Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren ° Beroep ° Bezwarend besluit ° Begrip ° Voorbereidende handeling ° Advies van raadgevende instantie ° Daarvan uitgesloten
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
2. Ambtenaren ° Bevordering ° Vergelijking van verdiensten ° Criteria ° Beoordelingsvrijheid van administratie ° Rechterlijke toetsing ° Grenzen
(Ambtenarenstatuut, art. 45)
3. Ambtenaren ° Bevordering ° Klacht van niet-bevorderde kandidaat ° Afwijzend besluit ° Motiveringsplicht
(Ambtenarenstatuut, art. 45 en 90, lid 2)
Partijen
In zaak T-53/91,
N. Mergen, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Slusny en O. Slusny, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E. Arendt, Rue Mathias Hardt 8-10,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Griesmar, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door B. Cambier en L. Cambier, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie om verzoeker niet te plaatsen op de lijst van de ambtenaren van de rang A 5 die op grond van hun verdiensten het meest voor bevordering naar de rang A 4 in aanmerking komen,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, H. Kirschner en D. Barrington, rechters,
griffier: P. van Ypersele de Strihou, referendaris
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 11 juni 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Verzoeker is vanaf 1 september 1963 in dienst bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen (hierna: de Commissie). Sinds 1 oktober 1973 heeft hij de rang A 5, en reeds meer dan twintig jaar is hij verbonden aan het directoraat-generaal Interne markt en industrie (hierna: DG III).
2 Sedert de vervulling van zijn minimumanciënniteit van twee jaar, die ingevolge artikel 45, lid 1, Ambtenarenstatuut vereist is om voor bevordering in aanmerking te komen, heeft verzoeker ieder jaar op de lijst gestaan van naar de rang A 4 "bevorderbare" ambtenaren. Zo stond zijn naam ook op de lijst voor het begrotingsjaar 1990, die 642 ambtenaren telde, waaronder 29 van DG III. Deze lijst is gepubliceerd in Mededelingen van de administratie nr. 627 van 26 maart 1990.
3 Op 15 juni 1990 werd de lijst van bevorderbare ambtenaren die voor het jaar 1990 door de verschillende directoraten-generaal ter bevordering werden "voorgedragen", gepubliceerd in Mededelingen van de administratie nr. 632; hierop stonden de namen van 180 ambtenaren in de rang A 5, waarvan acht van DG III, doch niet die van verzoeker.
4 Om die reden heeft verzoeker op 25 juni 1990 een bezwaarschrift ingediend bij de voorzitter van het bevorderingscomité, een en ander conform een interne regeling ter zake. Met nadruk wees hij daarin op de zwaarte van de door hem uitgeoefende functies, zijn anciënniteit, zijn leeftijd en zijn goede beoordelingsrapporten, en hij besloot zijn betoog als volgt: "Dat mijn directoraat-generaal mij niet voor bevordering heeft voorgedragen, is niet om zakelijke, maar om andere, minder respectabele redenen waarover binnen DG III overigens reeds verhalen beginnen rond te gaan".
5 Op 13 juli 1990 kwam de "groupe restreint", belast met de behandeling van bezwaarschriften en mobiliteitsproblemen (hierna: groupe restreint), bijeen onder voorzitterschap van de directeur-generaal Personeel en algemeen beheer. Blijkens de notulen van deze vergadering is het geval van verzoeker besproken, maar heeft de groupe restreint "gemeend in deze niet gunstig te kunnen beslissen".
6 Op 19 juli kwam het bevorderingscomité onder voorzitterschap van de secretaris-generaal van de Commissie bijeen en stelde een ontwerplijst op met daarop de namen van 88 ambtenaren die op grond van hun verdiensten werden geacht het meest voor bevordering naar de rang A 4 in aanmerking te komen.
7 Op 31 juli 1990 deelde de voorzitter van het bevorderingscomité verzoeker mede, dat "de groupe restreint uw geval heeft onderzocht. Wegens de gegevens in uw dossier heeft het het bevorderingscomité geen positieve beslissing in overweging kunnen geven".
8 Op 1 augustus 1990 stelde het met personeelsaangelegenheden belaste lid van de Commissie de lijst vast van ambtenaren in de rang A 5 die op grond van hun verdiensten werden geacht voor het begrotingsjaar 1990 het meest voor bevordering naar de rang A 4 in aanmerking te komen.
9 Op 10 augustus 1990 werd de lijst van ambtenaren in de rang A 5 die op grond van hun verdiensten werden geacht voor het begrotingsjaar 1990 het meest voor bevordering naar de rang A 4 in aanmerking te komen, gepubliceerd in Mededelingen van de administratie nr. 637.
10 Op 8 oktober 1990 werd de lijst van naar de rang A 4 bevorderde ambtenaren gepubliceerd in Mededelingen van de administratie nr. 643. Van de acht ambtenaren van DG III die voor bevordering naar de rang A 4 waren voorgedragen, werden er vier bevorderd. Van die vier waren er drie al een of tweemaal eerder voor bevordering voorgedragen, en de vierde was al eens geplaatst op de lijst van meest verdienstelijke ambtenaren.
11 Bij nota van 29 oktober 1990 diende verzoeker een klacht in in de zin van artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut, waarbij hij de lijst van meest verdienstelijk geachte ambtenaren aanvocht en verzocht om intrekking van het besluit om hem niet op die lijst te plaatsen.
12 Op 4 april 1991 deelde de Commissie verzoeker mede, dat zijn klacht was afgewezen.
Het procesverloop
13 Daarop heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld, dat op 1 juli 1991 bij de griffie van het Gerecht werd ingeschreven.
14 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vijfde kamer) besloten, zonder voorafgaande instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
15 De mondelinge behandeling heeft op 4 juni 1992 plaatsgevonden. De vertegenwoordigers van partijen hebben pleidooi gehouden en vragen van het Gerecht beantwoord.
Conclusies van partijen
16 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
1) het besluit van 31 juli 1990 nietig te verklaren;
2) het besluit van de wederpartij om verzoeker niet te plaatsen op de lijst van ambtenaren in de rang A 5 die op grond van hun verdiensten werden geacht voor het begrotingsjaar 1990 het meest voor bevordering naar de rang A 5 (sic) in aanmerking te komen, zoals gepubliceerd in nr. 637 van Mededelingen van de administratie, nietig te verklaren;
3) de wederpartij te gelasten de volgende stukken te overleggen:
a) de volledige tekst van de "Guide pratique à la procédure de promotion des fonctionnaires à la Commission des CE", die in november 1988 als intern document door het directoraat-generaal IX werd uitgegeven;
b) het gehele dossier van het bevorderingscomité A over de jaren 1989 en 1990;
4) de wederpartij in de kosten te verwijzen.
De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
1) het beroep niet-ontvankelijk of althans ongegrond te verklaren;
2) kosten rechtens.
17 Het beroep steunt op vier middelen. Het eerste middel vecht de wettigheid aan van het systeem dat de Commissie heeft ingevoerd voor de samenstelling van de lijsten van te bevorderen ambtenaren; het tweede middel klaagt over een gebrek aan motivering van het besluit van 31 juli 1990; het derde middel richt zich tegen het feit, dat in het "besluit van het bevorderingscomité" en in dat van de Commissie tot afwijzing van zijn klacht niet is verwezen naar zijn persoonsdossier, en het vierde middel wraakt het discriminerende karakter van het besluit om hem niet te bevorderen. Ter vergoeding van de morele schade die hij tengevolge van deze onregelmatigheden zegt te hebben geleden, vordert verzoeker een bedrag van 100 000 BFR. Daarnaast verzoekt hij het Gerecht om instructiemaatregelen te gelasten. De Commissie betwist de ontvankelijkheid van het eerste onderdeel van de vordering op twee gronden: het bestreden besluit is een voorbereidingshandeling en bovendien niet afkomstig van het tot aanstelling bevoegde gezag.
De ontvankelijkheid
18 De Commissie betwist de ontvankelijkheid van het beroep voorzover gericht tegen de nota van 31 juli 1990 van de voorzitter van de groupe restreint, belast met de behandeling van bezwaarschriften. Die nota bracht slechts het standpunt van een adviesorgaan tot uitdrukking en is derhalve te beschouwen als een voorbereidingshandeling die van een meeromvattende administratieve procedure deel uitmaakte. Een dergelijke handeling is niet voor beroep vatbaar (arrest Gerecht van 24 januari 1991, zaak T-27/90, Latham, Jurispr. 1991, blz. II-35).
19 De nota van 31 juli 1990 is afkomstig van een adviesorgaan, namelijk de groupe restreint, die het bevorderingscomité van advies dient. Het Gerecht kan evenwel slechts handelingen van het tot aanstelling bevoegde gezag toetsen (arrest Hof van 27 oktober 1981, gevoegde zaken 783/79 en 786/79, Venus en Obert, Jurispr. 1981, blz. 2445, r.o. 22, en beschikking Gerecht van 14 december 1989, zaak T-119/89, Teissonnière, Jurispr. 1990, blz. II-7, r.o. 21).
20 De Commissie concludeert daaruit, dat ook het tweede middel, gericht tegen de motivering van de nota van 31 juli 1990, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
21 Verzoeker brengt daartegen in, dat de door de Commissie geciteerde rechtspraak een raadgevend comité betrof waarvan de enige functie was advies uit te brengen, anders dus dan de groupe restreint, die als quasi-rechtsprekend orgaan tot taak heeft, te beslissen over bezwaarschriften van ambtenaren in het kader van de selectie van ambtenaren die op grond van hun verdiensten het meest voor bevordering in aanmerking komen. Om die reden meent verzoeker, dat het Gerecht het beroep ontvankelijk moet verklaren, zoals ook het Hof heeft gedaan in het arrest van 1 februari 1979 (zaak 17/78, Deshormes, Jurispr. 1979, blz. 189).
22 Het Gerecht stelt vast, dat het beroep niet-ontvankelijk is voorzover het is gericht tegen de nota van 31 juli 1990. Die nota is immers niet afkomstig van het tot aanstelling bevoegde gezag of zelfs maar van het bevorderingscomité, maar van een groupe restreint, die het bevorderingscomité van advies dient. Volgens de artikelen 90 en 91 Ambtenarenstatuut evenwel kunnen ambtenaren en personeelsleden van de Gemeenschappen alleen handelingen van het tot aanstelling bevoegde gezag aan het oordeel van het Gerecht onderwerpen. De nota is bovendien een voorbereidingshandeling, want het advies van de groupe restreint is niet bindend voor het tot aanstelling bevoegde gezag of voor het bevorderingscomité. Blijkens de rechtspraak is een dergelijke handeling niet voor beroep vatbaar (zie onder meer arrest Gerecht van 24 januari 1991, T-27/90, reeds aangehaald).
23 Aangezien het beroep voor zover het is gericht tegen de nota van 31 juli 1990 niet-ontvankelijk is, moet ook het tweede middel niet-ontvankelijk worden verklaard, daar het op de motivering van die nota betrekking heeft.
De gevraagde instructiemaatregelen
24 De Commissie wijst erop, dat zij de volledige tekst heeft overgelegd van de "Guide pratique à la procédure de promotion des fonctionnaires à la Commission des CE" (hierna: de "Guide pratique") alsmede de dossiers van de acht voor bevordering in aanmerking komende kandidaten die boven verzoeker zijn verkozen, zodat de vordering van verzoeker zonder voorwerp is geraakt.
25 Verzoeker zegt, de discussie met betrekking tot het eerste document als gesloten te willen beschouwen, maar ten aanzien van de andere documenten slechts gedeeltelijk genoegdoening te hebben verkregen.
26 Het Gerecht komt tot de vaststelling, dat verzoeker in wezen vordert dat het Gerecht instructiemaatregelen gelast, teneinde onder meer bepaalde documenten met betrekking tot de litigieuze bevorderingsprocedure te doen overleggen. In dat verband zij eraan herinnerd, dat het Gerecht ingevolge artikel 66, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering, "de maatregelen [bepaalt] die nodig worden geacht; de ter zake gegeven beschikking omschrijft de te bewijzen feiten". Duidelijk blijkt uit deze bepaling, dat de noodzaak van een dergelijke maatregel ter beoordeling van het Gerecht staat. Waar de Commissie in deze zaak de Guide pratique alsmede de beoordelingsrapporten van de acht voor bevordering voorgedragen kandidaten reeds als bijlage bij haar verweerschrift heeft overgelegd, is het verzoek om deze stukken te doen overleggen, zonder voorwerp. Voor het overige moet het verzoek worden afgewezen, aangezien de Commissie voldoende gegevens heeft verschaft om verzoeker in staat te stellen, zijn standpunt te verdedigen, en het Gerecht uitspraak te doen.
Ten gronde
27 Het Gerecht stelt om te beginnen vast, dat het in de Guide pratique omschreven systeem uit verschillende fasen bestaat. Eerst wordt de lijst van bevorderbare ambtenaren door de administratie gepubliceerd, en wel een maand voor het begin van de bevorderingsronde, om belanghebbenden in de gelegenheid te stellen eventuele vergissingen of omissies te signaleren. Vervolgens gaat elke directeur-generaal volgens een bij de respectieve directoraten-generaal ingestelde procedure, over tot een vergelijkend onderzoek van de verdiensten van de bevorderbare ambtenaren die bij zijn dienst werkzaam zijn, en stelt zijn voordracht vast, daarbij een bepaalde rangorde aangevend. In een derde fase worden de voordrachten aan het bevorderingscomité voorgelegd, dat over een lijst beschikt van ambtenaren die het voorafgaande jaar als meest verdienstelijk waren aangemerkt, maar niet konden worden bevorderd, over de lijst van alle bevorderbare ambtenaren en over de individuele bevorderingsdossiers. Het bevorderingscomité selecteert de meest verdienstelijke ambtenaren. In het geval van verzoeker heeft het bevorderingscomité beslist overeenkomstig de beoordelingsmethode voor ambtenaren in de rang A 5 die voor bevordering naar de rang A 4 in aanmerking komen (hierna: de methode). Deze methode berust op een zeker aantal aan de bevorderbare ambtenaren toe te kennen punten, volgens criteria als de plaats in de rangorde in de voordracht van de directeur-generaal (70 punten voor de eerste tien, 45 voor de volgende tien en 20 voor de daarop volgende 10), de beoordelingsrapporten (maximaal 28 punten), de diensttijd in de rang (maximaal 28 punten), de anciënniteit in de dienst (maximaal 20 punten), de leeftijd (maximaal 65 punten) en de vermelding van de ambtenaar op de door het bevorderingscomité voor het voorafgaande begrotingsjaar opgestelde ontwerp-voordrachtslijst (25 punten). In een vierde fase wordt de door het bevorderingscomité opgestelde lijst van "meest verdienstelijken" door het tot aanstelling bevoegde gezag goedgekeurd en door de administratie gepubliceerd. In een vijfde fase neemt het voor personeelsbeleid verantwoordelijke Commissielid aan de hand van deze lijst de besluiten tot bevordering, en tekent de individuele besluiten.
Eerste middel: onwettigheid van het bevorderingsstelsel van de Commissie
28 Volgens verzoeker komen de kwaliteiten en verdiensten in dit systeem onvoldoende tot hun recht, want doordat de door de directeur-generaal bepaalde rangorde wordt meegewogen, wordt een te groot aantal punten toegekend. Meer specifiek beantwoordt die methode volgens hem niet aan artikel 45 Ambtenarenstatuut, dat voorschrijft: "Bevordering geschiedt uitsluitend bij keuze (...) na een onderzoek waarbij de verdiensten van de ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, alsmede de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht, onderling worden vergeleken." De methode legt een onevenredig zwaar accent op de door de directeur-generaal bepaalde rangorde, wiens opinie de doorslag geeft tegenover die van andere ambtenaren, zoals ook blijkt uit de volgende passage in de Guide pratique:
"De voordracht vanuit het directoraat-generaal is in feite de cruciale fase van de procedure; het zal slechts in zeer uitzonderlijke gevallen voorkomen, dat tot bevordering van een ambtenaar wordt besloten, die niet is voorgedragen door zijn directeur-generaal. Daarnaast speelt de door het directoraat-generaal toegekende volgorde van prioriteit gedurende het verdere verloop van de procedure een belangrijke rol."
Dit betekent, dat het kwalitatieve aspect van de verdiensten van de ambtenaar niet tot zijn recht komt, te meer niet omdat een directeur-generaal zelden in contact komt met een ambtenaar van de rang A 5.
29 De Commissie brengt hiertegen in, dat de methode in overeenstemming is met de in de rechtspraak geformuleerde eisen, dat de leeftijd en de anciënniteit in rang of in de dienst niet zwaarder kunnen wegen dan de verdiensten (arrest van 17 januari 1989, zaak 293/87, Vainker, Jurispr. 1989, blz. 23, r.o. 16). Het criterium van de verdiensten komt in de methode immers op tweeërlei niveau aan bod: eerst in de door de directeur-generaal voorgelegde rangorde en vervolgens in de beoordelingsrapporten.
30 Volgens de rechtspraak, zo vervolgt de Commissie, beschikken de instellingen over een ruime beoordelingsbevoegdheid, zowel bij de keuze van de kandidaten als bij de wijze van vergelijking van de kwalificaties en verdiensten van bevorderbare ambtenaren, en kunnen zij slechts worden gecorrigeerd wanneer zij van die bevoegdheid een kennelijk onjuist gebruik maken (arresten van 1 juli 1976, zaak 62/75, De Wind, Jurispr. 1976, blz. 1167, r.o. 17; 16 december 1987, zaak 111/86, Delauche, Jurispr. 1987, blz. 5345, r.o. 18).
31 De inschakeling van de directeur-generaal is een noodzaak, aangezien het een misvatting is te geloven, dat bevordering alleen kan plaatsvinden op basis van objectieve criteria. Het oordeel over de wijze waarop iemand zijn dienst vervult, is immers noodzakelijkerwijs voor een deel subjectief. Daarom heeft de medewerking van de directeur-generaal een tweeledig doel, namelijk enerzijds de inbreng van de kennis van de onder zijn leiding staande sector, onder meer door raadpleging van de betrokken afdelingshoofden die de bevorderbare ambtenaren goed kennen, en anderzijds de beoordelingsrapporten van de verschillende ambtenaren in perspectief te brengen, die niet altijd volgens één model of gelijkwaardige criteria zijn opgesteld. Mede dank zij zijn betrokkenheid wordt het subjectieve karakter van de vergelijking van kwalificaties en verdiensten van de kandidaten voor bevordering enigermate geneutraliseerd.
32 In dit geval is de methode correct toegepast, met name gelet op de omstandigheid dat de directeur-generaal zijn voordracht heeft bepaald aan de hand van vergelijking van de beoordelingsrapporten van de verschillende bevorderbare personen die bij het betrokken directoraat-generaal werkzaam zijn. Deze vergelijking, die verzoeker materieel niet betwist, laat zien dat de beoordelingen van verzoeker minder gunstig waren dan die van de ter bevordering voorgedragen kandidaten, ook al leveren zij hem in het kader van de methode ° onder de rubriek "beoordelingsrapporten" ° hetzelfde aantal punten op, omdat de methode voor het aantal punten geen onderscheid maakt tussen de vermeldingen "goed", "zeer goed" en "uitstekend".
33 Het Gerecht stelt vast, dat volgens vaste rechtspraak de instellingen bij bevorderingen over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken en slechts kunnen worden gecorrigeerd, wanneer zij daarvan op "kennelijk onjuiste wijze" gebruik maken (arrest van 16 december 1987, zaak 111/86, reeds aangehaald, r.o. 18). Bovendien heeft het Hof het tot aanstelling bevoegde gezag de statutaire bevoegdheid toegekend om bij bevorderingen een keuze te maken aan de hand van de resultaten van een vergelijkend onderzoek ° volgens de methode die zij daarvoor het meest geschikt acht ° van de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende kandidaten (arrest van 1 juli 1976, zaak 62/75, reeds aangehaald, r.o. 17).
34 In voormelde zaak De Wind heeft het Hof naar aanleiding van gelijksoortige grieven als thans door verzoeker worden aangevoerd, reeds van doen gehad met de "beoordelingsmethode voor ambtenaren in de rang A 5 die voor bevordering naar de rang A 4 in aanmerking komen", welke op 18 juni 1973 door de Commissie werd vastgesteld. Die methode, in wezen dezelfde als die in de onderhavige zaak is toegepast, behalve dat er voor de beoordelingsrapporten in plaats van 28 maximaal 30 punten konden worden toegekend, werd door het Hof niet onverenigbaar bevonden met artikel 45 van het Ambtenarenstatuut (arrest van 1 juli 1976, zaak 62/75, reeds aangehaald).
35 Verzoeker heeft geen enkel argument naar voren gebracht, op grond waarvan het Gerecht thans tot een ander oordeel zou moeten komen over de verenigbaarheid met artikel 45 Ambtenarenstatuut van de jegens hem toegepaste methode. Dit temeer niet, omdat in verzoekers opvatting de bevoegdheid van de directeur-generaal om een rangorde op te stellen waaraan een belangrijk aantal punten wordt toegekend, zou moeten worden afgeschaft. Afschaffing van die bevoegdheid zou echter betekenen, dat een doorslaggevend gewicht wordt toegekend aan criteria als de leeftijd of de anciënniteit in de rang of in de dienst, welke evenwel niet behoren te prevaleren boven de verdiensten (arrest van 17 januari 1989, zaak 293/87, reeds aangehaald, r.o. 16).
36 De nadruk verdient overigens, dat de inschakeling van de directeur-generaal in de bevorderingsprocedure in tweeledig opzicht noodzakelijk is, namelijk om de specifieke omstandigheden binnen zijn directoraat-generaal, zoals die hem bekend zijn uit overleg met de verschillende afdelingshoofden, te laten uitkomen, en daarnaast om de beoordelingsrapporten van de verschillende ambtenaren, die niet door dezelfde beoordelaars zijn opgesteld, op één lijn te brengen.
37 Uit een en ander volgt, dat het middel dient te worden verworpen.
Tweede middel: het ontbreken van een motivering
38 Verzoeker betoogt, dat het besluit van de Commissie om hem niet te plaatsen op de lijst van de ambtenaren van de rang A 5 die op grond van hun verdiensten het meest voor bevordering naar de rang A 4 in aanmerking komen, niet is gemotiveerd. Hij merkt dat aan als een schending van artikel 25 Ambtenarenstatuut.
39 Verzoeker bestrijdt, dat de door de Commissie geciteerde rechtspraak (arresten Hof van 13 juli 1972, zaak 90/71, Bernardi, Jurispr. 1972, blz. 603; 7 februari 1990, zaak 343/87, Culin, Jurispr. 1990, blz. 225; arrest Gerecht van 30 januari 1992, zaak T-25/90, Schoenherr, Jurispr. 1992, blz. II-63) hem kan worden tegengeworpen, volgens welke een bevorderingsbesluit niet tegenover de niet bevorderde kandidaten behoeft te worden gemotiveerd. De overwegingen die aan die arresten ten grondslag liggen, namelijk dat vermelding van bepaalde aspecten van de persoonlijkheid van de niet bevorderde ambtenaar voor deze nadelig zou kunnen zijn, gaan zijns inziens niet op. Het tot aanstelling bevoegde gezag behoort zich immers van dergelijke opmerkingen te onthouden en dient zich volgens de rechtspraak te bepalen tot de bekwaamheid, de prestaties en het gedrag in de dienst van de klagende ambtenaar, tot de in het kader van de geldende methode uit te voeren puntentelling en tot de eventuele kwalitatieve overwegingen van de zijde van de ambtenaren wier oordeel ter zake wordt gevraagd (arresten Gerecht van 13 december 1990, gevoegde zaken T-160/89 en T-161/89, Kalavros, Jurispr. 1990, blz. II-871, en 20 maart 1991, zaak T-1/90, Pérez-Minguez Casariego, Jurispr. 1991, blz. II-143, r.o. 79).
40 Het Gerecht stelt vast, dat volgens vaste rechtspraak bevorderingsbesluiten niet behoeven te worden gemotiveerd tegenover niet bevorderde kandidaten, aangezien bij zulke besluiten niet alleen de bekwaamheid en beroepsvaardigheden van de betrokkenen meewegen, maar ook bepaalde aspecten van hun persoonlijkheid, zodat een motivering schadelijk voor hen zou kunnen zijn (arresten Hof van 13 juli 1972, zaak 90/71 en 7 februari 1990, zaak 343/87, r.o. 13, beide reeds aangehaald). Uit de rechtspraak volgt echter eveneens (zie laatstelijk arrest Gerecht van 30 januari 1992, zaak T-25/90, reeds aangehaald, r.o. 21), dat het tot aanstelling bevoegde gezag wel verplicht is om het besluit, waarbij een klacht tegen een bevordering wordt afgewezen, te motiveren.
41 Dienaangaande moet erop worden gewezen, dat de Commissie haar besluit in het antwoord op de klacht voldoende heeft gemotiveerd met de volgende passage:
"Klager noemt geen enkel argument dat zou aantonen, dat het besluit van het directoraat-generaal Interne markt en industrie om hem niet op de voordrachtslijst te plaatsen, het beginsel van gelijke kansen voor alle bevorderbare ambtenaren miskent, een kennelijke fout bevat of misbruik van bevoegdheid oplevert."
Wat het beginsel van gelijke kansen voor alle bevorderbare ambtenaren betreft, heeft de Commissie verzoeker duidelijk te kennen gegeven, dat zij haar besluit heeft genomen na de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren aan een vergelijkend onderzoek te hebben onderworpen. Overigens heeft de Commissie ter aanvulling van haar motivering in de loop van de onderhavige procedure nog de beoordelingsrapporten van de acht bevorderde ambtenaren overgelegd.
42 Het middel dient derhalve te worden verworpen.
Derde middel: geen visering van het persoonsdossier en geen vergelijkend onderzoek van de verdiensten
43 Verzoeker acht het bestreden besluit onwettig, omdat gedurende de jegens hem gevolgde procedure noch zijn persoonsdossier noch zijn beoordelingsrapporten zijn geviseerd, niet voor het "besluit van het bevorderingscomité" en evenmin voor het antwoord van de Commissie op zijn klacht. Deze gegevens waren evenwel onontbeerlijk geweest om zijn verdiensten te kunnen beoordelen.
44 Bij repliek voegt hij daaraan nog toe, dat zijn persoonsdossier, zoals hem was gebleken, niet meer dan enkele zuiver formele stukken benevens zijn beoordelingsrapporten bevatte, maar niet een op 23 september 1988 door zijn afdelingshoofd aan de directeur-generaal gerichte nota, hoewel die ° voor verzoeker zeer gunstige ° nota ingevolge artikel 26 van het Statuut in zijn persoonsdossier aanwezig behoorde te zijn. Hij ziet hierin een schending van zijn recht van verweer (arresten Hof van 28 juni 1972, zaak 88/71, Brasseur, Jurispr. 1972, blz. 499; 12 februari 1987, zaak 233/85, Bonino, Jurispr. 1987, blz. 739; arrest Gerecht van 20 juni 1990, zaak T-47/89, Marcato, Jurispr. 1990, blz. II-231).
45 Voorts beweert verzoeker, dat er naast zijn officiële persoonsdossier bij DG III nog een "officieus" dossier over hem zou bestaan. Als bewijs hiervoor noemt hij uitlatingen van de secretaresse van de directeur-generaal, die hem mondeling zou hebben medegedeeld, dat zijn speciale dossier geen al te erge dingen bevatte. Verzoeker ziet hierin een schending van de bepaling in artikel 26, vijfde alinea, Ambtenarenstatuut, dat voor iedere ambtenaar slechts één dossier mag worden aangelegd.
46 De Commissie brengt daartegen in, dat waar een bevorderingsbesluit niet tegenover de niet-bevorderde ambtenaren hoeft te worden gemotiveerd, in de aanhef daarvan ook niet hoeft te worden vermeld, dat het besluit genomen is na inzage van het dossier van de kandidaten.
47 Overigens acht de Commissie het vanzelfsprekend, dat de directeur-generaal evenmin als het bevorderingscomité of het tot aanstelling bevoegde gezag niet tot enig oordeel over bevorderingen kan komen zonder de persoonsdossiers van de kandidaten, die voor alle leden van het bevorderingscomité toegankelijk zijn, te hebben gezien. Als bewijs hiervoor citeert zij de aanhef van het besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag, die als volgt luidt:
"(...) het met personeelsaangelegenheden belaste lid van de Commissie heeft de gelegenheid gehad, de persoonsdossiers van alle voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren te raadplegen."
De nota van 31 juli 1990, zo vervolgt zij, geeft aan, dat de "groupe restreint" het geval van Mergen had behandeld, maar "wegens de gegevens in (zijn) dossier (...) het bevorderingscomité geen positieve beslissing in overweging (kon) geven".
48 Ten slotte wijst zij erop, dat verzoeker zowel zijn bewering inzake een tweede dossier dat bij DG III over hem zou bestaan, als die omtrent het ontbreken in zijn dossier van een nota die zijn afdelingshoofd over hem aan de directeur-generaal zou hebben geschreven, op grond van welke beweringen hij schending van artikel 26 Ambtenarenstatuut stelt, pas in repliek naar voren heeft gebracht. Daarom moeten deze ingevolge artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering niet-ontvankelijk worden verklaard.
49 Het Gerecht stelt vast, dat nergens is voorzien in een formele verplichting voor het tot aanstelling bevoegde gezag om het persoonsdossier van een kandidaat voor bevordering te viseren, wanneer het besluit om hem al dan niet op de lijst van meest verdienstelijke ambtenaren te plaatsen. Dientengevolge kan de Commissie niet worden verweten, dat zij het persoonsdossier van verzoeker niet formeel heeft geviseerd.
50 Voor zover de redenering van verzoeker inhoudt, dat het ontbreken van een verwijzing naar zijn dossier betekent dat dit dossier niet mede in aanmerking is genomen en dat er dus geen vergelijking van de verdiensten van de verschillende kandidaten kan hebben plaatsgevonden, zij gewezen op de volgende bewoordingen in de aanhef van het besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag van 1 augustus 1990:
"(...) dat het met personeelsaangelegenheden belaste lid van de Commissie de gelegenheid heeft gehad, de persoonsdossiers van alle voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren te raadplegen (...) dat hij met alle voor de bevordering meewegende gegevens rekening heeft gehouden, met name de bekwaamheid, de prestaties en het gedrag in de dienst, de anciënniteit in rang en in de dienst, de leeftijd, de lijst van in voorgaande jaren als meest verdienstelijk aangemerkte ambtenaren, die niet konden worden bevorderd (...) en de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren aan een vergelijkend onderzoek heeft onderworpen."
51 Ook de "groupe restreint", die in een eerdere fase van de bevorderingsprocedure een rol speelt, heeft zich over het dossier van verzoeker gebogen, want in de nota van 31 juli 1990 valt te lezen, dat de "groupe restreint" zijn geval had behandeld, maar "wegens de gegevens in [zijn] dossier (...) het bevorderingscomité geen positieve beslissing in overweging [kon] geven".
52 Daaruit volgt, dat het tot aanstelling bevoegde gezag de verdiensten van de verschillende bevorderbare ambtenaren daadwerkelijk aan een vergelijkend onderzoek heeft onderworpen.
53 Ten aanzien van het middel waarin verzoeker klaagt over schending van artikel 26 Ambtenarenstatuut, stelt het Gerecht overigens vast, dat nu dat middel eerst bij repliek is opgeworpen en geen verband houdt met de andere in dit beroep aangevoerde middelen, met name niet met het middel omtrent de visering van zijn persoonsdossier, er sprake is van een nieuw middel in de zin van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat derhalve niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Enerzijds heeft verzoeker immers ter terechtzitting verklaard, dat hij de nota van 23 september 1988 reeds kende, toen hij het onderhavige beroep instelde. Die nota levert dus geen feit op waarvan eerst in de loop van de procedure is gebleken en dat derhalve het voordragen van een nieuw middel in de loop van het geding zou kunnen rechtvaardigen. Anderzijds heeft verzoeker naar aanleiding van de door de Commissie bij dupliek opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid, ter terechtzitting niet gesteld, dat de uitlatingen van de secretaresse van de directeur-generaal van DG III hem pas na het instellen van het beroep ter ore waren gekomen.
54 Het derde middel dient derhalve te worden verworpen.
Vierde middel: het besluit om verzoeker niet te bevorderen is discriminerend
55 Verzoeker voelt zich het slachtoffer van een welbewuste opzet om zijn bevordering tegen te houden. De tegen hem gerichte discriminatie zou zich des te meer doen gevoelen, daar deze gepaard gaat met een hardnekkige blindheid voor zijn verdiensten. Die verdiensten zijn niet gering, getuige zijn uitstekende beoordelingsrapporten die hem in de puntenberekening in het kader van de methode een gelijk resultaat opleverden als dat van de voor bevordering voorgedragen kandidaten, en getuige ook de 27 richtlijnen die hij heeft geredigeerd.
56 Ook zou een lid van het Europees Parlement meerdere nota' s aan de Commissie hebben geschreven om tegen deze discriminatie te protesteren, zonder dat daarop ooit antwoord is gekomen. Verzoeker meent uit dit stilzwijgen een op opeenstapeling van vermoedens gebaseerd bewijs te kunnen construeren.
57 De Commissie brengt daartegen in, dat verzoeker zelfs geen begin van bewijs aanvoert voor zijn bewering, dat hij het slachtoffer van discriminatie zou zijn, welke bewering dan ook volledig gratuit, onwaarschijnlijk en onjuist is. Zij kan geen enkele reden bedenken, waarom de directeur-generaal van DG III het zo op verzoeker zou hebben voorzien, dat hij zelfs zijn loopbaan probeert te dwarsbomen. De werkelijkheid is, dat verzoeker niet kan accepteren, dat hij zou kunnen worden gepasseerd door kandidaten van jongere leeftijd of met een lagere rang- of dienstanciënniteit.
58 Het feit dat verzoekers beoordelingsrapporten wel goed, maar toch minder goed waren dan die van de acht voor bevordering voorgedragen ambtenaren, rechtvaardigt zowel het besluit van de directeur-generaal als dat van het bevorderingscomité. De verdiensten van verzoeker werden weliswaar niet als slecht, zelfs als goed beoordeeld, maar dat wil nog niet zeggen dat hij tot de besten behoort.
59 De door verzoeker aangevoerde opeenstapeling van vermoedens kan volgens de Commissie moeilijk worden ontleend aan de nota' s die een Parlementslid heeft geschreven, die niet bekend is met de dienst en het werk van verzoeker en zeker niet met de kwaliteiten van de andere bevorderbare kandidaten. Overigens zijn de nota' s en parlementaire vragen van het Parlementslid wel beantwoord.
60 Het Gerecht stelt vast, dat verzoeker in zijn memories niet bestrijdt dat de op de voordrachtslijst voor bevordering en op de lijst van meest verdienstelijke kandidaten geplaatste ambtenaren betere beoordelingsrapporten hadden dan hijzelf, en dat hun verdiensten daarom ° althans door de directeur-generaal ° hoger konden worden gewaardeerd dan de zijne. Verzoeker kan hoe dan ook niet stellen, dat het feit dat in de latere fasen van de procedure volgens de methode steeds dezelfde puntenwaardering voor de beoordelingen "goed", "zeer goed" of "uitstekend" wordt toegekend, zich ertegen verzet dat de directeur-generaal ter bepaling van de door hem op te stellen rangorde rekening houdt met de verschillen tussen deze beoordelingen.
61 In zijn memories verschaft verzoeker overigens geen enkele aanwijzing voor zijn bewering, dat de directeur-generaal zijn bevordering consequent zou willen tegenhouden. Dit wordt gelogenstraft door het feit, dat de directeur-generaal zich voor de door hem op te stellen rangorde op de beoordelingsrapporten van de verschillende ambtenaren heeft gebaseerd. In dit verband is het opmerkelijk, dat verzoeker nooit bezwaar heeft gemaakt tegen zijn beoordelingsrapport, en meerdere malen in ongewijzigde overneming daarvan heeft berust.
62 Zoals de Commissie opmerkt, kan verzoeker zich niet beroepen op van een lid van het Europees Parlement afkomstige nota' s als bewijs voor de tegen hem gerichte discriminatie, aangezien die nota' s op zich geen enkel feit bevatten dat een dergelijke discriminatie zou kunnen aantonen.
63 Uit een en ander volgt, dat het middel niet kan slagen.
De schadevordering
64 Verzoeker beschouwt de door hem gestelde onregelmatigheden als dienstfouten van de Commissie, waardoor hij morele schade heeft geleden die hij begroot op 100 000 BFR.
65 De Commissie ontkent, zich aan enige onregelmatigheid en dus aan dienstfouten schuldig te hebben gemaakt.
66 Het Gerecht stelt vast, dat nu de Commissie geen onregelmatigheid heeft begaan, er geen sprake kan zijn van een dienstfout.
67 Mitsdien moet de schadevordering worden afgewezen.
68 Uit al het voorgaande volgt, dat het beroep in zijn geheel moet worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
69 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, wanneer zulks is gevorderd. Ingevolge artikel 88 van dat Reglement evenwel blijven de kosten door de instellingen terzake van beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen gemaakt, te haren laste.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer)
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verstaat, dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy