris-generaal van het Parlement van 22 april 1991 tot afwijzing van zijn klacht tegen het besluit van de directeur-generaal Personeelszaken, begroting en financiën van 30 juli 1990, waarbij deze weigerde hem als ambtenaar op proef aan te stellen op een post van geschoold beambte.
14 De schriftelijke procedure heeft een normaal verloop gehad en is afgesloten op 13 december 1991.
15 Het Gerecht heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, op 12 februari 1992 het Parlement uitgenodigd, mee te delen hoeveel keuzemogelijkheden er met betrekking tot de reservelijst van algemeen vergelijkend onderzoek PE/2/D bestonden, telkens met opgave van de uiterste datum. Bij brief van 28 februari 1992 heeft het Parlement aan dit verzoek gevolg gegeven.
16 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
17 Door het Gerecht ter terechtzitting van 12 maart 1992 daarom verzocht, heeft verzoeker op 13 maart 1992 vijf stukken overgelegd inzake de wijze van betaling van zijn salaris voor het tijdvak 1 april 1990-1 augustus 1990.
18 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep ontvankelijk te verklaren;
° te verstaan dat inbreuk is gemaakt op artikel 34 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen;
° te verstaan dat getracht is het Statuut te omzeilen door ongeoorloofde omzetting van een overeenkomst tot aanstelling als ambtenaar op proef in een overeenkomst tot aanstelling als hulpfunctionaris;
° mitsdien verzoeker te herstellen in zijn functie van ambtenaar op proef als geschoold beambte van de loopbaan D 3/2;
° het Parlement te veroordelen in de kosten van het geding.
19 Het Parlement concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep in zijn geheel te verwerpen;
° te beslissen over de kosten naar recht.
De vordering tot nietigverklaring van het bestreden besluit
20 Tot staving van zijn beroep tot nietigverklaring voert verzoeker twee middelen aan, namelijk schending van artikel 34 van het Statuut en omzeiling van de beginselen inzake de overeenkomsten tussen de instellingen en hun personeelsleden.
Het eerste middel: schending van artikel 34 van het Statuut
21 Verzoeker betoogt dat hij, nadat zijn sollicitatie naar de bij kennisgeving nr. 6143 vacant verklaarde post was aanvaard, op 1 april 1990 rechtsgeldig de in artikel 34 van het Statuut bedoelde proeftijd is begonnen. Volgens verzoeker moest deze proeftijd normaliter worden afgesloten met zijn aanstelling als ambtenaar.
22 Verzoeker betoogt, dat inbreuk is gemaakt op artikel 34, doordat zijn proeftijd op 31 augustus 1990 ° dus na vier maanden ° is onderbroken, terwijl artikel 34, lid 1, van het Statuut voor de ambtenaren van categorie D een proeftijd van zes maanden voorschrijft, en doordat de in artikel 34, lid 2, voorgeschreven procedure niet is nageleefd, nu aan het einde van de proeftijd geen beoordeling is opgesteld en hem ter kennis is gebracht.
23 Verzoeker betoogt in de tweede plaats, dat de "negatieve opmerkingen in de nota' s van zijn hiërarchieke meerderen aan de secretaris-generaal van het Parlement", bedoeld in het besluit van 30 juli 1990, geenszins kunnen worden gelijkgesteld met een regelmatig opgestelde en voor eventuele opmerkingen aan de betrokkene meegedeelde beoordeling aan het einde van de proeftijd. Door deze onregelmatigheid is afbreuk gedaan aan zijn rechten als ambtenaar op proef.
24 Verzoeker erkent evenwel, dat in de brief van de secretaris-generaal van het Parlement van 22 april 1991, waarin deze zijn klacht van 29 oktober 1990 heeft afgewezen, niet meer naar die negatieve nota' s wordt verwezen, en dat hij dit argument dan ook slechts volledigheidshalve aanvoert.
25 In de derde plaats betoogt verzoeker, dat het Parlement de weigering om hem als ambtenaar aan te stellen niet kan rechtvaardigen met een beroep op de in het besluit van 30 juli 1990 genoemde "bezwaren van de financiële controle", aangezien artikel 34 noch enige andere bepaling van titel III van het Statuut de financieel controleur enige bevoegdheid toekent inzake de aanwerving van ambtenaren. De financieel controleur moet toezien op de formele regelmatigheid van gemeenschapsuitgaven, maar het komt hem niet toe, de materiële of politieke opportuniteit van gemeenschapshandelingen te beoordelen. Anders zou de ambtenaar op proef ° en in ruimere zin iedere ambtenaar ° de door het Statuut gewaarborgde institutionele bescherming verliezen.
26 Verzoeker betoogt in de vierde plaats dat, gesteld dat de financieel controleur enige zeggenschap bij de aanstelling van ambtenaren op proef zou hebben, eventuele opmerkingen zijnerzijds rechtstreeks verband zouden moeten houden met een omstandigheid die aan de ambtenaar op proef persoonlijk kan worden toegerekend, en niet, zoals in het onderhavige geval, met de naleving van de begrotingsvoorschriften. Deze uitlegging vloeit volgens verzoeker voort uit artikel 34 van het Statuut, dat een persoonlijke beoordeling van de geschiktheid van de ambtenaar op proef voorschrijft.
27 Ter terechtzitting heeft verzoeker voorts de nadruk gelegd op het feit dat, anders dan het Parlement stelt, de reservelijst van algemeen vergelijkend onderzoek PE/2/D nog gold toen tot zijn aanstelling werd besloten. Volgens verzoeker is een andere geslaagde kandidaat, die na deelneming aan vergelijkend onderzoek PE/2/D op dezelfde reservelijst was ingeschreven, wel op 19 juli 1991 aangesteld. In dat geval heeft de financieel controleur het door de secretaris-generaal van het Parlement ondertekende aanstellingsbesluit wel regelmatig geviseerd.
28 Bovendien betoogt verzoeker, dat het Parlement een reservelijst niet willekeurig in verschillende rubrieken kan verdelen, waarvan de geldigheid op verschillende data verstrijkt, terwijl het beginsel van goed bestuur meebrengt dat allen die op een zelfde lijst zijn geplaatst, dezelfde behandeling genieten.
29 Volgens het Parlement kan verzoeker geen beroep doen op de bepalingen van artikel 34 van het Statuut, wanneer hij door het tot aanstelling bevoegd gezag nog niet als ambtenaar op proef is aangesteld.
30 Onder verwijzing naar de bepalingen van de artikelen 1, 2 en 3 van het Statuut, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof en het Gerecht, onder meer in het arrest van het Hof van 2 december 1976 (zaak 102/75, Petersen, Jurispr. 1976, blz. 1777) en het arrest van het Gerecht van 7 februari 1991 (gevoegde zaken T-18/89 en 24/89, Tagaras, Jurispr. 1991, blz. II-53), herinnert het Parlement eraan, dat de aanstelling van een ambtenaar het bestaan veronderstelt van een schriftelijk aanstellingsbesluit, dat is genomen door het tot aanstelling bevoegd gezag en waarin de datum waarop de aanstelling ingaat, en de functie waarin de betrokkene wordt aangesteld, worden vermeld. Een dergelijk besluit bestaat volgens het Parlement in casu niet.
31 Voorts is het Parlement van mening, dat in casu niet is voldaan aan een der aanstellingsvoorwaarden van artikel 28 van het Statuut, bepalende dat de ambtenaar op proef geslaagd moet zijn voor een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken, van een examen of op de grondslag van beide, overeenkomstig de bepalingen van bijlage III. De administratieve selectieprocedure, vanaf de publikatie van de kennisgeving van vacature tot het voorstel tot aanstelling van de door het betrokken directoraat-generaal gekozen kandidaat, heeft zich immers geheel afgespeeld in een periode waarin verzoeker moest worden geacht niet voor een vergelijkend onderzoek te zijn geslaagd, omdat de geldigheidsduur van de reservelijst waarop hij na vergelijkend onderzoek PE/2/D was geplaatst, wat hem betreft was verstreken.
32 Het Parlement erkent de onregelmatigheid van de op 13 maart 1990 besloten verlenging met terugwerkende kracht van de betrokken reservelijst en stelt dat verzoeker aan deze onregelmatigheid, die het als een intern administratief probleem kwalificeert, geen rechten kan ontlenen. Het Parlement verwijst te dezen naar het arrest van het Hof van 14 december 1979 (zaak 257/78, Devred, Jurispr. 1979, blz. 3767), volgens hetwelk "een administratie niet mag worden geacht een fout te begaan of aansprakelijk te zijn wanneer zij een onwettige toestand herstelt" (r.o. 22).
33 Volgens het Parlement stelt verzoeker zijn indiensttreding te Parijs ten onrechte gelijk met een regelmatige aanstelling. Aldus miskent verzoeker de aan het tot aanstelling bevoegd gezag en de andere bij de zaak betrokken organen, zoals de financieel controleur, toekomende bevoegdheden.
34 Het Parlement betoogt meer in het bijzonder, dat a contrario uit artikel 3 van het Statuut volgt, dat de aanstelling ná de indiensttreding van de betrokkene kan ingaan. Bovendien gebruikt artikel 3 van het Statuut de term "ambtenaar" wanneer het gaat over het aanstellingsbesluit, en de term "betrokkene", wanneer het gaat over de datum van indiensttreding.
35 Met betrekking tot de reservelijst van vergelijkend onderzoek PE/2/D wijst het Parlement erop, dat het nimmer zonder meer heeft beweerd, dat de geldigheid van de reservelijst op 30 juni 1989 was verstreken, doch enkel dat deze lijst niet meer geldig was voor zover het ging om verzoekers sollicitatie naar de door hem geambieerde post.
36 Het Parlement ziet dus geen tegenstrijdigheid tussen zijn betoog in deze zaak en het feit dat een andere kandidaat die op de reservelijst van vergelijkend onderzoek PE/2/D was geplaatst, nadien wel als ambtenaar kon worden aangesteld, aangezien die lijst alleen nog geldig was voor de door die kandidaat gekozen optie 3 (verhuizing), terwijl zij voor alle andere opties was vervallen.
37 Ter terechtzitting heeft het Parlement voorts betoogd, dat het volkomen gerechtigd was de reservelijst op te splitsen naargelang van de verschillende kwalificaties van de kandidaten, en dat dit administratief gebruik geen inbreuk maakt op het door verzoeker aangevoerde beginsel.
38 In verband met verzoekers argument inzake de weigering van het visum door de financieel controleur, herinnert het Parlement aan artikel 38, lid 1, sub c, van het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting der Europese Gemeenschappen (PB 1991, C 80, blz. 1), naar luid waarvan uit het door de financieel controleur verstrekte visum "de regelmatigheid en juistheid van de uitgave ten aanzien van de geldende bepalingen" blijkt. Onder verwijzing naar deze bepaling beklemtoont het Parlement, dat het zich bij de argumenten van de financieel controleur heeft aangesloten door diens weigering te bevestigen en de bevoegde hogere instantie niet in overweging te geven de weigering naast zich neer te leggen. De weigering van de financieel controleur kan dus niet meer worden aangevochten, doch alleen nog het besluit van het Parlement.
39 Volgens het Parlement houdt dit in, dat verzoekers argument inzake de beperking van de bevoegdheden van de financieel controleur ongegrond en zelfs niet-ontvankelijk is. De stukken betreffende de weigering van het visum heeft het alleen bij zijn verweerschrift gevoegd ten bewijze van de onregelmatigheid van de voordracht van verzoeker voor de betrokken post.
40 Gelet op het betoog van partijen, herinnert het Gerecht eraan, dat volgens de beginselen van het communautaire ambtenarenrecht de aanstelling en de benoeming in vaste dienst van een personeelslid slechts mogelijk zijn met inachtneming van de in het Statuut voorziene vormvoorschriften en voorwaarden (arrest Hof van 13 mei 1970, zaak 18/69, Fournier, Jurispr. 1970, blz. 249).
41 Aangezien de rechtsband tussen de ambtenaar en de administratie voortvloeit uit het Statuut en niet uit overeenkomst, vindt volgens artikel 3 van het Statuut de aanstelling van een ambtenaar noodzakelijkerwijs haar oorsprong in een eenzijdig besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag, waarin de datum wordt bepaald waarop de aanstelling ingaat, en het ambt waarin de ambtenaar wordt tewerkgesteld (arrest Gerecht van 7 februari 1991, gevoegde zaken T-18/89 en 24/89, Tagaras, reeds aangehaald).
42 In casu ontbreekt een dergelijk besluit, wat verzoeker ter terechtzitting ook uitdrukkelijk heeft erkend.
43 In de "nota voor het dossier" van de afdeling personeelszaken van het Parlement, die verzoeker op 13 maart 1992 na de mondelinge behandeling ter griffie van het Gerecht heeft neergelegd, wordt weliswaar vermeld dat verzoeker als ambtenaar op proef is aangesteld, doch een dergelijk document kan geenszins worden gelijkgesteld met een regelmatig aanstellingsbesluit van het tot aanstelling bevoegd gezag.
44 Hieruit volgt, dat verzoeker wegens het ontbreken van een besluit tot aanstelling als ambtenaar geen beroep kan doen op de bepalingen van artikel 34 van het Statuut, die een regelmatig aanstellingsbesluit veronderstellen, waarbij de betrokkene tot de proeftijd wordt toegelaten.
45 Bijgevolg behoeft niet te worden ingegaan op de gegrondheid van verzoekers argumenten inzake schending van artikel 34 van het Statuut.
46 Dit middel kan dus niet slagen.
Het tweede middel: omzeiling van de beginselen inzake overeenkomsten tussen de instellingen en hun personeelsleden
47 Verzoeker herinnert eraan, dat hij, na eerst een brief van G. van den Berge van 30 juli 1990 te hebben ontvangen, op 16 augustus 1990 een afschrift ontving van een overeenkomst als hulpfunctionaris van 11 juli 1990, ondertekend door de vertegenwoordiger van het Parlement en voorzien van het visum van de financieel controleur, waarin hij voor het tijdvak van 1 mei 1990 tot 31 augustus 1990 werd aangesteld als hulpfunctionaris. Volgens verzoeker heeft het Parlement hiermee getracht eenzijdig en met terugwerkende kracht de proeftijd, die hij op 1 april 1990 te Parijs was begonnen, om te zetten in een eenvoudige overeenkomst als hulpfunctionaris.
48 In zijn verweerschrift zet het Parlement uiteen, dat de verlenging van de overeenkomst waarbij verzoeker door het Parlement als hulpfunctionaris was aangesteld, de enige uitweg was uit de situatie die ontstaan was door de weigering om verzoeker als ambtenaar aan te stellen, en het enige middel om te voorkomen dat hij schade zou lijden ten gevolge van de onregelmatigheid van de procedure die tot zijn indiensttreding te Parijs had geleid.
49 Het Parlement erkent, dat verzoeker deze verlenging van de overeenkomst nimmer uitdrukkelijk heeft aanvaard, doch voert twee argumenten aan die pleiten voor een stilzwijgende aanvaarding zijnerzijds.
50 In de eerste plaats erkent verzoeker zelf, dat hij op 16 augustus 1990 van deze verlenging in kennis is gesteld en dat hij ze pas in zijn klacht van 29 oktober 1990 heeft geweigerd.
51 In de tweede plaats heeft verzoeker voor heel de betrokken periode, namelijk van april tot augustus 1990, bezoldiging ontvangen als hulpfunctionaris (64 767 BFR of 10 500 FF als maandelijks basissalaris) en niet als ambtenaar, en heeft hij daar nooit tegen geprotesteerd.
52 In ieder geval kan verzoeker zich volgens het Parlement niet beroepen op het feit dat hij de hem aangeboden overeenkomst niet uitdrukkelijk heeft aanvaard, teneinde aanspraak te maken op het recht om als ambtenaar op proef te worden aangesteld.
53 Het Gerecht stelt vast, dat een aanstellingsbesluit, dat voorwaarde is om met de in artikel 34 van het Statuut bedoelde proeftijd te kunnen beginnen, ontbreekt en dat het Parlement er geen verwijt van kan worden gemaakt, dat het een uitweg heeft gezocht uit de situatie die door de onmogelijkheid van verzoekers aanstelling als ambtenaar op proef was ontstaan, door hem een verlenging van zijn tijdelijke overeenkomst met het Parlement aan te bieden. Een administratie kan immers niet worden geacht een fout te begaan of aansprakelijk te zijn wanneer zij een onwettige toestand herstelt (arrest Hof van 14 december 1979, zaak 257/78, Devred, reeds aangehaald).
54 Al heeft verzoeker nimmer uitdrukkelijk of stilzwijgend ingestemd met de voorwaarden van de tijdelijke overeenkomst die het Parlement hem op 11 juli 1990 deed toekomen, toch moet ervan worden uitgegaan, dat het Parlement, ofschoon een regelmatige aanstelling ontbrak, verzoeker voor zijn werk diende te belonen.
55 Hieruit volgt dat, bij ontbreken van een regelmatige aanstelling van verzoeker, de tot staving van dit middel aangevoerde argumenten zonder voorwerp zijn.
56 Ook dit middel kan dus niet slagen.
57 Mitsdien moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.
De vordering tot wederaanstelling van verzoeker als ambtenaar op proef
58 Dienaangaande kan worden volstaan met eraan te herinneren, dat de gemeenschapsrechter niet zonder inbreuk te maken op de prerogatieven van het administratief gezag, een gemeenschapsinstelling bevelen kan geven.
59 Gelet op dit beginsel moet worden vastgesteld, dat deze vordering niet-ontvankelijk is.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
60 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Volgens artikel 88 van het Reglement blijven evenwel in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, te hunnen laste.
61 Voorts kan het Gerecht volgens artikel 87, lid 3, eerste alinea, van het Reglement wegens bijzondere redenen beslissen de proceskosten over de partijen te verdelen.
62 Het Gerecht stelt vast, dat het Parlement ter terechtzitting heeft erkend dat fouten zijn gemaakt, waardoor verzoeker ten onrechte in de mening is komen te verkeren, dat zijn aanstelling als ambtenaar op proef een feit was.
63 Volstaan kan worden met erop te wijzen, dat het Parlement bij verzoeker de indruk heeft doen ontstaan dat hij zou worden aangesteld "als ambtenaar op proef". Verzoeker heeft blijkbaar alle formaliteiten vervuld, zoals het medisch onderzoek bedoeld in artikel 33 van het Statuut, die normaliter aan de aanstelling tot ambtenaar op proef voorafgaan. Onder deze omstandigheden dient het Parlement, naast zijn eigen kosten, driekwart van verzoekers kosten te dragen. De rest van zijn kosten dient verzoeker zelf te dragen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer)
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verstaat dat het Parlement, naast zijn eigen kosten, driekwart van verzoekers kosten zal dragen. De rest van zijn kosten dient verzoeker zelf te dragen.
Full & Egal Universal Law Academy