Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Ambtenaren ° Aanwerving ° Vergelijkend onderzoek ° Vergelijkend onderzoek op grondslag van schriftelijke bewijsstukken en examen ° Niet-toelating tot examen ° Bezwarend besluit ° Motiveringsplicht ° Draagwijdte
(Ambtenarenstatuut, art. 25, tweede alinea; bijlage III, art. 5)
Samenvatting
De verplichting om elk krachtens het Statuut genomen individueel besluit met redenen te omkleden heeft tot doel, de betrokkene de nodige gegevens te verschaffen om te beoordelen of het besluit al dan niet gegrond is, en rechterlijke toetsing mogelijk te maken. Ter zake van het besluit van een jury van een vergelijkend onderzoek om een sollicitant niet tot de examens toe te laten, moet de jury nauwkeurig aangeven, aan welke van de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek gestelde voorwaarden de sollicitant haars inziens niet heeft voldaan. Weliswaar mag de jury bij een vergelijkend onderzoek met zeer veel sollicitanten zich in een eerste fase ertoe beperken de sollicitanten in het kort de redenen voor de niet-toelating aan te geven en alleen de criteria en het resultaat van de selectie mee te delen; niettemin is zij gehouden later individuele toelichtingen te verstrekken aan de sollicitanten die daar uitdrukkelijk om vragen.
Aan dit motiveringsvereiste wordt niet voldaan, wanneer de jury in de brief aan de niet tot de examens toegelaten sollicitant, na op verzoek van de betrokkene zijn sollicitatie opnieuw te hebben onderzocht, niet verklaart, waarom de duur van de opleiding en de beroepservaring van de sollicitant geringer dan de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek vereiste minimumduur werden geacht.
Partijen
In zaak T-55/91,
O. Fascilla, hulpfunctionaris van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Maisières (België), vertegenwoordigd door J.-N. Louis, T. Demaseure en V. Leclercq, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
verzoeker,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Campinos, juridisch adviseur, alsmede aanvankelijk door R. Bieber, vervolgens door F. Vainker, leden van de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij het secretariaat-generaal van het Europees Parlement, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van het besluit van de jury van algemeen vergelijkend onderzoek PE/107/C om verzoeker niet tot de examens van dat vergelijkend onderzoek toe te laten,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: R. García-Valdecasas, kamerpresident, R. Schintgen en C. P. Briët, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 17 maart 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De aan het beroep ten grondslag liggende feiten
1 O. Fascilla, verzoeker, heeft een sollicitatie ingediend in het kader van algemeen vergelijkend onderzoek PE/107/C, dat door het Europees Parlement (hierna: "Parlement") werd georganiseerd met het oog op de vorming van een aanwervingsreserve van Franstalige typisten, wier loopbaan de rangen 5 en 4 van de categorie C bestrijkt.
2 De aankondiging van vergelijkend onderzoek (PB 1990, C 118, van 12 mei 1990, blz. 28) bepaalde ten aanzien van de voorwaarden voor de toelating tot de examens het volgende:
"III. Vergelijkend onderzoek ° Toelatingseisen
(...)
A. Algemene eisen
(...)
B. Bijzondere eisen
1. Vereiste diploma' s, getuigschriften en beroepservaring
a) Voltooide schoolopleiding van middelbaar niveau (lager secundair, handels-, technisch of vakonderwijs) afgesloten met een diploma, of gelijkwaardige beroepservaring;
(...)
b) Op de uiterste sollicitatiedatum, ten minste twee jaar beroepservaring op soortgelijke gebieden als bedoeld onder hoofdstuk I 'Taken' , die opgedaan is na het bereiken van het onder a vereiste opleidingsniveau.
Als beroepservaring worden mede in aanmerking genomen de specialisatie- of bijscholingsstages en de nascholingscursussen die verband houden met de in hoofdstuk I omschreven taken en naar behoren worden gestaafd met getuigschriften of diploma' s."
3 In hoofdstuk I van de aankondiging van vergelijkend onderzoek werden de betrokken taken omschreven als gewone kantoorwerkzaamheden, met name het uittypen van teksten.
4 De aankondiging van vergelijkend onderzoek bevatte een hoofdstuk V, getiteld "Heronderzoek van de sollicitaties", dat als volgt luidde:
"Elke sollicitant heeft het recht om een nieuw onderzoek van zijn sollicitatie aan te vragen, wanneer hij van mening is dat een vergissing is gemaakt. In dat geval kan hij binnen twintig dagen na de datum van verzending (datum poststempel) van de brief waarin hem wordt meegedeeld dat op zijn sollicitatie afwijzend is beschikt, bezwaar aantekenen bij de Dienst Aanwerving, Europees Parlement, BAK 222, L-2929 Luxemburg, onder vermelding op brief en enveloppe van het nummer van het vergelijkend onderzoek.
Binnen dertig dagen na de datum van verzending (datum poststempel) van de brief waarin de sollicitant een nieuw onderzoek aanvraagt, onderzoekt de jury dan het dossier opnieuw, waarbij zij rekening houdt met de opmerkingen van de sollicitant."
5 Verzoeker is in het bezit van het diploma van lager secundair onderwijs, dat in België overeenkomt met een middelbaar opleidingsniveau, het getuigschrift van hoger secundair onderwijs, het bekwaamheidsdiploma dat toegang verleent tot het hoger onderwijs en het graduaatsdiploma van de secretariaatsopleiding, dat hij na een opleiding van twee jaar heeft gehaald. Hij heeft bij een Belgische privé-onderneming secretariaatswerkzaamheden verricht.
6 Bij standaardbrief van 4 maart 1991 liet de voorzitter van de jury verzoeker weten dat hij niet tot de examens was toegelaten om de volgende reden (zie punt 7 van de brief van 4 maart 1991):
"Geen beroepservaring van ten minste twee jaar (punt III.B.1 van de aankondiging van vergelijkend onderzoek)."
7 Bij brief van 14 maart 1991 tekende verzoeker bezwaar aan tegen dat besluit. Hij vroeg om een nieuw onderzoek van zijn sollicitatie met als argument dat hij in het bezit is van een graduaatsdiploma van een directie-secretariaatsopleiding, dat hij na het hoger secundair onderwijs heeft behaald.
8 Bij brief van 5 april 1991 bevestigde de voorzitter van de jury de ontvangst van het bezwaarschrift van 14 maart 1991 en deelde hij verzoeker het volgende mee: "Tijdens de vergadering van 3 april 1991 heeft de jury uw dossier opnieuw onderzocht en kennis genomen van uw opmerkingen. Tot mijn spijt moet ik u meedelen dat dit geen enkel feit heeft opgeleverd op grond waarvan de jury op haar aanvankelijke besluit kon terugkomen. De gezamenlijke duur van uw opleiding en uw beroepservaring blijkt geringer te zijn dan de vereiste minimumduur."
9 Bij brief van 10 april 1991 liet verzoeker de jury weten, dat hij in mei 1990 was toegelaten tot het door de Commissie van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Commissie") georganiseerde examen van algemeen vergelijkend onderzoek COM/677/C, waarvan de toelatingsvoorwaarden gelijk waren aan die van het door het Parlement georganiseerde algemeen vergelijkend onderzoek PE/107/C. Hij vroeg om een nieuw onderzoek van zijn sollicitatie en, in geval van weigering, om een "redelijke verklaring van die weigering".
10 Bij brief van 22 mei 1991 deelde de voorzitter van de jury verzoeker mee, dat "elk sollicitatieformulier zeer nauwkeurig wordt onderzocht aan de hand van hetgeen in de aankondiging van vergelijkend onderzoek staat vermeld". Voorts "herinnerde" hij verzoeker eraan, dat zijn brief niet als een bezwaarschrift kon gelden.
Het procesverloop
11 Bij verzoekschrift, ter griffie van het Gerecht neergelegd op 4 juli 1991, heeft verzoeker daarop het onderhavige beroep ingesteld.
12 Na de indiening van het verweerschrift heeft verzoeker afgezien van repliek. Verweerder heeft evenzo afgezien van dupliek.
13 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Bij brief van de griffier van 20 januari 1992 heeft het Gerecht verweerder verzocht, een aantal vragen te beantwoorden over de wijze waarop de aanvullende opleidingen als beroepservaring in aanmerking zijn genomen. Verzoeker werd verzocht een bewijsstuk over te leggen betreffende de duur van zijn werkzaamheden bij de onderneming waarbij hij in dienst is geweest.
14 De mondelinge behandeling heeft op 17 maart 1992 plaatsgehad. De vertegenwoordigers van partijen zijn in hun pleidooien gehoord en hebben de vragen van het Gerecht beantwoord.
15 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
° nietig te verklaren het besluit van 5 april 1991 van de jury van algemeen vergelijkend onderzoek PE/107/C om verzoeker niet tot de examens van dat vergelijkend onderzoek toe te laten, alsmede van het besluit van 22 mei 1991 waarbij het besluit tot afwijzing van zijn sollicitatie werd bevestigd;
° verweerder in de kosten te verwijzen.
16 Verweerder concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep ongegrond te verklaren;
° kosten rechtens.
Ten gronde
Het enig middel, ontleend aan de schending van de motiveringsplicht
17 Tot staving van zijn beroep stelt verzoeker schending van artikel 25, tweede alinea, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut"), volgens hetwelk "elk besluit dat overeenkomstig dit statuut ten aanzien van een ambtenaar wordt genomen, (...) onverwijld schriftelijk te zijner kennis (dient) te worden gebracht. Iedere voor hem nadelige beslissing dient met redenen te zijn omkleed."
18 Op grond van de rechtspraak van het Hof en het Gerecht inzake de motiveringsplicht (zie arrest van het Hof van 26 november 1981, zaak 195/80, Michel, Jurispr. 1981, blz. 2861; conclusie van advocaat-generaal S. Rozès bij het arrest van het Hof van 9 februari 1984, gevoegde zaken 316/82 en 40/83, Kohler, Jurispr. 1984, blz. 667; arrest van het Gerecht van 20 maart 1991, zaak T-1/90, Pérez-Mínguez Casariego, Jurispr. 1991, blz. II-143, r.o. 73) is verzoeker van mening, dat in de onderhavige zaak enerzijds moet worden onderzocht of de motivering van het bestreden besluit hem voldoende gegevens verschaft om vast te stellen of het besluit gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid kan worden betwist, en anderzijds of de motivering van het besluit het Gerecht in staat stelt de wettigheid van het besluit te toetsen.
19 In de eerste plaats stelt verzoeker, dat in de motivering van het besluit van 5 april 1991 niet wordt verklaard, waarom de gezamenlijke duur van zijn opleiding en zijn beroepservaring geringer is dan de vereiste minimumduur, zodat daarin geen enkel gegeven wordt verschaft om vast te stellen of het besluit gegrond is en of het Gerecht de wettigheid van het besluit kan toetsen.
20 Verzoeker betoogt, dat hij tegelijk met zijn sollicitatieformulier een afschrift van alle diploma' s alsmede een getuigschrift van de onderneming waar hij had gewerkt, aan de jury van het vergelijkend onderzoek had toegezonden. Uit die stukken blijkt ten aanzien van het vereiste opleidingsniveau, dat verzoeker een opleiding van middelbaar niveau had gevolgd, afgesloten met een diploma. Voor wat de vereiste beroepservaring betreft, blijkt eruit, dat de jury de door verzoeker gevolgde aanvullende secretariaatsopleiding van twee jaar in aanmerking had moeten nemen.
21 In de tweede plaats beroept verzoeker zich op zijn toelating tot het examen van het door de Commissie georganiseerde algemeen vergelijkend onderzoek COM/677/C, waarvan de toelatingsvoorwaarden gelijk waren aan die van vergelijkend onderzoek PE/107/C. Volgens hem is het vaste rechtspraak (zie arresten van het Hof van 5 april 1979, zaak 112/78, Kobor, Jurispr. 1979, blz. 1573, en 21 maart 1985, zaak 108/84, De Santis, Jurispr. 1985, blz. 947), dat de jury haar beoordeling van de diploma' s van een sollicitant in het bijzonder moet motiveren, wanneer die beoordeling ongunstiger uitvalt dan die bij voorgaande vergelijkende onderzoeken waarvoor identieke toelatingsvoorwaarden golden.
22 Verzoeker erkent, dat in een arrest van 12 juli 1989 (zaak 225/87, Belardinelli, Jurispr. 1989, blz. 2353) het Hof de draagwijdte van die verplichting heeft beperkt, toen het verklaarde dat deze "slechts geldt voor zover de belanghebbende de aandacht van de jury op dit punt heeft gevestigd." In casu heeft verzoeker de aandacht van de jury gevestigd op het gunstiger besluit, dat de jury van vergelijkend onderzoek COM/677/C had genomen, zodat de jury van vergelijkend onderzoek PE/107/C in het bijzonder had moeten motiveren, waarom zij had geoordeeld dat de gezamenlijke duur van de opleiding en de beroepservaring geringer was dan de vereiste minimumduur.
23 Concluderend stelt verzoeker, dat het bestreden besluit niet, althans ontoereikend, is gemotiveerd, op een kennelijk onjuiste beoordeling berust en de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek gestelde voorwaarden heeft geschonden.
24 Verweerder verwijst om te beginnen ook naar de rechtspraak van het Hof betreffende het doel en de draagwijdte van de motiveringsplicht die op een jury rust (zie de arresten van 8 maart 1988, gevoegde zaken 64/86, 71/86-73/86 en 78/86, Sergio, Jurispr. 1988, blz. 1399; 9 juni 1983, zaak 225/82, Verzyck, Jurispr. 1983, blz. 1991, en 26 november 1981, Michel, reeds aangehaald).
25 Hij voegt eraan toe dat het Hof in meerdere arresten heeft erkend, dat de jury van een vergelijkend onderzoek met zeer veel sollicitanten haar motiveringsplicht in twee fasen mag vervullen (zie de arresten van 28 februari 1989, gevoegde zaken 100/87, 146/87 en 153/87, Basch, Jurispr. 1989, blz. 447, en 16 december 1987, zaak 206/85, Beiten, Jurispr. 1987, blz. 5301; zie ook de reeds genoemde arresten Belardinelli, Michel, Verzyck en Sergio).
26 Naar aanleiding van het door verzoeker op 14 maart 1991 aangetekende bezwaar heeft de voorzitter van de jury in zijn antwoord van 5 april 1991 overigens individuele toelichtingen gegeven en gepreciseerd dat "de gezamenlijke duur van uw opleiding en uw beroepservaring geringer blijkt te zijn dan de vereiste minimumduur". Uit dit laatste antwoord, gelezen in samenhang met het antwoord in de brief van 4 maart 1991, bleek duidelijk dat volgens de jury de sollicitant niet de vereiste beroepservaring van twee jaar bezat. Door in zijn brief van 10 april 1991 op te merken, dat in het door de Commissie georganiseerde vergelijkend onderzoek de twee jaar hoger onderwijs als beroepservaring in aanmerking waren genomen, gaf verzoeker zelf te kennen, dat hij zich volledig bewust was van het feit dat de reden voor de niet-toelating was, dat dit diploma niet als bewijs van zijn beroepservaring werd erkend.
27 Verweerder zet vervolgens uiteen, op welke wijze de jury rekening heeft gehouden met de in Hoofdstuk I, B.1.b, tweede alinea, van de aankondiging van vergelijkend onderzoek vermelde aanvullende opleiding, te weten alle in het kader van die opleiding vervulde stageperiodes, mits deze naar behoren werden gestaafd met getuigschriften van de ondernemingen waar die stages waren gelopen of op het diploma waren aangetekend, zoals bij voorbeeld geschiedt bij de graduaat. De jury heeft de in het kader van bijscholing of een aanvullende opleiding vervulde stageperiodes in hun geheel niet als beroepservaring meegeteld.
28 In antwoord op de door het Gerecht vóór de mondelinge behandeling gestelde vragen heeft verweerder er nogmaals op gewezen, dat de vereiste beroepservaring moest bestaan in praktische ervaring "in het veld". Een aanvullende opleiding die niet aantoonbaar echte praktische stages omvatte, diende niet als een praktische ervaring te worden opgevat. Het feit dat de door Fascilla gevolgde opleiding, aan het einde waarvan hij het graduaatsdiploma van de secretariaatsopleiding heeft behaald, twee jaar duurde en dat het typen slechts één van de vele vakken was, deed verweerder besluiten om daarvoor slechts een forfaitaire periode van drie maanden te rekenen. Die drie maanden leverden verzoeker te zamen met de tien maanden werkelijke ervaring bij een privé-onderneming een beroepservaring van dertien maanden op. De aankondiging verplichtte de jury niet de totale duur van de "aanvullende opleidingen" als zodanig in aanmerking te nemen, daar in punt B.1.b, tweede alinea, alleen wordt vermeld dat die opleidingen "in aanmerking worden genomen".
29 Bijgevolg zou de jury de sollicitatie van verzoeker terecht hebben afgewezen door niet de totale duur van de graduaatsopleiding in aanmerking te nemen als aanvullende opleiding die verband houdt met de in hoofdstuk I omschreven taken, te weten: gewone kantoorwerkzaamheden, met name het uittypen van teksten.
30 Met betrekking tot het argument dat de voorwaarden voor toelating tot de examens van de vergelijkende onderzoeken PE/107/C en COM/677/C gelijkaardig waren, stelt verweerder dat die gelijkaardigheid, die niet wordt betwist, op zich niet betekent, dat de jury van vergelijkend onderzoek PE/107/C tot dezelfde conclusie had moeten komen als de jury van vergelijkend onderzoek COM/677/C, omdat elke jury over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt.
31 Verweerder betwist evenmin, dat de jury in een dergelijke situatie haar besluit in het bijzonder moet motiveren. Hij betoogt evenwel dat in casu die bijzondere motiveringsplicht niet bestond, daar de informatie over de toelating van verzoeker tot het examen van het door de Commissie georganiseerde vergelijkend onderzoek pas bij brief van 10 april 1990 ter kennis van de jury was gebracht, dat wil zeggen nadat de jury zijn sollicitatiedossier opnieuw had onderzocht.
32 Het Gerecht herinnert eraan, dat volgens vaste rechtspraak (zie arrest van het Gerecht van 13 december 1990, zaak T-115/89, González Holguera, Jurispr. 1990, blz. II-831, r.o. 42-45) de verplichting om elk krachtens het Statuut genomen individueel besluit met redenen te omkleden, tot doel heeft, de betrokkene de nodige gegevens te verschaffen om te beoordelen of het besluit al dan niet gegrond is, en rechterlijke toetsing mogelijk te maken. Inzonderheid ter zake van besluiten houdende weigering van toelating tot een vergelijkend onderzoek, heeft het Hof gepreciseerd, dat de jury nauwkeurig moet aangeven aan welke van de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek gestelde voorwaarden de sollicitant haars inziens niet heeft voldaan (zie bij voorbeeld de arresten van 30 november 1978, gevoegde zaken 4/78, 19/78 en 28/78, Salerno, Jurispr. 1978, blz. 2403, inz. blz. 2416, en 21 maart 1985, zaak 108/84, De Santis, reeds aangehaald, blz. 958).
33 Eveneens is het vaste rechtspraak dat de jury bij een vergelijkend onderzoek met zeer veel sollicitanten zich in een eerste fase ertoe mag beperken de sollicitanten in het kort de redenen voor de niet-toelating aan te geven en alleen de criteria en het resultaat van de selectie mee te delen (zie arrest van 12 juli 1989, zaak 225/87, Belardinelli, reeds aangehaald).
34 Gezien het feit dat het in casu om een vergelijkend onderzoek met zeer veel sollicitanten ging, is het Gerecht van oordeel dat het besluit van 4 maart 1991, waarin wordt gesteld dat verzoeker "geen beroepservaring van ten minste twee jaar (punt III. B. 1. van de aankondiging van vergelijkend onderzoek)" heeft, voldoet aan de in artikel 25 van het Statuut voorgeschreven motiveringsplicht.
35 Overeenkomstig dezelfde rechtspraak is de jury van het vergelijkend onderzoek evenwel gehouden later individuele toelichtingen te verstrekken aan de sollicitanten die daar uitdrukkelijk om vragen. In de onderhavige zaak stelt het Gerecht vast, dat de motivering van het besluit van 5 april 1991, dat naar aanleiding van het verzoek om een nieuw onderzoek is vastgesteld ("de gezamenlijke duur van uw opleiding en uw beroepservaring blijkt geringer te zijn dan de vereiste minimumduur") en waartegen het beroep tot nietigverklaring is gericht, eveneens zeer summier blijft.
36 Het is juist, dat verzoeker uit de bewoordingen van de brief van 5 april 1991, gelezen in samenhang met die van de brief van 4 maart 1991, heeft kunnen opmaken, dat zowel zijn opleiding als zijn werkelijke beroepservaring bij de beoordeling van de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek vereiste beroepservaring van twee jaar in aanmerking waren genomen, maar dat de jury om een niet nader verklaarde reden had gemeend, dat niet aan de eis van twee jaar was voldaan. Verzoeker heeft hoogstens kunnen vermoeden, dat zijn na twee jaar hoger onderwijs behaalde graduaatsdiploma van de directie-secretariaatsopleiding, waarop hij zich in zijn brief van 14 maart 1991 had beroepen, niet of slechts gedeeltelijk in aanmerking was genomen. Het feit dat verzoeker in zijn brief van 10 april 1991 de twee jaar hoger onderwijs, die door de jury van het door de Commissie georganiseerde vergelijkend onderzoek als beroepservaring waren aangemerkt, ter sprake brengt, betekent evenwel nog niet, dat hij er zeker van was dat juist het na dat hoger onderwijs behaalde diploma bij het onderzoek van zijn sollicitatie in het kader van het door het Parlement georganiseerde onderzoek niet in aanmerking was genomen.
37 Dat de aan verzoeker gegeven motivering ontoereikend was, wordt bevestigd door de uitleg die het Parlement zowel in zijn verweerschrift als in het pleidooi ter terechtzitting van 17 maart 1992 heeft verstrekt over de wijze van berekening van verzoekers aanvullende opleiding. Het besluit van 5 april 1991 bevat geen enkele informatie over het feit dat de jury de aanvullende opleidingen slechts in aanmerking heeft genomen indien naar behoren gestaafde praktische stages waren gevolgd, noch over de methode die de jury werkelijk heeft gebruikt om de duur van de aanvullende schoolopleiding te berekenen en om uiteindelijk een forfaitaire periode van drie maanden als beroepservaring in aanmerking te nemen. Zelfs bij vergelijking van de door verzoeker overgelegde bescheiden met de door de voorzitter van de jury verstrekte inlichtingen kon verzoeker daaruit redelijkerwijs niet afleiden waarom de jury die getuigschriften als ontoereikend had aangemerkt. Hij kon dus niet beoordelen, of de afwijzing van zijn sollicitatie gegrond was.
38 Uit een en ander volgt, dat het besluit om verzoeker niet toe te laten tot het litigieuze vergelijkend onderzoek niet met redenen is omkleed. Bijgevolg moet verzoekers vordering gegrond worden verklaard.
39 Mitsdien moet het bestreden besluit van 5 april 1991 nietig worden verklaard, zonder dat de overige argumenten van verzoeker behoeven te worden onderzocht.
40 Met betrekking tot de weigering van het Parlement om rekening te houden met verzoekers diploma van een aanvullende secretariaatsopleiding, op grond dat die opleiding geen praktische stages omvatte, is het Gerecht ten overvloede van oordeel, dat het Parlement de twee zinsneden van punt III. B. 1. b, tweede alinea, van de aankondiging van vergelijkend onderzoek ten onrechte samenvoegt, te weten de "specialisatie of bijscholingsstages" en de "nascholingscursussen". Het is duidelijk dat de aankondiging van vergelijkend onderzoek, waarvan de jury de bewoordingen nauwgezet in acht moest nemen, geen "praktische stages" vereist in verband met de aanvullende opleidingen. Hieruit volgt dat het niet gerechtvaardigd is, dat die opleidingen voor een periode van slechts drie maanden in aanmerking worden genomen. Bijgevolg had het besluit van verweerder ook wegens een kennelijk onjuiste beoordeling en miskenning van de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek gestelde voorwaarden nietig moeten worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
41 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Aangezien het Parlement in het ongelijk is gesteld, moet het behalve in zijn eigen kosten ook in de kosten van verzoeker worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart nietig het besluit van 5 april 1991 van de jury van algemeen vergelijkend onderzoek PE/107/C om O. Fascilla niet tot de examens van dat vergelijkend onderzoek toe te laten.
2) Verwijst het Parlement in de kosten van de procedure.
Full & Egal Universal Law Academy