Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Ambtenaren ° Bezoldiging ° Betaling in valuta van standplaats ° Aanpassingscoëfficiënt ° Afwijkende bijzondere bepalingen voor ambtenaren die zijn tewerkgesteld in derde landen ° Interne uitvoeringsrichtlijnen ° Wettigheid ° Schending van beginselen van gelijkwaardigheid van koopkracht en van gelijke behandeling ° Geen
(Ambtenarenstatuut, art. 63 en 64; bijlage X, art. 11 en 12, eerste alinea)
Samenvatting
Het tot aanstelling bevoegd gezag overschrijdt niet de grenzen van de beoordelingsbevoegdheid die artikel 12, eerste alinea, van bijlage X bij het Statuut hem verleent met betrekking tot de modaliteiten volgens welke de bezoldiging aan in derde landen tewerkgestelde ambtenaren wordt betaald, door een interne richtlijn vast te stellen volgens welke het gedeelte van die bezoldiging dat op verzoek van de betrokkenen in de valuta van het land van tewerkstelling wordt uitbetaald met toepassing van de aanpassingscoëfficiënt voor dat land, is beperkt tot 80 %, doch de mogelijkheid is voorbehouden om in deugdelijk gemotiveerde gevallen verzoeken die betrekking hebben op een groter gedeelte, in te willigen. Ofschoon hiermee een regeling wordt ingevoerd die verschilt van die welke van toepassing is op ambtenaren die zijn tewerkgesteld in de Gemeenschap, wier bezoldiging ingevolge de artikelen 63 en 64 van het Statuut automatisch en volledig wordt uitbetaald in de valuta van het land van tewerkstelling en met toepassing van de desbetreffende aanpassingscoëfficiënt, is er geen sprake van schending van het beginsel van gelijke behandeling. Dit beginsel verlangt immers niet alleen, dat gelijke situaties gelijk worden behandeld, maar ook, dat verschillende situaties, al naar gelang de mate waarin zij van elkaar blijken te verschillen, verschillend worden behandeld.
De situatie van in een derde land tewerkgestelde ambtenaren verschilt van die van ambtenaren die zijn tewerkgesteld in de Gemeenschap, met name ten aanzien van de kosten waarmee zij in het land van tewerkstelling te maken kunnen krijgen. Om te waarborgen dat de koopkracht van ambtenaren, ongeacht hun standplaats, gelijkwaardig is, dienen de betalingsmodaliteiten van de bezoldiging met die verschillende situatie rekening te houden. Het uitgangspunt, dat in een derde land tewerkgestelde ambtenaren in het land van tewerkstelling niet meer dan 80 % van hun bezoldiging uitgeven, terwijl ambtenaren met standplaats in de Gemeenschap worden vermoed hun gehele bezoldiging uit te geven in het land waar zij hun functie vervullen, leidt tot een verschil in behandeling dat in verhouding staat tot de verschillende situatie van de beide categorieën van ambtenaren. Immers, ingevolge bijlage X bij het Statuut behoeven in een derde land tewerkgestelde ambtenaren in hun standplaats geen huisvestings- en ziektekosten te dragen.
Partijen
in zaak T-75/91,
P. Scaramuzza, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te New York, vertegenwoordigd door F. Jongen, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Schmitt, advocaat aldaar, Avenue Guillaume 62,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Griesmar, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door D. Waelbroeck, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit houdende afwijzing van verzoeksters verzoek om betaling van haar volledige bezoldiging in de valuta van haar land van tewerkstelling, met toepassing van de aanpassingscoëfficiënt voor dat land,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. P. M. Barrington, kamerpresident, K. Lenaerts en A. Kalogeropoulos, rechters,
griffier: B. Pastor, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 28 oktober 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Verzoekster is ambtenaar in de rang B 3. Op 4 januari 1988 werd zij tewerkgesteld bij de permanente vertegenwoordiging van de Commissie te Oslo en vervolgens op 17 juni 1991 bij het bureau van de Commissie te New York.
2 Op 1 oktober 1990 verzocht zij om betaling van haar volledige bezoldiging in de valuta van haar standplaats en met toepassing van de aanpassingscoëfficiënt voor die plaats, met ingang van de dag waarop zij in functie was getreden.
3 De Commissie liet dat verzoek onbeantwoord tot de datum waarop de in het Statuut voorziene termijn van vier maanden afliep, te weten 1 februari 1991. Op 12 februari 1991 ontving verzoekster echter een brief van de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer, waarin haar verzoek expliciet werd afgewezen.
4 Op 23 april 1991 diende verzoekster tegen het afwijzende besluit een klacht als bedoeld in artikel 90, lid 2, van het Statuut in.
5 Op 30 juli 1991 ontving verzoekster een brief van de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer d.d. 26 juli 1991, waarin haar klacht expliciet werd afgewezen.
6 Daarop stelde verzoekster het onderhavige beroep in, dat op 24 oktober 1991 ter griffie van het Gerecht is ingeschreven.
7 De schriftelijke procedure heeft een normaal verloop gehad. Het Gerecht (Vijfde kamer) heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
Conclusies van partijen
8 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
1) het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
2) bijgevolg, nietig te verklaren het besluit van de Commissie houdende afwijzing van verzoeksters verzoek om betaling van haar volledige bezoldiging in de valuta van haar standplaats, te weten in Noorse kronen, met toepassing van de desbetreffende aanpassingscoëfficiënt;
3) bijgevolg te gelasten, dat aan verzoekster met terugwerkende kracht het resterende gedeelte van haar bezoldiging wordt betaald in de plaatselijke valuta, met toepassing van de desbetreffende aanpassingscoëfficiënt, vermeerderd met vertragingsrente op de voet van 8 %;
4) verweerster te verwijzen in alle kosten.
De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
primair,
1) het beroep te verwerpen;
2) te beslissen over de kosten naar recht;
subsidiair,
3) in het onwaarschijnlijke geval dat het Gerecht artikel 1 van de interne richtlijnen van de Commissie onwettig zou verklaren, te verklaren dat:
a) het arrest van het Gerecht niet zal kunnen worden ingeroepen tot staving van aanspraken over vóór de datum van uitspraak ervan gelegen bezoldigingstijdvakken, behoudens wanneer een in een derde land tewerkgesteld ambtenaar vóór die tijd een verzoek of een klacht heeft ingediend;
b) wat het specifieke geval van verzoekster betreft, bij de berekening van de bedragen die haar tot dusver hadden moeten worden uitbetaald in Noorse kronen en met toepassing van de Noorse aanpassingscoëfficiënt, slechts uit te gaan van de bedragen in BFR die daadwerkelijk op haar rekening zijn gestort na oktober 1990, of in elk geval ten aanzien van de daaraan voorafgaande periode geen rekening te houden met de bedragen die in het kader van een hypothecaire lening rechtstreeks zijn overgemaakt naar de BWH-bank, noch met de andere bedragen die rechtstreeks op verzoeksters bezoldiging zijn ingehouden.
Ten gronde
9 Tot staving van haar beroep tot nietigverklaring voert verzoekster in wezen twee middelen aan. Het eerste is ontleend aan schending door de Commissie van artikel 12, eerste alinea, van bijlage X bij het Statuut (hierna: "bijlage X") bij de vaststelling van artikel 1 van haar interne richtlijnen betreffende de vaststelling van de in artikel 12 van bijlage X bedoelde wijze van betaling (hierna: "interne richtlijnen"). Het tweede is ontleend aan schending van het beginsel van gelijkwaardigheid van koopkracht en van de artikelen 62 tot en met 65 van het Statuut.
10 Bijlage X is aan het Statuut toegevoegd bij verordening (Euratom, EGKS, EEG) nr. 3019/87 van de Raad van 5 oktober 1987 tot vaststelling van bijzondere afwijkende bepalingen voor de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen die zijn tewerkgesteld in een derde land (PB 1987, L 286, blz. 3). Artikel 11 van die bijlage bepaalt: "De bezoldiging, alsmede de vergoedingen bedoeld in artikel 10, worden in België in Belgische franken uitbetaald. De aanpassingscoëfficiënt van toepassing op de bezoldiging van de ambtenaren met standplaats België gelden eveneens voor deze bedragen." En artikel 12: "Op verzoek van de ambtenaar kan het tot aanstelling bevoegde gezag besluiten de bezoldiging geheel of gedeeltelijk uit te betalen in de valuta van het land van tewerkstelling. Dan wordt op de bezoldiging de aanpassingscoëfficiënt van de standplaats toegepast en wordt zij omgezet tegen de desbetreffende wisselkoers. In deugdelijk gemotiveerde uitzonderingsgevallen kan het tot aanstelling bevoegde gezag deze betaling geheel of gedeeltelijk in een andere valuta dan die van de standplaats verrichten, op zodanige wijze dat de handhaving van de koopkracht wordt gewaarborgd." Artikel 1 van de interne richtlijnen luidt als volgt: "Ingevolge artikel 12 van bijlage X van het Statuut betaalt het tot aanstelling bevoegde gezag, op verzoek van de ambtenaar, een gedeelte van de bezoldiging, tot een bedrag van 80 % van zijn nettobezoldiging, in de valuta van het land van tewerkstelling. In deugdelijk gemotiveerde gevallen kan het tot aanstelling bevoegde gezag ermede instemmen de betaling van een gedeelte van de bezoldiging dat dit percentage van 80 % overschrijdt in de valuta van het land van tewerkstelling (te) verrichten."
° Eerste middel: schending van artikel 12 van bijlage X door artikel 1 van de interne richtlijnen
Argumenten van partijen
11 Verzoekster betoogt, dat artikel 1 van de interne richtlijnen, doordat het het gedeelte van de bezoldiging van in een derde land tewerkgestelde ambtenaren, dat in de valuta van het land van tewerkstelling en met toepassing van de aanpassingscoëfficiënt voor dat land kan worden betaald, in beginsel ° behoudens in het geval van een deugdelijk gemotiveerd verzoek ° beperkt tot 80 % van de nettobezoldiging, in strijd is met artikel 12 van bijlage X, tot uitvoering waarvan die richtlijnen zijn vastgesteld. Deze bepaling voorziet namelijk niet in een dergelijke beperking en verleent het tot aanstelling bevoegd gezag in dat opzicht geen enkele discretionaire bevoegdheid. Zo wijst het woord "kan" erop, dat artikel 12 een afwijking van het in artikel 11 geformuleerde beginsel toestaat, zodra de ambtenaar daarom verzoekt. De uitdrukking "geheel of gedeeltelijk" biedt de ambtenaar de mogelijkheid, zijn verzoek zoveel mogelijk af te stemmen op zijn belangen.
12 Artikel 1 van de interne richtlijnen is volgens verzoekster bovendien met artikel 12 van bijlage X in strijd, doordat het de eerste en de tweede alinea van die bepaling samenvoegt tot één bepaling, in die zin dat het de in de tweede alinea voorziene uitzonderingsregel uitbreidt tot het beginsel van betaling van de bezoldiging in de valuta van de standplaats en met toepassing van de desbetreffende aanpassingscoëfficiënt. Het in artikel 12, eerste alinea, geformuleerde beginsel ° gehele of gedeeltelijke betaling in de valuta van de standplaats op verzoek van de ambtenaar ° moet worden gezien in verband met de tweede alinea, dat de uitzondering op dat beginsel bevat: "In deugdelijk gemotiveerde uitzonderingsgevallen kan het tot aanstelling bevoegde gezag deze betaling geheel of gedeeltelijk in een andere valuta dan die van de standplaats verrichten." Er is dus het beginsel ° de eerste alinea ° en de uitzondering daarop ° de tweede alinea. De stelling, dat de eerste alinea een discretionaire bevoegdheid verleent, zou de tweede alinea volledig inhoudloos maken, want zo de hoofdregel een zuiver potestatief karakter had, zou het zinloos zijn van in een derde land tewerkgestelde ambtenaren te verlangen, de uitzonderingen deugdelijk te motiveren.
13 Ook al zou artikel 12 de administratie een discretionaire bevoegdheid verlenen om te bepalen, welk gedeelte van de bezoldiging kan worden betaald in de valuta van het land van tewerkstelling en met toepassing van de aanpassingscoëfficiënt voor dat land, die bevoegdheid wordt zeer sterk ingeperkt door artikel 1 van de interne richtlijnen, op grond waarvan het verboden is de bezoldiging "geheel" in die valuta te betalen.
14 De Commissie antwoordt, dat het afwijkende karakter dat de bepalingen van bijlage X ten opzichte van het Statuut hebben, duidelijk blijkt uit de titel van deze bijlage ("Bijzondere afwijkende bepalingen voor de ambtenaren die zijn tewerkgesteld in een derde land") en uit artikel 1 ervan. Bijlage X bevat een reeks bijzondere bepalingen voor ambtenaren die zijn tewerkgesteld in een derde land. De artikelen 11 en 12 ervan hebben betrekking op de op hen toepasselijke bezoldigingsregeling. Overeenkomstig artikel 1 van bijlage X heeft de Commissie in mei 1988 ter uitvoering van artikel 12 door middel van interne richtlijnen de wijze van betaling van de bezoldiging van in een derde land tewerkgestelde ambtenaren vastgesteld.
15 De Commissie betoogt, dat artikel 12 van bijlage X het tot aanstelling bevoegd gezag met zoveel woorden de vrijheid laat te besluiten, de bezoldiging "geheel of gedeeltelijk" uit te betalen in de valuta van het land van tewerkstelling. Het is dus aan het tot aanstelling bevoegd gezag om ° onder voorbehoud van een passende toetsing door de gemeenschapsrechter ° vast te stellen, wat haars inziens een redelijk percentage van de bezoldiging is, dat in geval van een door een ambtenaar op basis van artikel 12 ingediend verzoek in de valuta van het land van tewerkstelling kan worden uitbetaald. Door het "gedeelte" van de bezoldiging dat normaliter op verzoek van een in een derde land tewerkgesteld ambtenaar kan worden betaald in de valuta van het land van tewerkstelling, forfaitair vast te stellen op 80 % (behoudens in de gevallen waarin de ambtenaar weet aan te tonen, dat een groter percentage in de plaatselijke valuta moet worden betaald), hebben de interne richtlijnen het door artikel 12, eerste alinea, van bijlage X aangegeven kader ten volle gerespecteerd. Artikel 12 van bijlage X zou volgens de Commissie pas zijn geschonden, indien zij, zoals verzoekster verlangt, stelselmatig elk verzoek van een ambtenaar om betaling van zijn volledige bezoldiging in de valuta van het land van tewerkstelling had moeten inwilligen. Daarmee zou namelijk de discretionaire bevoegdheid waarover de instelling ter zake beschikt, op ongeoorloofde wijze worden opgeheven.
16 De Commissie voegt hieraan nog toe, dat verzoeksters verwijzing naar de tweede alinea van artikel 12 van bijlage X volkomen irrelevant is, daar deze bepaling niet gaat over verzoeksters situatie, doch enkel betrekking heeft op betalingen in een valuta die noch de valuta van het land van de zetel van de instelling is (artikel 11 van bijlage X), noch die van het land van tewerkstelling (artikel 12, eerste alinea).
Oordeel van het Gerecht
17 Het Gerecht stelt vast, dat de in artikel 12, eerste alinea, van bijlage X gebezigde combinatie van de woorden "kan besluiten" en "op verzoek van de ambtenaar" pleonastisch zou zijn, indien hieruit niet, anders dan verzoekster beweert, een beoordelingsmarge voor het tot aanstelling bevoegd gezag voortvloeide. Zo verzoeksters stelling moest worden aanvaard, zou de betrokken bepaling hebben geluid als volgt: "Op verzoek van de ambtenaar wordt de bezoldiging geheel of gedeeltelijk uitbetaald in de valuta van het land van tewerkstelling. Dan wordt (...)." Deze redactie zou meer voor de hand hebben gelegen, daar zij dezelfde structuur zou hebben gehad als die van artikel 11. Bovendien onderstelt de aanwezigheid van het woord "besluiten" een besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag, hetgeen impliceert dat het verzoek van de ambtenaar niet volstaat. Aanvaarding van verzoeksters standpunt zou aan dit woord elk nuttig effect ontnemen.
18 Hieruit volgt, dat artikel 12, eerste alinea, van bijlage X de Commissie een beoordelingsmarge geeft om te bepalen, in hoeverre zij de door ambtenaren op basis van die bepaling ingediende verzoeken moet inwilligen.
19 Het Gerecht is bovendien van mening, dat het argument dat verzoekster ontleent aan de twee alinea' s van artikel 12 van bijlage X, in onderlinge samenhang bezien, geen hout snijdt. De tweede alinea van deze bepaling vormt immers geen uitzondering op de eerste alinea ervan, doch is, evenals die eerste alinea, een uitzondering op artikel 11 van bijlage X. In artikel 11 is het beginsel geformuleerd, dat de bezoldiging van in een derde land tewerkgestelde ambtenaren in België in Belgische franken wordt uitbetaald, met toepassing van de aanpassingscoëfficiënt voor België. Artikel 12 voorziet in twee uitzonderingen op dit beginsel: betaling van de gehele of een deel van de bezoldiging in de valuta van de standplaats, met toepassing van de desbetreffende aanpassingscoëfficiënt (eerste alinea), of betaling van de gehele of een deel van de bezoldiging in een andere valuta dan die van de standplaats, op zodanige wijze dat de handhaving van de koopkracht wordt gewaarborgd (tweede alinea).
20 Het Gerecht herinnert eraan, dat in beginsel niets het tot aanstelling bevoegd gezag verbiedt, door middel van een intern besluit van algemene strekking regels vast te stellen voor de uitoefening van de hem door het Statuut verleende discretionaire bevoegdheid (zie bij voorbeeld met betrekking tot de wijze waarop het tot aanstelling bevoegd gezag zijn bevoegdheid ingevolge artikel 32, tweede alinea, van het Statuut heeft uitgeoefend, arresten van 15 januari 1985, zaak 266/83, Samara, Jurispr. 1985, blz. 189, r.o. 15, en 6 juni 1985, zaak 146/84, De Santis, Jurispr. 1985, blz. 1723, r.o. 11).
21 Onderzocht dient te worden, of de Commissie met de vaststelling van artikel 1 van de interne richtlijnen, dat het gedeelte van de bezoldiging dat automatisch in de valuta van het land van tewerkstelling en met toepassing van de desbetreffende aanpassingscoëfficiënt wordt betaald, beperkt tot 80 %, de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid heeft overschreden.
22 Tot staving van haar bewering, dat de Commissie haar discretionaire bevoegdheid heeft misbruikt, voert verzoekster twee argumenten aan. Zij betoogt in de eerste plaats, dat de Commissie, door de grens vast te stellen op 80 %, heeft uitgesloten dat verzoeksters bezoldiging "geheel" wordt uitbetaald in de valuta van het land van tewerkstelling en met toepassing van de aanpassingscoëfficiënt voor dat land. Zij stelt in de tweede plaats, dat in een derde land tewerkgestelde ambtenaren door die grens van 80 % worden gediscrimineerd ten opzichte van ambtenaren die in de Gemeenschap zijn tewerkgesteld.
23 Ten aanzien van verzoeksters eerste argument moet worden opgemerkt, dat artikel 1 van de interne richtlijnen zich niet ertegen verzet, dat de bezoldiging "geheel" wordt uitbetaald in de valuta van het land van tewerkstelling en met toepassing van de voor dat land geldende aanpassingscoëfficiënt, doch verlangt, dat de ambtenaar zijn verzoek deugdelijk motiveert wanneer het betrekking heeft op meer dan 80 % van zijn bezoldiging. In zoverre is met de vaststelling van artikel 1 van de interne richtlijnen dus niet de door artikel 12, eerste alinea, van bijlage X aan het tot aanstelling bevoegd gezag verleende bevoegdheid overschreden.
24 Verzoeksters tweede argument valt in wezen samen met haar tweede middel en zal te zamen met dat middel worden onderzocht.
25 Uit het voorgaande volgt, dat het eerste middel, voor zover niet samenvallend met het tweede, moet worden afgewezen.
° Tweede middel: schending van het beginsel van gelijkwaardigheid van koopkracht en van de artikelen 62 tot en met 64 van het Statuut
Eerste onderdeel: schending van het beginsel van gelijkwaardigheid van koopkracht
Argumenten van partijen
26 Verzoekster voert aan, dat de artikelen 64 en 65 van het Statuut, waarin het beginsel van gelijkwaardigheid van koopkracht is geformuleerd, worden geschonden voor zover slechts 80 % van haar bezoldiging door toepassing van de aanpassingscoëfficiënt wordt aangepast aan de levensomstandigheden in Oslo, terwijl het resterende gedeelte wordt uitbetaald in Belgische franken, zonder aanpassing aan de kosten van levensonderhoud in Oslo.
27 Zij voegt hieraan nog toe, dat de in artikel 64 bedoelde aanpassingscoëfficiënt ertoe strekt, ongeacht de standplaats een gelijkwaardige koopkracht te garanderen, waarmee onder meer moet worden vermeden, dat ambtenaren verschillend worden behandeld al naar gelang de plaats waar zij zijn tewerkgesteld. Volgens de rechtspraak van het Hof ligt aan artikel 64 van het Statuut het beginsel van gelijke behandeling ten grondslag (arrest van 28 juni 1988, zaak 7/87, Commissie/Raad, Jurispr. 1988, blz. 3401). Ten aanzien van in de Gemeenschap tewerkgestelde ambtenaren wordt het beginsel van artikel 64 rechtstreeks toegepast: de bezoldiging van de ambtenaar wordt berekend met toepassing van de voor zijn standplaats vastgestelde aanpassingscoëfficiënt, zonder dat de ambtenaar een daartoe strekkend verzoek behoeft te doen of dient te bewijzen, welke kosten hij heeft en hoe deze zijn opgebouwd. Het vereiste van een dergelijk bewijs zou immers een onaanvaardbare en met artikel 12 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens strijdige inmenging in het privé-leven van de ambtenaar opleveren. Ten aanzien van buiten de Gemeenschap tewerkgestelde ambtenaren wordt aan het beginsel van artikel 64 toepassing gegeven via de artikelen 11 en 13 van bijlage X. Artikel 13 preciseert onder meer, dat de vaststelling van de aanpassingscoëfficiënt bedoeld is om "de ambtenaren ongeacht hun standplaats zoveel mogelijk een gelijkwaardige koopkracht te waarborgen". De aanpassingscoëfficiënt nu kan zijn functie slechts vervullen indien hij op de gehele bezoldiging wordt toegepast.
28 Bovendien, zo vervolgt verzoekster, is de vaststelling van de grens op 80 % van de bezoldiging willekeurig. In repliek verklaart zij, dat de Commissie deze grens niet kan rechtvaardigen door te stellen, dat het "redelijk is te veronderstellen, dat een niet onaanzienlijk gedeelte ° forfaitair vastgesteld op 20 % ° van het salaris van in een derde land tewerkgestelde ambtenaren normaliter niet in het land van tewerkstelling wordt uitgegeven". Een dergelijke veronderstelling is rechtens onjuist en kan niet worden gebaseerd op de door de Commissie aangevoerde elementen. Daar de volledige betaling van de huisvestingskosten reeds heeft geleid tot een verlaging van de aanpassingscoëfficiënt, doordat deze kosten bij de berekening van de kosten van levensonderhoud buiten beschouwing zijn gelaten, kan zij niet nog eens worden ingeroepen ter rechtvaardiging van een betaling waarbij die coëfficiënt slechts gedeeltelijk wordt toegepast. De aanvullende ziektekostenverzekering berust op een keuze van en is verplicht gesteld door de administratie. Zij vindt haar rechtvaardiging in het feit, dat een volledige dekking noodzakelijk is ter verzekering van een genoegzame bescherming van de ambtenaar in de verschillende landen waar hij kan worden tewerkgesteld. Hetzelfde geldt voor de ongevallenverzekering.
29 Volgens de Commissie vindt de keuze voor het percentage van 80 % haar verklaring in het feit, dat het redelijk is te veronderstellen, dat een niet onaanzienlijk gedeelte ° forfaitair vastgesteld op 20 % ° van het salaris van in een derde land tewerkgestelde ambtenaren normaliter niet in het land van tewerkstelling wordt uitgegeven. De mobiliteit van die ambtenaren is immers veel groter dan die van ambtenaren die in een Lid-Staat zijn tewerkgesteld, waardoor zij een minder sterke binding hebben met de landen waar zij achtereenvolgens worden tewerkgesteld. Daarom moet ervan worden uitgegaan, dat een belangrijk gedeelte van de bezoldiging van in een derde land tewerkgestelde ambtenaren niet in het land van tewerkstelling zal worden uitgegeven. Bovendien neemt de Commissie een aanzienlijk gedeelte van hun plaatselijke uitgaven voor haar rekening: zij betaalt hun volledige huur in het land van tewerkstelling, vergoedt al hun ziektekosten en betaalt een deel van de premie voor een bijzondere ongevallenverzekering voor hun gezinsleden. Daar in een derde land tewerkgestelde ambtenaren bepaalde essentiële kosten in hun land van tewerkstelling niet behoeven te dragen, zullen zij het geld dat zij hierdoor overhouden, normaliter uitgeven in hetzij het land van de zetel, hetzij het land waar het centrum van hun belangen gevestigd is.
30 Ook al zou de 80 %-regel moeten worden geacht bedoeld te zijn om bepaalde "voordelen" die aan in een derde land tewerkgestelde ambtenaren worden toegekend, te "compenseren" ° quod non °, de argumenten waarmee verzoekster wil aantonen, dat die "voordelen" in werkelijkheid niet bestaan, zijn hoe dan ook onjuist. Dat de huisvestingskosten bij de berekening van de aanpassingscoëfficiënt buiten beschouwing worden gelaten, betekent nog niet, dat de gratis huisvesting in een derde land tewerkgestelde ambtenaren geen werkelijk voordeel oplevert. Het niet in aanmerking nemen van die kosten bij de berekening van de aanpassingscoëfficiënt is het logische gevolg van het feit, dat de betrokken ambtenaren die kosten niet behoeven te dragen. Dit neemt niet weg, dat alle overige kosten die verband houden met de kosten van levensonderhoud in het land van tewerkstelling, bij die berekening wél in aanmerking worden genomen. Op de bezoldiging van in een derde land tewerkgestelde ambtenaren wordt dus wel degelijk in alle gevallen een aanpassingscoëfficiënt toegepast, zij het dat de regels voor de berekening daarvan enigszins zijn aangepast. Een en ander laat zien, dat de bezoldiging van de betrokken ambtenaren op geen enkele wijze wordt gekort in verband met het feit, dat zij gratis huisvesting genieten. Wat de aanvullende ziektekostenverzekering betreft: slechts de helft van de voor de dekking van deze verzekering benodigde premie wordt door de ambtenaar gedragen (waarbij deze helft echter niet meer dan 0,6 % van zijn basissalaris mag bedragen), terwijl het resterende gedeelte voor rekening van de instelling komt, hetgeen opnieuw een niet onaanzienlijk voordeel oplevert en een reden is om aan te nemen, dat de plaatselijke uitgaven van in een derde land tewerkgestelde ambtenaren voor ziektekosten navenant lager uitvallen.
31 De Commissie is bijgevolg van mening, dat in een derde land tewerkgestelde ambtenaren, vergeleken met ambtenaren die zijn tewerkgesteld in het land van de zetel of in enige andere Lid-Staat, een belangrijk deel (bepaald op 20 %) van hun bezoldiging in de Gemeenschap uitgeven. Zij brengt evenwel in herinnering, dat het percentage van 80 % slechts een forfaitair percentage is, daar in de tweede alinea van artikel 1 van de interne richtlijnen is bepaald, dat "in deugdelijk gemotiveerde gevallen (...) het tot aanstelling bevoegde gezag ermede (kan) instemmen de betaling van een gedeelte van de bezoldiging dat dit percentage van 80 % overschrijdt in de valuta van het land van tewerkstelling (te) verrichten". In dupliek voegt zij hieraan nog toe, dat het percentage van 20 % des te rechtvaardiger voorkomt, wanneer men het vergelijkt met het vroeger ten aanzien van in een derde land tewerkgestelde ambtenaren toegepaste systeem, waarbij op hun bezoldiging 15 à 20 % werd ingehouden als bijdrage in de kosten van huisvesting.
Oordeel van het Gerecht
32 Beide partijen beroepen zich tot staving van hun respectieve conclusies op een hoger rechtsbeginsel, te weten het beginsel van gelijke behandeling, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof ten grondslag ligt aan de artikelen 64 en 65 van het Statuut (zie laatstelijk arrest van 23 januari 1992, zaak C-301/90, Commissie/Raad, Jurispr. 1992, blz. I-221, r.o. 15 en 29). Verzoekster betoogt in wezen, dat gelijkheid van behandeling van alle ambtenaren, in die zin dat alle ambtenaren in de verschillende standplaatsen over gelijke koopkracht moeten beschikken, enkel kan worden verzekerd door toepassing van de artikelen 64 en 65 van het Statuut, op grond waarvan de gehele bezoldiging automatisch in de valuta van de standplaats wordt betaald met toepassing van de aanpassingscoëfficiënt voor die plaats. De Commissie stelt daarentegen, dat bedoelde gelijkheid van behandeling verlangt, dat rekening wordt gehouden met de bijzondere situatie van de in een derde land tewerkgestelde ambtenaren, door het systeem van de aanpassingscoëfficiënten op hen anders toe te passen dan op de ambtenaren die zijn tewerkgesteld in de Gemeenschap, en dat dit het doel is van bijlage X, zoals uitgelegd door artikel 1 van de interne richtlijnen.
33 Het Gerecht herinnert eraan, dat het beginsel van gelijke behandeling verlangt, dat gelijke situaties gelijk worden behandeld en dat verschillende situaties, al naar gelang de mate waarin zij van elkaar blijken te verschillen, verschillend worden behandeld.
34 Om te kunnen beoordelen, of bijlage X bij het Statuut, zoals uitgelegd door artikel 1 van de interne richtlijnen, evenals de artikelen 64 en 65 van het Statuut gelijkheid van behandeling, in die zin dat alle ambtenaren in de verschillende standplaatsen over gelijke koopkracht beschikken, kan verzekeren, moeten drie vragen worden beantwoord, te weten: 1) verschilt de situatie van in een derde land tewerkgestelde ambtenaren, op wie bijlage X van toepassing is, van die van in de Gemeenschap tewerkgestelde ambtenaren, voor wie de artikelen 64 en 65 van het Statuut gelden; 2) worden in een derde land tewerkgestelde ambtenaren anders behandeld dan in de Gemeenschap tewerkgestelde ambtenaren, en 3) indien er sprake is van een verschil in behandeling, is dit dan gerechtvaardigd door eventuele verschillen tussen de situatie van in een derde land tewerkgestelde ambtenaren en ambtenaren die zijn tewerkgesteld in de Gemeenschap?
35 Met betrekking tot de eerste vraag stelt het Gerecht vast, dat verzoekster in haar memories en ter terechtzitting heeft erkend, dat de situatie van in een derde land tewerkgestelde ambtenaren verschilt van die van in de Gemeenschap tewerkgestelde ambtenaren. Zij heeft immers verklaard, dat de verschillende voordelen die ingevolge bijlage X aan in een derde land tewerkgestelde ambtenaren worden toegekend, stuk voor stuk bedoeld zijn als compensatie voor de ongemakken waarmee die ambtenaren te kampen hebben. Door te erkennen, dat in een derde land tewerkgestelde ambtenaren te kampen hebben met ongemakken waarvan in de Gemeenschap tewerkgestelde ambtenaren gevrijwaard zijn, erkent verzoekster ook, dat hun situatie verschilt van die van ambtenaren die in de Gemeenschap zijn tewerkgesteld. Dit verschil wordt nog bevestigd door de toelichting bij het voorstel van de Commissie aan de Raad, dat heeft geleid tot de vaststelling van bijlage X door de Raad. Daarin staat namelijk onder meer het volgende te lezen: "De werkomstandigheden van dit personeel verschillen op belangrijke punten van die welke in de Gemeenschap gelden: het buiten de Gemeenschap tewerkgestelde personeel werkt in externe delegaties en volgens een roulatiesysteem, hetgeen betekent dat het zelden zeer lang op een en dezelfde plaats blijft; de levensomstandigheden en financiële condities in tal van derde landen zijn zeer verschillend van die in de Gemeenschap (...). Voor het in derde landen werkzame personeel vormt de mobiliteit een essentieel aspect van de arbeidsomstandigheden. Het personeel van de delegaties moet in beginsel regelmatig, na een periode die in de regel niet langer dan vier jaar duurt, worden overgeplaatst (...). Sedert twee decennia pleegt de EAS haar personeel gratis huisvesting ter beschikking te stellen (...), net zoals sommige Lid-Staten gewoon zijn te doen met hun diplomatieke personeel in het buitenland (...). Deze praktijk behoeft geen nadere rechtvaardiging, gezien de veel voorkomende mobiliteitsproblemen en de noodzaak een permanente basis in Europa te behouden (...). Wat het beleid inzake de vergoeding van schoolkosten aan het in derde landen tewerkgestelde personeel betreft, geldt het reeds erkende, fundamentele beginsel, dat het onderwijs voor kinderen van ambtenaren van de Gemeenschap gratis dient te zijn, vooral dank zij de toegang tot de Europese en andere scholen door de betaling van verhoogde toelagen. Het feit dat een ambtenaar werkzaam is in een derde land, mag niet leiden tot enige discriminatie op dit punt. In veel plaatsen van tewerkstelling zijn de voor kinderen van ambtenaren geschikte onderwijsvormen beperkt en zeer kostbaar. Derhalve wordt voorgesteld om, binnen de mate van het redelijke, aan in een derde land tewerkgestelde ambtenaren de werkelijke kosten die zij voor de scholing van hun kinderen maken, te vergoeden (...). Gezien de zeer hoge kosten van de gezondheidszorg in sommige landen en gelet op de extra risico' s waaraan in een derde land tewerkgestelde ambtenaren en hun gezinnen worden blootgesteld, is een aanvullende verzekering voorzien, die de ziektekosten voor 100 % dekt (...). De helft van de voor de dekking van die verzekering benodigde premie zal ten laste van de ambtenaar komen (...)."
36 De geschiedenis van de totstandkoming van bijlage X bij het Statuut laat vooral zien, dat de gemeenschapswetgever met de vaststelling van deze tekst voor ogen had, in een derde land tewerkgestelde ambtenaren qua status gelijk te schakelen met nationale diplomaten, die in vergelijkbare omstandigheden werken. In de desbetreffende stukken staat namelijk te lezen, dat in een derde land tewerkgestelde ambtenaren werkzaam zijn voor de Gemeenschap "in de delegaties die de instellingen van de Gemeenschap in de wereld vertegenwoordigen". Daarna volgen talrijke verwijzingen naar de status van het diplomatieke personeel van de Lid-Staten. Verder kan men er lezen: "voor het personeel van de externe delegaties betekent de mobiliteitsverplichting, dat het centrum van de belangen zelden samenvalt met de standplaats (...)".
37 Uit het voorgaande volgt, dat de situatie van in een derde land tewerkgestelde ambtenaren werkelijk verschilt van die van in de Gemeenschap tewerkgestelde ambtenaren.
38 Derhalve moet worden ingegaan op de tweede vraag: worden in een derde land tewerkgestelde ambtenaren anders behandeld dan ambtenaren die zijn tewerkgesteld in de Gemeenschap?
39 Volgens verzoekster is het verschil in behandeling tussen in een derde land tewerkgestelde ambtenaren en ambtenaren die zijn tewerkgesteld in de Gemeenschap, hierin gelegen, dat ingevolge artikel 64 van het Statuut in de Gemeenschap tewerkgestelde ambtenaren die werken in een andere plaats dan waar de zetel van de instelling is gevestigd, hun bezoldiging automatisch en volledig betaald kunnen krijgen in de valuta van hun standplaats, met toepassing van de desbetreffende aanpassingscoëfficiënt. Daarentegen kunnen in een derde land tewerkgestelde ambtenaren slechts 80 % van hun bezoldiging laten uitbetalen in de valuta van hun standplaats en met toepassing van de aanpassingscoëfficiënt voor die plaats, en dan nog alleen indien zij hierom hebben verzocht.
40 In dit verband moet worden herinnerd aan de ratio legis van artikel 64 van het Statuut en van bijlage X, zoals uitgelegd door artikel 1 van de interne richtlijnen. Het mechanisme van de aanpassingscoëfficiënt moet ervoor zorgen dat alle ambtenaren, ongeacht hun standplaats, over een gelijkwaardige koopkracht blijven beschikken. De koopkracht weerspiegelt de hoeveelheid goederen en diensten, die op een bepaald moment met een geldeenheid kan worden aangeschaft. Zij heeft dus slechts betekenis in relatie tot een uitgave waarmee men te maken kan krijgen. Een zeer strikte toepassing van de regel van de gelijkwaardigheid van koopkracht verlangt derhalve in theorie, dat de aanpassingscoëfficiënt van de standplaats alleen wordt toegepast op bedragen waarvan wordt aangetoond, dat zij normaliter in de standplaats worden besteed.
41 Gezien de praktische onuitvoerbaarheid van een systeem waarin enerzijds elke ambtenaar zou moeten aantonen, welke uitgaven normaliter in zijn standplaats worden gedaan en welke uitgaven elders zullen worden gedaan, en anderzijds de administratie een en ander zou moeten verifiëren, heeft de gemeenschapswetgever een op vermoedens gebaseerd systeem ingevoerd, dat voor in de Gemeenschap tewerkgestelde ambtenaren is neergelegd in artikel 64 van het Statuut en voor in een derde land tewerkgestelde ambtenaren in artikel 12 van bijlage X, zoals uitgelegd door artikel 1 van de interne richtlijnen.
42 In de Gemeenschap tewerkgestelde ambtenaren worden vermoed hun gehele bezoldiging uit te geven in hun standplaats. Dit vermoeden is niettemin weerlegbaar, voor zover artikel 17 van bijlage VII bij het Statuut de ambtenaar de mogelijkheid biedt, door bemiddeling van de instelling waartoe hij behoort, regelmatig een deel van zijn inkomsten te laten overmaken, indien dit niet het bedrag van de ontheemdingstoelage (16 %) of de buitenlandtoelage overschrijdt, voor zover deze overmakingen bestemd zijn voor de bestrijding van uitgaven die in het bijzonder verband houden met regelmatig terugkerende en met bewijzen gestaafde lasten die de ambtenaar buiten het land waar de zetel van zijn instelling is gevestigd of waar hij zijn functie uitoefent, draagt.
43 Ten aanzien van in een derde land tewerkgestelde ambtenaren heeft de Commissie geconcludeerd, dat een andere behandeling noodzakelijk was op grond van de verschillen tussen de situatie van deze ambtenaren en ambtenaren die zijn tewerkgesteld in de Gemeenschap, zoals door haar beschreven in de toelichting bij het aan de Raad voorgelegde voorstel voor bijlage X bij het Statuut (zie hiervoor, r.o. 35 en 36). Zij heeft haar conclusie als volgt onder woorden gebracht: "De Commissie is derhalve van mening, dat voor de betaling van hun bezoldiging het beginsel moet gelden, dat de bezoldiging en de toelagen worden berekend en uitbetaald in BFR, met toepassing van de aanpassingscoëfficiënt voor Brussel (...). De instellingen zullen bereid zijn, aan elke buiten de Gemeenschap werkzame ambtenaar de geldbedragen over te maken die hij in zijn standplaats nodig kan hebben, waarbij die overmakingen, door toepassing van een aanpassingscoëfficiënt die rekening houdt met de verschillende kosten van levensonderhoud, worden aangepast aan de desbetreffende wisselkoers." Dit voorstel is door de Raad goedgekeurd en artikel 11 van bijlage X bepaalt dan ook, dat in een derde land tewerkgestelde ambtenaren in beginsel in België in Belgische franken worden uitbetaald en dat op hun bezoldiging de aanpassingscoëfficiënt voor België wordt toegepast. Daar, zoals artikel 13 in herinnering brengt, de ambtenaren ongeacht hun standplaats zoveel mogelijk een gelijkwaardige koopkracht moet worden gewaarborgd, bepaalt artikel 12 van bijlage X evenwel: "Op verzoek van de ambtenaar kan het tot aanstelling bevoegde gezag besluiten de bezoldiging geheel of gedeeltelijk uit te betalen in de valuta van het land van tewerkstelling. Dan wordt op de bezoldiging de aanpassingscoëfficiënt van de standplaats toegepast en wordt zij omgezet tegen de desbetreffende wisselkoers."
44 Aan artikel 1 van de interne richtlijnen, dat uitvoering geeft aan artikel 12 van bijlage X, ligt de veronderstelling ten grondslag, dat in een derde land tewerkgestelde ambtenaren die erom vragen, te worden uitbetaald in de valuta van hun land van tewerkstelling en met toepassing van de desbetreffende aanpassingscoëfficiënt, normaliter niet meer dan 80 % van hun bezoldiging in hun standplaats uitgeven. Aangenomen wordt dus, dat 20 % van hun bezoldiging normaliter niet in de standplaats wordt uitgegeven. Dit vermoeden is evenwel, evenals het vermoeden dat geldt voor in de Gemeenschap tewerkgestelde ambtenaren, weerlegbaar, voor zover de laatste zin van artikel 1 van de interne richtlijnen bepaalt, dat een in een derde land tewerkgesteld ambtenaar, indien hij zijn verzoek deugdelijk motiveert, meer dan 80 % van zijn bezoldiging uitbetaald kan krijgen in de valuta van zijn land van tewerkstelling en met toepassing van de desbetreffende aanpassingscoëfficiënt. De in een derde land tewerkgestelde ambtenaar kan genoemd vermoeden dus weerleggen door aan te tonen, dat hij om persoonlijke redenen waarschijnlijk meer dan 80 % van zijn bezoldiging in zijn standplaats zal uitgeven.
45 Het Gerecht dient derhalve antwoord te geven op de derde vraag, namelijk of het verschil in behandeling dat voortvloeit uit het feit, dat het vermoeden voor in de Gemeenschap tewerkgestelde ambtenaren betrekking heeft op 100 % van hun bezoldiging, terwijl het voor in een derde land tewerkgestelde ambtenaren slechts 80 % van de bezoldiging betreft, zijn rechtvaardiging vindt in de verschillende situatie waarin die ambtenaren zich bevinden.
46 Ter beantwoording van de vraag, of het redelijk is ervan uit te gaan, dat in een derde land tewerkgestelde ambtenaren normaliter niet meer dan 80 % van hun bezoldiging in hun standplaats uitgeven, moet een vergelijking worden gemaakt tussen de uitgaven waarmee ambtenaren met standplaats in de Gemeenschap en in een derde land tewerkgestelde ambtenaren in de regel in hun standplaats te maken krijgen. Uit de artikelen 5, 18 en 23 van bijlage X volgt, dat een in een derde land tewerkgesteld ambtenaar in zijn standplaats geen huisvestingskosten kan hebben. Immers, voor zover hem niet door de instelling een woning ter beschikking wordt gesteld die beantwoordt aan de samenstelling van zijn gezin, heeft hij recht op hetzij terugbetaling van de door het tot aanstelling bevoegd gezag vooraf goedgekeurde hotelkosten voor hem en zijn gezin, hetzij vergoeding van het te zijnen laste komende bedrag aan huur, mits de woning beantwoordt aan het niveau van de door hem uitgeoefende functie en aan de samenstelling van het gezin dat te zijnen laste komt. Een in de Gemeenschap tewerkgesteld ambtenaar daarentegen heeft in zijn standplaats te maken met kosten in verband met zijn eigen huisvesting en die van zijn gezin. Het feit dat de ziektekosten van in een derde land tewerkgestelde ambtenaren via een ° zij het gedeeltelijk door henzelf gefinancierde ° aanvullende ziektekostenverzekering volledig worden gedekt (artikel 24 van bijlage X), impliceert bovendien, dat zij in hun standplaats geen ziektekosten hoeven te dragen, terwijl in de Gemeenschap tewerkgestelde ambtenaren in beginsel in hun standplaats 20 % van die kosten zelf dienen te betalen (artikel 72 van het Statuut).
47 Aangezien de ratio legis van het stelsel deze is, dat de aanpassingscoëfficiënt alleen moet worden toegepast op bedragen die normaliter in de standplaats worden uitgegeven, is het redelijk die coëfficiënt niet automatisch toe te passen op het gedeelte van de bezoldiging van een in een derde land tewerkgesteld ambtenaar, dat overeenkomt met het gedeelte van de bezoldiging dat een ambtenaar met standplaats in de Gemeenschap aan huisvesting en ziektekosten besteedt, want anders dan laatstgenoemde, zal de eerstgenoemde ambtenaar in zijn standplaats die kosten niet kunnen maken.
48 Men dient zich af te vragen, of de schatting dat een in de Gemeenschap tewerkgesteld ambtenaar in zijn standplaats 20 % van zijn bezoldiging uitgeeft aan huisvesting en ziektekosten, redelijk is. Om de redelijkheid van die schatting aan te tonen, heeft de Commissie terecht gewezen op de 15 tot 20 % van de bezoldiging, die in een derde land tewerkgestelde ambtenaren vóór de inwerkingtreding van bijlage X moesten betalen aan hun instelling als bijdrage in de kosten van de huisvesting die de instelling hun verschafte. Bovendien komt die 20 % overeen met het gewicht van de factor "huisvesting" in het uitgavenpatroon van ambtenaren, en dus met het gewicht van de factor huisvesting in de berekening van de aanpassingscoëfficiënten voor bepaalde standplaatsen (zie punt 19 van de conclusie van advocaat-generaal Cruz Vilaça in zaak 7/87, reeds aangehaald, Jurispr. 1988, blz. 3414). Die schatting is des te redelijker, omdat in een derde land tewerkgestelde ambtenaren in hun standplaats helemaal geen ziektekosten hoeven te dragen.
49 De redelijkheid van die 20 % blijkt in casu ook nog hieruit, dat verzoekster in geen enkel stadium van de procedure heeft beweerd, dat zij meer dan 80 % van haar bezoldiging in haar standplaats dient uit te geven, en dat zij geen deugdelijk gemotiveerd verzoek in de zin van de tweede alinea van artikel 1 van de interne richtlijnen heeft ingediend.
50 De veronderstelling, dat in een derde land tewerkgestelde ambtenaren wegens het feit dat hun gratis huisvesting ter beschikking wordt gesteld, niet meer dan 80 % van hun bezoldiging in hun standplaats uitgeven, komt er volgens verzoekster op neer, dat die gratis huisvesting ten nadele van de betrokken ambtenaren dubbel in aanmerking wordt genomen, daar de factor huisvesting reeds bij de berekening van de aanpassingscoëfficiënt buiten beschouwing is gelaten. Naar het oordeel van het Gerecht is die dubbele inaanmerkingneming volkomen gerechtvaardigd. Immers, daar in een derde land tewerkgestelde ambtenaren in hun standplaats geen huisvestingskosten kunnen maken, dient de factor huisvesting bij de berekening van de koopkracht van die ambtenaren op geen enkele wijze in aanmerking te worden genomen (zie hiervoor, r.o. 40). De huisvestingskosten maken namelijk geen deel uit van de goederen en diensten die die ambtenaren zich met hun bezoldiging in hun plaats van tewerkstelling kunnen verschaffen. Zij dienen bijgevolg buiten beschouwing te worden gelaten bij de berekening van de door de aanpassingscoëfficiënt tot uitdrukking gebrachte kosten van levensonderhoud voor in een derde land tewerkgestelde ambtenaren in hun plaats van tewerkstelling. Die aanpassingscoëfficiënt kan bovendien niet worden toegepast op bedragen waarvan is aangetoond, dat zij normaliter niet in de standplaats worden uitgegeven. Er is derhalve evenmin enige reden om op het gedeelte van de bezoldiging van in een derde land tewerkgestelde ambtenaren, dat overeenkomt met het bezoldigingsgedeelte dat in de Gemeenschap tewerkgestelde ambtenaren aan huisvesting besteden, de aanpassingscoëfficiënt van de standplaats toe te passen.
51 Noch bij de berekening van de aanpassingscoëfficiënt, noch bij de toepassing ervan dient rekening te worden gehouden met elementen die noodzakelijkerwijs geen enkel verband houden met het uitgavenpatroon van in een derde land tewerkgestelde ambtenaren in hun standplaats. Hieruit volgt, dat het vastgestelde verschil in behandeling in verhouding staat tot het verschil tussen de situatie van in een derde land tewerkgestelde ambtenaren en ambtenaren met standplaats in de Gemeenschap.
52 Voor zover verzoeksters betoog ertoe strekt, de situatie van in een derde land tewerkgestelde ambtenaren onder de vóór de vaststelling van bijlage X geldende regeling ° waarbij zij een bijdrage in de kosten van huisvesting dienden te betalen ° te vergelijken met hun situatie na de inwerkingtreding van die regeling, moet voorts worden beklemtoond, dat verzoekster niet met een beroep op het beginsel van gelijke behandeling kan opkomen tegen het besluit van de wetgever om vanaf een bepaald moment het voor die ambtenaren geldende bezoldigingsstelsel te wijzigen.
53 In casu heeft de wetgever met de vaststelling van bijlage X het stelsel zoals dat voorheen heeft gegolden, in het bijzonder de regel volgens welke een bijdrage in de kosten van huisvesting moest worden betaald, willen wijzigen. Die wijziging heeft de door verzoekster verworven rechten niet kunnen aantasten. Artikel 27 van bijlage X bepaalt immers met zoveel woorden, dat "de ambtenaar alsmede het in verordening (...) nr. 3018/87 bedoelde personeelslid gedurende een periode die is beperkt tot de duur van de op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze bepalingen lopende tewerkstelling, doch ten hoogste gedurende vijf jaren, een bezoldiging (ontvangen) waarvan de hoogte ten minste gelijk is aan de bezoldiging die hij ontving op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze bepalingen".
54 Bovendien kan verzoekster zich niet beroepen op een stelsel dat is gewijzigd nog voordat het op haar van toepassing werd, daar zij geen enkel recht op basis van dat stelsel heeft verworven. Zij is immers sedert 4 januari 1988 in Oslo tewerkgesteld, terwijl de regeling van bijlage X en de interne richtlijnen op 10 oktober 1987 in werking is getreden.
55 Uit al het voorgaande volgt, dat verzoekster zich niet erop kan beroepen, dat de artikelen 11 en 12 van bijlage X, zoals uitgelegd door artikel 1 van de interne richtlijnen, in strijd zijn met het beginsel van gelijke behandeling. Hierbij moet echter worden aangetekend, dat dit wel het geval zou zijn indien in een derde land tewerkgestelde ambtenaren zelf hun huisvesting en hun ziektekosten moesten betalen, zonder dat die factoren in aanmerking werden genomen bij de berekening van de aanpassingscoëfficiënt en zonder dat die coëfficiënt op hun volledige bezoldiging werd toegepast. In dat geval zouden die ambtenaren immers, evenals in de Gemeenschap tewerkgestelde ambtenaren, in hun standplaats met dergelijke kosten te maken krijgen en zouden die kosten dubbel in aanmerking moeten worden genomen, evenals voor laatstgenoemde ambtenaren.
56 Mitsdien moet het eerste onderdeel van het middel worden afgewezen.
Tweede onderdeel: schending van het recht van de ambtenaar op zijn bezoldiging
57 Verzoekster betoogt, dat het besluit van de Commissie in strijd is met de artikelen 62 tot en met 65 van het Statuut, waarin de inhoud van de bezoldiging is omschreven en het recht van de ambtenaar op zijn bezoldiging is neergelegd. Zij zou namelijk van een deel van haar bezoldiging worden beroofd, doordat men haar niet volledig wil uitbetalen in de valuta van de standplaats en met toepassing van de aanpassingscoëfficiënt voor die plaats.
58 De Commissie gaat niet specifiek in op dit onderdeel van het middel.
59 Het Gerecht is van mening, dat dit tweede onderdeel van het middel evenals het eerste moet worden afgewezen. Immers, door te overwegen dat artikel 1 van de interne richtlijnen in overeenstemming is met zowel de artikelen 11 en 12 van bijlage X als het beginsel van gelijke behandeling, heeft het Gerecht te kennen gegeven, dat de Commissie verzoeksters bezoldiging juist heeft berekend en haar dus niet op onrechtmatige wijze van een deel van haar bezoldiging heeft beroofd.
60 Uit al het voorgaande volgt, dat het beroep moet worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
61 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Volgens artikel 88 van dat Reglement blijven evenwel de kosten door de instellingen in beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen gemaakt, te hunnen laste.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy