Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren ° Aanwerving ° Vergelijkend onderzoek ° Vergelijkend onderzoek op grondslag van schriftelijke bewijsstukken en examen ° Niet-toelating tot examens ° Bezwarend besluit ° Motiveringsplicht ° Draagwijdte
(Ambtenarenstatuut, art. 25, tweede alinea; bijlage III, art. 5)
2. Ambtenaren ° Aanwerving ° Vergelijkend onderzoek ° Vergelijkend onderzoek op grondslag van schriftelijke bewijsstukken en examen ° Toelatingsvoorwaarden ° Bepaling door aankondiging van vergelijkend onderzoek ° Bewijsstukken ° Inaanmerkingneming door jury van enkel vóór uiterste datum voor indiening van sollicitaties overgelegde bescheiden
(Ambtenarenstatuut, bijlage III, art. 2)
Samenvatting
1. De verplichting om elk krachtens het Statuut genomen individueel besluit met redenen te omkleden heeft tot doel, de betrokkene de nodige gegevens te verschaffen om te beoordelen of het besluit al dan niet gegrond is, en rechterlijke toetsing mogelijk te maken. Ter zake van het besluit van een jury van een vergelijkend onderzoek om een sollicitant niet tot de examens toe te laten, moet de jury nauwkeurig aangeven, aan welke van de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek gestelde voorwaarden de sollicitant haars inziens niet heeft voldaan. Weliswaar mag de jury bij een vergelijkend onderzoek met zeer veel sollicitanten zich in een eerste fase ertoe beperken de sollicitanten in het kort de redenen voor de niet-toelating aan te geven en alleen de criteria en het resultaat van de selectie mee te delen; niettemin is zij gehouden later individuele toelichtingen te verstrekken aan de sollicitanten die daar uitdrukkelijk om vragen.
Aan dit motiveringsvereiste wordt voldaan, wanneer de jury in de brief aan de niet tot de examens toegelaten sollicitant, na op verzoek van de betrokkene zijn sollicitatie opnieuw te hebben onderzocht, verklaart, dat de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek vereiste beroepservaring op de in die aankondiging vastgestelde uiterste datum voor indiening van de sollicitaties niet volledig was aangetoond.
2. Hoewel de jury van een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken en van een examen bij de beoordeling van de schriftelijke bewijsstukken en de beroepservaring van de sollicitanten over een beoordelingsvrijheid beschikt, blijft zij toch gebonden aan de bewoordingen van de aankondiging van vergelijkend onderzoek. Die aankondiging heeft voornamelijk ten doel, de belangstellenden zo nauwkeurig mogelijk in te lichten over de voor de te vervullen post gestelde voorwaarden, zodat zij enerzijds kunnen beoordelen of het voor hen dienstig is te solliciteren, en anderzijds, welke bewijsstukken voor de werkzaamheden van de jury van belang zijn en dus bij het sollicitatieformulier moeten worden gevoegd.
De jury is enkel verplicht rekening te houden met bescheiden die de sollicitanten vóór de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek vastgestelde uiterste datum voor de indiening van de sollicitaties moeten overleggen. Zij is geenszins verplicht alle sollicitatieformulieren door te kijken om na te gaan of alle vereiste bescheiden zijn toegezonden en in voorkomend geval de betrokkenen uit te nodigen aanvullende bewijsstukken over te leggen, noch na die sluitingsdatum overgelegde bescheiden in aanmerking te nemen.
Partijen
In zaak T-54/91,
N. Almeida Antunes, wonende te Kayl (Luxemburg), vertegenwoordigd door J.-N. Louis, T. Demaseure en V. Leclercq, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
verzoekster,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Campinos, juridisch adviseur, alsmede aanvankelijk door R. Bieber, vervolgens door F. Vainker, leden van de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij het secretariaat-generaal van het Europees Parlement, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van het besluit van de jury van algemeen vergelijkend onderzoek P/107/C om verzoekster niet tot de examens van dat vergelijkend onderzoek toe te laten,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: R. García-Valdecasas, kamerpresident, R. Schintgen en C. P. Briët, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 17 maart 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De aan het beroep ten grondslag liggende feiten
1 N. Almeida Antunes, verzoekster, solliciteerde op 7 juni 1990 in het kader van algemeen vergelijkend onderzoek PE/107/C, dat door het Europees Parlement (hierna: "Parlement") werd georganiseerd met het oog op de vorming van een aanwervingsreserve van Franstalige typisten, wier loopbaan de rangen 5 en 4 van de categorie C bestrijkt.
2 De aankondiging van vergelijkend onderzoek (PB 1990, C 118, van 12 mei 1990, blz. 28) bepaalde ten aanzien van de voorwaarden voor de toelating tot de examens het volgende:
"III. Vergelijkend onderzoek ° Toelatingseisen
(...)
A. Algemene eisen
(...)
B. Bijzondere eisen
1. Vereiste diploma' s, getuigschriften en beroepservaring
a) Voltooide schoolopleiding van middelbaar niveau (lager middelbaar, handels-, technisch en vakonderwijs), afgesloten met een diploma of gelijkwaardige beroepservaring;
(...)
b) Op de uiterste sollicitatiedatum, ten minste twee jaar beroepservaring op soortgelijke gebieden als bedoeld onder hoofdstuk I 'Taken' , die opgedaan is na het bereiken van het onder a vereiste opleidingsniveau.
Als beroepservaring worden tevens in aanmerking genomen de specialisatie- of bijscholingsstages en de nascholingscursussen die verband houden met de in hoofdstuk I omschreven taken en naar behoren worden gestaafd met getuigschriften of diploma' s."
3 In hoofdstuk I van de aankondiging van vergelijkend onderzoek werden de betrokken taken omschreven als gewone kantoorwerkzaamheden, met name het uittypen van teksten.
4 De aankondiging van vergelijkend onderzoek bevatte een hoofdstuk V, getiteld "Heronderzoek van de sollicitaties", dat als volgt luidde:
"Elke sollicitant heeft het recht om een nieuw onderzoek van zijn sollicitatie aan te vragen, wanneer hij van mening is dat een vergissing is gemaakt. In dat geval kan hij binnen twintig dagen na de datum van verzending (datum poststempel) van de brief waarin hem wordt meegedeeld dat op zijn sollicitatie afwijzend is beschikt, bezwaar aantekenen bij de Dienst Aanwerving, Europees Parlement, BAK 222, L-2929 Luxemburg, onder vermelding op brief en enveloppe van het nummer van het vergelijkend onderzoek.
Binnen dertig dagen na de datum van verzending (datum poststempel) van de brief waarin de sollicitant een heronderzoek aanvraagt, onderzoekt de jury dan het dossier opnieuw, waarbij zij rekening houdt met de opmerkingen van de sollicitant."
5 Volgens hoofdstuk VIII van de aankondiging van vergelijkend onderzoek moest het sollicitatieformulier samen met de bewijsstukken uiterlijk op 25 juni 1989 worden verzonden. Het Gerecht stelt vast dat in werkelijkheid "25 juni 1990" moet worden gelezen, doch acht dit een materiële fout zonder enige consequentie, te meer daar geen van beide partijen erop heeft gewezen.
6 Verzoekster is in het bezit van het diploma van lager secundair onderwijs, dat in België overeenkomt met een middelbaar opleidingsniveau, het kwalificatiegetuigschrift van het zesde leerjaar en het getuigschrift van hoger secundair onderwijs, waaruit blijkt dat zij een technische opleiding heeft gevolgd in de afdeling "Kwalificatie", onderverdeling "O.G. secretariaat 20 uur", alsmede het bekwaamheidsdiploma dat toegang verleent tot het hoger onderwijs. De laatste drie diploma' s zijn op 30 juni 1987 afgegeven door het Instituut Marie José te Luik.
7 Bij standaardbrief van 4 maart 1991 liet de voorzitter van de jury verzoekster weten, dat zij niet tot de examens was toegelaten om de volgende reden (zie punt 7 van de brief van 4 maart 1991):
"Geen beroepservaring van ten minste twee jaar (punt III.B.1 van de aankondiging van vergelijkend onderzoek)."
8 Bij brief van 18 maart 1991 vroeg verzoekster om een nieuw onderzoek van haar sollicitatie. Verder verstrekte zij nadere inlichtingen omtrent de verschillende betrekkingen die zij voordien had vervuld, namelijk van 1 oktober 1987 tot 31 oktober 1988 bij een te Soumagne (België) gevestigde vennootschap; van 22 augustus 1988 tot 12 november 1989 bij een notaris te Luik; van 28 november 1989 tot 31 oktober 1990 als uitzendkracht van een bureau te Luxemburg bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Commissie"); vanaf 1 november 1990 als hulpfunctionaris bij de Commissie. Zij gaf onder meer aan, welke taken zij bij de verschillende werkgevers had vervuld.
9 Bij brief van 5 april 1991 bevestigde de voorzitter van de jury de ontvangst van het bezwaarschrift van 18 maart 1991 en deelde hij verzoekster het volgende mee: "Tijdens de vergadering van 27 maart 1991 heeft de jury uw dossier opnieuw onderzocht en uw opmerkingen in aanmerking genomen. Tot mijn spijt moet ik u meedelen dat dit geen enkel feit heeft opgeleverd, op grond waarvan de jury op haar aanvankelijke besluit kon terugkomen, daar de vereiste beroepservaring op de uiterste termijn voor indiening der sollicitaties niet volledig was aangetoond."
10 Bij brief van 10 april 1991 vroeg verzoekster de jury haar sollicitatie opnieuw te onderzoeken, waarbij zij nogmaals wees op de beroepservaring die zij had opgedaan in de periodes van 1 oktober 1987 tot 31 oktober 1988 en 22 augustus 1988 tot 12 november 1989, dat wil zeggen 28 maanden, en op het feit dat zij in het bezit was van een kwalificatiegetuigschrift van het zesde jaar van het secundair onderwijs ten bewijze dat zij een technische opleiding had gevolgd.
11 Verzoekster stelt, dat aan dit verzoek geen gevolg is gegeven. Verweerder daarentegen verklaart, dat de voorzitter van de jury bij brief van 22 mei 1991 het jurybesluit om verzoekster niet tot de examens toe te laten, heeft bevestigd. Het Parlement heeft een afschrift overgelegd van een op 22 mei 1991 gedateerde brief, waarin de voorzitter van de jury verzoekster liet weten dat "elk sollicitatieformulier zeer nauwkeurig wordt onderzocht aan de hand van hetgeen in de aankondiging van vergelijkend onderzoek staat vermeld" en waarin hij haar verder "eraan herinnerde" dat haar brief niet als een bezwaarschrift kon gelden.
Het procesverloop
12 Bij verzoekschrift, ter griffie van het Gerecht van eerste aanleg neergelegd op 4 juli 1991, heeft verzoekster daarop het onderhavig beroep ingesteld.
13 Na de indiening van het verweerschrift heeft verzoekster afgezien van repliek. Verweerder heeft evenzo afgezien van dupliek.
14 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Bij brief van de griffier van 20 januari 1992 heeft het Gerecht verweerder verzocht, bewijs te leveren van de betekening van de brief van 22 mei 1991 aan verzoekster. Voorts heeft het beide partijen verzocht aan te geven, op welke datum verzoekster de verschillende stukken tot staving van haar sollicitatieformulier had ingediend.
15 De mondelinge behandeling heeft op 17 maart 1992 plaatsgehad. De vertegenwoordigers van partijen zijn in hun pleidooien gehoord en hebben de vragen van het Gerecht beantwoord.
16 Uit de opmerkingen van partijen is gebleken, dat de brief van 22 mei 1991 door het Parlement is verzonden, maar niet door verzoekster is ontvangen, waarschijnlijk omdat zij eind april/begin mei 1991 haar oude woonplaats had verlaten en als gevolg van die verhuizing problemen met de ontvangst van haar post had gehad.
17 Ter terechtzitting werd ten aanzien van het bewijs van de eigenlijke beroepservaring van verzoekster geconstateerd, dat zij te zamen met haar sollicitatieformulier, dus voor de uiterste datum voor de indiening van de bewijsstukken, aan de jury enkel een getuigschrift had toegezonden betreffende de deeltijdbetrekking die zij van 1 oktober 1987 tot 31 oktober 1988 bij een vennootschap te Soumagne had vervuld, en een getuigschrift betreffende de betrekking die zij in volledige werktijd van 22 augustus 1988 tot 12 november 1989 bij een notaris te Luik had vervuld. Pas bij haar bezwaarschrift van 18 maart 1991 heeft verzoekster het op 18 oktober 1990 opgestelde getuigschrift overgelegd, dat betrekking had op haar werkzaamheden gedurende de periode van 28 november 1989 tot 31 oktober 1990 als uitzendkracht van een bureau te Luxemburg.
18 Voorts bleken partijen het ter terechtzitting erover eens, dat verzoekster te zamen met haar sollicitatieformulier drie "voorlopige verklaringen" had ingediend ten bewijze dat zij op 30 juni 1987 het "kwalificatiegetuigschrift van het zesde technische kwalificatieleerjaar ° groep Economie", het getuigschrift van hoger secundair onderwijs en het bekwaamheidsdiploma dat toegang verleent tot het hoger onderwijs, had verkregen. Daarentegen zijn partijen het oneens over de datum waarop de reeds in punt 6 vermelde definitieve diploma' s zelf werden ingediend. Verzoekster stelt, dat zij de diploma' s met haar sollicitatieformulier heeft toegezonden en verweerder stelt, dat hij deze pas heeft ontvangen met de brief van 18 maart 1991, waarin verzoekster om een nieuw onderzoek van haar sollicitatie vroeg.
19 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
° nietig te verklaren het besluit van 5 april 1991 van de jury van algemeen vergelijkend onderzoek PE/107/C om verzoekster niet tot de examens van dat vergelijkend onderzoek toe te laten;
° verweerder in de kosten te verwijzen.
20 Verweerder concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep ongegrond te verklaren;
° kosten rechtens.
Ten gronde
21 Tijdens de schriftelijke en mondelinge behandeling heeft verzoekster herhaaldelijk verklaard, dat zij als enig middel tot staving van haar beroep aanvoert, dat het bestreden besluit onvoldoende met redenen is omkleed. In het kader van dit middel en aan het einde van de uiteenzetting van haar argumenten heeft zij echter betoogd, dat het bestreden besluit eveneens berust op een kennelijk onjuiste beoordeling en is genomen in strijd met de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek gestelde voorwaarden. Bijgevolg is het Gerecht van mening, dat het het beroep eveneens vanuit dat aspect moet onderzoeken.
Het middel inzake de motiveringsplicht
22 Tot staving van haar beroep stelt verzoekster schending van artikel 25, tweede alinea, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut"), volgens hetwelk "elk besluit dat overeenkomstig dit statuut ten aanzien van een ambtenaar wordt genomen, (...) onverwijld schriftelijk te zijner kennis (dient) te worden gebracht. Iedere voor hem nadelige beslissing dient met redenen te zijn omkleed."
23 Op grond van de rechtspraak van het Hof en het Gerecht inzake de motiveringsplicht (zie arrest van het Hof van 26 november 1981, zaak 195/80, Michel, Jurispr. 1981, blz. 2861; conclusie van advocaat-generaal S. Rozès bij het arrest van het Hof van 9 februari 1984, gevoegde zaken 316/82 en 40/83, Kohler, Jurispr. 1984, blz. 667; arrest van het Gerecht van 20 maart 1991, zaak T-1/90, Pérez-Mínguez Casariego, Jurispr. 1991, blz. II-143, r.o. 73) is verzoekster van mening, dat in de onderhavige zaak enerzijds moet worden onderzocht of de motivering van het bestreden besluit haar voldoende gegevens verschaft om vast te stellen of het besluit gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid kan worden betwist, en anderzijds of de motivering van het besluit het Gerecht in staat stelt de wettigheid van het besluit te toetsen.
24 Verzoekster betoogt, dat zij te zamen met haar sollicitatieformulier aan de jury een fotocopie van alle door het Instituut Marie José te Luik afgegeven diploma' s, alsmede van de getuigschriften inzake de van 1 oktober 1987 tot 31 oktober 1988 en van 22 augustus 1988 tot 12 november 1989 vervulde betrekkingen heeft overgelegd. Met betrekking tot de vereiste opleiding blijkt uit die stukken, dat verzoekster een opleiding van middelbaar niveau heeft gevolgd, die is afgesloten met een diploma. Met betrekking tot de vereiste beroepservaring blijkt daaruit tevens, dat de jury zowel de naar behoren met getuigschriften aangetoonde beroepservaring als de aanvullende secretaresse-opleiding van drie jaar, die verzoekster had gevolgd en aangetoond met het getuigschrift van het hoger secundair onderwijs, in aanmerking had moeten nemen; deze opleiding hield verband met de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek omschreven taken. Gesteld dat de definitieve diploma' s niet binnen de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek gestelde termijn waren ingediend, dan waren haar kwalificaties alleen al met de "voorlopige verklaringen" genoegzaam aangetoond.
25 De motivering van het bestreden besluit verklaart volgens verzoekster niet in hoeverre de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek vereiste beroepservaring niet volledig was bewezen op de datum van indiening van haar sollicitatie, noch waarom de door haar gevolgde aanvullende opleiding niet in aanmerking is genomen.
26 Ter terechtzitting heeft verzoekster er ook nog op gewezen, dat de jury zich heeft vergist door te denken, dat de deeltijdbetrekking bij de vennootschap te Soumagne een betrekking op basis van een halve werktijd was, terwijl het in werkelijkheid een drie-kwart baan betrof. Indien die periode van werkzaamheid op de juiste wijze was berekend, had de jury tot de slotsom moeten komen, dat verzoekster enkel al op grond van de twee betrekkingen bij de vennootschap te Soumagne (drie kwart van dertien maanden) en bij de notaris te Luik (15 maanden) een beroepservaring van in totaal 24 maanden had, dus de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek vereiste twee jaar.
27 Concluderend stelt verzoekster, dat het bestreden besluit, niet althans ontoereikend, is gemotiveerd, op een kennelijk onjuiste beoordeling berust en de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek gestelde voorwaarden heeft geschonden.
28 Verweerder verwijst om te beginnen naar de rechtspraak van het Hof betreffende het doel en de draagwijdte van de motiveringsplicht die op een jury rust (zie de arresten van 8 maart 1988, gevoegde zaken 64/86, 71/86-73/86 en 78/86, Sergio, Jurispr. 1988, blz. 1399, r.o. 48; 9 juni 1983, zaak 225/82, Verzyck, Jurispr. 1983, blz. 1991, en 26 november 1981, Michel, reeds aangehaald).
29 Hij voegt hieraan toe dat het Hof in meerdere arresten heeft erkend, dat de jury van een vergelijkend onderzoek met zeer veel sollicitanten haar motiveringsplicht in twee fasen mag vervullen (zie arresten van 12 juli 1989, zaak 225/87, Belardinelli, Jurispr. 1989, blz. 2353; 28 februari 1989, gevoegde zaken 100/87, 146/87 en 153/87, Basch e.a., Jurispr. 1989, blz. 447, en 16 december 1987, zaak 206/85, Beiten, Jurispr. 5301; zie ook de reeds genoemde arresten Michel, Verzyck en Sergio).
30 Naar aanleiding van het door verzoekster op 18 maart 1991 ingediende bezwaarschrift heeft de voorzitter van de jury in zijn antwoord van 5 april 1991 overigens individuele toelichtingen verstrekt en meegedeeld dat "de vereiste beroepservaring op de uiterste datum voor indiening van de sollicitaties niet volledig was aangetoond". Uit dit laatste antwoord, gelezen in samenhang met het antwoord in de brief van 4 maart 1991, bleek duidelijk dat volgens de jury de sollicitante niet de vereiste beroepservaring van twee jaar bezat.
31 Met betrekking tot de berekeningswijze van de duur van de door verzoekster opgedane beroepservaring verklaart verweerder, dat hij alleen rekening heeft gehouden met de getuigschriften inzake schoolopleiding en werk, die voor de uiterste datum voor indiening van de sollicitaties waren overgelegd. De "voorlopige verklaringen" ten bewijze dat verzoekster het diploma en de getuigschriften, waarop zij zich nu beroept, heeft gekregen, hebben niet voldoende uitsluitsel gegeven over de inhoud van de door haar gevolgde opleiding. Pas toen verzoekster het definitieve diploma en de definitieve getuigschriften betreffende haar opleiding heeft overgelegd, was duidelijkheid omtrent de inhoud van haar opleiding verkregen. Eerst op dat moment heeft de jury vastgesteld, dat op het getuigschrift van hoger secundair onderwijs "secretariaatsopleiding" vermeld staat en dat haar kwalificatiegetuigschrift van het zesde leerjaar aangeeft dat die opleiding een heel schooljaar heeft geduurd. Bijgevolg heeft de jury terecht geweigerd die aanvullende opleiding in aanmerking te nemen. Wat de eigenlijke beroepservaring betreft, verklaart verweerder voorts dat, ofschoon de bij de eerste en de tweede werkgever gewerkte perioden, van 22 augustus 1988 tot 31 oktober 1988, dat wil zeggen gedurende meer dan twee maanden, elkaar overlappen, de jury 21,5 maanden beroepservaring heeft erkend, dat wil zeggen dertien maanden met een halve dagtaak, dus zeseneenhalve maand, en 15 maanden met een volledige dagtaak.
32 Het Gerecht merkt op, dat volgens vaste rechtspraak (zie arrest van het Gerecht van 13 december 1990, zaak T-115/89, González Holguera, Jurispr. 1990, blz. II-831, r.o. 42-45) de verplichting om elk krachtens het Statuut genomen individueel besluit met redenen te omkleden tot doel heeft, de betrokkene de nodige gegevens te verschaffen om te beoordelen of het besluit al dan niet gegrond is, en rechterlijke toetsing mogelijk te maken. Inzonderheid ter zake van besluiten houdende weigering van toelating tot een vergelijkend onderzoek, heeft het Hof gepreciseerd, dat de jury nauwkeurig moet aangeven, aan welke van de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek gestelde voorwaarden de sollicitant haars inziens niet heeft voldaan (zie bij voorbeeld de arresten van 30 november 1978, gevoegde zaken 4/78, 19/78 en 28/78, Salerno, Jurispr. 1978, blz. 2403, en 21 maart 1985, zaak 108/84, De Santis, Jurispr. 1985, blz. 947).
33 Eveneens is het vaste rechtspraak dat de jury bij een vergelijkend onderzoek met zeer veel sollicitanten zich in een eerste fase ertoe mag beperken de sollicitanten in het kort de redenen voor de niet-toelating aan te geven en alleen de criteria en het resultaat van de selectie mee te delen (zie arrest van 12 juli 1989, Belardinelli, reeds aangehaald).
34 Gezien het feit dat het in casu om een vergelijkend onderzoek met zeer veel sollicitanten ging, is het Gerecht van oordeel, dat het besluit van 4 maart 1991, waarin wordt gesteld dat verzoekster "geen beroepservaring van ten minste twee jaar" (punt III.B.1 van de aankondiging van vergelijkend onderzoek) heeft, voldoet aan de in artikel 25 van het Statuut voorgeschreven motiveringsplicht.
35 Overeenkomstig dezelfde rechtspraak is de jury van het vergelijkend onderzoek evenwel gehouden later individuele toelichtingen te verstrekken aan de sollicitanten die daar uitdrukkelijk om vragen. In casu is het Gerecht van mening, dat de motivering in het besluit van 5 april 1991 dat naar aanleiding van het verzoek om een nieuw onderzoek is vastgesteld ("daar de vereiste beroepservaring op de uiterste datum voor indiening van de sollicitaties niet volledig is gestaafd"), gelezen in samenhang met de eerste brief van 4 maart 1991, verzoekster voldoende gegevens heeft verschaft omtrent de redenen waarom zij niet tot het vergelijkend onderzoek is toegelaten. Daarin werd namelijk duidelijk aangegeven, dat zij op de uiterste datum voor de indiening van de sollicitaties niet voldoende bescheiden had overgelegd ten bewijze van een beroepservaring van twee jaar. Die informatie was voldoende om verzoekster in staat te stellen te beoordelen of het besluit al dan niet gerechtvaardigd was en te beslissen of het dienstig was een beroep in rechte in te stellen, alsmede om een rechterlijke toetsing door het Gerecht mogelijk te maken.
36 Weliswaar heeft verweerder in zijn verweerschrift aanvullende nadere verklaringen verstrekt over de wijze waarop hij de duur van de beroepservaring van verzoekster heeft berekend en over de bescheiden die bij het sollicitatieformulier waren gevoegd, doch daaruit kan niet worden afgeleid dat de eerdere verklaringen ontoereikend waren. Bovendien kan niet van de jury van een vergelijkend onderzoek in het kader waarvan meer dan 2 000 personen hebben gesolliciteerd, worden verlangd dat zij zich met iedere sollicitant afzonderlijk in verbinding stelt om na te gaan of alle bescheiden waarop hij zich had kunnen beroepen of die hij in zijn sollicitatieformulier heeft vermeld, werkelijk zijn ingediend. Evenmin is het de taak van een jury die te maken heeft met onvolledige of onduidelijke bescheiden, zoals in casu het getuigschrift inzake een deeltijdbetrekking, zonder vermelding van de duur ervan, om contact op te nemen met de betrokkene ten einde opheldering te verkrijgen over eventuele omissies en onduidelijkheden.
37 Uit voorgaande overwegingen volgt dat het middel inzake het gebrek aan of ontoereikende motivering moet worden afgewezen.
Het middel inzake een kennelijk onjuiste beoordeling en de miskenning van de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek gestelde voorwaarden
38 Tot staving van dit middel verwijst verzoekster naar dezelfde argumenten als die welke zij tot staving van het eerste middel heeft aangevoerd. Verweerder verwijst ook naar de argumenten die hij met betrekking tot het eerste middel heeft uiteengezet.
39 Het Gerecht is van mening, dat in het kader van het onderhavige middel moet worden nagegaan of de jury de inhoud van de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek gestelde voorwaarden voor toelating tot de examens heeft miskend. Het is in dit verband zinvol erop te wijzen dat de jury, niettegenstaande haar beoordelingsvrijheid, gebonden is aan de tekst van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, zoals die is gepubliceerd. De aankondiging van vergelijkend onderzoek heeft blijkens het Statuut voornamelijk ten doel, de belangstellenden zo nauwkeurig mogelijk in te lichten over de voor de betrokken post gestelde voorwaarden, zodat zij enerzijds kunnen beoordelen of het voor hen dienstig is te solliciteren, en anderzijds, welke bewijsstukken voor de werkzaamheden van de jury van belang zijn en dus bij het sollicitatieformulier moeten worden gevoegd (zie arrest van het Gerecht van 28 november 1991, zaak T-158/89, Van Hecken, Jurispr. 1991, blz. II-1341, r.o. 23).
40 Meteen al zij opgemerkt, dat de jury voor de beoordeling van de beroepservaring van verzoekster, zoals die in de aankondiging van vergelijkend onderzoek onder punt III.B.1.b. was vereist, enkel verplicht was rekening te houden met bescheiden die de sollicitanten vóór de uiterste datum voor de indiening van de sollicitaties moesten overleggen. Zij was geenszins verplicht alle sollicitatieformulieren door te kijken om na te gaan of alle vereiste bescheiden waren toegezonden en in voorkomend geval de betrokkenen uit te nodigen aanvullende bewijsstukken over te leggen, noch na die sluitingsdatum overgelegde bescheiden in aanmerking te nemen.
41 In casu stelt het Gerecht vast, dat tussen partijen vaststaat dat verzoekster de getuigschriften en de in punten 17 en 18 genoemde "voorlopige verklaringen" vóór de uiterste datum had ingediend.
42 Verzoekster heeft eveneens erkend, dat zij het op 18 oktober 1990 opgestelde getuigschrift betreffende haar werkzaamheid bij een uitzendbureau in de periode van 28 november 1989 tot 31 oktober 1990 te laat heeft ingediend. Overeenkomstig hetgeen hiervoor is gezegd over de verplichtingen van de jury met betrekking tot het in aanmerking nemen van de door de sollicitanten overgelegde bewijsstukken, was de jury van het bestreden vergelijkend onderzoek bijgevolg niet gehouden voormelde periode van werkzaamheden in aanmerking te nemen.
43 Partijen blijven het evenwel oneens omtrent de vraag of de drie naar behoren officieel bekrachtigde diploma' s die door het Instituut Marie José te Luik op 30 juni 1987 zijn afgegeven, te zamen met het sollicitatieformulier zijn ingediend.
44 Het staat aan verzoekster aan te tonen, dat zij heeft voldaan aan haar verplichting, die bescheiden binnen de in hoofdstuk VIII van de aankondiging van vergelijkend onderzoek gestelde termijn in te dienen.
45 In het onderhavige geval stelt het Gerecht vast dat het dossier geen enkele aanwijzing bevat die verzoeksters verklaringen dienaangaande kan staven. Bijgevolg moet hieraan de conclusie worden verbonden, dat de jury van het vergelijkend onderzoek geen rekening behoefde te houden met de op die diploma' s voorkomende, aanvullende gegevens.
46 Ten aanzien van de "voorlopige verklaringen" stelt het Gerecht vast, dat deze enkel attesteren dat verzoekster op 30 juni 1987 voormelde diploma' s en getuigschriften heeft behaald, zonder de door verzoekster gevolgde opleiding of de duur daarvan te specificeren. Het feit dat het stempel van het Instituut Marie José onderaan de bladzijde onder meer de vermelding "Secretariaat ° Boekhouding ° Kantoorwerkzaamheden" bevat, vermag op zich niet te bewijzen dat verzoekster de secretariaatsopleiding had gevolgd.
47 Uit een en ander volgt, dat verzoekster op de uiterste datum voor de indiening van de bewijsstukken niet het bewijs van de door haar vermelde aanvullende opleiding had geleverd.
48 Hieruit volgt, dat de enige bewijsstukken die de jury ter beoordeling van verzoeksters beroepservaring in aanmerking moest nemen, de getuigschriften betreffende haar werkzaamheden bij de vennootschap te Soumagne en de notaris te Luik waren.
49 Met betrekking tot het eerste getuigschrift, volgens hetwelk verzoekster in de periode van 1 oktober 1987 tot 31 oktober 1988 een deeltijdbetrekking had vervuld, stelt het Gerecht vast, dat deze niets vermeldt waaruit kan worden opgemaakt hoe lang verzoekster precies per dag, per week of per maand heeft gewerkt. De verklaring ter terechtzitting, dat het hier een betrekking op basis van een drie-kwart werktijd betrof, is overigens eveneens niet hard gemaakt. Opgemerkt zij, dat verzoekster in het sollicitatieformulier zelfs niet eens had gepreciseerd dat het een deeltijdbetrekking betrof. Bij gebreke van verdere gegevens heeft de jury bijgevolg de geattesteerde werkzaamheden redelijkerwijs kunnen gelijkstellen met een baan op basis van een halve werktijd en heeft zij geen kennelijke fout gemaakt. De jury heeft derhalve de aangetoonde arbeidsduur van dertien maanden voor de beroepservaring terecht in aanmerking genomen als een arbeidsduur op basis van een volledige werktijd van zeseneenhalve maand.
50 Uit voorgaande overwegingen volgt, dat op de uiterste datum voor de indiening van de sollicitaties verzoekster een beroepservaring van zeseneenhalve maand (vennootschap te Soumagne) en vijftien maanden (notaris te Luik), dus in totaal 21,5 maanden, had aangetoond, daargelaten dat beide perioden tussen 22 augustus 1988 en 31 oktober 1988 samenvielen. Daar de aankondiging van vergelijkend onderzoek vereiste dat de sollicitant ten minste twee jaar beroepservaring bezat, heeft de jury bij de afwijzing van de sollicitatie van verzoekster derhalve geen beoordelingsfout gemaakt, noch de bewoordingen van de aankondiging van vergelijkend onderzoek geschonden.
51 Mitsdien moet ook het tweede middel worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
52 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd. Volgens artikel 88 van dat Reglement blijven evenwel de kosten door de instellingen ter zake van beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen gemaakt, te hunnen laste.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verstaat dat elk der partijen haar eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy