Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren ° Beroep ° Bevoegdheid van Gerecht ° Uitlegging van nationaalrechtelijk begrip voor toepassing van bepaling Statuut ° Daaronder begrepen
2. Ambtenaren ° Bezoldiging ° Gezinstoelagen ° Kindertoelage ° Gelijkstelling met kind ten laste ° Voorwaarde ° Wettelijke onderhoudsplicht van ambtenaar ° Begrip ° Toetsing aan op ambtenaar toepasselijk nationaal recht
(Ambtenarenstatuut, art. 67; bijlage VII, art. 2, lid 4)
3. Gemeenschapsrecht ° Uitlegging ° Beginselen ° Autonome uitlegging ° Grenzen ° Verwijzing, in bepaalde gevallen, naar recht van Lid-Staten
Samenvatting
1. Wanneer de toepassing van een statutaire bepaling afhangt van de toepassing van een nationale rechtsregel van een der Lid-Staten, is het in het belang van een goede rechtsbedeling en een juiste toepassing van het Statuut, dat de controle van het Gerecht zich ook richt op de uitlegging, door het tot aanstelling bevoegd gezag van een gemeenschapsinstelling, van het nationale recht van een der Lid-Staten.
2. Volgens artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut heeft de gelijkstelling met een kind ten laste van een persoon ten aanzien van wie de ambtenaar een wettelijke onderhoudsplicht heeft welke hem zware lasten oplegt, een uitzonderlijk karakter. De voorwaarde inzake het bestaan van een wettelijke onderhoudsplicht van de ambtenaar ten aanzien van een andere persoon dan een kind ten laste, moet derhalve strikt worden uitgelegd.
De in het Statuut gebezigde term wettelijke onderhoudsplicht verwijst naar het recht van de Lid-Staten, die bij de wet aan meer of minder verre bloed- en/of aanverwanten een wederzijdse onderhoudsplicht opleggen. Derhalve moet dit begrip aldus worden uitgelegd, dat het enkel doelt op een onderhoudsplicht die op de ambtenaar rust ingevolge een van de wil van partijen onafhankelijke rechtsbron, hetgeen onderhoudsverplichtingen op grond van een overeenkomst, van een natuurlijke verbintenis of met een vergoedingskarakter uitsluit.
Wanneer het gemeenschapsrecht noch het Statuut de gemeenschapsrechter aanwijzingen verstrekt aan de hand waarvan hij door autonome uitlegging de inhoud en draagwijdte zou kunnen preciseren van de wettelijke onderhoudsplicht op grond waarvan een ambtenaar overeenkomstig artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut in het genot van de kindertoelage kan worden gesteld, moet worden onderzocht of het nationale recht dat op de betrokken ambtenaar van toepassing is, hem een dergelijke verplichting oplegt.
3. De termen van een gemeenschapsrechtelijke bepaling die voor de vastlegging van haar inhoud en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de Lid-Staten verwijst, moeten in de regel autonoom worden uitgelegd, rekening houdend met de context van de bepaling en met het doel van de betrokken regeling. Waar een uitdrukkelijke verwijzing ontbreekt, kan de toepassing van het gemeenschapsrecht evenwel een verwijzing naar het recht van de Lid-Staten impliceren, wanneer de communautaire rechter noch in het gemeenschapsrecht noch in de algemene beginselen daarvan iets vindt wat hem in staat stelt, de inhoud en draagwijdte van een gemeenschapsbepaling door autonome uitlegging te preciseren.
Partijen
In zaak T-85/91,
L. R. Khouri, voormalig hulpfunctionaris van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Brussel, vertegenwoordigd door J.-N. Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Griesmar, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door J.-L. Fagnart, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van de door verzoekster op 24 juli 1991 ingediende klacht tegen het besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen om verzoeksters neef niet gelijk te stellen met een kind ten laste,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: R. García-Valdecasas, kamerpresident, R. Schintgen en C. W. Bellamy, rechters,
griffier: B. Pastor, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 7 juli 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Verzoekster, L. R. Khouri, woonachtig in België, werd door de Commissie van de Europese Gemeenschappen aangeworven als hulpfunctionaris voor de duur van twaalf maanden ingaande 16 oktober 1990. Haar neef Ch. Khouri, geboren op 7 juni 1972, is haar sedert september 1989 door zijn in Libanon wonende ouders toevertrouwd in verband met de sinds verscheidene jaren in dat land heersende onveiligheid. Hij volgt onderwijs aan een lyceum te Anderlecht (België). Volgens verzoekster komt hij volledig te haren laste. Met het oog op de inschrijving van haar neef in het vreemdelingenregister van de gemeente Anderlecht moest zij een "borgstelling" ondertekenen, waarin zij zich jegens de Belgische Staat verplichtte op te komen voor alle lasten verband houdende met zijn gezondheidszorg, verblijfskosten en repatriëring. Voordat zij in dienst trad bij de Commissie, genoot zij ingevolge de Belgische wetgeving belastingaftrek uit hoofde van die borgstelling, omdat voor de berekening van de inkomstenbelasting haar neef was gelijkgesteld met een kind ten laste. Destijds betaalde de kas voor gezinsbijslagen waarbij zij was aangesloten, haar voorts een kindertoelage voor haar neef.
2 Bij nota van 20 februari 1991 diende zij bij de Commissie een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, Ambtenarenstatuut in, waarin zij de administratie verzocht haar neef krachtens artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut gelijk te stellen met een kind ten laste; artikel 2, lid 4, luidt als volgt: "In uitzonderlijke gevallen kan een persoon ten aanzien van wie de ambtenaar een wettelijke onderhoudsplicht heeft welke hem zware lasten oplegt, bij bijzonder, met redenen omkleed besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag, genomen op grond van bewijsstukken, met een te zijnen laste komend kind worden gelijkgesteld".
3 Bij nota van 24 april 1991 (abusievelijk gedateerd op 24 juni 1991), door verzoeksters raadsman ontvangen op 2 mei 1991, deelde het hoofd van de afdeling Individuele rechten van de Commissie verzoekster mede, dat hij haar verzoek niet kon inwilligen. Deze weigering was als volgt gemotiveerd: "Volgens de bepalingen van de Belgische wet is mevrouw Khouri' s neef niet een persoon ten aanzien van wie zij een wettelijke onderhoudsplicht heeft zoals artikel 2, lid 4, van bijlage VII van het Statuut verlangt, en valt hij dus niet onder de werkingssfeer van genoemd artikel."
4 Op 16 mei 1991 wees de Vrederechter te Anderlecht in een zaak tussen Ch. Khouri als eiser en mevrouw Lilian Khouri als verweerster een vonnis, waarvan het dictum luidt als volgt:
"(...)
Stelt het bedrag van de door verweerster aan eiser verschuldigde alimentatie vast op vijftienduizend franken per maand en veroordeelt verweerster voor zover nodig, in geval zij haar vrijwillige betalingen onderbreekt, aan verzoeker vijftienduizend franken per maand aan alimentatie te betalen, ingaande op 1 mei 1991 (...)"
De Vrederechter motiveerde zijn uitspraak als volgt:
"(...)
Hoewel tussen verwanten in een zijlinie wettelijk generlei alimentatieplicht is voorgeschreven, kan de steun bij het onderhoud worden beschouwd als een natuurlijke verbintenis die kan worden omgezet in een burgerrechtelijke verbintenis (...)
Verweerster heeft zich uit eigen vrije wil tegenover haar broer verplicht, zorg te dragen voor haar neef, en zij leeft deze verbintenis reeds bijna twee jaar na.
Deze uit affectieve banden ontstane, natuurlijke verbintenis kan worden geacht door verweerster vrijwillig in een burgerrechtelijke verbintenis te zijn omgezet en van laatstgenoemde verbintenis kan door de rechter uitvoering worden gelast wanneer de vrijwillige betalingen worden onderbroken (...)"
5 Bij nota van 24 juli 1991 diende verzoekster krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut bij de Commissie een klacht in tegen het besluit van 24 april 1991.
6 De administratie hoorde verzoekster en haar raadsman tijdens een bijeenkomst op 9 oktober 1991. De klacht van 24 juli 1991 is door de Commissie niet uitdrukkelijk beantwoord.
Het procesverloop
7 Onder deze omstandigheden heeft verzoekster bij op 26 november 1991 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 24 april 1991.
8 In het kader van de schriftelijke procedure heeft verzoekster afgezien van repliek, overeenkomstig artikel 47 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
9 Het Gerecht heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
10 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 juli 1992. Daarbij zijn partijen in hun pleidooien gehoord en hebben zij vragen van het Gerecht beantwoord.
11 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
° nietig te verklaren het besluit van de Commissie tot afwijzing van het verzoek om haar neef gelijk te stellen met een kind ten laste;
° de Commissie te verwijzen in de kosten.
12 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk, althans ongegrond te verklaren;
° kosten rechtens.
13 Verzoekster heeft ter terechtzitting verklaard, dat er tussen haar en haar neef geen geschil heeft bestaan en dat zij zich tot de Vrederechter te Anderlecht heeft gewend ter verkrijging van een vonnis waaruit blijkt, dat zij naar Belgisch burgerlijk recht een onderhoudsplicht heeft.
De ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
14 Verweerster merkt in de eerste plaats op, dat verzoekster haar vordering tot nietigverklaring baseert op "verkeerde uitlegging (...) van het Belgische rechtsbegrip 'wettelijke onderhoudsplicht' en bijgevolg op schending van artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut". Volgens verweerster is het Gerecht niet bevoegd tot nietigverklaring van een besluit houdende uitlegging van een nationaal rechtsbegrip, zodat moet worden aangenomen dat het beroep uitsluitend is gebaseerd op schending van artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut en dus niet-ontvankelijk is.
15 Tot staving van dit middel van niet-ontvankelijkheid betoogt verweerster, dat artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut het tot aanstelling bevoegd gezag een discretionaire bevoegdheid verleent bij de beoordeling van de feiten en omstandigheden waarmee een verzoek wordt gestaafd om een persoon jegens wie de ambtenaar een onderhoudsplicht heeft, met een kind ten laste gelijk te stellen (zie arrest Gerecht van 14 december 1990, zaak T-75/89, Brems, Jurispr. 1990, blz. II-899). De afwijzing van het door verzoekster ingediende verzoek om gelijkstelling kan derhalve geen schending opleveren van artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut ° de enige bepaling die hier in geding is °, aangezien dit artikel het tot aanstelling bevoegd gezag nu juist een beoordelingsvrijheid laat, zelfs wanneer aan de toepassingsvoorwaarde van die bepaling is voldaan. De keuze die het tot aanstelling bevoegd gezag daarbij maakt, kan op zich niet onwettig zijn.
16 Verweerster leidt daaruit af, dat er in casu geen plaats is voor rechterlijke controle, omdat het hier niet gaat om een wettigheidsvraag, doch om de beoordeling van de opportuniteit van een keuze. Waar met het beroep wordt beoogd een uitspraak van het Gerecht te verkrijgen over de opportuniteit van de wijze waarop verweerster gebruik heeft gemaakt van haar beoordelingsvrijheid krachtens genoemde statutaire bepaling, moet het niet-ontvankelijk worden verklaard.
Beoordeling van het Gerecht
17 Als motief voor haar weigering om verzoeksters neef krachtens artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut gelijk te stellen met een kind ten laste, heeft de Commissie aangevoerd, dat verzoekster geen wettelijke onderhoudsplicht had. Tot dit oordeel is de Commissie niet gekomen door gebruik te maken van de haar door genoemde bepaling toegekende vrijheid bij de beoordeling van de tot staving van een verzoek om gelijkstelling aangevoerde feiten en omstandigheden, doch door een uitlegging rechtens van een van de voorwaarden waaraan voor die gelijkstelling moet zijn voldaan. Daaruit volgt, dat het Gerecht bevoegd is, de uitlegging rechtens die de Commissie in casu heeft gegeven aan de voorwaarde inzake het bestaan van een wettelijke onderhoudsplicht, te toetsen.
18 Wanneer, zoals in dit geval (zie r.o. 31 en 32), de toepassing van een statutaire bepaling afhangt van de toepassing van een nationale rechtsregel van een der Lid-Staten, is het, naar het oordeel van het Gerecht, in het belang van een goede rechtsbedeling en een juiste toepassing van het Statuut, dat zijn controle zich ook richt op de toepassing, door het tot aanstelling bevoegd gezag van een gemeenschapsinstelling, van het nationale recht van een der Lid-Staten.
19 Uit het voorgaande volgt, dat het door verzoekster aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid moet worden afgewezen.
Ten gronde
° Het enige middel, ontleend aan schending van artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut
Argumenten van partijen
20 Verzoekster betoogt, dat zij naar Belgisch recht een "wettelijke" onderhoudsplicht jegens haar neef heeft. Hiervoor voert zij drie argumenten aan: in de eerste plaats, de novatie van haar natuurlijke verbintenis jegens haar neef tot een burgerrechtelijke verbintenis; in de tweede plaats, het vonnis van de Vrederechter te Anderlecht van 16 mei 1991, waarbij haar bijdrage in de kosten van onderhoud en opvoeding van haar neef is vastgesteld; en in de derde plaats de door haar ten gunste van haar neef getekende borgstelling.
21 Met betrekking tot het eerste argument (novatie) betoogt verzoekster, dat zij aanvankelijk een natuurlijke verbintenis had tot het verstrekken van onderhoud aan haar neef, voortvloeiende uit de tussen hen bestaande affectieve banden, de aan haar broer, de vader van het kind, gedane belofte dat zij voor hem zou zorgen, en de door haar ten overstaan van de Belgische autoriteiten getekende borgstelling. Volgens de Belgische rechtspraak is de vrijwillig aangegane en uitgevoerde verbintenis om een kind te onderhouden, een natuurlijke verbintenis, die tot een burgerrechtelijke verbintenis wordt versterkt wanneer zij een aantal jaren is nagekomen. Ter terechtzitting heeft verzoeksters raadsman bedoelde verbintenis betiteld als een "quasi-wettelijke" verbintenis.
22 Met betrekking tot het tweede argument betoogt verzoekster, dat zij blijkens de motivering van voornoemd vonnis van 16 mei 1991 naar Belgisch recht daadwerkelijk een wettelijke onderhoudsplicht jegens haar neef heeft in de zin van artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut.
23 Met betrekking tot het derde argument betoogt verzoekster, dat haar neef zich slechts in België heeft mogen vestigen nadat zij zich persoonlijk borg had gesteld voor alle lasten die zijn verblijf in België zou meebrengen. Zij is deze borgstelling aangegaan overeenkomstig de wettelijke regeling inzake het verblijf van vreemdelingen in België, te weten de artikelen 3 en 11 van de wet van 15 december 1980 inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Die borgstelling is volgens verzoekster het ware bewijs, dat zij ten aanzien van haar neef een wettelijke onderhoudsplicht in de zin van artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut heeft.
24 Verweerster betoogt in de eerste plaats, dat de Belgische wet, die in casu van toepassing is krachtens het Verdrag van 's-Gravenhage van 24 oktober 1956 nopens de wet welke op alimentatieverplichtingen jegens kinderen toepasselijk is, geen alimentatieplicht tussen verwanten in de zijlinie kent. Men moet onderscheid maken tussen het in bepaalde gevallen door de wet toegekende recht op onderhoud enerzijds, en de natuurlijke onderhoudsplicht, die de debiteur vrijwillig tot een burgerrechtelijke verbintenis kan versterken. Waar verzoekster zegt een natuurlijke verbintenis vrijwillig te hebben versterkt tot een burgerrechtelijke verbintenis, erkent zij noodzakelijkerwijs dat zij geen wettelijke onderhoudsplicht ten aanzien van haar neef heeft.
25 Verweerster verwijst vervolgens naar de door haar op 28 september 1989 vastgestelde algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut, waarin objectieve criteria voor de uniforme uitoefening van de beoordelingsvrijheid van het tot aanstelling bevoegd gezag zijn neergelegd, met name in artikel 3, volgens hetwelk "onder wettelijke onderhoudsplicht moet worden verstaan die welke uitdrukkelijk bij de wet is voorzien tussen ouders of verwanten, met uitsluiting van verbintenissen uit overeenkomst, natuurlijke verbintenissen of verbintenissen met het karakter van een vergoeding".
26 Met betrekking tot het vonnis van 16 mei 1991 betoogt verweerster in de eerste plaats, dat de door Ch. Khouri voor de Vrederechter ingestelde vordering kennelijk niet-ontvankelijk was, aangezien eiser noch een bestaand en actueel belang had, noch een ernstige, serieus te nemen bedreiging van zijn rechten kon aantonen. In de tweede plaats is bij dat vonnis ten onrechte het bestaan van een natuurlijke verbintenis vastgesteld, daar een dergelijke verbintenis naar Belgisch recht enkel kan bestaan tussen naaste verwanten, wat in de praktijk betekent alleen tussen broers en zusters. In de derde plaats kritiseert verweerster het vonnis, in zoverre daarin geen rekening is gehouden met het feit dat Ch. Khouri niet in behoeftige omstandigheden verkeerde, aangezien hij door zijn tante werd onderhouden, noch met het feit dat er andere onderhoudsplichtigen bestonden, namelijk zijn vader en moeder, die als eersten gehouden zijn in het onderhoud van hun zoon te voorzien. Daarenboven, aldus verweerster, kan het vonnis haar niet worden tegengeworpen, aangezien het slechts relatieve kracht van gewijsde heeft.
27 Mocht het Gerecht niettemin het vonnis van 16 mei 1991 in aanmerking nemen, dan vestigt verweerster de aandacht op het feit dat daarin enerzijds wordt overwogen dat "bij de wet geen onderhoudsplicht tussen verwanten in de zijlinie is voorzien", en anderzijds dat "verweerster zich uit vrije wil tegenover haar broer heeft verbonden om voor haar neef te zorgen".
28 Met betrekking tot de door verzoekster getekende borgstelling voert verweerster aan, dat de wettelijke bepalingen waarop verzoekster haar betoog baseert, te weten die welke een vreemdeling verplichten zich voldoende bestaansmiddelen te verschaffen door "het wettig uitoefenen van een winstgevende werkzaamheid", in casu irrelevant zijn. Verzoeksters neef heeft slechts toestemming kunnen krijgen om in België te verblijven, door een besluit overeenkomstig artikel 9 van de wet van 15 december 1980, dat de minister van Justitie een discretionaire bevoegdheid ter zake verleent. Een van de voorwaarden die de minister in de regel aan de verblijfsvergunning verbindt, is dat een Belgisch burger zich verplicht op te komen voor de medische kosten en de verblijfs- en repatriëringskosten van de vreemdeling die de verblijfsvergunning aanvraagt. Verzoeksters onderhoudsplicht jegens haar neef berust dus niet op de wet, doch op haar overeenkomst met de Belgische Staat, die een derdenbeding in de zin van artikel 1121 van het Belgische burgerlijk wetboek bevat, dat door verzoekster ten gunste van haar neef is aanvaard. Deze zuiver contractuele verbintenis kan niet op één lijn worden gesteld met een wettelijke onderhoudsplicht in de zin van artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut.
Beoordeling van het Gerecht
29 Volgens artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut, dat krachtens artikel 65 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (hierna: "RAP") van overeenkomstige toepassing is op hulpfunctionarissen, kan een persoon ten aanzien van wie de ambtenaar een wettelijke onderhoudsplicht heeft welke hem zware lasten oplegt, in uitzonderlijke gevallen bij bijzonder besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag met een te zijnen laste komend kind worden gelijkgesteld en aldus in aanmerking komen voor de kindertoelage.
30 De gelijkstelling van een andere persoon met een kind ten laste heeft, zoals in de tekst van het Statuut zelf tot uitdrukking komt, een uitzonderlijk karakter, hetgeen betekent dat de voorwaarde inzake het bestaan van een wettelijke onderhoudsplicht van de ambtenaar jegens een andere persoon strikt moet worden uitgelegd (zie arrest Hof van 21 november 1974, zaak 6/74, Moulijn, Jurispr. 1974, blz. 1287).
31 De in het Statuut gebezigde term "wettelijke onderhoudsplicht" verwijst naar het recht van de Lid-Staten, dat bij de wet aan meer of minder verre bloed- en/of aanverwanten een wederzijdse onderhoudsplicht oplegt. Waar het Statuut in artikel 2, lid 4, van bijlage VII de term wettelijke onderhoudsplicht bezigt, doelt het, naar het oordeel van het Gerecht, uitsluitend op de onderhoudsplicht die op de ambtenaar rust ingevolge een van de wil van de partijen onafhankelijke rechtsbron, hetgeen bijgevolg onderhoudsverplichtingen op grond van een overeenkomst, van een natuurlijke verbintenis of met een vergoedingskarakter uitsluit. Daaruit volgt, dat de Commissie dit begrip juist heeft toegepast door in artikel 3 van de algemene uitvoeringsbepalingen de wettelijke onderhoudsplicht te omschrijven als een verplichting "die bij de wet uitdrukkelijk is voorzien tussen verwanten, met uitsluiting van verplichtingen met het karakter van een overeenkomst, natuurlijke verbintenis of vergoeding".
32 Volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie onder meer arrest van 18 januari 1984, zaak 327/82, Ekro, Jurispr. 1984, blz. 107) moeten de termen van een gemeenschapsrechtelijke bepaling die voor de vastlegging van haar inhoud en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de Lid-Staten verwijst, in de regel autonoom worden uitgelegd, rekening houdend met de context van de bepaling en met het doel van de betrokken regeling. Naar het oordeel van het Gerecht kan evenwel, waar een uitdrukkelijke verwijzing ontbreekt, de toepassing van het gemeenschapsrecht in voorkomend geval een verwijzing naar het recht van de Lid-Staten impliceren wanneer de communautaire rechter noch in het gemeenschapsrecht noch in de algemene beginselen daarvan iets vindt wat hem in staat stelt de inhoud en draagwijdte van het gemeenschapsrecht door autonome uitlegging te preciseren.
33 Noch het gemeenschapsrecht noch het Statuut verstrekt de communautaire rechter aanwijzingen aan de hand waarvan hij door autonome uitlegging de inhoud en draagwijdte zou kunnen preciseren van de wettelijke onderhoudsplicht op grond waarvan een ambtenaar overeenkomstig artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut in het genot van de kindertoelage kan worden gesteld. Bijgevolg moet worden nagegaan, welk nationaal recht op verzoekster van toepassing is en of dat recht haar een wettelijke onderhoudsplicht in de zin van het Statuut jegens haar neef oplegt.
34 Uit de stukken blijkt, dat de in België woonachtige verzoekster zowel Belgisch als Libanees onderdaan is. Hoewel zij overeenkomstig artikel 55 RAP door de Commissie is aangesteld op grond van haar Belgische nationaliteit, bezit haar neef, die eveneens in België woont, naast de Libanese tevens de Nederlandse nationaliteit.
35 Gelet op deze omstandigheden moet worden onderzocht, welk recht in casu van toepassing is, rekening houdend met de conflictenregeling die door de bevoegde rechter moet worden toegepast. Artikel 4, lid 1, van de algemene uitvoeringsbepalingen bepaalt immers, dat "bij aanknopingspunten met verschillende wetten de vaststelling van de toepasselijke wet voortvloeit uit de conflictenregeling die geldt voor het bevoegde gerecht, eventueel met inbegrip van nationale verdragen ter zake, inzonderheid het op 2 oktober 1973 te 's-Gravenhage getekende Verdrag nopens de wet welke op alimentatieverplichtingen toepasselijk is".
36 Verzoekster heeft zich tot een Belgische rechter gewend om te doen vaststellen dat zij jegens haar neef onderhoudsplichtig is, en heeft zich daarbij gebaseerd op de bepalingen van het Belgische recht. De aangezochte rechter heeft zich bevoegd geacht en op 16 mei 1991 voornoemd vonnis gewezen, zich daarbij baserend op de bepalingen van het Belgische recht. Ten slotte baseert verweerster ook haar betoog in het onderhavige geding op het Belgische recht.
37 Onder deze omstandigheden is het Gerecht van oordeel, dat de vaststelling van de toepasselijke wet in casu moet geschieden overeenkomstig de conflictenregeling die door de Belgische rechterlijke instanties moet worden toegepast.
38 In de eerste plaats moet worden vastgesteld, dat het op 2 oktober 1973 te 's-Gravenhage ondertekende Verdrag inzake de wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, door het Koninkrijk België niet is geratificeerd en dat het op 24 oktober 1956 te 's-Gravenhage ondertekende Verdrag nopens de wet welke op alimentatieverplichtingen jegens kinderen toepasselijk is, dat wel door het Koninkrijk België is geratificeerd, volgens artikel 5 ervan niet van toepassing is op "onderhoudsverplichtingen tussen personen die elkaar in de zijlinie bestaan".
39 In de tweede plaats is noch in het Belgisch internationaal privaatrecht noch in de Belgische rechtspraak een duidelijke en nauwkeurige conflictenregel te vinden met betrekking tot de wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen tussen tante en neef.
40 Gelet op het voorgaande, acht het Gerecht zich niettemin gerechtigd aan te nemen, dat over de vraag of verzoekster in casu een wettelijke onderhoudsplicht in de zin van het Statuut heeft jegens haar neef, moet worden beslist overeenkomstig het Belgische recht, zowel wegens de nationaliteit en de woonplaats van verzoekster als wegens de woonplaats van haar neef.
41 Naar Belgisch recht bestaat er geen onderhoudsplicht tussen verwanten in de zijlinie in bovengenoemde zin. De Belgische rechterlijke instanties erkennen hoogstens, dat er tussen verwanten in de zijlinie een natuurlijke verbintenis bestaat, die tot een burgerrechtelijke verbintenis kan worden versterkt. Dit wordt bevestigd door de bewoordingen van het vonnis van 16 mei 1991, waarin uitdrukkelijk wordt verklaard, dat "wettelijk geen onderhoudsplicht is voorzien tussen verwanten in de zijlinie". Hieruit volgt, dat de onderhoudsplicht die verzoekster eventueel jegens haar neef heeft, niet berust op een van de wil van de partijen onafhankelijke rechtsbron en dus niet als een wettelijke onderhoudsplicht in de zin van het Statuut kan worden aangemerkt.
42 Met betrekking tot de borgstelling tegenover de Belgische autoriteiten, die verzoekster ten gunste van haar neef heeft getekend, is het Gerecht van oordeel, dat aangenomen al dat daardoor een onderhoudsplicht is ontstaan, ook deze niet als een wettelijke onderhoudsplicht in de zin van het Statuut kan worden aangemerkt, nu hij het gevolg is van de wil van de ambtenaar.
43 Uit al het voorgaande volgt, dat het enige middel, ontleend aan schending van artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut, ongegrond is en dat het beroep bijgevolg moet worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
44 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dat wordt gevorderd. Volgens artikel 88 van dat Reglement blijven evenwel de kosten in beroepen van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen door de instellingen gemaakt, te hunnen laste.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy