Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren ° Kostenvergoeding ° Dagvergoeding ° Doel
(Ambtenarenstatuut, bijlage VII, art. 10)
2. Ambtenaren ° Plaats van aanwerving ° Bepaling ° Gewoonlijke verblijfplaats ten tijde van aanwerving ° Begrip ° Centrum van belangen van ambtenaar
(Ambtenarenstatuut, bijlage VII, art. 7, lid 3)
Samenvatting
1. De in artikel 10, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut voorziene dagvergoeding, waarop de pas aangeworven ambtenaar enkel recht heeft vóór zijn verhuizing naar zijn standplaats, heeft tot doel de kosten en de nadelen te compenseren die voor de ambtenaar het gevolg zijn van het feit dat hij zich naar zijn standplaats moet verplaatsen en zich aldaar voorlopig moet vestigen, terwijl hij, eveneens voorlopig, zijn vroegere woonplaats aanhoudt.
Derhalve kan deze vergoeding niet worden toegekend aan de ambtenaar die niet aantoont dergelijke kosten te hebben gemaakt of nadelen te hebben gedragen.
2. Het begrip gewoonlijke verblijfplaats ten tijde van de aanwerving, waarnaar wegens het ontbreken van een statutaire definitie voor de vaststelling van de plaats van aanwerving van een ambtenaar wordt verwezen door de algemene uitvoeringsbepalingen betreffende de toepassing van artikel 7, lid 3, van bijlage VII bij het Statuut die door een instelling zijn vastgesteld, moet worden uitgelegd als de plaats waar de betrokkene het duurzame of gewoonlijke centrum van zijn belangen heeft gevestigd, met de bedoeling hieraan een vast karakter te geven. Op grond van het feit dat de betrokkene in een plaats verblijft enkel om er zijn studie voort te zetten, kan op zichzelf en bij ontbreken van andere relevante gegevens niet worden aangenomen dat de betrokkene het duurzame centrum van zijn belangen naar die plaats heeft willen verplaatsen.
Partijen
In zaak T-63/91,
E. Benzler, toenmaals hulpfunctionaris van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. N. Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. Griesmar als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst van de Commissie, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van 29 oktober 1990, waarbij Brussel als plaats van verzoeksters aanwerving is bepaald en haar de dagvergoeding en de ontheemdingstoelage zijn geweigerd,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: B. Vesterdorf, kamerpresident, A. Saggio en J. Biancarelli, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 19 mei 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten en het procesverloop
1 Verzoekster, die in 1964 in België is geboren, is de dochter van een ambtenaar van de Commissie die te Brussel is tewerkgesteld. Zij heeft de Duitse nationaliteit en heeft nooit de Belgische nationaliteit gehad. Na haar middelbaar onderwijs aan de Europese school te Brussel heeft zij volgens mededelingen in haar persoonsdossier van 1984 tot 1986 een opleiding gevolgd aan het Institut supérieur de tourisme de Louvain-la-Neuve. Blijkens de processtukken volgde zij vanaf 1986 een theoretische en praktische beroepsopleiding aan de "Fachhochschule" te Duesseldorf en vervolgens aan de "Kaufmaennische Berufsschule" te Neuss, waar zij het volgen van lessen combineerde met een beroepsopleiding in het kader van twee stage- en leercontracten, gesloten met de ondernemingen L. B. en K. Werbeagentur te Duesseldorf voor de periode van 1 oktober 1986 tot 31 mei 1988 en met Beste Accessoires te Neuss voor de periode van 6 juni 1988 tot 23 mei 1990. Haar vader ontving in die perioden een kindertoelage en een schooltoelage. Vervolgens werkte verzoekster van 1 juli 1990 tot 31 augustus 1990 als "Kauffrau" bij de onderneming Elysia Accessoires te Neuss.
2 Op 29 mei 1990 zegde verzoekster per 31 augustus 1990 de huur op van het appartement dat zij te Duesseldorf bewoonde.
3 Op 30 juli 1990, toen zij tijdens een vakantie bij haar ouders verbleef, informeerde verzoekster bij de Commissie naar eventuele vacatures voor Duitstalige hulpfunctionarissen. De betrokken dienst van de Commissie nam dezelfde dag nog contact met haar op en verzocht haar de volgende dag al een medische keuring te ondergaan, daar zij op het punt stond naar Duesseldorf terug te keren. Op 1 augustus 1990 diende verzoekster haar sollicitatieformulier in, waarop zij als correspondentieadres het adres van haar ouders in België vermeldde. Als vaste verblijfplaats (staendiger Aufenthaltsort) gaf zij Duesseldorf op. Op 1 september 1990 trad verzoekster in dienst bij de Commissie te Brussel.
4 Bij besluit van 29 oktober 1990 werd door de Commissie Brussel als verzoeksters plaats van aanwerving bepaald. In hetzelfde besluit stelde zij vast dat verzoekster geen recht had op betaling van een dagvergoeding, daar zij niet als gevolg van haar indiensttreding haar verblijfplaats had moeten veranderen om aan de verplichtingen van artikel 20 van het Statuut te voldoen. Voorts weigerde zij haar het recht op de ontheemdingstoelage, omdat verzoekster volgens haar slechts tijdelijk uit België afwezig was geweest.
5 Verzoekster diende op 29 januari 1991 een klacht in tegen genoemd besluit. Bij gebreke van een uitdrukkelijk antwoord waarbij deze klacht werd afgewezen, verzocht zij bij op 30 augustus 1991 ter griffie van het Gerecht ingeschreven verzoekschrift om nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 29 oktober 1990. De schriftelijke behandeling heeft een normaal verloop gehad en is op 6 maart 1992 beëindigd. Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht overeenkomstig artikel 53 van zijn Reglement voor de procesvoering besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Partijen zijn ter terechtzitting van 19 mei 1991 in hun pleidooien gehoord.
Conclusies van partijen
6 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
° nietig te verklaren het besluit van 29 oktober 1990, waarbij Brussel als plaats van verzoeksters aanwerving en herkomst is bepaald en haar de dagvergoeding en de ontheemdingstoelage zijn geweigerd;
° voor zover nodig, nietig te verklaren het stilzwijgende besluit van de Commissie tot afwijzing van de door haar op 29 januari 1991 ingediende klacht;
° verweerster in de kosten te verwijzen.
Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep te verwerpen;
° kosten rechtens.
Middelen en argumenten van partijen
7 Tot staving van haar beroep tot nietigverklaring stelt verzoekster:
° schending van artikel 7, lid 3, van bijlag VII bij het Statuut en van het besluit van de Commissie van 15 juni 1980 houdende vaststelling van algemene uitvoeringsbepalingen betreffende dit artikel, en meer in het bijzonder van artikel 2, lid 2, van het besluit;
° schending van de bepalingen betreffende de vaststelling van de plaats van herkomst.
8 Verzoekster betoogt allereerst dat de plaats van aanwerving door artikel 2, lid 2, van voornoemd besluit van de Commissie van 15 juli 1980 is gedefinieerd als de "plaats waar de ambtenaar ten tijde van zijn aanwerving zijn gewoonlijke verblijfplaats had". Voorts herinnert zij eraan, dat voor het recht op ontheemdingstoelage moet worden nagegaan welke de gewoonlijke verblijfplaats van de betrokkene is op het moment van zijn aanwerving. Zij beroept zich hiervoor op het arrest van het Hof van 10 oktober 1989 (zaak 201/88, Atala-Palmerini, Jurispr. 1989, blz. 3109, r.o. 9), volgens hetwelk "het begrip ontheemding eveneens afhangt van de subjectieve situatie van de ambtenaar, dat wil zeggen van de mate waarin hij in zijn (...) omgeving is geïntegreerd, die bij voorbeeld wordt bepaald door zijn gebruikelijke woonplaats of door de uitoefening van zijn voornaamste beroepsbezigheid".
9 Gelet op deze criteria is verzoekster van mening, dat zij op het moment van haar aanwerving zowel "objectief" als "subjectief" gezien volledig was geïntegreerd in Duesseldorf. Dit zou blijken uit de aard van de beroepsopleiding ° afwisselend theoretische lessen en praktijkstages in ondernemingen ° die zij van 1986 tot 1990 heeft gevolgd en uit het feit dat een dergelijke opleiding nergens anders dan in Duitsland ten nutte kan worden gemaakt, hetgeen duidelijk haar bedoeling zou aantonen om zich definitief in dat land te vestigen. Zij had immers alleen maar haar opleiding van 1988 tot 1990 in een onderneming voortgezet, in de hoop dat haar in die onderneming een baan zou worden aangeboden. Daarom is zij, naar haar zeggen, aan het einde van haar stageperiode in dienst gebleven van haar werkgever om bij de firma Elysian Accessoires een loopbaan als "Kauffrau" te beginnen. In repliek verklaart zij, dat zij deze twee maanden gesalarieerde beroepsactiviteit niet in haar sollicitatieformulier voor een post van hulpfunctionaris bij de Commissie heeft vermeld, omdat zij dacht dat het ging om een "studentenjob gedurende de zomervakantie", daar zij door die onderneming pas officieel in dienst was genomen op 1 juli 1990, dus een maand voor de indiening van haar sollicitatieformulier en nadat zij had besloten om haar baan op te zeggen. Ter terechtzitting heeft zij echter betoogd dat de Commissie niet van mening was dat het om een studentenjob ging, daar zij terugbetaling heeft gevorderd van de schooltoelage en de kindertoelage die verzoeksters vader in die twee maanden had gekregen, zulks in strijd met de praktijk dat ervan wordt uitgegaan dat studenten die een zomerjob hebben, in die periode ten laste van hun ouders blijven.
Verzoekster betoogt bovendien dat zij tot de dag van haar aanwerving ononderbroken een appartement heeft bewoond dat zij in Duesseldorf had gehuurd, en waar zij regelmatig zou hebben gewoond. Voorts had zij een eigen sociale verzekering, daar zij aangesloten was bij een ziekenfonds en een pensioenregeling. Voorts hebben haar broer en zuster in Duitsland een hogere opleiding gevolgd en hebben zij zich er definitief gevestigd en zullen haar ouders, zodra zij gepensioneerd zijn, aldaar terugkeren.
10 Na te hebben betoogd dat volgens de door het Hof aangehouden criteria Duesseldorf als haar plaats van aanwerving moet worden bepaald, onderwerpt verzoekster de termen die voor de definitie van de plaats van aanwerving zijn gebezigd in artikel 2, lid 2, van de algemene uitvoeringsbepalingen betreffende de toepassing van artikel 7, lid 3, van bijlag VII bij het Statuut betreffende de plaats van herkomst, aan een taalkundige analyse. Zij merkt dienaangaande op, dat in de Duitse taalversie genoemd artikel 2 het begrip "Hauptwohnsitz" (résidence habituelle; gewoonlijke verblijfplaats) gebruikt, evenals artikel 4 van bijlag VII bij het Statuut betreffende de toekenning van de ontheemdingstoelage. Verzoekster leidt hieruit af, dat bij toepassing van deze bepaling Muenchen als haar plaats van aanwerving zou moeten worden bepaald. Immers, volgens de Duitse rechtspraak bestaat er per definitie slechts één Hauptwohnsitz, dat is de plaats waar het stemrecht wordt uitgeoefend. Verzoekster baseert zich ter ondersteuning van deze stelling op een door de stad Muenchen afgegeven attest van 3 januari 1991. Zij concludeert hieruit dat de Commissie haar Hauptwohnsitz, dat wil zeggen Muenchen, als haar plaats van herkomst moet vaststellen. Bijgevolg moet volgens haar Duesseldorf als haar plaats van aanwerving en Muenchen, subsidiair Duesseldorf, als haar plaats van herkomst worden bepaald.
11 Ten slotte heeft verzoekster in repliek en ter terechtzitting ook betoogd dat zij van 1984 tot 1986 te Muenchen heeft verbleven om er een universitaire opleiding te volgen. De studie die zij tegelijkertijd in Louvain-la-Neuve volgde, had slechts een aanvullend karakter.
12 De Commissie betoogt dat Duesseldorf en Muenchen niet als verzoeksters plaats van aanwerving respectievelijk plaats van herkomst kunnen worden bepaald.
In de eerste plaats bestrijdt zij verzoeksters argumentatie betreffende de bepaling van haar plaats van herkomst te Muenchen. Volgens artikel 2, lid 1, van de Algemene uitvoeringsbepalingen betreffende de toepassing van artikel 7, lid 3, van bijlag VII bij het Statuut wordt "bij de indiensttreding van de ambtenaar (...) de plaats van aanwerving aangemerkt als zijn plaats van herkomst". Alleen op verzoek van de ambtenaar, gedaan binnen een jaar na zijn indiensttreding, kan op grond van bewijsstukken als zijn plaats van herkomst het centrum van zijn belangen worden vastgesteld, indien dat centrum niet samenvalt met de plaats van aanwerving. De plaats van de uitoefening van het stemrecht is slechts één van de elementen op grond waarvan het centrum van belangen kan worden bepaald en kan dus niet op zichzelf ter bepaling van de plaats van herkomst in de plaats treden van de plaats van aanwerving.
13 In de tweede plaats betoogt de Commissie, dat Duesseldorf niet als verzoeksters plaats van aanwerving kan worden aangemerkt. In de periode voor 23 mei 1990 verbleef verzoekster enkel voor haar studie en een beroepsopleiding in Duitsland, hetgeen niet kan worden beschouwd als een gewoonlijke verblijfplaats in de zin van artikel 2, lid 2, van de Algemene uitvoeringsbepalingen van 15 juni 1980. Het feit dat verzoekster in juni en augustus 1990 arbeid tegen loon verrichtte, kan wegens de korte duur evenmin van dien aard zijn, dat Duesseldorf als verzoeksters gewoonlijke verblijfplaats kan worden aangemerkt. Dienaangaande blijkt uit een reeks feiten dat verzoekster de bedoeling had, zich aan het einde van haar stage niet in Duitsland te vestigen. Eind mei 1990 zegde zij per 31 augustus de huur van haar appartement op. Voorts beschouwde zij haar eerste gesalarieerde betrekking als een eenvoudige "studentenjob gedurende de zomervakantie" en trad zij eind juli in contact met de Commissie om een post in België te krijgen. Zo gezien, moet verzoeksters verblijfplaats in Duesseldorf als voorlopig worden beschouwd en kan zij niet in aanmerking komen voor de bepaling van de plaats van aanwerving.
Beoordeling rechtens
14 De conclusies betreffende de nietigverklaring van het bestreden besluit vallen uiteen in vier vorderingen, die betrekking hebben op respectievelijk de weigering om verzoekster een ontheemdingstoelage en een dagvergoeding toe te kennen, de vaststelling van haar plaats van aanwerving alsmede de vaststelling van haar plaats van herkomst op een andere plaats dan de plaats van aanwerving.
De vordering betreffende de ontheemdingstoelage
15 Volgens artikel 4, lid 1, sub a, van bijlag VII bij het Statuut wordt een ontheemdingstoelage toegekend aan de ambtenaar die, zoals verzoekster, niet de nationaliteit bezit van de staat op welks grondgebied zijn standplaats is gelegen en die deze ook nooit heeft bezeten, op voorwaarde dat hij "gedurende een periode van vijf jaar, eindigende zes maanden vóór zijn indiensttreding, niet regelmatig woonachtig is geweest of zijn voornaamste beroepsbezigheden heeft uitgeoefend op het grondgebied in Europa van bedoelde staat. Buiten beschouwing blijven hierbij omstandigheden die voortvloeien uit diensten verricht voor een andere staat of een internationale organisatie."
16 In casu is verzoekster op 1 september 1990 in dienst van de Commissie getreden. Het recht op een ontheemdingstoelage is in haar geval dus afhankelijk van de voorwaarde dat zij in de periode van vijf jaar gelegen tussen 1 maart 1985 en 1 maart 1990 niet regelmatig woonachtig is geweest of haar voornaamste beroepsbezigheden heeft uitgeoefend in België (zie arresten Hof van 2 mei 1985, zaak 246/83, De Angelis, Jurispr. 1985, blz. 1253, r.o. 14, en 10 oktober 1989, reeds aangehaald, Atala-Palmerini, r.o. 6 tot 11, en arrest Gerecht van 8 april 1992, zaak T-18/91, Costacurta Gelabert, Jurispr. 1992, blz. II-1655, r.o. 44).
17 In casu is niet aan deze voorwaarden voldaan. Op grond van de processtukken en in het bijzonder de gegevens die verzoekster zelf in haar formulier voor de sollicitatie bij de Commissie heeft verstrekt, blijkt immers dat zij van 1984 tot 1986 een opleiding heeft gevolgd aan het Institut européen de tourisme Louvain-la-Neuve, die is afgesloten met een diploma met de hoogste onderscheiding, naar betrokkene ter terechtzitting heeft meegedeeld. Daarentegen wordt verzoeksters mededeling dat zij van 1984 tot 1986 regelmatig woonachtig was te Muenchen om er een universitaire studie economie te volgen, niet gestaafd door enig bewijs, met name niet betreffende het feitelijk volgen van genoemde studie. In het bijzonder heeft verzoekster deze universitaire studie niet in haar formulier voor sollicitatie bij de Commissie genoemd. Voorts heeft zij het Gerecht noch een bewijs van inschrijving overgelegd, noch een verklaring waaruit blijkt dat zij die opleiding regelmatig heeft gevolgd. Bovendien doelt het door verzoekster ingeroepen attest van de stad Muenchen, volgens hetwelk zij daar haar "Hauptwohnung" heeft, overeenkomstig de toepasselijke Duitse wettelijke regeling, op de woonplaats die betrokkene ° of tijdens haar minderjarigheid haar ouders ° heeft opgegeven als haar gewoonlijke verblijfplaats op het Duitse grondgebied, onverminderd een eventuele regelmatige woonplaats buiten dit grondgebied (zie § 12, lid 1, van het "Melderechtsrahmengesetz" van 16 augustus 1980, BGBl. III, blz. 210-4). Het begrip "Hauptwohnung" in de zin van het Duitse recht onderscheidt zich dus van het begrip regelmatige woonplaats, als bedoeld in artikel 4, lid 1, sub a, van bijlag VII bij het Statuut, dat een feitelijk begrip is waarbij de daadwerkelijke woonplaats van betrokkene in aanmerking moet worden genomen. Dit wordt bevestigd door het feit dat in genoemd attest, dat op 3 januari 1991 is afgegeven, wordt vastgesteld dat verzoekster op die datum sedert 1 maart 1972 haar "Hauptwohnung" te Muenchen had behouden. Echter wordt niet betwist, dat zij op dat moment haar regelmatige woonplaats in de zin van het Statuut te Brussel had, nadat zij op 1 september 1990 als hulpfunctionaris was aangeworven. Uit al deze elementen volgt derhalve duidelijk, dat zelfs wanneer wordt aangenomen dat verzoekster in 1984 te Muenchen een universitaire opleiding heeft gevolgd ° hetgeen niet wordt aangetoond ° deze slechts een aanvulling op haar studie te Louvain-la-Neuve kon zijn. Overigens had verzoekster reeds voordat zij haar studie te Louvain-la-Neuve, aanving haar regelmatige woonplaats in België en wel te Brussel, waar haar ouders woonden en waar zij tot haar eindexamen in 1984 middelbaar onderwijs heeft genoten. Verzoekster is dus tijdens haar studie te Louvain-la-Neuve, die een niet te verwaarlozen gedeelte van de referentieperiode beslaat, namelijk van 1 maart 1985 tot 30 september 1986, regelmatig in België woonachtig gebleven.
18 In dit verband stelt het Gerecht vast, dat aan de voorwaarde waarvan de toekenning van een ontheemdingstoelage afhankelijk is gesteld, namelijk dat de betrokkene gedurende de gehele referentieperiode, niet regelmatig woonachtig is geweest in het land van tewerkstelling, in casu niet is voldaan. De vordering betreffende de ontheemdingstoelage moet derhalve worden afgewezen.
De vordering betreffende de dagvergoeding
19 Artikel 10, lid 1, van bijlag VII bij het Statuut voorziet in de toekenning van een dagvergoeding aan "de ambtenaar die aantoont dat hij genoodzaakt is van woonplaats te veranderen om te voldoen aan de verplichtingen van artikel 20 van het Statuut". Laatstgenoemd artikel verplicht de ambtenaar in zijn standplaats te wonen of op zodanige afstand daarvan dat hij niet gehinderd wordt in de uitoefening van zijn werkzaamheden.
20 De dagvergoeding, waarop de pas aangeworven ambtenaar enkel recht heeft vóór zijn verhuizing naar zijn standplaats, heeft tot doel de kosten en de nadelen te compenseren die voor de ambtenaar het gevolg zijn van het feit dat hij zich naar zijn standplaats moet verplaatsen en zich aldaar voorlopig moet vestigen, terwijl hij, eveneens voorlopig, zijn vroegere woonplaats aanhoudt. Deze doelstelling heeft het Hof constant met nadruk genoemd (zie met name arresten van 30 januari 1974, zaak 148/73, Louwage, Jurispr. 1974, blz. 81, r.o. 25, en 5 februari 1987, zaak 280/85, Mouzourakis, Jurispr. 1987, blz. 589, r.o. 9).
21 In casu stelt het Gerecht vast, dat verzoekster, die, zoals zij ter terechtzitting heeft verklaard, reeds op 29 mei 1990 de huur van haar appartement in Duesseldorf per 31 augustus 1990 had opgezegd, geen kosten heeft gemaakt als gevolg van het feit dat zij zich elders moest vestigen, terwijl zij haar laatste verblijfplaats niettemin niet kon opgeven. Voorts geeft verzoekster niet aan, welke kosten of nadelen voor haar voortvloeiden uit de verplichting om bij indiensttreding bij de Commissie te Brussel in haar standplaats te wonen.
22 Al deze omstandigheden in aanmerking genomen, moet de vordering betreffende de dagvergoeding worden afgewezen.
De vaststelling van de plaats van aanwerving
23 Bij ontbreken van een uitdrukkelijke statutaire definitie van het begrip plaats van aanwerving, als bedoeld in artikel 7, lid 3, van bijlag VII bij het Statuut, wordt de plaats van aanwerving in artikel 2, lid 2, van het besluit van 15 juli 1980 houdende algemene uitvoeringsbepalingen betreffende de toepassing van artikel 7, lid 3, omschreven als de "plaats waar de ambtenaar ten tijde van zijn aanwerving zijn gewoonlijke verblijfplaats had. Als gewoonlijke verblijfplaats kunnen niet worden aangemerkt voorlopige verblijfplaatsen, met name verblijfplaatsen in verband met studie, militaire dienst, stages of toerisme" (Mededelingen van de administratie, nr. 291 van 5 september 1980).
24 Deze algemene uitvoeringsbepalingen vormen slechts een uitlegging en nadere uitwerking van artikel 7, lid 3, van bijlag VII bij het Statuut (arrest van 6 juni 1990, zaak T-44/89, Gouvras-Laycock, Jurispr. 1990, blz. II-217, r.o. 25). In casu is het begrip gewoonlijke verblijfplaats, zoals dit voorkomt in de algemene uitvoeringsbepalingen van het Statuut en zoals het door de Commissie in casu is toegepast, relevant voor de bepaling van de plaats van aanwerving.
25 Het begrip gewoonlijke verblijfplaats heeft het Hof in vaste rechtspraak uitgelegd als de plaats waar de betrokkene het duurzame of gewoonlijke centrum van zijn belangen heeft gevestigd, met de bedoeling hieraan een vast karakter te geven (zie arresten van 12 juli 1973, zaak 13/73, Angenieux, Jurispr. 1973, blz. 935; 17 februari 1977, zaak 76/76, Di Paolo, Jurispr. 1977, blz. 315, en 14 juli 1988, zaak 284/87, Schaeflein, Jurispr. 1988, blz. 4475; alsmede op andere rechtsgebieden arrest van 23 april 1991, zaak C-297/89, Ryborg, Jurispr. 1991, blz. I-1943, r.o. 19).
26 In de onderhavige zaak stelt het Gerecht vast, dat verzoekster, die van 1 oktober 1986 tot 31 augustus 1990 in Duesseldorf verbleef, haar duurzame banden met België nooit heeft onderbroken. Uit alle processtukken blijkt immers, dat zij sedert 1986 enkel te Duesseldorf verbleef om er haar studie voort te zetten en dat zij niet aldaar het duurzame centrum van haar belangen heeft gevestigd.
27 Dat verzoekster destijds al haar banden te Brussel heeft behouden, waar zij een speciale verblijfsvergunning had en tijdens de vakantie bij haar familie terugkeerde, volgt uit hetgeen hierna wordt overwogen. Gedurende haar vier studiejaren aan de "Fachhochschule" te Duesseldorf had verzoekster de hoedanigheid van studente en verrichtte zij volgens de gegevens in de processtukken geen beroepswerkzaamheden met een vast karakter en met een beloning die vergelijkbaar was met die welke gewoonlijk wordt betaald aan loontrekkenden die dergelijke werkzaamheden uitoefenen en op grond waarvan zij in het sociaal-economische milieu van het betrokken land had kunnen worden opgenomen. De stage- en leerperiodes die verzoekster van 1 oktober 1986 tot 31 mei 1988 bij twee ondernemingen heeft doorgemaakt, pasten volledig binnen het kader van verzoeksters studie, die een theoretische en praktische opleiding combineerde; verzoekster ontving hiervoor, zoals partijen ter terechtzitting hebben verklaard, naar gelang de betrokken periode een vergoeding van 150 tot 350 DM. Verder heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt, dat zij financieel onafhankelijk was van haar ouders, die in haar levensonderhoud voorzagen en in het bijzonder haar studie bekostigden, uit hoofde waarvan zij een kindertoelage en een schooltoelage ontvingen. Wat ten slotte verzoeksters argument betreft dat is gebaseerd op haar aansluiting bij een ziektekosten- en pensioenregeling in Duitsland, deze aansluiting vloeide voort uit betrokkenes hoedanigheid van studente en kan derhalve geen aanwijzing opleveren voor haar integratie in Duitsland, nu andere relevante gegevens ter zake ontbreken.
De beroepswerkzaamheden die verzoekster tegen loon uitoefende in de maanden juli en augustus 1990, dat wil zeggen juist op het moment van haar aanwerving, moeten worden beschouwd als een "vakantiejob", een term die in de repliek zelf wordt gebruikt. Verzoekster verklaart namelijk in dienst te zijn genomen op 1 juli 1990, "dat wil zeggen een maand voor de indiening van haar sollicitatieformulier bij de Commissie en na het besluit te hebben genomen haar baan op te zeggen". Deze verklaring wordt bevestigd door het verzoek om herinschrijving bij de "Fachhochschule" te Duesseldorf, dat verzoekster deed voor de studieperiode van september 1990 tot februari 1991, zoals blijkt uit het bewijs van inschrijving voor dat semester, dat zich in bijlag bij het verzoekschrift bevindt. Bovendien wordt het feit dat verzoekster enkel in de vakantieperiode beroepswerkzaamheden tegen loon uitoefende en alleen maar om zakgeld te verdienen, ook bevestigd doordat verzoeksters vader in deze twee maanden een kindertoelage en een schooltoelage ontving.
28 Derhalve is het Gerecht, in overeenstemming met de algemene uitvoeringsbepalingen van het Statuut, van oordeel dat op grond van het feit dat verzoekster te Duesseldorf verbleef om er een beroepsopleiding te volgen, op zich zelf en bij ontbreken van andere relevante gegevens niet kan worden aangenomen, dat verzoekster het duurzame centrum van haar belangen van Brussel naar Duesseldorf heeft willen verplaatsen. Het verzoek om nietigverklaring van het bestreden besluit, voor zover daarin Brussel als verzoeksters plaats van aanwerving wordt bepaald, moet derhalve worden afgewezen.
De vaststelling van de plaats van herkomst
29 Volgens artikel 7, lid 3, van bijlag VII bij het Statuut wordt "de plaats van herkomst van de ambtenaar (...) bij zijn indiensttreding vastgesteld; hierbij wordt rekening gehouden met de plaats van aanwerving of met de plaats die het centrum van zijn belangen vormt. Deze vaststelling kan later, gedurende de tijd waarin de ambtenaar in dienst is, en ter gelegenheid van zijn vertrek, bij bijzonder besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag worden herzien. Zolang de ambtenaar in dienst is, kan dit besluit echter slechts bij uitzondering worden genomen na overlegging van bewijsstukken die zijn verzoek deugdelijk staven." Volgens de algemene uitvoeringsbepalingen betreffende de toepassing van artikel 7, lid 3, van bijlag VII bij het Statuut wordt bij de indiensttreding van de ambtenaar de plaats van aanwerving aangemerkt als zijn plaats van herkomst. Volgens deze zelfde bepaling wordt echter op verzoek van de ambtenaar, gedaan binnen een jaar na zijn indiensttreding en op grond van bewijsstukken, het centrum van zijn belangen vastgesteld als zijn plaats van herkomst, indien dat centrum niet samenvalt met de plaats van aanwerving.
30 In de onderhavige zaak stelt het Gerecht vast dat verzoekster in de op 29 januari 1991 tegen het besluit van 29 oktober 1990 ingediende klacht voor de eerste keer krachtens het algemene uitvoeringsbesluit en overeenkomstig bovengenoemde statutaire bepalingen heeft verzocht om Muenchen als haar plaats van herkomst vast te stellen, dat wil zeggen een andere plaats dan haar plaats van aanwerving die in dat zelfde besluit te Brussel is vastgesteld. Op dit punt echter moet de klacht worden uitgelegd als een verzoek, in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut, aan het tot aanstelling bevoegd gezag om verzoeksters plaats van herkomst, met inachtneming van het centrum van haar belangen dat in casu te Muenchen zou liggen, vast te stellen op een andere plaats dan haar plaats van aanwerving.
31 Ingevolge artikel 90, lid 1, van het Statuut geldt indien bij het verstrijken van een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de dag van indiening van een verzoek, in casu 29 mei 1991, een uitdrukkelijk antwoord op dit verzoek uitblijft, dit als een stilzwijgend besluit tot afwijzing, waartegen krachtens artikel 90, lid 2, binnen een nieuwe termijn van drie maanden een klacht kan worden ingediend.
32 In casu stelt het Gerecht vast, dat verzoekster niet binnen de daartoe door het Statuut voorgeschreven termijn een administratieve klacht heeft ingediend tegen de stilzwijgende weigering van het tot aanstelling bevoegd gezag om haar verzoek in te willigen. Hieruit volgt dat het onderhavige beroep niet ontvankelijk moet worden verklaard, voor zover het betrekking heeft op de vaststelling van verzoeksters plaats van herkomst op een andere plaats dan de plaats van aanwerving.
33 Bijgevolg moet het onderhavige beroep, waarvan de eerste drie onderdelen ongegrond zijn en het vierde onderdeel niet-ontvankelijk is, worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
34 Ter terechtzitting heeft verweerster verzocht, wegens het naar zij stelde belachelijk lage financiële belang van het onderhavige geding, ingevolge artikel 87, lid 3, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering verzoekster te verwijzen in alle kosten. Volgens die bepaling kan het Gerecht een partij, ook wanneer zij in het gelijk wordt gesteld, veroordelen tot vergoeding van de door haar toedoen aan de wederpartij opgekomen kosten die naar het oordeel van het Gerecht nodeloos of vexatoir zijn veroorzaakt.
35 Het Gerecht stelt vast, dat verweerster, gelet op de financiële gevolgen van het bestreden besluit, het financiële belang van het geding kennelijk onjuist beoordeelt. Aangezien de bepaling van de regelmatige woonplaats van de betrokkene op een bepaald moment moeilijk is, omdat daarbij een ingewikkeld geheel van feitelijke elementen moet worden beoordeeld, kan onderhavig verzoek voorts niet als overbodig of ongerechtvaardigd worden beschouwd. Derhalve kan het verzoek van de verwerende instelling niet worden aanvaard.
36 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Volgens artikel 88 van dit Reglement blijven evenwel de kosten door de instellingen in beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen gemaakt, te hunnen laste. Derhalve dient het Gerecht te beslissen, dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy