Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Ambtenaren ° Verlof ° Jaarlijks verlof ° Beëindiging van dienst ° Vergoeding voor niet opgenomen verlofdagen ° Toekenningsvoorwaarde ° Rechtvaardiging om redenen van dienstbelang
(Ambtenarenstatuut, art. 57; bijlage V, art. 4, eerste en tweede alinea)
Samenvatting
Uit de eerste twee alinea' s van artikel 4 van bijlage V bij het Ambtenarenstatuut blijkt duidelijk, dat de ambtenaar die bij de beëindiging van zijn dienst zijn jaarlijks verlof niet volledig heeft opgenomen, zonder enige beperking recht heeft op de betaling van een vergoeding voor alle om redenen van dienstbelang niet opgenomen verlofdagen. Dit artikel juncto artikel 57 Ambtenarenstatuut houdende vaststelling van de duur van het jaarlijks verlof waarop de ambtenaar recht heeft, stelt als enige voorwaarde voor de aanspraak op financiële vergoeding voor meer dan 12 bij de beëindiging van de dienst niet opgenomen verlofdagen, dat het niet opnemen van verlofdagen zijn grond vond in redenen van dienstbelang.
De administratie kan derhalve het aantal voor vergoeding in aanmerking komende verlofdagen niet beperken. Evenmin kan zij bijkomende voorwaarden, met name van procedurele aard, stellen die afbreuk kunnen doen aan het statutaire recht op vergoeding voor het jaarlijks verlof dat een ambtenaar vóór de beëindiging van zijn dienst om redenen van dienstbelang niet heeft kunnen opnemen. Met name het vereiste van een schriftelijke verklaring van de hiërarchieke meerdere van de belanghebbende, met opgave van de redenen van dienstbelang die de weigering van een verlofaanvraag van de betrokken ambtenaar rechtvaardigen, is niet aanvaardbaar, voor zover het de betrokkene het recht ontneemt met alle middelen te bewijzen, dat hij zijn verlofdagen om redenen van dienstbelang heeft moeten opsparen.
Partijen
In zaak T-66/91,
F. Pasetti Bombardella, vertegenwoordigd door A. Wildgen, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg te diens kantore, Rue Zithe 6,
verzoeker,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Campinos, juridisch adviseur, en ter terechtzitting door F. Vainker, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigden, bijgestaan door H. Vandenberghe, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij zijn secretariaat-generaal, Kirchberg,
verweerder,
betreffende de vergoeding voor de door verzoeker op het tijdstip van zijn pensionering nog niet opgenomen verlofdagen,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: B. Vesterdorf, kamerpresident, A. Saggio en J. Biancarelli, rechters,
griffier: B. Pastor, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 24 juni 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten en het procesverloop
1 Verzoeker, voormalig directeur-generaal en juridisch adviseur van het Parlement, werd, na 37 jaar dienst bij deze instelling, per 31 december 1989 gepensioneerd.
2 Op 14 maart 1990 betaalde het Parlement hem het nettobedrag van 452 599 BFR als vergoeding voor 30 niet opgenomen verlofdagen. Op 11 december daaraanvolgend verzocht verzoeker om de berekening van de vergoeding voor al zijn niet opgenomen verlofdagen. Die berekening werd hem bij brief van 14 januari 1991 toegezonden. Er bleek uit, dat het totale aantal niet opgenomen verlofdagen 56,5 bedroeg, waarvan 34 dagen ingevolge het recht op vakantie over het jaar 1989, en dat uitdrukkelijk was voorzien in de betaling van een financiële vergoeding voor 30 niet opgenomen verlofdagen, overeenkomend met "het maximum aan over het jaar 1989 verkregen rechten, overeenkomstig bijgaande nota van de secretaris-generaal van 8 december 1989". Nadien maakte de administratie verzoeker er bij brief van 15 februari 1991 op attent, dat in de berekening per abuis naar de nota van 8 december 1989 werd verwezen in plaats van naar die van 1 augustus 1989, waarvan hem overigens een kopie met de berekening zou zijn toegestuurd.
3 De nota waarop de berekening was gebaseerd, was op 1 augustus 1989 door de secretaris-generaal van het Parlement, Vinci, toegezonden aan Pasetti Bombardella als juridisch adviseur, aan de directeur-generaal en aan de directeur Informatica, alsmede aan de secretarissen-generaal van de parlementsfracties. De punten 1, 2, 3 en 5 ervan luidden als volgt:
"1) De ambtenaren en personeelsleden dienen hun verlofdagen zoveel mogelijk op te nemen in het jaar in de loop waarvan het recht op verlof ontstaat, en in geen geval meer verlofdagen over te boeken dan de 12 die zonder meer kunnen worden overgeboekt.
4 In casu was de berekening van verzoekers rechten op financiële vergoeding voor niet opgenomen verlofdagen op de volgende wijze tot stand gekomen.
Op 7 november 1989 had de kabinetsdirecteur van de voorzitter de directeur-generaal Personeelszaken, begroting en financiën een nota doen toekomen van de volgende inhoud:
"In verband met de hem opgedragen taken zal F. Pasetti Bombardella vóór het einde van dit jaar niet al zijn verlofdagen kunnen opnemen."
In antwoord hierop had de secretaris-generaal op 8 december 1989 een nota aan de voorzitter van het Parlement gezonden, waarin hij verklaarde te begrijpen, dat verzoeker "om dwingende redenen van dienstbelang" in de onmogelijkheid verkeerde zijn verlof volledig op te nemen. Hij stelde voor, de geldelijke vergoeding tot 30 niet opgenomen verlofdagen te beperken, hetgeen "het maximum is volgens de geldende regeling", dat wil zeggen volgens zijn bovengenoemde nota van 1 augustus 1989. Op die nota van 8 december 1989 had de kabinetsdirecteur van de voorzitter de volgende handgeschreven opmerking aangebracht: "Ik ga akkoord met Vinci. Toen ik de nota van 7 november tekende, wist ik niet dat Pasetti per 31 december met pensioen gaat. J. Pons."
5 Na de ontvangst, op 14 januari 1991, van de gevraagde berekening van zijn rechten op vergoeding, waarbij die vergoeding tot 30 niet opgenomen verlofdagen werd beperkt, zond verzoeker op 20 februari 1991 een brief aan de secretaris-generaal, waarin hij deze verzocht om uitbetaling van alle verlofdagen die hij vóór zijn vertrek bij het Parlement niet had opgenomen. Zakelijk weergegeven stelde hij, dat alleen de behoeften van de dienst hem verhinderd hadden zijn jaarlijks verlof op te nemen, en dat de administratie de rechten die hij bij zijn pensionering had, niet kon intrekken. Bij brief van 10 mei 1991 aan de secretaris-generaal preciseerde verzoeker, dat zijn brief van 20 februari 1991 als een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut was te beschouwen.
6 Na het arrest van het Gerecht van 26 september 1990 (zaak T-139/89, Virgili-Schettini, Jurispr. 1990, blz. II-535, summiere publikatie) schreven de bevoegde diensten op 3 juni 1991 een opdracht uit tot betaling aan verzoeker van een bedrag van 497 974 BFR bruto, als vergoeding voor 26,5 niet opgenomen verlofdagen. Op 6 september 1991 weigerde de financieel controleur visa te verlenen voor die betalingsopdracht, met als motivering onregelmatigheid van de betalingsopdracht, gelet op de interne regeling voor de uitvoering van de begroting van het Parlement, en schending van het beginsel van goed financieel beheer.
7 Op 3 juni 1991 richtte de directeur-generaal Personeelszaken, begroting en financiën een mededeling aan het personeel, waarin hij verklaarde, dat "het Statuut geen grens stelt aan de mogelijkheid niet opgenomen verlofdagen over te boeken of, bij de definitieve beëindiging van de dienst, te doen uitbetalen. Maar afgezien van de 12 dagen die zonder meer kunnen worden overgeboekt, stelt het overboeking afhankelijk van de voorwaarde, dat het verlof om redenen van dienstbelang niet kon worden opgenomen." In dat verband wordt in de mededeling gepreciseerd, dat "overboeking niet langer zal worden toegestaan op grond van een simpele verklaring inzake het dienstbelang: men zal verscheidene, in de loop van het jaar ingediende en geweigerde verzoeken om verlof moeten overleggen, met nauwkeurige vermelding van de redenen".
8 Toen een uitdrukkelijk antwoord van de administratie op zijn klacht uitbleef, heeft verzoeker bij op 17 september 1991 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift beroep ingesteld tot nietigverklaring van de berekening van 14 januari 1991 van zijn rechten op vergoeding. De schriftelijke behandeling heeft een normaal verloop gehad. Het Gerecht heeft het Parlement enkele vragen gesteld, teneinde te kunnen bepalen op welke datum verzoeker voor het eerst kennis had gekregen van het bestreden besluit. Op de vraag over de eventuele toezending van een salarisafrekening heeft het Parlement geantwoord, dat de financiële vergoeding voor 30 niet opgenomen verlofdagen in maart 1993 was uitbetaald, en dat deze betaling "volgens de gegevens waarover het beschikt, niet vergezeld ging van enig ander document" dan de volgende mededeling op het overschrijvingsformulier: "Emolumenten 90/03 valuta 14.3.1990". Over de datum waarop de berekening van zijn niet opgenomen verlofdagen voor het eerst aan verzoeker was meegedeeld, heeft het Parlement verklaard, geen nauwkeurige informatie over de datum van verzending te kunnen verstrekken, maar dat dat vermoedelijk in het laatste kwartaal van 1990 was gebeurd. Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht overeenkomstig artikel 53 van zijn Reglement voor de procesvoering besloten, zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Partijen zijn op 24 juni 1992 in hun pleidooien gehoord.
Conclusies van partijen
9 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
° het Parlement te veroordelen hem een vergoeding te betalen voor de 26,5 verlofdagen, waarop hij recht had per 31 december 1989, de datum waarop hij met pensioen is gegaan, alsmede rente over dat bedrag vanaf dezelfde datum.
° het Parlement in de kosten te verwijzen.
Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep ongegrond te verklaren;
° verzoeker in de kosten te verwijzen.
Middelen en argumenten van partijen
10 Tot staving van zijn verzoek stelt verzoeker schending van artikel 4, tweede alinea, van bijlage V bij het Statuut, luidens hetwelk "indien de ambtenaar zijn vakantieverlof bij beëindiging van de dienst niet volledig heeft opgenomen, hem als compensatie voor elke niet genoten verlofdag een bedrag wordt uitbetaald, gelijk aan 1/30 van zijn maandelijkse bezoldiging op het ogenblik van de beëindiging van de dienst". Hij stelt, dat het bestreden besluit, door de financiële vergoeding tot 30 niet opgenomen verlofdagen te beperken, de statutaire bepalingen schendt, zoals deze met name zijn uitgelegd in het arrest van het Gerecht van 26 september 1990 (Virgili-Schettini, reeds aangehaald).
11 Verzoeker wijst erop, dat niet wordt betwist, dat het redenen van dienstbelang waren die hem hebben belet zijn jaarlijks verlof vóór zijn pensionering op te nemen. Hij baseert zich op de nota van de kabinetsdirecteur van de voorzitter van het Parlement van 7 november 1989, waarin werd verklaard dat hij in verband met de hem opgedragen taken vóór het einde van 1989 niet al zijn verlofdagen zou kunnen opnemen. Hij merkt op, dat de kabinetsdirecteur bevoegd was de overboeking van zijn verlofdagen toe te staan, "daar de administratie en de secretaris-generaal hem (...) zowel bij het Parlement als bij de andere instellingen beschouwen als de alter ego van de voorzitter. Het antwoord komt immers van hem, en niet van de voorzitter." In zijn naar aanleiding van de nota van de kabinetsdirecteur tot de voorzitter gerichte nota van 8 december 1989 had de secretaris-generaal bovendien erkend, dat verzoeker "om dwingende redenen van dienstbelang in de onmogelijkheid verkeerde zijn verlof volledig op te nemen". Dat de kabinetsdirecteur toen niet van verzoekers aanstaande pensionering op de hoogte was, is zonder belang voor het bestaan van de redenen van dienstbelang, die de overboeking van de verlofdagen rechtvaardigen. Wat de bewering betreft, dat de toestemming voor die overboeking te laat zou zijn gegeven, wijst verzoeker erop, dat de administratie te allen tijde kan beoordelen of er redenen van dienstbelang zijn (zie arrest Gerecht van 26 september 1990, Virgili-Schettini, reeds aangehaald, r.o. 26).
Ter terechtzitting heeft verzoeker voorts beklemtoond, dat van een juridisch adviseur in algemene dienst niet kan worden verlangd, dat hij aantoont, dat zijn directe chef om redenen van dienstbelang hem in een bepaald geval verlof heeft geweigerd. Genoemde nota van de kabinetsdirecteur van de voorzitter van het Parlement zou bijgevolg afdoende bewijs zijn.
12 Voorts heeft verzoeker het Gerecht verzocht, een aantal beweringen van het Parlement als "schadelijk voor zijn goede naam" te beschouwen en uit het dossier te verwijderen. Hij heeft daarbij het oog op de volgende bemerkingen:
° in paragraaf 25 van het verweerschrift: "zonder ook maar rekening te houden met het loyaliteits- en vertrouwensbeginsel dat aan administratieve betrekkingen ten grondslag moet liggen";
° in paragraaf 29: "Kortom en als algemene conclusie verwijst verweerder, tot staving van zijn stelling, naar het beginsel 'nemo auditur propriam turpitudinem allegans' ;
° alsmede een aantal beweringen van de intern controleur.
13 Het Parlement betoogt, dat uit artikel 4 van bijlage V bij het Statuut, dat de overboeking van het aantal anders dan om dienstredenen niet opgenomen verlofdagen tot twaalf beperkt, gelezen in samenhang met artikel 57 van het Statuut, waarin het aantal jaarlijkse verlofdagen wordt vastgesteld, duidelijk voortvloeit, dat iedere ambtenaar zowel het recht als de plicht heeft, zijn jaarlijks verlof volledig gedurende het betrokken jaar op te nemen, behoudens de mogelijkheid van overboeking van twaalf dagen. Volgens het Parlement staat het Statuut de betaling van een financiële vergoeding bij pensionering enkel toe, indien de ambtenaar, na zijn verlof tijdig te hebben aangevraagd, om redenen van dienstbelang en zijns ondanks een weigering krijgt. De voor het verkrijgen van toestemming tot overboeking te volgen procedure is in punt 2 van de nota van 1 augustus 1988 vastgelegd.
14 In casu, aldus het Parlement, is deze procedure niet gevolgd. Zakelijk weergegeven stelt het, dat het besluit van 7 november 1989, waarop verzoeker zijn aanspraak op een financiële vergoeding voor 56,5 niet opgenomen verlofdagen baseert, niet regelmatig tot stand is gekomen. Tot staving hiervan voert het vier verweermiddelen aan, onderscheidenlijk ontleend aan onbevoegdheid van de opsteller van de nota, de autonomie van verzoeker bij de organisatie van zijn werkzaamheden, zijn plicht de kabinetsdirecteur van de voorzitter op de hoogte te stellen van zijn aanstaande pensionering, de ernstige financiële gevolgen van zijn verzoek om overboeking en, ten slotte, de late indiening van zijn verzoek.
15 In de eerste plaats stelt het Parlement, dat de kabinetsdirecteur van de voorzitter niet gemachtigd en bevoegd was overboeking van niet opgenomen verlofdagen toe te staan. Verzoeker ressorteerde rechtstreeks onder de voorzitter en verkeerde in de administratieve positie van ambtenaren in algemene dienst, overeenkomstig hetgeen het Bureau van het Parlement tijdens zijn vergadering van 10 september 1985 had besloten.
Het Parlement wijst erop, dat de overboeking van niet opgenomen verlofdagen in 1987 en in 1988 door de voorzitter was goedgekeurd. Bovendien had de voorzitter, ingevolge een nota van de directeur-generaal Personeelszaken van 6 februari 1986, volgens welke een maandelijks overzicht van de kosten van dienstreizen van verzoeker ter informatie door de voorzitter moest worden geviseerd, de maandelijkse overzichten van verzoekers dienstreizen in 1988 en 1989 ondertekend. Hieruit blijkt, dat de kabinetsdirecteur van de voorzitter vóór zijn nota van 7 november 1989 nooit was betrokken bij besluiten ter goedkeuring van overboeking van verlofdagen of van dienstreizen. Bovendien wil de praktijk, dat de kabinetsdirecteur van de voorzitter, wanneer hij kennis geeft van een besluit van laatstgenoemde, er onderaan in zijn eigen handschrift "akkoord van de voorzitter" op vermeldt en tekent. In deze omstandigheden meent het Parlement, dat verzoeker, die niet onwetend kon zijn over de bevoegdheid terzake van de kabinetsdirecteur, zich niet op de nota van 7 november 1989 kan beroepen.
16 In de tweede plaats betoogt het Parlement, dat verzoeker over een zeer ruime autonomie bij de organisatie van zijn werkzaamheden beschikte. Hij had dus verlof kunnen opnemen door taken te delegeren aan een of meer ambtenaren die onder zijn verantwoordelijkheid werkten en die bevoegd waren een dergelijke delegatie te ontvangen.
17 In de derde plaats betoogt het Parlement, dat verzoeker, rekening houdend met het loyaliteits- en vertrouwensbeginsel dat de administratieve betrekkingen dient te beheersen en waarop het Hof in zijn arrest van 19 april 1988 heeft gewezen (gevoegde zaken 175/86 en 209/86, M., Jurispr. 1988, blz. 1891, r.o. 21), de kabinetsdirecteur van de voorzitter naar aanleiding van diens nota van 7 november 1989 had moeten informeren over zijn pensionering per 1 januari 1990 en over de mogelijke financiële gevolgen van genoemde nota, te weten een uitgave ten laste van de begroting van ongeveer 1 055 000 BFR. Dat had ertoe kunnen leiden, dat men de redenen van dienstbelang die als motief voor de overboeking van verlof waren aangevoerd, met andere ogen had bezien.
18 In de vierde plaats verwijt het Parlement verzoeker, een aanvraag om overboeking van 56,5 verlofdagen pas 30 werkdagen vóór zijn pensionering te hebben ingediend. Uit de ratio van artikel 4 van bijlage V bij het Statuut, uit de regels van goed beheer en uit genoemd loyaliteits- en vertrouwensbeginsel vloeit immers voort, dat dergelijke aanvragen vroeg genoeg moeten worden ingediend om de bevoegde instantie de mogelijkheid te geven de overboeking te weigeren. In dit verband is het argument dat verzoeker ontleent aan het arrest van het Hof van 26 september 1990 (Virgili-Schettini, reeds aangehaald), irrelevant; in die zaak ging het immers om het bewijs van het bestaan van een op het dienstbelang gebaseerde rechtvaardiging, en niet om de datum waarop om erkenning van een dergelijke rechtvaardiging werd verzocht. Het Parlement concludeert derhalve, dat het beginsel "nemo auditur", door het Hof bevestigd in zijn arrest van 13 juli 1972 (zaak 90/71, Bernardi, Jurispr. 1972, blz. 603, r.o. 10), zich ertegen verzet, dat de nota van 7 november 1989 rechtsgevolg sorteert.
19 Op de vraag van het Gerecht ter terechtzitting, waarom het, terwijl het verzoekers aanspraak op vergoeding voor 56,5 verlofdagen betwist omdat verzoeker de procedure van punt 2 van de nota van 1 augustus 1989 niet heeft nageleefd, hem toch een gedeeltelijke financiële vergoeding voor 30 dagen heeft toegekend, heeft het Parlement verklaard, dat het onderhavige geding de nog niet vergoede 26,5 dagen betreft, maar dat het, afhankelijk van het arrest dat in casu zal worden gewezen, eventueel zal nagaan of de reeds aan verzoeker betaalde financiële vergoeding als onverschuldigd betaald moet worden teruggevorderd.
Beoordeling rechtens
20 Het Gerecht stelt in limine vast, dat de vordering van verzoeker om een aantal beweringen van verweerster als zogenaamd "schadelijk voor zijn goede naam" uit het dossier te verwijderen, ongegrond is. Verzoeker heeft daarbij het oog op enkele door het Parlement in het kader van zijn middelen aangevoerde argumenten, gebaseerd op rechtsbeginselen zoals loyaliteit en vertrouwen in de administratieve betrekkingen of het "nemo auditur"-beginsel, waarop verzoeker zowel in zijn schriftelijke opmerkingen als ter terechtzitting met juridische en feitelijke argumenten heeft kunnen antwoorden. Voorts geeft verzoeker niet nauwkeurig aan, welke de andere beweringen zijn die zijns inziens beledigend of lasterlijk zijn. In deze omstandigheden kan die vordering niet worden toegewezen.
21 Wat de weigering van de administratie betreft om meer dan 30 van de door verzoeker bij zijn pensionering niet opgenomen verlofdagen te vergoeden, dient het Gerecht in het kader van zijn volledige rechtsmacht na te gaan, of verzoekers vordering tot veroordeling van het Parlement tot vergoeding van alle niet opgenomen verlofdagen moet worden toegewezen.
22 Dienaangaande moet er allereerst aan worden herinnerd, dat volgens de eerste alinea van artikel 4 van bijlage V bij het Statuut, "indien de ambtenaar zijn vakantieverlof anders dan om redenen van dienstbelang vóór het einde van het kalenderjaar niet volledig heeft opgenomen, hij ten hoogste twaalf verlofdagen naar het volgende jaar (kan) doen overboeken". Volgens de tweede alinea van dat artikel wordt, "indien de ambtenaar zijn vakantieverlof bij beëindiging van de dienst niet volledig heeft opgenomen, (...) hem als compensatie voor elke niet genoten verlofdag een bedrag uitbetaald, gelijk aan 1/30 van zijn maandelijkse bezoldiging op het ogenblik van beëindiging van de dienst".
23 De aangehaalde bepalingen van het Statuut voorzien dus duidelijk en zonder enige beperking in de betaling van een vergoeding voor alle om redenen van dienstbelang niet opgenomen verlofdagen. Deze rechtvaardiging ° redenen van dienstbelang ° van het cumuleren van niet opgenomen jaarlijkse verlofdagen is de enige voorwaarde waarvan genoemde bepalingen van bijlage V bij het Statuut, gelezen in samenhang met artikel 57 van het Statuut houdende vaststelling van de duur van het jaarlijkse verlof waarop de ambtenaar recht heeft, de aanspraak op financiële vergoeding voor meer dan twaalf op het tijdstip van pensionering niet opgenomen verlofdagen doen afhangen.
24 Derhalve kan de administratie de vergoeding voor het om redenen van dienstbelang niet opgenomen verlof niet tot 30 dagen beperken, zoals het Parlement ter terechtzitting overigens uitdrukkelijk heeft toegegeven. Evenmin kan zij nadere voorwaarden, met name van procedurele aard, stellen die afbreuk kunnen doen aan het statutaire recht op vergoeding voor het jaarlijks verlof dat de ambtenaar vóór de beëindiging van de dienst om redenen van dienstbelang niet heeft kunnen opnemen.
25 In casu is het Gerecht van oordeel, dat de voorwaarden waarop het Parlement zich beroept en waarvan volgens punt 2 van de nota van 1 augustus 1989 de overboeking van verlofdagen afhankelijk is, inbreuk maken op de in artikel 4, eerste en tweede alinea, van bijlage V omschreven statutaire rechten. Het in genoemde nota geformuleerde dwingende en exclusieve vereiste van een schriftelijke verklaring van de directe chef met opgave van de redenen van dienstbelang die de weigering van een verzoek van de ambtenaar om verlof rechtvaardigen, is immers onaanvaardbaar voor zover het de ambtenaar het recht ontneemt, door alle middelen te bewijzen, dat hij zijn verlofdagen om redenen van dienstbelang heeft moeten opsparen.
26 In de rechtspraak is de onregelmatigheid van dergelijke beperkende voorwaarden uitdrukkelijk bevestigd. In zijn arrest van 26 september 1990 (Virgili-Schettini, reeds aangehaald, r.o. 26) oordeelde het Gerecht immers, dat "nergens in de relevante bepalingen is (...) bepaald, hoe en wanneer het bewijs van 'redenen van dienstbelang' moet worden geleverd. Evenmin is er een bepaling die een voorafgaande toestemming of een soortgelijke procedure voorschrijft." Dit arrest is in hogere voorziening bevestigd door het Hof, dat oordeelde, "dat de instellingen in het kader van de hun toegekende interne organisatiebevoegdheid weliswaar een interne verlofprocedure mogen vaststellen, doch dat deze procedure de ambtenaar niet het recht mag ontnemen om met alle bewijsmiddelen aan te tonen dat het overschot aan verlofdagen het gevolg is van redenen van dienstbelang" (arrest Hof van 5 november 1991, zaak C-348/90 P, Virgili-Schettini, Jurispr. 1991, blz. I-5211, r.o. 11).
27 In casu vloeit daaruit voort, dat het recht op financiële vergoeding voor de 56,5 niet opgenomen verlofdagen uitsluitend afhangt van het bestaan van redenen van dienstbelang, die verzoeker hebben belet het jaarlijks verlof waarop hij recht had, op te nemen.
28 Wat dit punt betreft, blijkt duidelijk uit het dossier, dat het Parlement nooit heeft betwist dat het de behoeften van de dienst waren die verzoeker hebben belet, zijn jaarlijks verlof vóór zijn pensionering op te nemen. Ter terechtzitting heeft het Parlement dit trouwens uitdrukkelijk bevestigd. Aan de voorwaarde voor het recht op vergoeding voor de vóór de definitieve beëindiging van zijn dienst door verzoeker niet opgenomen 56,5 jaarlijkse verlofdagen is derhalve voldaan, zonder dat behoeft te worden nagegaan of zijn directe chef in 1989 vooraf toestemming tot overboeking had gegeven. Voor zijn weigering de om redenen van dienstbelang door verzoeker niet opgenomen verlofdagen te vergoeden, kan het Parlement immers niet aanvoeren dat die voorafgaande toestemming ontbreekt, waar het zelf toegeeft dat die redenen in casu wel degelijk bestonden.
29 Aangezien het Gerecht in dit geding volledige rechtsmacht heeft, moet het besluit van 14 januari 1991 worden nietigverklaard, voor zover het in strijd is met de rechten van verzoeker zoals hierboven gepreciseerd, en moet het Parlement worden veroordeeld hem een financiële vergoeding te betalen voor de nog niet vergoede niet opgenomen 26,5 verlofdagen waarop hij bij zijn pensionering recht had.
30 Aangaande verzoekers vordering tot betaling van moratoire interessen herinnert het Gerecht eraan, dat bij de vaststelling of er vertraging is en of die vertraging ongerechtvaardigd is, in aanmerking moet worden genomen dat de instellingen moeten kunnen beschikken over een ° gelet op de omstandigheden van de zaak en de ingewikkeldheid van het dossier ° redelijke termijn om tot een besluit te komen (zie arresten Gerecht van 26 februari 1992, zaak T-16/89, Herkenrath e.a., Jurispr. 1992, blz. II-275, r.o. 38, en gevoegde zaken T-17/89, T-21/89 en T-25/89, Brazzelli Lualdi e.a., Jurispr. 1992, blz. II-293, r.o. 37).
31 In casu dient het Parlement te worden veroordeeld tot betaling van moratoire interessen op de voet van 8 % 's jaars vanaf 14 maart 1990, de datum waarop het binnen een redelijke termijn het door verzoeker bij de definitieve beëindiging van zijn dienst op 31 december 1989 niet opgenomen verlof gedeeltelijk heeft vergoed.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
32 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen voor zover dit is gevorderd. Aangezien het Parlement in het ongelijk is gesteld, moet het in alle kosten worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)
rechtdoende:
1) Verklaart nietig het besluit van het Europees Parlement van 14 januari 1991, voor zover het de vergoeding voor het door verzoeker bij beëindiging van zijn dienst niet opgenomen jaarlijks verlof beperkt tot 30 dagen.
2) Veroordeelt het Europees Parlement tot betaling aan verzoeker van een financiële vergoeding voor de nog niet vergoede niet opgenomen 26,5 verlofdagen, waarvan het bedrag overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, tweede alinea, van bijlage V bij het Statuut zal worden vastgesteld en vermeerderd met moratoire interessen op de voet van 8 % 's jaars vanaf 14 maart 1990.
3) Verwijst het Europees Parlement in alle kosten.
Full & Egal Universal Law Academy