Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Ambtenaren ° Beroep ° Voorafgaande administratieve klacht ° Termijnen ° Toepassing op verzoek om herziening van pensioen ° Verval van recht ° Heropening ° Voorwaarden ° Nieuw feit
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91; bijlage VIII, art. 41, eerste alinea)
Samenvatting
De ambtenaar die met een beroep op artikel 41, eerste alinea, van bijlage VIII bij het Statuut om herziening van zijn pensioen heeft verzocht, kan tegen de afwijzing van zijn verzoek een klacht en eventueel een beroep instellen, waarbij hij zich evenwel heeft te houden aan de termijnen van de artikelen 90 en 91 van het Statuut.
Wat de berekeningswijze van het pensioen betreft, doet de mededeling door de administratie aan de betrokkene van de berekening van zijn pensioenrechten deze termijnen ingaan. Deze berekening, waarbij het percentage en het bedrag van het pensioen is vastgesteld en duidelijk de bepalingen zijn aangegeven op grond waarvan de pensioenrechten zijn berekend, vormt namelijk het bezwarend besluit ter zake.
Zodra de termijnen verstreken zijn, is een nieuw feit vereist om ze opnieuw te doen ingaan. De omstandigheid dat de betrokkene voor het eerst in zijn verzoek om herziening de toepassing betwist van de statutaire bepalingen op grond waarvan zijn pensioen is berekend, kan geen dergelijk nieuw feit vormen, nu het verzoek uitsluitend gebaseerd is op een nieuwe uitlegging van een rechtsregel en niet op enige wijziging in de situatie van de betrokkene.
Partijen
In zaak T-87/91,
M. Boessen, voormalig ambtenaar van het Economisch en Sociaal Comité, wonende te Lanaken, België, vertegenwoordigd door Ch. M. E. M. Paulussen, advocaat te Maastricht, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van M. Loesch, advocaat aldaar, Rue Zithe 8,
verzoeker,
tegen
Economisch en Sociaal Comité van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Bermejo Garde, juridisch adviseur, als gemachtigde, bijgestaan door D. Lagasse en G. Tassin, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst van de Commissie, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van het Economisch en Sociaal Comité van 5 september 1991 houdende weigering om het bedrag van verzoekers invaliditeitspensioen te herzien,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. Biancarelli, kamerpresident, B. Vesterdorf en R. García-Valdecasas, rechters,
griffier: J. Palacio González, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 21 januari 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten en de juridische context
1 Verzoeker, M. Boessen, was van 1 december 1971 tot 31 januari 1981 ambtenaar van het Economisch en Sociaal Comité (hierna: "ESC"). Sedert 1 februari 1981 ontvangt hij een invaliditeitspensioen dat hem door verweerder bij besluit (nr. 144/81 A) van 20 januari 1981 is toegekend. Begin februari 1981 ontving verzoeker besluit nr. 157/81 A, eveneens van 20 januari 1981, waarin een gedetailleerde berekening van zijn pensioen werd gegeven.
2 In artikel 77, eerste alinea, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut") is onder meer bepaald, dat "de ambtenaar die tenminste tien dienstjaren heeft vervuld, recht heeft op ouderdomspensioen".
Naar luid van de tweede alinea van dit artikel "bedraagt [het maximale ouderdomspensioen] 70 % van het laatste basissalaris, dat behoort bij de laatste rang waarin de ambtenaar ten minste een jaar ingedeeld is geweest. Het wordt toegekend aan de ambtenaar die volgens de berekening van artikel 3 van bijlage VIII vijfendertig pensioenjaren heeft. Indien het aantal pensioenjaren minder dan vijfendertig beloopt, wordt het bovengenoemde maximale pensioen naar evenredigheid verminderd."
De vierde alinea van dit artikel bepaalt, dat "het ouderdomspensioen per dienstjaar (...) niet minder dan 4 % van het minimum voor levensonderhoud (kan) bedragen".
Artikel 78, eerste alinea, van het Statuut bepaalt: "Overeenkomstig de artikelen 13 t/m 16 van bijlage VIII heeft de ambtenaar recht op invaliditeitspensioen wanneer hij blijvend invalide wordt, en deze invaliditeit als volledig wordt beschouwd, waardoor het hem niet mogelijk is werkzaamheden te verrichten die met een ambt van zijn loopbaan overeenkomen."
De derde alinea van dit artikel luidt: "Indien de invaliditeit aan een andere oorzaak is te wijten, bedraagt het invaliditeitspensioen evenveel als het ouderdomspensioen waarop de ambtenaar recht gehad zou hebben bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, indien hij tot deze leeftijd in dienst zou zijn gebleven."
De vijfde alinea ten slotte bepaalt, dat "het invaliditeitspensioen (...) niet minder [kan] bedragen dan 120 % van het minimum voor levensonderhoud".
3 Blijkens besluit nr. 157/81 A van 20 januari 1981 is krachtens artikel 78, derde alinea, junctis artikel 77, tweede alinea, van het Statuut en artikel 5 van bijlage VIII daarbij, het percentage van verzoekers invaliditeitspensioen vastgesteld op 70 %, dit wil zeggen het in artikel 77, tweede alinea, van het Statuut voorziene maximum. Berekend op basis van de laatste rang waarin verzoeker ten minste een jaar ingedeeld was geweest, was het bedrag van dit pensioen lager dan 120 % van het "minimum voor levensonderhoud", dat volgens artikel 78, vijfde alinea, van het Statuut het minimum invaliditeitspensioen is. Zijn invaliditeitspensioen werd daarom vastgesteld op 120 % van het "minimum voor levensonderhoud".
4 Het besluit van 20 januari 1981 waarbij aan verzoeker recht op invaliditeitspensioen is toegekend, is in de loop der jaren een aantal keren gewijzigd, enerzijds om het bedrag van het pensioen aan te passen aan de salarisontwikkeling, en anderzijds in verband met de toekenning van diverse toelagen.
5 In 1991 wendde verzoeker zich tot het ESC met de vraag, of zijn pensioen juist was berekend. Maar zijn mening had zijn pensioen moeten worden berekend op basis van artikel 77, vierde alinea, van het Statuut, bepalende dat het ouderdomspensioen per dienstjaar niet minder dan 4 % van het minimum voor levensonderhoud kan bedragen, zodat hij aanspraak zou hebben op een pensioen gelijk aan 135 % van het minimum voor levensonderhoud.
6 Op 13 februari 1991 verzocht verzoeker het ESC de berekening van zijn pensioen in de hierboven uiteengezette zin te herzien. Toen dit verzoek op 27 februari 1991 werd afgewezen, diende hij op 6 mei 1991 een klacht in op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut. Nadat deze klacht op 5 september 1991 was afgewezen, stelde verzoeker op 2 december 1991 het onderhavige beroep in.
7 Het Gerecht heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Partijen zijn ter terechtzitting van 21 januari 1993 in hun pleidooien gehoord.
Conclusies van partijen
8 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
° het besluit van het ESC van 5 september 1991, waarin afwijzend werd beslist op de bij brief van 6 mei 1991 ingediende klacht, nietig te verklaren;
° vast te stellen dat verweerder, onder toepassing van artikel 41 van bijlage VIII bij het Statuut, verzoekers pensioen met terugwerkende kracht dient te herzien;
° verweerder te veroordelen om aan verzoeker ter zake van invaliditeitspensioen per dienstjaar 4 % uit te keren van het minimum voor levensonderhoud, in totaal 33,75 x 4 % = 135 % van het minimum voor levensonderhoud;
° verweerder in de kosten te verwijzen.
9 Verzoeker preciseert in repliek, dat zijn pensioen moet worden herzien per 1 februari 1981 en moet worden vermeerderd met door het Gerecht vast te stellen interessen. Hij verklaart verder, dat indien zijn vordering tot nietigverklaring niet-ontvankelijk mocht worden verklaard, zijn beroep geacht moet worden tevens een vordering tot schadevergoeding in te houden. Dienovereenkomstig concludeert hij tot veroordeling van het ESC om hem een schadevergoeding te betalen, gelijk aan de bedragen waarop hij uit hoofde van zijn herziene pensioen vanaf 1 februari 1981 aanspraak zou hebben, vermeerderd met een door het Gerecht te bepalen rentevergoeding daarover.
10 Verweerder concludeert dat het het Gerecht behage:
° primair, het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
° subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren;
° kosten rechtens.
11 Tegenover de door verweerder opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft verzoeker geconcludeerd tot ontvankelijkverklaring van het beroep.
Argumenten van partijen
12 Tot staving van zijn primair betoog betreffende de niet-ontvankelijkheid van het beroep, voert verweerder aan, dat de handeling waarvan verzoeker zou kunnen stellen dat zij hem bezwaart in de zin van de artikelen 90 en 91 van het Statuut, niet het in de brief van de secretaris-generaal van het ESC van 5 september 1991 vervatte besluit is, maar besluit nr. 157/81 A waarin de wijze van berekening van zijn pensioen is aangegeven, die volgens verweerder later geen enkele wijziging meer heeft ondergaan.
13 Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 20 mei 1987 (zaak 214/85, Dandolo, Jurispr. 1987, blz. 2163), waarin het besliste dat "de intrekking van een handeling van een gemeenschapsinstelling enkel het gevolg kan zijn van een handeling van dezelfde instelling, waarbij ofwel het eerdere besluit uitdrukkelijk wordt herroepen ofwel een nieuw besluit in de plaats wordt gesteld van het vorige" (r.o. 13), beklemtoont verweerder, dat wat de vaststelling van de berekeningswijze van verzoekers pensioen betreft, het aanvankelijke besluit nr. 157/81 A van 20 januari 1981 nooit is gewijzigd. De drie later aan verzoeker betekende besluiten, met als opschrift "Wijzigingsbesluit", hadden verzoekers pensioenrechten slechts in die zin gewijzigd, dat hem voor elk van zijn drie kinderen achtereenvolgens recht op schooltoelage zoals voorzien in artikel 3 van bijlage VII bij het Statuut werd toegekend.
14 Wat de beroepstermijn betreft, verwijst verweerder naar de rechtspraak van het Hof betreffende beroepen inzake de berekening van ambtenarensalarissen, dat de "ontvangst van de maandelijkse salarisafrekening de beroepstermijn tegen een administratief besluit doet ingaan, wanneer uit die afrekening duidelijk blijkt van het bestaan van dat besluit" (arresten van 15 juni 1976, zaak 1/76, Wack, Jurispr. 1976, blz. 1017, r.o. 5, en 22 september 1988, zaak 159/86, Canters, Jurispr. 1988, blz. 4859, r.o. 6). Volgens verweerder dient de klacht- en beroepstermijn bijgevolg te worden berekend vanaf de betekening van besluit nr. 157/81 A van 20 januari 1981, waarin de wijze van berekening van verzoekers pensioen duidelijk was aangegeven.
15 Tegen verzoekers argument, dat verweerder zich in zijn besluit van 20 januari 1981 niet zou hebben uitgesproken over de toepassing van artikel 77, vierde alinea, van het Statuut, brengt verweerder in, dat hij zich in zijn besluit nr. 157/81 A weliswaar impliciet, doch zonder twijfel reeds heeft uitgesproken in de zin van niet-toepasselijkheid van deze bepaling op de berekening van verzoekers invaliditeitspensioen. Hij wijst erop, dat besluit nr. 157/81 A van 20 januari 1981 onder punt 5 immers vermeldt, dat het minimumbedrag van het pensioen gelijk is aan "120 % van het basissalaris D 4/1", kortom het bedrag zoals voorzien in artikel 78, vijfde alinea, van het Statuut. Zijns inziens is in dit besluit de toepassing van artikel 77, vierde alinea, van het Statuut derhalve indirect, doch onmiskenbaar afgewezen. Bijgevolg, aldus verweerder onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 6 oktober 1983 (gevoegde zaken 118/82-123/82, Celant, Jurispr. 1983, blz. 2995), hield dit besluit dus wel degelijk de betekening in van de definitieve berekening van verzoekers pensioenrechten, en heeft het de beroepstermijn doen ingaan. Verweerder concludeert hieruit, dat het beroep te laat is ingesteld.
16 Zelfs indien besluit nr. 157/81 A ontoereikend gemotiveerd zou zijn voor zover daarin niet de bepalingen van het Statuut worden vermeld waarop het is gebaseerd, wat verweerder bestrijdt, dan zou dit gebrek in voorkomend geval toch enkel tot nietigverklaring van het besluit kunnen leiden, wanneer binnen de in het Statuut vastgestelde termijn beroep was ingesteld tegen het besluit. De al dan niet afdoende motivering van dit besluit heeft daarentegen geen invloed op de aard en strekking ervan.
17 Met een beroep op de uitlegging die het Hof in zijn arrest van 10 december 1980 (zaak 23/80, Grasselli, Jurispr. 1980, blz. 3709) aan artikel 41 van bijlage VIII bij het Statuut heeft gegeven, stelt verweerder dat verzoeker in de onderhavige zaak kunstmatig een nieuw feit in het leven heeft willen roepen, door verweerder te vragen toepassing te geven aan een statutaire bepaling die reeds in de oorspronkelijke beslissing betreffende de berekening van zijn pensioen, namelijk het besluit van 20 januari 1981, was afgewezen.
18 Volgens verweerder is het enige als nieuw voorgestelde element waarop verzoeker zich voor zijn klacht heeft beroepen, een uitlegging van artikel 78, derde alinea, van het Statuut die hij evengoed had kunnen aanvoeren toen de beroepstermijn tegen het besluit van 20 januari 1981 nog liep. Verweerder leidt hieruit af, dat hem geen enkel nieuw feit ter kennis is gebracht op grond waarvan zijn antwoorden op de door verzoeker ondernomen stappen zouden kunnen worden beschouwd als nieuwe besluiten genomen na een heronderzoek van de situatie.
19 Wat de omstandigheid betreft dat verzoeker ten tijde van de betekening van besluit nr. 157/81 A in slechte gezondheid verkeerde, beklemtoont verweerder, dat deze omstandigheid slechts wordt ingeroepen voor de tijd rond de totstandkoming van besluit nr. 157/81 A en niet voor de periode waarin de wijzigingsbesluiten nr. 452/83 A van 24 november 1983 respectievelijk nr. 376/86 A van 30 oktober 1986 werden genomen, waartegen hij evenmin een klacht heeft ingediend.
20 Tegen de door verweerder opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid brengt verzoeker in, dat de in artikel 41 van bijlage VIII gecreëerde mogelijkheid om te allen tijde de pensioenen te herzien, geen louter discretionaire bevoegdheid van de administratie is, doch een recht schept, zowel voor de administratie zelf ° die ambtshalve kan optreden ° als voor de ambtenaar ° die daarom kan verzoeken. De instelling dient haar bevoegdheden uit te oefenen met inachtneming van de in de Lid-Staten erkende algemene beginselen van behoorlijk bestuur, redelijkheid en billijkheid.
21 Verzoeker leidt uit de door verweerder geciteerde rechtspraak (arresten Wack en Canters, reeds aangehaald) af, dat volgens het Hof "stilzwijgende" ambtshalve genomen besluiten niet vatbaar zijn voor beroep, zodat geen beroepstermijn begint te lopen, zolang de betrokken ambtenaar niet door middel van een persoonlijke kennisgeving duidelijk is gemaakt, dat te zijnen aanzien op grond van een of andere bepaling van het Statuut een besluit is genomen. Volgens verzoeker blijkt uit besluit nr. 157/81 A geenszins, dat verweerder een beslissing zou hebben genomen over de toepasselijkheid of niet van artikel 77, vierde alinea, van het Statuut.
22 Volgens verzoeker blijkt uit de gedetailleerde berekening in besluit nr. 157/81 A niet, dat het ESC in 1981 had besloten artikel 77, vierde alinea, van het Statuut niet toe te passen. Dat deze stilzwijgende en ambtshalve niet-toepassing hem niet is meegedeeld, betekent evenwel niet noodzakelijk, dat verweerder hem het recht daarop heeft ontzegd, en mag dus niet gelijk worden gesteld met een bezwarend besluit.
23 Op grond van artikel 25, tweede alinea, van het Statuut stelt verzoeker verder, dat indien in besluit nr. 157/81 A op voor verzoeker nadelige, en derhalve bezwarende, wijze zou zijn beslist, die beslissing hem niet alleen uitdrukkelijk ter kennis had moeten worden gebracht, doch tevens met redenen had moeten worden omkleed. Alleen dan had besluit nr. 157/81 A als een "bezwarend" besluit kunnen worden aangemerkt waartegen hij reeds in 1981 beroep had moeten instellen. Nu in besluit nr. 157/81 A nergens sprake is van al of niet toepassing van artikel 77, vierde alinea, juncto artikel 78, derde alinea, kan het niet als het hem bezwarende besluit worden aangemerkt.
24 Ten slotte wijst verzoeker erop dat, ten tijde van de toekenning van het invaliditeitspensioen in 1981 zijn gezondheidstoestand zodanig was, dat hij niet in staat was binnen een termijn van drie maanden te beslissen, of hij een klacht- en beroepsprocedure moest beginnen.
Beoordeling door het Gerecht
25 Het Gerecht herinnert er vooraf aan, dat artikel 41, eerste alinea, van bijlage VIII bij het Statuut bepaalt: "In geval van vergissingen of verzuimen van welke aard ook kunnen de pensioenen te allen tijde worden herzien."
26 Zoals uit voormeld arrest Grasselli blijkt, dient voor een juiste uitlegging van deze bepaling met betrekking tot de voorwaarden waaronder de ambtenaren een herziening van hun pensioen kunnen verlangen, rekening te worden gehouden met het door het Statuut ingevoerde stelsel van geschillenbeslechting en met de aan dit stelsel ten grondslag liggende vereisten.
27 Het beroepsrecht van de ambtenaren en personeelsleden tegen hen bezwarende handelingen van de administratie is in algemene zin geregeld in de artikelen 90 en 91 van het Statuut en blijkens deze artikelen is de gehele daarin vervatte geschillenregeling gebaseerd op het beginsel dat de uitoefening van het recht van beroep slechts mogelijk is bij strikte naleving van de daarvoor gestelde termijnen.
28 Bovendien volgt uit het arrest Grasselli, dat de ambtenaar die in geval van vergissing of verzuim van welke aard ook, een herziening van zijn pensioen wenst te verkrijgen, stellig met een beroep op het bepaalde in artikel 41, eerste alinea, van bijlage VIII bij het Statuut door middel van een klacht of eventueel een beroep in rechte een dergelijke herziening kan aanvragen, doch dat die klacht en dat beroep slechts toelaatbaar zijn overeenkomstig de artikelen 90 en 91 van het Statuut, indien hij zijn vorderingsrecht uitoefent binnen de in die artikelen gestelde termijnen, die ingaan op het ogenblik waarop het nieuwe feit dat een herziening van zijn pensioen zou kunnen rechtvaardigen, zich heeft voorgedaan dan wel op het ogenblik waarop hij kennis van het bestaan van een dergelijk feit heeft gekregen.
29 Wat de onderhavige zaak betreft, stelt het Gerecht in de eerste plaats vast, dat het ESC verzoeker bij besluit nr. 157/81 A schriftelijk in kennis heeft gesteld van de inzake het percentage en het bedrag van het hem toegekende invaliditeitspensioen genomen beslissing, en daarbij heeft aangegeven volgens welke methode dit percentage was vastgesteld. In deel A, punt 3, en deel B, punten 4 en 5, van besluit nr. 157/81 A is namelijk duidelijk vermeld, op welke bepalingen de berekening van verzoekers pensioenrechten is gebaseerd, te weten op artikel 78, derde en vijfde alinea, van het Statuut, het enige artikel dat invaliditeitspensioenen betreft.
30 In de tweede plaats stelt het Gerecht vast, dat de berekening van het percentage van het pensioen eerst in 1991 ter discussie is gesteld door verzoeker en dat dit percentage sedert het aanvankelijke besluit nr. 157/81 A van het ESC van 20 januari 1981 ongewijzigd is gebleven.
31 In die omstandigheden stelt het Gerecht vast, dat wel degelijk het aanvankelijke besluit nr. 157/81 A van 20 januari 1981 als het voor verzoeker bezwarende besluit moet worden beschouwd en dat de klacht- en beroepstermijn is ingegaan vanaf de mededeling van het besluit aan verzoeker in februari 1981. Het enkele feit dat de administratie in hetzelfde besluit niet heeft geweigerd een andere bepaling toe te passen, waarvan de toepassing destijds niet was gevraagd of zelfs maar ter sprake gekomen, kan niet tot gevolg hebben dat een nieuwe beroepstermijn begint te lopen wanneer, zoals het Gerecht heeft vastgesteld, noch de rechtsgrondslag noch de wijze van berekening van verzoekers pensioenrechten achteraf enige wijziging heeft ondergaan.
32 In die omstandigheden kunnen de termijnen enkel opnieuw ingaan als gevolg van het bestaan van een nieuw feit.
33 Het Gerecht stelt vast, dat het nieuwe feit waarop verzoeker zich beroept in werkelijkheid uitsluitend hierin bestaat, dat hij in 1991 een nieuwe uitlegging van verschillende ° reeds aangehaalde ° alinea' s van de artikelen 77 en 78 van het Statuut heeft aangevoerd, toen hij het ESC verzocht bij de berekening van het percentage van zijn invaliditeitspensioen niet artikel 78, vijfde alinea, betreffende invaliditeitspensioenen, doch artikel 77, vierde alinea, betreffende ouderdomspensioenen, toe te passen. Deze omstandigheid, die uitsluitend gebaseerd is op een andere uitlegging van rechtsregels en niet op enige wijziging in de feitelijke context van verzoekers situatie, kan evenwel geen nieuw feit opleveren.
34 Wat ten slotte de stelling van verzoeker betreft, dat zijn gezondheidstoestand hem had verhinderd om tijdig een klacht in te dienen en beroep in te stellen, kan worden volstaan met vast te stellen, dat verzoekers beweringen ter zake niet door enig begin van bewijs worden gestaafd aan de hand waarvan de gegrondheid ervan zou kunnen worden beoordeeld.
35 Uit een en ander volgt, dat verzoekers vordering tot nietigverklaring niet-ontvankelijk is.
36 Wat de gevorderde schadevergoeding betreft, kan worden volstaan met vast te stellen, dat deze vordering, die niet door een verzoek of een klacht in de zin van het Statuut is voorafgegaan, eerst bij repliek is ingediend, wat ingevolge artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht de niet-ontvankelijkheid ervan meebrengt. Hieraan zij toegevoegd, dat deze bepaling niet aldus kan worden uitgelegd, dat de verzoeker het recht zou hebben om bij de gemeenschapsrechter nieuwe conclusies in te dienen en aldus het voorwerp van het geding te wijzigen (laatstelijk het arrest van het Gerecht van 18 september 1992, zaak T-28/90, SA Asia Motor France e.a., Jurispr. 1992, blz. II-2285).
37 Uit al het voorgaande volgt, dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
38 Gelet op de omstandigheden van het geval acht het Gerecht het evenwel nuttig erop te wijzen, dat het beroep niet alleen niet-ontvankelijk, doch bovendien ook kennelijk ongegrond is.
39 Verzoeker heeft namelijk in wezen aangevoerd, dat blijkens de tekst en de systematiek van de artikelen 77 en 78 van het Statuut het bedrag van zijn invaliditeitspensioen niet onder twee benedengrenzen mag uitkomen: enerzijds mag het per dienstjaar niet minder dan 4 % van het minimum voor levensonderhoud bedragen (artikel 77, vierde alinea), en anderzijds niet minder dan 120 % van het minimum voor levensonderhoud (artikel 78, vijfde alinea), waarbij aan de betrokkene het voor hem gunstigste minimumbedrag moet worden uitgekeerd.
40 De door verzoeker in overweging gegeven uitlegging van deze bepalingen kan evenwel niet worden aanvaard. Uit de tekst van de betrokken bepalingen en uit de algemene systematiek ervan blijkt namelijk duidelijk, dat voor de berekening van de rechten op invaliditeitspensioen alleen artikel 78, vijfde alinea, van toepassing is en dat artikel 77, vierde alinea, slechts geldt voor de berekening van de rechten op ouderdomspensioen. Anders dan verzoeker beweert, is er derhalve bij de vaststelling van besluit nr. 157/81 A geen sprake van een rechtsdwaling of dienstfout van de kant van de administratie.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
41 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Ingevolge artikel 88 van het Reglement blijven evenwel de kosten door de instellingen ter zake van beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen gemaakt, te hunnen laste.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)
rechtdoende:
1) Verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
2) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy