Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren ° Arbeidsvoorwaarden ° Verplichting, te allen tijde ter beschikking van instelling te staan ° Draagwijdte ° Verplichting voor betrokkenen, op verzoek van administratie hun privé-adres mee te delen ° Niet-nakoming ° Tuchtmaatregel
(Ambtenarenstatuut, art. 55, eerste alinea)
2. Voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen ° Ambtenaren en overige personeelsleden van Gemeenschappen ° Vrijstelling van vreemdelingenregistratie ° Mededeling van privé-adressen van ambtenaren aan nationale autoriteiten van gastland ° Doorgifte aan gemeenten van woonplaats ° Toelaatbaarheid
(Protocol betreffende de voorrechten en de immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, art. 12, sub b, 16, 18 en 19)
3. Ambtenaren ° Beroep ° Beroep krachtens artikel 179 EEG-Verdrag ° Uitlegging door autoriteiten van Lid-Staat van met communautaire instellingen gesloten akkoord ° Beoordeling van juistheid ° Onbevoegdheid van Gerecht
(EEG-Verdrag, art. 179)
Samenvatting
1. De concrete uitvoering van artikel 55, eerste alinea, van het Statuut, bepalend dat de ambtenaren in actieve dienst op ieder ogenblik ter beschikking van hun instelling staan, onderstelt dat de administratieve autoriteit over de gegevens beschikt om te allen tijde met haar ambtenaren op hun privé-adres in contact te treden. Bovendien vereisen de beginselen die de betrekkingen tussen werkgever en werknemer beheersen, en ook het gezond verstand, dat de werkgever het adres van de werknemer kent. De weigering van een ambtenaar zijn privé-adres aan de administratie mee te delen, vormt derhalve een verzuim van de verplichtingen van artikel 55 van het Statuut, dat een tuchtmaatregel kan rechtvaardigen.
2. De voorrechten en immuniteiten die bij het Protocol betreffende de voorrechten en de immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, in het uitsluitend belang van de Gemeenschappen, aan haar ambtenaren zijn toegekend, hebben enkel een functioneel karakter, in zoverre zij zijn bedoeld om te voorkomen dat de Gemeenschappen in hun werking en onafhankelijkheid worden belemmerd. Het Protocol heeft dus tot doel noch tot gevolg, de Lid-Staten de mogelijkheid te ontnemen om zich op ieder moment kennis te verschaffen van de migratie naar en binnen hun grondgebied. Bovendien staat het aan de Lid-Staten de autoriteiten aan te wijzen die met deze overheidstaak zijn belast. Artikel 12, sub b, junctis de artikelen 16, 18 en 19 van het Protocol verzetten zich bijgevolg niet ertegen, dat de informatie over het privé-adres van een ambtenaar, die door de autoriteiten van de Lid-Staat van ontvangst is verkregen krachtens het Protocol en volgens een akkoord tussen de regering van deze staat en de gemeenschapsinstellingen, aan andere publiekrechtelijke instanties wordt doorgegeven, met name aan de gemeente waar de betrokkene woont, overeenkomstig de voorwaarden van artikel 19 van het Protocol en met het enkele doel, de nationale overheidsinstanties in staat te stellen zich kennis te verschaffen van de migratie naar en binnen hun grondgebied.
3. In het kader van de controle van de wettigheid van een besluit van de administratie onder artikel 179 EEG-Verdrag is het Gerecht niet bevoegd zich uit te spreken over de juistheid van de uitlegging die de nationale autoriteiten geven aan de bepalingen van een tussen een Lid-Staat en de gemeenschapsinstellingen gesloten akkoord.
Partijen
In zaak T-80/91,
A. M. Campogrande, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Brussel, aanvankelijk vertegenwoordigd door Ph. Monnoyer de Galland, advocaat te Brussel, later door A. H. Pilette, advocaat te Brussel, en H. G. Kemmler, advocaat te Frankfurt/Main, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Elvinger en Schank, advocaten aldaar, Rue d' Eich 31,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Griesmar, juridisch adviseur, en A. M. Alves Vieira, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, bijgestaan door D. Waelbroeck, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek om nietigverklaring van het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van verzoeksters klacht tegen het besluit van 13 februari 1991 waarbij verzoekster een berisping is gegeven,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. Biancarelli, kamerpresident, B. Vesterdorf en R. García-Valdecasas, rechters
griffier: H. Jung
gezien de schriftelijke procedure en na de mondelinge behandeling op 21 oktober 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten, het juridisch kader van het geschil en procesverloop
1 Aan het slot van een tuchtrechtelijke procedure werd verzoekster, ambtenaar in de rang A 5 bij het directoraat-generaal Buitenlandse betrekkingen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Commissie"), bij besluit van 13 februari 1991 een berisping gegeven, omdat zij volgens de verwerende instelling voortdurend en opzettelijk weigerde haar privé-adres aan de administratie door te geven, waartoe zij naar de opvatting van de Commissie verplicht was krachtens artikel 55 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut").
2 De tuchtraad beschouwde deze weigering als des te ernstiger, nu de Commissie zich krachtens artikel 16, lid 2, van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Protocol") en het akkoord tussen de in België gevestigde instellingen van de Europese Gemeenschappen en de Belgische regering van 3 april 1987 inzake de inlichtingen betreffende de ambtenaren van deze instellingen (hierna: "akkoord"), gehouden acht aan de nationale autoriteiten van het gastland de privé-adressen van de ambtenaren mee te delen.
3 De relevante bepalingen van het Protocol zijn de volgende:
° artikel 12, sub b, bepaalt: "de ambtenaren en overige personeelsleden van de Gemeenschappen zijn, ongeacht hun nationaliteit, op het grondgebied van elk der Lid-Staten (...) te zamen met hun echtgenoten en de te hunnen laste zijnde verwanten vrijgesteld van immigratiebeperkingen en vreemdelingenregistratie";
° artikel 16, dat op verzoekster van toepassing is krachtens verordening (Euratom, EGKS, EEG) nr. 549/69 van de Raad van 25 maart 1969 ter bepaling van de categorieën van ambtenaren en overige personeelsleden van de Europese Gemeenschappen waarop de bepalingen van de artikelen 12, 13, tweede alinea, en 14 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Gemeenschappen van toepassing zijn (PB 1969, L 74, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij verordening nr. 3520/85 van 12 december 1985 (PB 1985, L 335, blz. 60), bepaalt in de tweede alinea: "de namen, hoedanigheden en adressen der ambtenaren en overige personeelsleden, welke onder deze categorieën zijn begrepen, worden op gezette tijden aan de regeringen van de Lid-Staten medegedeeld";
° artikel 18 bepaalt: "de voorrechten, immuniteiten en faciliteiten worden aan de ambtenaren en overige personeelsleden van de Gemeenschappen uitsluitend in het belang van de Gemeenschappen verleend";
° artikel 19 ten slotte luidt: "voor de toepassing van dit Protocol handelen de Instellingen van de Gemeenschappen in overeenstemming met de verantwoordelijke autoriteiten van de betrokken Lid-Staten".
4 De relevante bepalingen van het akkoord zijn de volgende:
° artikel 1 bepaalt: "de Instellingen verstrekken de minister van Buitenlandse zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking tweemaal per jaar de hiernavolgende inlichtingen over hun ambtenaren en overige personeelsleden, te weten:
1. Naam en voornamen
2. Plaats en datum van geboorte
3. Geslacht
4. Nationaliteit
5. Hoofdverblijfplaats (gemeente, straat, nummer)
6. Burgerlijke staat
7. Samenstelling van het gezin
8. Datum van indiensttreding in België";
° artikel 2 bepaalt: "de wijzigingen in de punten 1 tot 7 zullen maandelijks worden gemeld";
° artikel 4 bepaalt: "de minister van Buitenlandse zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking brengt de betrokken gemeenten op de hoogte van de vestiging op hun grondgebied van ambtenaren en overige personeelsleden van de Instellingen, alsmede van de in de artikelen 2 en 3 bedoelde mededelingen".
5 Het akkoord en de daaruit voortvloeiende verplichtingen zijn aan het voltallig personeel bekendgemaakt in de Mededelingen van de administratie nr. 1/87 van 9 april 1987, nr. 4/88 van 10 februari 1988 en nr. 22 bis van 13 juli 1988. Nadat het akkoord was gesloten, verzocht de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer van de Commissie op 9 december 1987 de in België woonachtige ambtenaren van deze instelling een vragenformulier in te vullen, zodat hun persoonsgegevens konden worden bijgewerkt en deze overeenkomstig artikel 16, tweede alinea, van het Protocol en het akkoord aan de Belgische autoriteiten konden worden medegedeeld. Verzoekster weigerde dit vragenformulier in te vullen.
6 De voorgeschiedenis van het geschil kan als volgt worden samengevat: naar aanleiding van een veroordeling bij verstek in een civiele rechtszaak stelde verzoekster in juni 1989 vast, dat zij en haar man in het register van de gemeente Elsene stonden ingeschreven, op een adres waar zij sinds 1981 niet meer woonden. Deze inschrijving was het gevolg van het feit dat de Commissie in het verleden haar adres had doorgegeven aan de Belgische autoriteiten, die overeenkomstig artikel 1 van het akkoord de betrokken gemeente daarvan op de hoogte hadden gesteld.
7 Op 6 september 1989 diende verzoekster een klacht in waarin zij bestreed, dat de Commissie het recht had deze gegevens aan de Belgische autoriteiten te verstrekken, en vorderde dat het akkoord zou worden opgezegd. De Commissie betoogt, dat bij het onderzoek van de klacht bleek dat mevrouw Campogrande sinds 22 januari 1979, dat wil zeggen sinds haar verhuizing naar Elsene, de administratie nooit een adreswijziging had gestuurd. Dit wordt door verzoekster betwist. Bij besluit van 11 april 1990 wees de Commissie deze klacht uitdrukkelijk af, op grond dat het akkoord zijn wettelijke grondslag had in het Protocol. De Commissie legde verzoekster met name uit, dat het akkoord slechts een stelsel in het leven riep voor de mededeling van de in artikel 16 van het Protocol bedoelde gegevens aan de Belgische autoriteiten en tot doel had, de uitvoering van het Protocol te vergemakkelijken. Ten slotte werd betrokkene herinnerd aan haar verplichtingen krachtens artikel 55 van het Statuut, met name de verplichting haar privé-adres aan de administratie door te geven. Verzoekster heeft tegen de uitdrukkelijke afwijzing van haar klacht geen beroep ingesteld.
8 Vast staat, dat de directeur Personeelszaken verzoekster vervolgens herhaaldelijk heeft verzocht om haar privé-adres aan de administratie mee te delen, op straffe van het instellen van een tuchtrechtelijke procedure. Nadat zij herhaaldelijk had geweigerd deze informatie te verstrekken, werd tegen Campogrande een tuchtrechtelijke procedure ingesteld, die op 13 februari 1991 leidde tot een berisping als bedoeld in artikel 86, lid 2, sub b, van het Statuut.
9 Bij brief van 15 april 1991 diende verzoekster een klacht in tegen de tuchtmaatregel. De Commissie beantwoordde deze klacht met een stilzwijgende afwijzing, die werd bevestigd door een uitdrukkelijk afwijzend besluit van 30 oktober 1991, dat op 11 november 1991 aan verzoekster werd meegedeeld.
10 In deze omstandigheden stelde verzoekster op 15 november 1991 het onderhavige beroep in.
11 De schriftelijke behandeling is op 26 juni 1992 afgesloten met de indiening van de dupliek van de Commissie; partijen zijn ter terechtzitting van 21 oktober 1992 in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord. Bij deze gelegenheid is Campogrande in persoon gehoord, overeenkomstig artikel 65, sub a, en artikel 66 van het Reglement voor de procesvoering.
Conclusies van partijen
12 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep ontvankelijk te verklaren, aangezien het overeenkomstig de bepalingen van het Statuut is ingesteld;
° het stilzwijgend besluit tot afwijzing van verzoeksters klacht van 15 april nietig te verklaren;
° verweerster te verwijzen in de kosten van het geding.
13 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep ongegrond te verklaren;
° kosten rechtens.
Ten gronde
14 Verzoekster voerde aanvankelijk zes middelen aan ter ondersteuning van haar beroep dat, zoals verweerster toegeeft, moet worden geacht te zijn gericht tegen het oorspronkelijke besluit van 13 februari 1991 en de stilzwijgende en de uitdrukkelijke afwijzing van de klacht tezamen. Ten eerste betoogt verzoekster, dat aan het bestreden besluit een procedurefout kleeft; ten tweede, dat het bestreden besluit niet is gemotiveerd; ten derde, dat het besluit op een feitelijke vergissing berust; ten vierde, dat de tegen haar genomen tuchtmaatregel wettelijke grondslag mist; ten vijfde, dat het akkoord en het Protocol met elkaar in strijd zijn, en ten zesde, dat het bestreden besluit schending van het Protocol oplevert en inbreuk maakt op haar privacy.
15 Tijdens de mondelinge behandeling heeft verzoekster uitdrukkelijk afgezien van de middelen inzake de procedurefout, het motiveringsgebrek en de inbreuk op haar privacy.
° Het middel inzake de feitelijke vergissing
Argumenten van partijen
16 Verzoekster betoogt dat het uitgangspunt, dat zij haar huidig privé-adres niet aan de instelling zou hebben meegedeeld, feitelijk onjuist is, aangezien zij hiervan tweemaal mededeling had gedaan, namelijk in 1982 en in 1984. Hoewel noch artikel 55 van het Statuut, waarnaar de tuchtmaatregel verwijst, noch enige andere statutaire bepaling ambtenaren verplicht hun privé-adres door te geven aan de instelling waartoe zij behoren, heeft zij haar privé-adres hoe dan ook regelmatig aan de Commissie doorgegeven. De laatste keer was op 5 juni 1984, toen zij de Commissie in kennis stelde van haar huidige adres. Haar kan dan ook geen enkele schending van artikel 55 van het Statuut worden verweten. Na laatstgenoemde datum en na de tegen haar aangespannen civiele procedure, die volgens haar was te wijten aan de mededeling, door de Commissie, van haar privé-adres aan de Belgische autoriteiten, was zij bereid geweest haar adres aan de instelling mee te delen, mits onder de garantie, dat deze inlichting niet aan de Belgische autoriteiten werd doorgegeven.
17 De Commissie betoogt, dat zij de beweerdelijke brief van 5 juni 1984, die in verminkte vorm als bijlage IX bij het verzoekschrift is overgelegd en waarbij verzoekster haar huidige adres aan de instelling zou hebben meegedeeld, nooit heeft ontvangen. Volgens verweerster is het laatste privé-adres van verzoekster haar in 1979 meegedeeld en klopt het niet met haar huidige adres. Als verzoekster, zoals zij beweert, in het verleden haar nieuwe adres reeds aan de administratie had doorgegeven, dan had niets haar hoeven te beletten dit tijdens de tuchtrechtelijke procedure nogmaals te doen, waarna de zaak als afgedaan zou zijn beschouwd. Indien dit daarentegen, zoals de Commissie meent, niet het geval is, dan kan de weigering van verzoekster niets anders zijn dan een fout harerzijds die disciplinair kan worden bestraft.
Oordeel van het Gerecht
18 Ten aanzien van het eerste middel merkt het Gerecht op, dat hoewel verzoekster aanvoert dat zij tot tweemaal toe, in 1982 en in 1984, haar privé-adres aan de instelling heeft meegedeeld, deze bewering door geen enkel processtuk wordt gestaafd. De beweerdelijke brief van 5 juni 1984, die in bijlage IX bij het verzoekschrift is overgelegd en die de Commissie beweert niet te hebben ontvangen, is niet voorzien van enige paraaf van een hiërarchieke meerdere en is niet aangetekend verzonden. Het Gerecht kan dit document, waarvan niet wordt bestreden dat het geen deel uitmaakt van het persoonsdossier van verzoekster en waarvan niet met zekerheid kan worden vastgesteld op welke datum het is geschreven, derhalve niet als bewijs aanvaarden. Overigens heeft verzoekster zowel tijdens de schriftelijke procedure als tijdens haar verhoor door het Gerecht hoe dan ook erkend, dat zij na deze datum herhaaldelijk heeft geweigerd haar privé-adres door te geven, in het bijzonder ook na de mededeling van de Commissie van 9 december 1987 die volgde op de ondertekening op 9 april 1987 van het tussen de gemeenschapsinstellingen en het Koninkrijk België gesloten akkoord. Bovendien is door de schriftelijke behandeling en de mondelinge procedure, en met name door het verhoor van verzoekster, voldoende komen vast te staan, dat verzoekster aan deze mededeling steeds de voorwaarde verbond, dat de instelling zou toezeggen de aldus verkregen informatie niet aan de Belgische autoriteiten door te geven. In deze omstandigheden kan verzoekster hoe dan ook niet volhouden, dat het bestreden besluit op materieel onjuiste feiten berust.
19 Het eerste middel moet derhalve worden afgewezen.
° Het middel inzake het ontbreken van een wettelijke basis voor de tuchtmaatregel
Argumenten van partijen
20 Verzoekster stelt, dat de enige bepaling die als grondslag voor de haar gegeven berisping zou kunnen dienen, artikel 55 van het Statuut is, met uitsluiting van het Protocol en het akkoord. Dit artikel is evenwel niet van toepassing, omdat geen van de daarin vervatte bepalingen de ambtenaren verplicht hun privé-adres aan hun instelling door te geven, en omdat de toepassingsvoorschriften waarnaar de derde alinea van genoemd artikel verwijst, nooit zijn vastgesteld. Ten slotte zou verzoekster, overeenkomstig de eerste alinea van dit artikel, steeds ter beschikking van de Commissie hebben gestaan.
21 Subsidiair voert zij aan, dat de omstandigheid dat zij het vragenformulier in de bijlage bij de mededeling van 9 december 1987, die verweerster aan de in België werkzame ambtenaren, tijdelijke functionarissen en hulpfunctionarissen had gezonden, niet heeft ingevuld, evenmin een schending van het Statuut oplevert, aangezien deze mededeling geen verplichting oplegde en noch een statutaire bepaling noch een uitvoeringsmaatregel van het Statuut vormde.
22 De Commissie acht dit middel ongegrond. De stelselmatige weigering van verzoekster, haar privé-adres aan de administratie door te geven, levert wel degelijk een schending van het Statuut op, en met name van artikel 55, uit welke bepaling in redelijkheid kan worden afgeleid, dat de administratie in staat moet zijn op ieder moment contact met haar ambtenaren op te nemen en derhalve op de hoogte moet zijn van hun privé-adres. Deze schending van artikel 55 van het Statuut is des te ernstiger, daar deze inlichting zowel op grond van artikel 16, tweede alinea, van het Protocol als krachtens het akkoord aan de Belgische autoriteiten moet worden doorgegeven, zodat door de weigering van verzoekster de Commissie niet kon voldoen aan haar verplichtingen jegens het Koninkrijk België. Deze aanhoudende weigering rechtvaardigde de berisping die op 13 februari 1991 krachtens artikel 86, lid 2, sub b, van het Statuut tegen verzoekster werd uitgesproken.
Oordeel van het Gerecht
23 De vijfde alinea van de motivering van het besluit van 13 februari 1991 waarbij verzoekster is berispt, luidt als volgt: "Overwegende dat de administratie van mening is (...) dat de weigering van A. M. Campogrande om inlichtingen te verstrekken over haar privé-adres, schending oplevert van de verplichtingen die op de ambtenaren rusten, met name van die welke uit artikel 55 van het Statuut voortvloeit."
24 Artikel 55 van het Statuut, waarnaar het besluit verwijst, bestaat uit drie alinea' s. De eerste alinea bepaalt: "De ambtenaren in actieve dienst staan op ieder ogenblik ter beschikking van hun instelling." De tweede alinea stelt de normale arbeidsduur per week vast. De derde alinea luidt ten slotte: "Bovendien kunnen ambtenaren indien het dienstbelang of de normen op het gebied der bedrijfsveiligheid zulks vereisen, verplicht worden om zich buiten de normale arbeidsduur op het werk of thuis ter beschikking van de instelling te houden. De instelling bepaalt de wijze van toepassing van deze alinea nadat zij haar Personeelscomité heeft geraadpleegd."
25 Het Gerecht is weliswaar van oordeel, zoals partijen overigens erkennen, dat voor zover artikel 55, derde alinea, van het Statuut regels stelt die onvoldoende duidelijk en onvoorwaardelijk zijn, de vaststelling van de daar bedoelde toepassingsvoorschriften voorwaarde is voor de inwerkingtreding van deze derde alinea. Dit is echter anders voor de eerste alinea van dit artikel; de inwerkingtreding daarvan hangt niet af van de vaststelling van enig toepassingsvoorschrift en kan derhalve worden tegengeworpen aan de personeelsleden, ten aanzien van wie zij een voldoende nauwkeurige verplichting schept.
26 Gezien deze omstandigheden is het Gerecht van oordeel, dat de mededeling van 9 december 1987 van verweerster aan de in België werkzame ambtenaren, tijdelijke functionarissen en hulpfunctionarissen, in tegenstelling tot hetgeen verzoekster betoogt, voldoende wettelijke grondslag vindt in artikel 55, eerste alinea, van het Statuut, waarvan de concrete uitvoering onderstelt dat de administratieve autoriteit over de gegevens beschikt om te allen tijde met haar personeelsleden op hun privé-adres in contact te kunnen treden. Bovendien vereisen de beginselen die de betrekkingen tussen werkgever en werknemer beheersen, en ook het gezond verstand, dat de werkgever het adres van de werknemer kent. Het Gerecht is derhalve van oordeel dat verzoekster, door te weigeren haar privé-adres mee te delen, het voor zichzelf feitelijk onmogelijk heeft gemaakt te allen tijde ter beschikking van de instelling te staan, en dat dit gedrag een verzuim oplevert van de onderhavige statutaire verplichtingen.
27 Het tweede middel, inhoudende dat de tuchtmaatregel onvoldoende wettelijke grondslag zou vinden in artikel 55 van het Statuut, moet derhalve eveneens worden verworpen.
° Het middel inzake de tegenstrijdigheid van het akkoord met het Protocol
Argumenten van partijen
28 Verzoekster betoogt, dat zij bereid zou zijn geweest haar privé-adres aan de gemeenschapsinstelling mee te delen, mits haar werd gegarandeerd dat het niet in de bevolkingsregisters van het Koninkrijk België zou worden ingeschreven. Waar het akkoord bepaalt, dat de namen en voornamen, de geboorteplaats en -datum, het geslacht, de nationaliteit, de hoofdverblijfplaats, de burgerlijke staat, de samenstelling van het gezin en de datum van indiensttreding in België van ambtenaren van de Gemeenschap tweemaal per jaar aan de Belgische autoriteiten worden doorgegeven, gaat het verder dan verplichtingen die artikel 16 van het Protocol aan de Commissie oplegt.
29 Bovendien vervangt het akkoord zoals dat door de Belgische autoriteiten wordt toegepast, de formaliteiten voor de inschrijving van vreemdelingen als bedoeld in artikel 3 van het Koninklijk Besluit van 1 april 1960 betreffende het houden van de bevolkingsregisters. Derhalve wordt artikel 12, sub b, van het Protocol niet alleen niet meer toegepast, maar is het vervangen door het akkoord, dat de Commissie verplicht de Belgische regering veel uitgebreidere informatie te verstrekken dan zij daarvóór ingevolge artikel 16, tweede alinea, van het Protocol was gehouden te verstrekken.
30 Deze uitlegging wordt enerzijds bevestigd door een circulaire van de Belgische minister van Binnenlandse zaken en Openbaar ambt van 17 januari 1987, waarin wordt gepreciseerd dat de ambtenaren en overige personeelsleden van de gemeenschapsinstellingen in het vervolg zullen worden vermeld in de bevolkingsregisters van de gemeente van hun hoofdverblijfplaats en dat deze vermelding dezelfde uitwerking zal hebben als de inschrijving, en anderzijds door een circulaire van 13 maart 1989, volgens welke de ambtenaren van de instellingen van de Europese Gemeenschappen worden vermeld in de bevolkingsregisters van de gemeente van hun hoofdverblijfplaats, welke vermelding geldt als inschrijving in het bevolkingsregister. Als gevolg van deze uitlegging van het akkoord worden de gemeenschapsambtenaren ingeschreven in het Rijksregister van de natuurlijke personen, aangezien de Belgische wettelijke bepalingen inzake dit register voorschrijven dat daarin worden ingeschreven "de personen die zijn ingeschreven in de bevolkingsregisters of de vreemdelingenregisters gehouden in de gemeenten".
31 Verzoekster beroept zich op het arrest van 18 maart 1986 (zaak 85/85, Commissie/België, Jurispr. 1986, blz. 1149) waarin het Hof besliste, dat iedere maatregel waardoor de ambtenaren en de overige personeelsleden van de Gemeenschappen zouden worden gedwongen om zich in het bevolkingsregister te laten inschrijven, in strijd is met artikel 12, sub b, van het Protocol. Dit geldt a fortiori, wanneer deze inschrijving ambtshalve wordt verricht. Derhalve is de uitlegging en de toepassing van het akkoord door zowel de Belgische minister van Binnenlandse zaken en Openbaar ambt als de gemeenten en de verwerende instelling zelf in strijd met artikel 12 van het Protocol. Verzoekster had derhalve terecht geweigerd om de gevraagde inlichtingen aan de verwerende instelling te verstrekken.
32 Verzoekster beroept zich ten slotte op een beslissing van 11 oktober 1991 van de raadgevende commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, die de inschrijving van ambtenaren van de Gemeenschappen in het Rijksregister onwettig verklaarde en besliste, dat de minister van Binnenlandse zaken en Openbaar ambt, door te bepalen dat de vermelding van gemeenschapsambtenaren in het bevolkingsregister geldt als inschrijving van deze ambtenaren in het register, misbruik van zijn bevoegdheid heeft gemaakt.
33 Volgens de Commissie zijn de voorrechten en immuniteiten van het Protocol, dat als bijlage bij het Fusieverdrag gelijkwaardig is aan het Verdrag zelf, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof bedoeld om te voorkomen, dat de Gemeenschappen in hun werking en onafhankelijkheid worden belemmerd (beschikking Hof van 13 juli 1990, zaak C-2/88, Zwartveld e. a., Jurispr. 1990, blz. I-3365). Het akkoord is krachtens artikel 19 van het Protocol gesloten om een einde te maken aan het bestaande meningsverschil met bepaalde Belgische gemeenten. Het is in overeenstemming met artikel 12, sub b, van het Protocol, dat is bedoeld om de ongestoorde uitoefening van de taken van de personeelsleden van de Gemeenschappen te verzekeren (zie de conclusie van advocaat-generaal VerLoren van Themaat bij het reeds aangehaalde arrest van het Hof van 18 maart 1986), en met de geest van artikel 18, eerste alinea, van het Protocol.
34 Volgens artikel 1 van het akkoord, aldus de Commissie, worden twee maal per jaar een aantal gegevens van persoonlijke aard aan de minister van Buitenlandse zaken en Ontwikkelingssamenwerking ter kennis gebracht, die de betrokken gemeenten van deze inlichtingen op de hoogte stelt (artikel 4). Deze maken hiervan melding in de bevolkingsregisters. Wat betreft haar gevolgen, geldt deze vermelding als een inschrijving in het bevolkingsregister, voorzien van een speciale code ("EEG Protocol"). De Commissie leidt uit deze bepalingen af dat het akkoord, waarvan de considerans overigens uitdrukkelijk verwijst naar de artikelen 16 en 19 van het Protocol, slechts een stelsel in het leven heeft geroepen voor de mededeling van bepaalde gegevens aan de Belgische autoriteiten, overeenkomstig artikel 16, tweede alinea, van het Protocol en de rechtspraak van het Hof, waarin de bevoegdheid van de Lid-Staten is erkend, "maatregelen te treffen die de nationale instanties nauwkeurige kennis moeten verschaffen van de migratie naar en binnen het nationale grondgebied" (arrest Hof van 7 juli 1976, zaak 118/75, Watson, Jurispr. 1976, blz. 1185).
35 De omstandigheid dat de vermelding in de gemeenteregisters dezelfde werking heeft als de inschrijving in deze registers, is bovendien geen grond om deze te kwalificeren als een formaliteit van inschrijving in het bevolkingsregister, waarvan de ambtenaren van de Gemeenschappen krachtens artikel 12, sub b, van het Protocol zijn vrijgesteld. Het akkoord wil enkel bereiken, dat de ambtenaren van de Gemeenschappen niet om inschrijving in de bevolkingsregisters behoeven te verzoeken, en beoogt tevens de vele moeilijkheden die uit het ontbreken van deze inschrijving voor hen voortvloeien, te vermijden. Het feit dat volgens ministeriële circulaires de vermelding als bedoeld in het akkoord dezelfde gevolgen heeft als de inschrijving in het register, doet er niet aan af, dat ambtenaren inderdaad niet aan de formaliteiten behoeven te voldoen. Het akkoord is derhalve wel degelijk in overeenstemming met artikel 12, sub b, van het Protocol, zoals de Commissie verzoekster in haar antwoord van 11 april 1990 op een eerdere klacht reeds heeft laten weten.
36 Aan de eis die verzoekster stelt in verband met de doorgifte van de gevraagde inlichtingen aan de Commissie, te weten dat haar wordt verzekerd dat de gegevens niet aan de Belgische autoriteiten worden doorgegeven, kan derhalve niet worden voldaan, aangezien verweerster niet op deze eis zou kunnen ingaan zonder schending van haar eigen verplichtingen, zoals deze voortvloeien uit zowel artikel 16 van het Protocol als uit artikel 1 van het akkoord. In deze omstandigheden is het terecht dat de tuchtraad, gezien de hardnekkige weigering van verzoekster de gevraagde informatie te verstrekken, haar een berisping heeft gegeven op grond van, met name, niet-nakoming van de verplichtingen van artikel 55 van het Statuut.
37 Zelfs indien het akkoord in strijd zou blijken met artikel 12, sub b, van het Protocol ° quod non °, had verzoekster volgens de Commissie in ieder geval niet het recht te weigeren om zich eraan te houden, aangezien de voorrechten en immuniteiten van het Protocol in het belang van de Gemeenschappen zijn gegeven. Binnen dit specifieke kader hebben ambtenaren geen eigen belang te verdedigen en hebben zij er derhalve ook geen belang bij om op te treden. Dit volgt uit het reeds aangehaalde arrest van 18 maart 1986, waarin het Hof oordeelde dat de ambtenaar geen afstand kan doen van voorrechten waarvan hij niet de begunstigde is. In deze zin heeft verzoekster in ieder geval haar statutaire verplichtingen geschonden. Indien zij van mening was dat het akkoord in strijd was met het Protocol, dan had zij overeenkomstig de artikelen 21 en 23 van het Statuut moeten optreden. Door de in deze twee artikelen geregelde procedure niet te volgen, is verzoekster de verplichtingen die krachtens het Statuut op haar rusten hoe dan ook niet nagekomen. Het is derhalve terecht, dat zij is berispt.
38 Ten aanzien van de door verzoekster aangehaalde beslissing van de raadgevende commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer merkt de Commissie op, dat deze instantie in de motivering van haar beslissing heeft verklaard dat zij zich niet uitsprak "over de vraag of de vermelding van de klager en zijn gezinsleden in het bevolkingsregister op zichzelf, dat wil zeggen ongeacht de daaruit voortvloeiende gevolgen ten aanzien van het Rijksregister, wettig is", noch "over de vraag of de bevoegde overheid, thans de wetgever, zou kunnen bepalen dat ambtenaren van de Europese Gemeenschappen het voorwerp uitmaken van een inschrijving in de bevolkingsregisters of van een met een inschrijving gelijkgestelde vermelding, zonder het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen te schenden". Deze beslissing is derhalve niet relevant voor de uitkomst van het onderhavige geschil.
Oordeel van het Gerecht
39 Bij de beoordeling van de relevantie van dit middel, dat betrekking heeft op een tegenstrijdigheid van het Protocol met het akkoord, moet in de eerste plaats worden opgemerkt, dat het geschil enkel de mededeling van het privé-adres van verzoekster aan de Commissie betreft en dat deze instelling verzoekster bovendien herhaaldelijk heeft gevraagd haar deze informatie te verstrekken, ofwel op de enkele grondslag van artikel 55 van het Statuut, met name in haar antwoord op een eerdere klacht (zie r.o. 7), ofwel krachtens artikel 16 van het Protocol juncto artikel 1 van het akkoord. Het Gerecht heeft reeds beslist (zie r.o. 26), dat de weigering om haar adres mee te delen aan haar instelling schending oplevert van de in artikel 55 van het Statuut neergelegde statutaire verplichtingen, die slechts betrekking hebben op het intern functioneren van de Commissie en niet op de problemen betreffende de mededeling door laatstgenoemde van de adressen van haar ambtenaren en andere personeelsleden aan de nationale instanties van de betrokken Lid-Staten. Zelfs indien het onderhavige middel gegrond zou zijn, dan zou het derhalve op zich niet noodzakelijkerwijs tot nietigverklaring van de genomen tuchtmaatregel kunnen leiden. Aangezien de motivering van het bestreden besluit echter althans gedeeltelijk is gebaseerd op de toepasselijkheid van het akkoord op de situatie van verzoekster, moet het Gerecht ingaan op de argumenten die tot staving van het onderhavige middel zijn aangevoerd.
40 Verzoekster voert in verband met dit middel hoofdzakelijk drie argumenten aan: tegenstrijdigheid van het Protocol met het akkoord ten aanzien van de inlichtingen die de Commissie de Lid-Staten moet verstrekken, tegenstrijdigheid van het Protocol met het akkoord ten aanzien van de uiteindelijke adressaten van deze inlichtingen, en schending van het Protocol als gevolg van een onwettige uitlegging daarvan door de Belgische autoriteiten.
41 Het Gerecht merkt in de eerste plaats op, dat blijkens artikel 16, tweede alinea, van het Protocol en artikel 1 van het akkoord beide bepalingen voorschrijven, dat de privé-adressen van de ambtenaren en overige personeelsleden van de Europese Gemeenschappen door de Commissie aan de Belgische autoriteiten worden meegedeeld. Deze bepalingen zijn dus geenszins strijdig met elkaar.
42 In de tweede plaats kent het Protocol uitsluitend in het belang van de Gemeenschappen bepaalde voorrechten toe aan haar ambtenaren en hebben de daarbij toegekende voorrechten en immuniteiten "enkel een functioneel karakter, in zoverre zij bedoeld zijn om te voorkomen dat de Gemeenschappen in hun werking en onafhankelijkheid worden belemmerd" (beschikking Hof van 11 april 1989, zaak 1/88 SA, NV Generale Bank, Jurispr. 1989, blz. 857, r.o. 9, en de reeds aangehaalde beschikking van 13 juli 1990, Zwartveld e.a., r.o. 19 en 20). Het Protocol heeft dus tot doel noch tot gevolg, de Lid-Staten de mogelijkheid te ontnemen die hen door het reeds aangehaalde arrest van 7 juli 1976 in de zaak Watson uitdrukkelijk is toegekend, om zich op ieder moment kennis te verschaffen van de migratie naar en binnen hun nationale grondgebied. Verzoekster kan derhalve niet staande houden, dat de informatie over haar privé-adres, het enige in casu omstreden punt, die door de Belgische autoriteiten krachtens het Protocol en volgens het akkoord is verkregen, niet aan andere publiekrechtelijke instanties mocht worden doorgegeven, en met name niet aan de gemeenten waar de ambtenaren wonen, overeenkomstig de voorwaarden van artikel 19 van het Protocol en met het enkele doel, de overheidsinstanties van het Koninkrijk België in staat te stellen zich kennis te verschaffen van de migratie naar en binnen hun nationale grondgebied. Het staat immers aan de Lid-Staten de autoriteiten aan te wijzen die met deze overheidstaak zijn belast. In zover artikel 4 van het akkoord bepaalt, dat de minister aan de betrokken gemeenten de adressen van de ambtenaren en overige personeelsleden doorgeeft, is het derhalve niet in strijd met artikel 12, sub b, junctis de artikelen 16, 18, en 19 van het Protocol.
43 In de derde plaats kan evenmin het argument van verzoekster slagen, dat het akkoord door de Belgische autoriteiten zo wordt uitgelegd, dat het voor de ambtenaren van de Gemeenschappen de functie overneemt van de formaliteiten van inschrijving in het vreemdelingenregister, waarvan zij volgens artikel 12, sub b, van het Protocol juist zijn vrijgesteld. In het kader van de controle van de wettigheid van het bestreden besluit van de Commissie volgens artikel 179 EEG-Verdrag, is het Gerecht niet bevoegd zich uit te spreken over de juistheid van de uitlegging die de Belgische autoriteiten aan de bepalingen van het akkoord geven. Het Gerecht heeft slechts tot taak om te toetsen, of de tuchtmaatregel die aan hem is voorgelegd, voldoende grondslag vindt in het Statuut, en meer in het bijzonder, zoals hierboven reeds is uiteengezet, in artikel 55 daarvan, en om zich ervan te vergewissen, dat de verwerende instelling noch het Protocol noch het Statuut heeft geschonden door voor de toepassing van zowel het Protocol als artikel 55 van het Statuut te eisen, dat het privé-adres van verzoekster onder de in het akkoord gestelde voorwaarden wordt meegedeeld. Waar vaststaat, dat verzoekster herhaaldelijk heeft geweigerd haar privé-adres mee te delen, tenzij de Commissie haar zou garanderen deze informatie niet aan de Belgische autoriteiten door te geven, en dat in de motivering van de tuchtmaatregel terecht wordt gepreciseerd dat de Commissie verzoekster deze garantie niet kan geven, aangezien deze in strijd zou zijn met zowel artikel 16 van het Protocol als artikel 1 van het akkoord, kleeft aan het besluit van de Commissie, waarbij tegen verzoekster een tuchtmaatregel is genomen, geen enkel juridisch gebrek. Zoals de Commissie terecht aanvoert kon verzoekster, indien zij meende daartoe reden te hebben, alleen maar de in artikel 23 van het Statuut bedoelde procedure in gang zetten.
44 Derhalve moet het derde middel, inzake een vermeende tegenstrijdigheid tussen het Protocol en het akkoord, in ieder geval worden verworpen.
45 Uit het voorgaande volgt, dat geen van de drie middelen die verzoekster heeft aangevoerd, gegrond is en dat het beroep derhalve moet worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
46 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Ingevolge artikel 88 van het Reglement blijven echter in de beroepen van de personeelsleden van de Gemeenschappen de kosten door de instellingen gemaakt te hunnen laste.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy