Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Ambtenaren ° Bezoldiging ° Gezinstoelagen ° Kind van twee gescheiden ambtenaren, dat daadwerkelijk door beiden wordt onderhouden ° Gelijktijdig recht van beide ambtenaren op toelagen, onafhankelijk van voogdij ° Uitbetaling van toelagen aan persoon die voogdij uitoefent
(Ambtenarenstatuut, art. 67, leden 1 en 2; bijlage VII, art. 1, lid 2, sub b, 2, leden 1 en 2, en 3)
Samenvatting
Enkel het kind dat daadwerkelijk door de ambtenaar wordt onderhouden, kan worden aangemerkt als te zijnen laste komend kind in de zin van artikel 2, lid 2, eerste alinea, van bijlage VII bij het Statuut en derhalve recht doen ontstaan op ontvangst van de gezinstoelagen bedoeld in artikel 67, lid 1, van het Statuut. Dienaangaande verzet niets zich ertegen, dat een kind kan worden geacht door meer personen tegelijk daadwerkelijk te worden onderhouden. Indien twee gescheiden gemeenschapsambtenaren daadwerkelijk voorzien in de wezenlijke behoeften van de uit hun huwelijk geboren kinderen en dus beiden deze kinderen ten laste hebben, hebben bijgevolg beiden recht op de kostwinnerstoelage krachtens artikel 1, lid 2, sub b, van bijlage VII bij het Statuut, alsmede op de kindertoelage en de schooltoelage onder de in respectievelijk de artikelen 2, lid 1, en 3, eerste alinea, van deze bijlage gestelde voorwaarden.
Met inachtneming van de bestaande feitelijke situatie moet worden bepaald, wie daadwerkelijk voorziet in het onderhoud van de kinderen. De administratie kan zich niet beperken tot de vaststelling, dat de kinderen bij rechterlijke beslissing aan een van de twee ambtenaren zijn toevertrouwd om daaruit op te maken dat deze ambtenaar alleen voorziet in het daadwerkelijk onderhoud van de kinderen, en bijgevolg de toekenning van de gezinstoelagen aan de andere ouder weigeren.
De gezinstoelagen, die bestemd zijn voor het uitsluitend onderhoud van de kinderen, moeten worden uitbetaald aan de persoon aan wie op grond van wettelijke bepalingen dan wel een uitspraak van de rechter of van de bevoegde administratieve autoriteit de kinderen zijn toevertrouwd. Indien deze persoon een van de twee gescheiden gemeenschapsambtenaren is, worden de gezinstoelagen aan hem uitbetaald zowel voor eigen rekening en op eigen naam als voor rekening en op naam van de ander, met dien verstande dat hij overeenkomstig het in artikel 67, lid 2, van het Statuut geformuleerde algemene beginsel niet tweemaal toelagen van dezelfde aard kan ontvangen.
Partijen
In zaak T-69/91,
G. Peroulakis, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Brussel, vertegenwoordigd door A. Damis, advocaat te Athene, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij E. Kaili, Rue Adolphe Fisher 62,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur D. Gouloussis als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 18 januari 1991 om de kostwinnerstoelage, de kindertoelage en de schooltoelage per 1 januari 1991 uit te betalen aan de persoon aan wie verzoekers kinderen zijn toevertrouwd, als rechthebbende,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. W. Bellamy, kamerpresident, H. Kirschner en C. P. Briët, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 12 november 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Verzoeker, van Griekse nationaliteit, is adjunct-assistent in de rang B 4, tewerkgesteld bij het directoraat-generaal XI, "Milieuzaken, nucleaire veiligheid en civiele bescherming", van de Commissie.
2 In 1984 huwde hij met A. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren. A is eveneens ambtenaar van de Commissie in een lagere rang dan verzoeker.
3 Bij vonnis van 5 december 1990 van het kantongerecht te Athene, dat op 3 januari 1991 in de registers van de burgerlijke stand te Athene is ingeschreven, werd het huwelijk ontbonden verklaard. Bij dat vonnis werd tevens de overeenkomst bekrachtigd die verzoeker en zijn vroegere echtgenote op 9 februari 1990 hadden gesloten met betrekking tot de zorg voor en het levensonderhoud van hun kinderen, en met betrekking tot het bezoekrecht van verzoeker.
4 Op grond van die overeenkomst waren de kinderen van partijen aan de vroegere echtgenote toevertrouwd. Verzoeker verplichtte zich tot betaling aan zijn vroegere echtgenote van een bedrag van 6 000 BFR per kind per maand, welk bedrag was geïndexeerd aan de salarissen van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen.
5 Een afschrift van het vonnis van het kantongerecht te Athene van 5 december 1990 en van de overeenkomst van 9 februari 1990 werd toegezonden aan de bevoegde diensten van de Commissie. Bij nota van 18 januari 1991 deelde het hoofd van de eenheid "Individuele rechten" verzoeker het volgende mee:
"Mijn diensten zijn in het bezit van een door het kantongerecht te Athene gewezen echtscheidingsvonnis.
Blijkens dit document is de zorg voor de kinderen B en C toevertrouwd aan hun moeder, A.
Verordening nr. 2074/83 van de Raad, bekendgemaakt in Publikatieblad L 203 van 27.7.1983, bepaalt dat de gezinstoelagen voortaan worden uitgekeerd aan de persoon aan wie de zorg voor de kinderen is toevertrouwd.
Gezien het voorgaande, wordt het recht op de kindertoelage, de schooltoelage en de kostwinnerstoelage, die u tot nu toe heeft genoten, voortaan toegekend aan A, aan wie met ingang van 1 januari 1991 deze toelagen zullen worden uitgekeerd."
6 De vroegere echtgenote is op 27 april 1991 hertrouwd met een Grieks onderdaan, ambtenaar van de Commissie in een hogere rang dan verzoeker.
7 In de tussentijd had verzoeker op 27 februari 1991 een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut") ingediend tegen het besluit van de Commissie van 18 januari 1991. Vervolgens ontving verzoeker een op 11 juni 1991 gedateerd schrijven van de Commissie, waarin deze hem in kennis stelde van het besluit om het door hem aangesneden vraagstuk voor te leggen aan de interinstitutionele instanties, en erop wees, dat bij gebreke van een uitdrukkelijk besluit zijn klacht op 27 juni 1991 moest worden geacht stilzwijgend te zijn afgewezen.
8 Daarop heeft verzoeker bij op 26 september 1991 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld.
9 De schriftelijke behandeling heeft een normaal verloop gehad. Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
10 De mondelinge behandeling heeft op 12 november 1992 plaatsgehad. De vertegenwoordigers van partijen zijn in hun pleidooien gehoord en hebben vragen van het Gerecht beantwoord.
11 Na de sluiting van de mondelinge behandeling heeft de Commissie schriftelijk geantwoord op een vraag die het Gerecht ter terechtzitting had gesteld.
Conclusies van partijen
12 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
1) de herroeping te gelasten van het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van zijn klacht, dat moet worden geacht op 27 juni 1991 te zijn genomen;
2) de herroeping te gelasten van het hem bij nota van 18 januari 1991 meegedeelde besluit van de Commissie inzake de gezinstoelagen;
3) vast te stellen dat hij recht heeft op de kostwinnerstoelage, de kindertoelage en de schooltoelage en op elk ander door de Commissie toegekend voordeel;
4) te gelasten dat de kostwinnerstoelage, de kindertoelage en de schooltoelage voor zijn rekening en namens hem aan zijn vroegere echtgenote zullen worden uitgekeerd, zolang zij alle te zijnen laste komende kinderen verzorgt;
5) vast te stellen, dat hij recht op deze toelagen heeft met ingang van 1 januari 1991;
6) de Commissie te verwijzen in de kosten.
13 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
1) het beroep ongegrond te verklaren;
2) verzoeker te verwijzen in de kosten van het geding.
De ontvankelijkheid
14 In het derde en het vijfde onderdeel van het petitum verzoekt verzoeker het Gerecht om enkele verklaringen voor recht. Hiermee wordt in feite beoogd, de gegrondheid te doen vaststellen van een aantal van de middelen die hij tot staving van het beroep tot nietigverklaring heeft aangevoerd. Deze onderdelen dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat het niet aan het Gerecht staat om in het kader van de wettigheidstoetsing op grond van artikel 91 van het Statuut, dergelijke verklaringen te doen.
15 Met betrekking tot het vierde onderdeel van het petitum, waarin verzoeker het Gerecht vraagt een bevel tot de verwerende instelling te richten, heeft verzoeker ter terechtzitting een niet volstrekt duidelijk antwoord gegeven op de vraag van de rechter-rapporteur, of hij bereid was van die vordering afstand te doen. Dit onderdeel van het petitum moet evenwel hoe dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat het niet aan het Gerecht staat, in het kader van de wettigheidstoetsing op grond van artikel 91 van het Statuut, bevelen te richten tot de autoriteit belast met de tenuitvoerlegging van het in deze zaak te wijzen arrest.
Ten gronde
16 Tot staving van zijn conclusies voert verzoeker één middel aan, dat ontleend is aan schending van artikel 1, lid 2, sub b, junctis de artikelen 1, lid 5, en 2, lid 2, van bijlage VII bij het Statuut.
17 Genoemde bepalingen luiden als volgt:
"Artikel 1
(...)
2. De volgende ambtenaren hebben recht op de kostwinnerstoelage:
(...)
b) de ambtenaar die weduwnaar, van echt gescheiden, wettelijk gescheiden of ongehuwd is, en die een of meer te zijnen laste komende kinderen in de zin van artikel 2, leden 2 en 3, heeft;
(...)
5. Wanneer de ambtenaar uitsluitend uit hoofde van lid 2, sub b, recht heeft op de kostwinnerstoelage en al zijn kinderen die in de zin van artikel 2, leden 2 en 3, te zijnen laste zijn, op grond van wettelijke bepalingen dan wel een uitspraak van de rechter of van de bevoegde administratieve autoriteit aan een andere persoon zijn toevertrouwd, wordt de kostwinnerstoelage aan deze persoon uitgekeerd voor rekening van en namens de ambtenaar. Voor de meerderjarige kinderen ten laste wordt zulks geacht het geval te zijn wanneer zij gewoonlijk bij de andere ouder wonen.
(...)
Wanneer de persoon aan wie de kostwinnerstoelage van een ambtenaar op grond van de bovenstaande bepalingen moet worden uitgekeerd, zelf recht op deze toelage heeft, doordat hij ambtenaar of ander personeelslid is, wordt hem slechts de hoogste kostwinnerstoelage uitgekeerd.
Artikel 2
(...)
2. Als te zijnen laste komend kind wordt aangemerkt: een wettig, onwettig of geadopteerd kind van de ambtenaar of van diens echtgenoot, dat daadwerkelijk door hem wordt onderhouden.
(...)"
18 Soortgelijke bepalingen gelden voor de kindertoelage en de schooltoelage, te weten respectievelijk artikel 2, leden 1 en 7, en artikel 3, eerste en laatste alinea, van bijlage VII bij het Statuut.
Argumenten van partijen
19 Volgens verzoeker blijkt uit bovengenoemde bepalingen, dat het recht op de kostwinnerstoelage, de kindertoelage en de schooltoelage moet worden toegekend aan de persoon die daadwerkelijk de onderhoudskosten van de kinderen draagt.
20 Verzoeker betoogt, dat hij een onderhoudsverplichting heeft ten aanzien van zijn minderjarige kinderen, zowel krachtens de bepalingen van het Grieks burgerlijk wetboek als krachtens de overeenkomst van 9 februari 1990 met zijn vroegere echtgenote, welke overeenkomst door een Griekse rechterlijke instantie is bekrachtigd en in afschrift aan de diensten van de Commissie is toegezonden.
21 Verzoeker erkent, dat zijn vroegere echtgenote aan het onderhoud van de kinderen bijdraagt door de verzorging die zij hun geeft, maar wijst erop, dat de bedragen die hij haar betaalt, en de toelagen die door de Commissie worden toegekend, hun onderhoudskosten volledig dekken. Voorts neemt hij gedurende de vakantieperiodes, dus tenminste drie maanden per jaar, naast zijn normale financiële bijdrage ook de uitsluitende zorg voor het onderhoud van zijn kinderen op zich.
22 Er nadrukkelijk op wijzend, dat het bestreden besluit zowel de periode vóór als ná het hertrouwen van zijn vroegere echtgenote betreft, stelt verzoeker in repliek, dat door dat nieuwe huwelijk de vroegere situatie geenszins is gewijzigd, dat hij nog steeds overwegend de onderhoudskosten van zijn kinderen draagt en dat de nieuwe echtgenoot feitelijk noch rechtens gehouden is in die kosten bij te dragen.
23 In repliek betwist verzoeker voorts het argument van de Commissie, dat de wetgever de persoon aan wie de kinderen zijn toegewezen, heeft willen bevoordelen. Hij verwijst naar artikel 1, lid 5, derde alinea, van bijlage VII bij het Statuut, dat bepaalt dat bij cumulatie van kostwinnerstoelagen de hoogste van deze toelagen wordt uitgekeerd, waaruit hij afleidt, dat voor de wetgever het belang van de kinderen voorop staat.
24 De in geding zijnde gezinstoelagen moeten dus voor rekening van en namens verzoeker aan zijn vroegere echtgenote worden uitgekeerd. Ter terechtzitting heeft hij uiteengezet, dat hij, indien hij als rechthebbende wordt erkend, aanspraak zou hebben op een aantal voordelen, waaronder betaling van de reiskosten van zijn kinderen van zijn standplaats naar zijn plaats van herkomst, belastingaftrek voor kinderen ten laste en een hogere dagvergoeding bij overplaatsing.
25 Hoewel erkennend dat het in casu om een "grensgeval" gaat, acht de Commissie het bestreden besluit juist. Zij wijst erop, dat dit besluit slechts betrekking heeft op het tijdvak tussen 1 januari 1991 en de datum van het nieuwe huwelijk van verzoekers vroegere echtgenote, en betoogt, dat gedurende dit tijdvak zowel verzoeker als zijn vroegere echtgenote voldeden aan de in artikel 1, lid 2, sub b, van bijlage VII bij het Statuut gestelde voorwaarden voor toekenning van de kostwinnerstoelage, daar zij allebei kinderen ten laste hadden, dat wil zeggen kinderen in wier onderhoud zij daadwerkelijk bijdroegen.
26 In haar verweerschrift zet de Commissie uiteen, dat zij onder deze omstandigheden ervoor heeft gekozen, verzoekers vroegere echtgenote als rechthebbende op de betrokken toelagen aan te merken. Deze keuze berustte hierop, dat de wetgever haars inziens duidelijk zijn wil kenbaar heeft gemaakt, de persoon te bevoordelen aan wie de kinderen zijn toegewezen, door zowel in artikel 1, lid 5, laatste alinea, als in artikel 2, lid 7, van bijlage VII bij het Statuut te bepalen, dat aan deze de aldaar bedoelde gezinstoelagen worden uitgekeerd.
27 Ter terechtzitting heeft de Commissie gepreciseerd, dat het voor haar in wezen ging om de vraag, door wie de kinderen, los van elke wettelijke onderhoudsplicht, "daadwerkelijk worden onderhouden". Van mening dat dit moest worden opgevat als "hoofdzakelijk worden onderhouden", was zij tot de slotsom gekomen, dat in het onderhavige geval de vroegere echtgenote het grootste deel van de onderhoudskosten van de kinderen droeg, aangezien deze bij haar woonden en dit samenwonen dus meer uitgaven met zich meebracht, zoals bij voorbeeld huisvestingskosten.
28 Met betrekking tot de periode na het hertrouwen van verzoekers vroegere echtgenote stelde de Commissie voorts, dat vanaf die datum een nieuwe rechtssituatie was ontstaan. Omdat de kinderen bij verzoekers vroegere echtgenote en haar man wonen, voorzien zij in feite, en los van elke wettelijke onderhoudsplicht, voor het grootste deel in hun onderhoud. Daarom moet volgens de Commissie overeenkomstig artikel 1, lid 2, sub b, junctis artikel 2, lid 2, eerste alinea, en lid 5, in fine, van bijlage VII bij het Statuut, de nieuwe man van verzoekers vroegere echtgenote, die een hogere rang dan de beide andere belanghebbenden heeft, worden beschouwd als de rechthebbende op de in geding zijnde toelagen.
Beoordeling door het Gerecht
29 Vooraf zij erop gewezen, dat het Gerecht enkel de wettigheid heeft te controleren van het bestreden besluit zoals dit op 18 januari 1991 is genomen. Hierbij kan het Gerecht geen rekening houden met feiten of omstandigheden die zich eventueel na die datum hebben voorgedaan, zoals bij voorbeeld het nieuwe huwelijk van verzoekers vroegere echtgenote. Daarenboven zij opgemerkt, dat verweerster tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard, dat zij later geen ander besluit heeft genomen dan dat wat thans voorwerp van beroep is.
30 Vervolgens zij eraan herinnerd, dat artikel 1, lid 2, sub b, van bijlage VII bij het Statuut, getiteld "Nadere bepalingen betreffende bezoldiging en vergoeding van kosten", bepaalt, dat de ambtenaar die van echt gescheiden is en die een of meer te zijnen laste komende kinderen in de zin van artikel 2, leden 2 en 3, heeft, recht op de kostwinnerstoelage heeft; volgens de artikelen 2, lid 1, en 3, eerste alinea, geniet deze ambtenaar onder bepaalde voorwaarden voor ieder kind te zijnen laste een kindertoelage en een schooltoelage. Artikel 2, lid 2, eerste alinea, van deze bijlage bepaalt, dat als te zijnen laste komend kind wordt aangemerkt een wettig kind van de ambtenaar, dat daadwerkelijk door hem wordt onderhouden.
31 Blijkens de samenhang van deze bepalingen vormt het zinsdeel "dat daadwerkelijk door hem wordt onderhouden" in artikel 2, lid 2, eerste alinea, van bijlage VII het doorslaggevende criterium om te bepalen wie recht heeft op de kostwinnerstoelage en wie een kindertoelage en een schooltoelage geniet.
32 Dienaangaande oordeelde het Hof in zijn arrest van 28 november 1991 (zaak C-132/90 P, Schwedler, Jurispr. 1991, blz. I-5745), dat er niets op tegen is, dat een kind kan worden geacht door meer personen tegelijk daadwerkelijk te worden onderhouden. Bijgevolg kan een wettig kind van twee gescheiden gemeenschapsambtenaren worden geacht door deze beide ambtenaren te zamen daadwerkelijk te worden onderhouden en kan het dus worden geacht ten laste van beiden te zamen te komen.
33 Derhalve volgt uit de logica van artikel 1, lid 2, sub b, van bijlage VII bij het Statuut, dat indien twee gescheiden gemeenschapsambtenaren daadwerkelijk gezamenlijk voorzien in de wezenlijke behoeften van de uit hun door scheiding ontbonden huwelijk geboren kinderen en dus beiden deze kinderen ten laste hebben, beide ambtenaren recht op de kostwinnerstoelage hebben. In een dergelijk geval volgt verder uit de artikelen 2, lid 1, en 3, eerste alinea, van bijlage VII, dat beide gescheiden gemeenschapsambtenaren voor de ten laste van hen beiden komende kinderen de kindertoelage en de schooltoelage genieten onder de in die artikelen vastgestelde specifieke voorwaarden.
34 Het Gerecht wijst er verder nog op, dat naar het oordeel van het Hof de in artikel 67, lid 1, van het Statuut vermelde gezinstoelagen niet bestemd zijn voor het onderhoud van de ambtenaar, maar voor dat van het kind (arrest van 14 juni 1988, zaak 33/87, Christianos, Jurispr. 1988, blz. 2995), en dat artikel 67, lid 2, van het Statuut, dat als algemeen beginsel stelt, dat de ambtenaar die soortgelijke toelagen uit andere bron ontvangt, verplicht is deze op te geven, zodat ze in mindering kunnen worden gebracht, klaarblijkelijk ten doel heeft te voorkomen dat twee maal gezinstoelagen worden ontvangen (arrest van 11 oktober 1979, zaak 142/78, Berghmans, Jurispr. 1979, blz. 3125). In het geval dat twee gescheiden gemeenschapsambtenaren recht hebben op de kostwinnerstoelage en samen de kindertoelage en de schooltoelage genieten, moeten bijgevolg deze toelagen overeenkomstig de artikelen 1, lid 5, 2, lid 7, en 3, vierde alinea, van bijlage VII voor hun gezamenlijke rekening en namens hen worden uitgekeerd aan de persoon aan wie op grond van wettelijke bepalingen dan wel een uitspraak van de rechter of van de bevoegde administratieve autoriteit de uit het door scheiding ontbonden huwelijk geboren kinderen zijn toevertrouwd. Indien de persoon aan wie de kinderen zijn toevertrouwd, een van de twee gescheiden gemeenschapsambtenaren is, ontvangt deze de toelagen zowel voor eigen rekening en uit eigen naam als voor rekening en uit naam van de ander.
35 Ter terechtzitting heeft de Commissie verklaard, dat zij de uitdrukking "daadwerkelijk onderhouden" heeft opgevat als "hoofdzakelijk onderhouden". Zij was daarom van mening, dat verzoekers vroegere echtgenote in feite het grootste deel van de onderhoudskosten van de kinderen droeg, omdat deze bij haar woonden, en heeft op deze overweging het bestreden besluit gebaseerd.
36 Het Gerecht is van oordeel, dat de uitdrukking "daadwerkelijk onderhouden" moet worden uitgelegd als verwijzende naar de bestaande feitelijke situatie. Het Gerecht kan in het Statuut geen enkele rechtsgrond vinden voor de uitlegging van de Commissie, volgens welke "daadwerkelijk onderhouden" de betekenis zou hebben van "hoofdzakelijk onderhouden". Deze uitlegging zou trouwens ingaan tegen de teneur van 's Hofs arrest van 28 november 1991 (Schwedler, reeds aangehaald). De door de Commissie gegeven uitlegging moet derhalve worden afgewezen.
37 Om te bepalen, wie de kinderen van verzoeker en zijn vroegere echtgenote daadwerkelijk onderhoudt of onderhouden, moet de Commissie de bestaande feitelijke situatie onderzoeken en verifiëren.
38 Het Gerecht stelt vast, dat de Commissie in haar verklaringen heeft erkend, dat zij alvorens het bestreden besluit te nemen, niet heeft onderzocht noch geverifieerd, wie de kinderen van verzoeker en zijn vroegere echtgenote daadwerkelijk onderhield of onderhielden, en dat zij dus niet heeft vastgesteld, of verzoeker dan wel zijn vroegere echtgenote, dan wel beide, recht hadden op de kostwinnerstoelage, noch of verzoeker dan wel zijn vroegere echtgenote, dan wel beide, de kindertoelage en de schooltoelage konden genieten. Gezien het voorgaande is het Gerecht van oordeel, dat het bestreden besluit, waarin enkel op grond van de vaststelling dat blijkens het door het kantongerecht te Athene gewezen echtscheidingsvonnis de kinderen van verzoeker en zijn vroegere echtgenote aan laatstgenoemde zijn toegewezen, wordt bepaald dat "het recht op de kindertoelage, de schooltoelage en de kostwinnerstoelage voortaan wordt toegekend aan A", is genomen in strijd met de artikelen 1, lid 2, sub b, 2, leden 1 en 2, en 3, eerste alinea, van bijlage VII.
39 Mitsdien moet dit besluit in zoverre nietig worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
40 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart nietig besluit nr. IX/DO/3 (91)D ° 302 van de Commissie van 18 januari 1991, voor zover daarin het recht op de kostwinnerstoelage, de kindertoelage en de schooltoelage aan verzoekers vroegere echtgenote wordt toegekend.
2) Verwerpt het beroep voor het overige.
3) Verwijst de Commissie in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy