Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Ambtenaren - Bevordering - Beoordelingsvrijheid van administratie - Rechterlijke toetsing - Grenzen
(Ambtenarenstatuut, art. 45)
2 Ambtenaren - Bevordering - Vergelijking van verdiensten - Inaanmerkingneming van beoordelingsrapporten - Onvolledig persoonsdossier - Regularisatie - Nieuwe vergelijking van verdiensten na toekenning van bepaalde bevorderingen - Toelaatbaarheid
(Ambtenarenstatuut, art. 45)
3 Ambtenaren - Bevordering - Vergelijking van verdiensten - Inaanmerkingneming van beoordelingsrapporten - Andere elementen die in aanmerking kunnen worden genomen
(Ambtenarenstatuut, art. 45)
Samenvatting
4 Bij de beoordeling van de verdiensten van de kandidaten, waarmee in het kader van een bevorderingsbesluit als bedoeld in artikel 45 van het Statuut rekening moet worden gehouden, heeft het tot aanstelling bevoegd gezag een grote beoordelingsvrijheid, en de controle door de gemeenschapsrechter op dit gebied moet zich beperken tot de vraag of de administratie, gelet op de wijze waarop zij tot haar oordeel heeft kunnen komen, binnen redelijke grenzen is gebleven en niet op kennelijk onjuiste wijze van haar bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. De rechter kan zijn beoordeling van de kwalificaties en verdiensten van de kandidaten derhalve niet in de plaats stellen van de beoordeling van het tot aanstelling bevoegd gezag.
5 Wanneer het bevorderingscomité, dat de besluiten van het tot aanstelling bevoegd gezag moet voorbereiden, de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende kandidaten in onregelmatige omstandigheden heeft vergeleken, doordat het laatste beoordelingsrapport van één van die ambtenaren in zijn persoonsdossier ontbrak, moet worden aangenomen dat, voor zover dat rapport intussen in het dossier is opgenomen, en zelfs indien bepaalde bevorderingsbesluiten reeds zijn genomen, aan de in artikel 45 van het Statuut gestelde voorwaarden wordt voldaan, wanneer genoemd comité, dat voor alle betrokkenen over dezelfde informatie beschikt als voorheen, alle voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren opnieuw met elkaar vergelijkt.
6 Met betrekking tot de beoordelingscriteria die bij het onderzoek van kandidaten voor een bevordering in aanmerking moeten worden genomen, zij erop gewezen, dat luidens artikel 45, lid 1, eerste alinea, van het Statuut de verdiensten der ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, alsmede de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht, moeten worden vergeleken om aan de vereisten van bedoelde bepaling te voldoen. Bijgevolg is het bevorderingscomité bij de keuze die het moet maken ter voorbereiding van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag krachtens dat artikel, niet verplicht zich enkel op de beoordelingsrapporten van de betrokkenen te baseren, maar kan het zijn beoordeling ook op andere aspecten van de verdiensten van de kandidaten gronden, zoals informatie betreffende hun administratieve en persoonlijke situatie, die het mogelijk maakte het enkel op de beoordelingsrapporten gebaseerde oordeel te relativeren.
Partijen
In de gevoegde zaken T-89/91, T-21/92 en T-89/92,
X, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Brussel, vertegenwoordigd door L. Vogel, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van P. Mousel, advocaat aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch hoofdadviseur G. Valsesia en A. M. Alves Vieira, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij N. Annecchino, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende beroepen tot nietigverklaring van in de eerste plaats het besluit van het bevorderingscomité om verzoekster niet op de lijst van de voor het begrotingsjaar 1991 het meest voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren te plaatsen, in de tweede plaats een nota van de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer van 17 december 1991, waarbij verzoekster ervan op de hoogte werd gesteld, dat de bevorderingsprocedure voor haar zou worden heropend, en in de derde plaats de besluiten van de Commissie om bepaalde ambtenaren in het kader van het begrotingsjaar 1991 tot de rang B 3 te bevorderen,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Derde kamer),
samengesteld als volgt: R. García-Valdecasas, kamerpresident, B. Vesterdorf en J. Biancarelli, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 15 september 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Verzoekster is ambtenaar in de rang B 4 bij de Commissie. Zij kwam niet voor op de in de Mededelingen van de administratie van 20 februari 1991 bekendgemaakte lijst van de ambtenaren die voor het begrotingsjaar 1991 "het meest in aanmerking kwamen voor bevordering" tot de rang B 3.
2 Op 17 mei 1991 diende verzoekster krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut") een klacht in waarin zij het tot aanstelling bevoegd gezag verweet, haar niet op bedoelde lijst te hebben geplaatst. In wezen betoogde zij, dat aangezien haar beoordelingsrapport over de periode van 1 juli 1987 tot 30 juni 1989 haar slechts op 18 maart 1991 ter kennis was gebracht, het in het kader van de bevorderingsprocedure voor het begrotingsjaar 1991 niet naar behoren in aanmerking had kunnen worden genomen.
3 Daar zij niet binnen de in het Statuut gestelde termijn van vier maanden een antwoord op haar klacht had ontvangen, heeft verzoekster op 18 december 1991 bij het Gerecht een eerste, onder nummer T-89/91 ingeschreven beroep ingesteld, strekkende tot nietigverklaring van het besluit om haar niet op de lijst van de voor het begrotingsjaar 1991 het meest voor bevordering tot de rang B 3 in aanmerking komende ambtenaren te plaatsen.
4 In de tussentijd had de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer verzoekster echter op 17 december 1991 een nota doen toekomen, waarbij hij haar meedeelde dat de administratie gunstig had beschikt op haar klacht en dat de bevorderingsprocedure dus zou worden heropend, teneinde het probleem van haar plaatsing op de lijst van de voor het begrotingsjaar 1991 het meest voor bevordering tot de rang B 3 in aanmerking komende ambtenaren te onderzoeken.
5 Dit hernieuwd onderzoek vond plaats tijdens een op 18 december 1991 gehouden vergadering van het bevorderingscomité. Aan het einde hiervan besloot het comité, verzoekster niet op de lijst te plaatsen. De Commissie stelde verzoekster daarvan in kennis bij nota van 23 december 1991.
6 Het verslag van de betrokken vergadering luidt als volgt:
"Het comité kwam op 22 en 23 januari, 8 februari en 18 december 1991 te Brussel bijeen.
Namen aan de vergaderingen deel:
Voorzitter (...)
Leden die de Commissie vertegenwoordigen (...)
Leden die het personeel vertegenwoordigen (...)
Secretariaat (...)
De voorzitter en de leden beschikken over de volgende documentatie:
- computerlijst van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren;
- statistieken betreffende de bevorderingen 1990 (Mededelingen van de administratie nr. 653 van 21.1.1991);
- nieuwe bevorderingsprocedure (Mededelingen van de administratie nr. 514 van 10.11.1986) en nieuwe loopbaanprofielen van 29.2.1990;
- notulen van de vergadering van het comité betreffende het begrotingsjaar 1990;
- lijsten per DG/dienst van de in 1990 voorgedragen ambtenaren die door het comité niet in aanmerking zijn genomen;
- lijsten van de in 1990 het meest voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren die niet zijn bevorderd;
- bevorderingsvoordrachten gerangschikt per DG/dienst;
- aantal voor bevordering in aanmerking komende en aantal voorgedragen ambtenaren per DG/dienst;
- budgettaire mogelijkheden voor bevordering.
Vergadering van 18 december 1991
Vervolg van de vergadering van het bevorderingscomité B met op de agenda het onderzoek van een bijzonder dossier in het kader van de bevorderingsverrichtingen voor de rang B 3:
Mevrouw X
Ertoe gebracht, dit dossier opnieuw te onderzoeken, besluit het comité, na het horen van de assistent van DG I en na beraadslaging, de navolgende bijzondere vermelding in zijn notulen op te nemen:
$Ertoe gebracht in het kader van de bevorderingsverrichtingen voor 1991 tot de rang B 3, het dossier van mevrouw [X] in het licht van te zijner kennis gebrachte nieuwe elementen (beoordelingsrapport 1987-1989 van betrokkene en haar klacht nr. R/103/91 van 17 mei 1991) opnieuw te onderzoeken, is het comité, na inzage van het gehele dossier, van mening dat het mevrouw [X] niet moet toevoegen aan de lijst van de voor het begrotingsjaar 1991 het meest voor bevordering tot de rang B 3 in aanmerking komende ambtenaren.
Het comité neemt echter met voldoening akte van de door DG I aangegane verbintenis om mevrouw [X] op de lijst van de voor het begrotingsjaar 1992 voor bevordering tot de rang B 3 voorgedragen ambtenaren te plaatsen.
Het comité is het ook erover eens, dit dossier zeer bijzondere aandacht te schenken in het kader van de bevorderingsverrichtingen van loopbaan tot loopbaan voor 1992.'"
7 Bij op 21 januari 1992 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft verweerster, onder de in artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering gestelde voorwaarden, tegen het beroep in zaak T-89/91 een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, inhoudende dat verzoekster na het gunstige antwoord op haar klacht geen procesbelang heeft.
8 Op 16 maart 1992 heeft verzoekster haar opmerkingen over die exceptie van niet-ontvankelijkheid neergelegd.
9 Dezelfde dag heeft zij een tweede, onder nummer T-21/92 ingeschreven beroep ingediend, strekkende tot nietigverklaring van het in voormelde nota van 17 december 1991 vervatte besluit. Verweerster heeft ook tegen dit beroep een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
10 Bij brief van 16 maart 1992, op 23 maart op het secretariaat-generaal van de Commissie ingeschreven, diende verzoekster een klacht als bedoeld in artikel 90, lid 2, van het Statuut in, waarin zij het bevorderingsbesluit betwistte van iedereen die voorkwam op de in nr. 107 van de Mededelingen van de administratie van 6 januari 1992 bekendgemaakte lijst van de in het kader van het begrotingsjaar 1991 tot de rang B 3 bevorderde ambtenaren.
11 Verzoekster was van mening, dat die bevorderingsbesluiten niet regelmatig tot stand waren gekomen, aangezien haar naam niet op de lijst van de het meest voor bevordering tot de rang B 3 in aanmerking komende ambtenaren voorkwam, terwijl haar laatste beoordelingsrapport, betreffende de periode 1987-1989, haar slechts na de bekendmaking van die lijst ter kennis was gebracht. Deze vertraging had volgens verzoekster een objectieve vergelijking van haar verdiensten met die van de tot de rang B 3 bevorderde ambtenaren verhinderd.
12 Nadat haar klacht op 23 juli 1992 stilzwijgend was afgewezen, heeft verzoekster op 22 oktober 1992 een derde, onder nummer T-89/92 ingeschreven beroep, strekkende tot nietigverklaring van dat afwijzend besluit ingesteld.
Het procesverloop
13 Bij beschikking van 16 juli 1993 heeft het Gerecht (Derde kamer) de zaken T-89/91, T-21/92 en T-89/92 voor de mondelinge behandeling gevoegd; ter terechtzitting van 15 september 1993 heeft het, de partijen gehoord, besloten genoemde zaken voor het arrest te voegen. Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht partijen schriftelijk een aantal vragen over het verloop van de procedure voor het bevorderingscomité gesteld. Partijen hebben binnen de gestelde termijnen aan dit verzoek gevolg gegeven. Bij beschikking van 10 augustus 1993 heeft het Gerecht besloten, de heer Petit-Laurent, voorzitter van het beoordelingscomité, als getuige te horen. Hij is ter terechtzitting gehoord.
Conclusies van partijen
Zaak T-89/91
14 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
- nietig te verklaren het stilzwijgend genomen besluit waarbij de Commissie de door verzoekster op 17 mei 1991 ingediende klacht tegen het besluit om haar niet op de lijst van de voor 1991 het meest voor bevordering tot de rang B 3 in aanmerking komende ambtenaren te plaatsen, heeft afgewezen;
- verweerster te verwijzen in de kosten van het geding.
15 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
- over de kosten te beslissen als naar recht.
16 Tegen de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert verzoekster dat het het Gerecht behage:
- het beroep ontvankelijk te verklaren.
Zaak T-21/92
17 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
- nietig te verklaren het besluit vervat in de tot verzoekster gerichte nota van de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer van 17 december 1991;
- verweerster te verwijzen in de kosten van het geding.
18 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
- over de kosten te beslissen als naar recht.
19 Tegen de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert verzoekster dat het het Gerecht behage:
- de exceptie van niet-ontvankelijkheid ongegrond te verklaren.
Zaak T-89/92
Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
- nietig te verklaren het op 23 juli 1992 stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van de op 23 maart 1992 door verzoekster bij het tot aanstelling bevoegd gezag ingediende klacht tegen de bevorderingen tot de rang B 3 waartoe voor het begrotingsjaar 1991 is besloten;
- verweerster te verwijzen in de kosten van het geding.
20 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage: - het beroep ongegrond te verklaren;
- over de kosten te beslissen als naar recht.
De zaken T-89/91 en T-21/92
21 Ter terechtzitting heeft verzoekster in antwoord op een vraag van het Gerecht verklaard, de in de zaken T-89/91 en T-21/92 ingediende conclusies als "opgeslokt" door die in zaak T-89/92 te beschouwen.
22 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat er geen termen aanwezig zijn om uitspraak te doen in de zaken T-89/91 en T-21/92, aangezien deze zonder voorwerp zijn geraakt.
Zaak T-89/92
Middelen en argumenten van partijen
23 Tot staving van haar beroep tot nietigverklaring heeft verzoekster een enkel middel opgeworpen, dat uiteenvalt in twee onderdelen, namelijk enerzijds schending van artikel 45 van het Statuut alsook van de "uitvoeringsbepalingen vervat in het besluit van de Commissie van 21 december 1970, gewijzigd bij besluit van 14 juli 1991", doordat verweerster zou hebben geweigerd een onderzoek in te stellen waarbij de verdiensten van de ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, onderling worden vergeleken, en anderzijds kennelijke beoordelingsfout.
24 Verzoekster betoogt, dat het feit dat haar beoordelingsrapport haar slechts ter kennis werd gebracht toen de lijst van de voor het begrotingsjaar 1991 het meest voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren reeds was opgemaakt, de betrokken lijst onwettig heeft gemaakt. Zij verwijst dienaangaande naar het arrest van het Hof van 5 juni 1980 (zaak 24/79, Oberthuer, Jurispr. 1980, blz. 1743) en naar het arrest van het Gerecht van 5 december 1990 (zaak T-82/89, Marcato, Jurispr. 1990, blz. II-735). Verzoekster merkt bovendien op, dat het besluit om haar niet op de lijst van de het meest voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren te plaatsen, op een kennelijk onjuiste beoordeling van haar verdiensten berust, met name gezien de voortreffelijkheid van het haar ter kennis gebrachte beoordelingsrapport.
25 Volgens verzoekster heeft het feit dat de Commissie heeft besloten de bevorderingsprocedure te heropenen en alleen het probleem van haar plaatsing op de lijst van de het meest voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren te onderzoeken, de onregelmatigheid van de bevorderingsprocedure voor het begrotingsjaar 1991 niet doen verdwijnen. Naar de mening van verzoekster kan die onregelmatigheid slechts worden gedekt door het onderzoek van het geheel van de dossiers van alle betrokken ambtenaren over te doen, opdat overeenkomstig artikel 45, lid 1, van het Statuut zou kunnen worden overgegaan tot "een onderzoek waarbij de verdiensten der ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, alsmede de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht, onderling worden vergeleken", in het kader van welk onderzoek verzoekster evenveel kans zou hebben als de andere betrokkenen.
26 Volgens verzoekster is het twijfelachtig, of in de omstandigheden van de onderhavige zaak een onderzoek waarbij haar verdiensten en die van alle andere betrokkenen onderling worden vergeleken, zelfs "ex post", heeft kunnen plaatsvinden. Dienaangaande zet zij uiteen, dat haar raadsman tijdens een op 1 juli 1992 gehouden vergadering van het comité interdiensten erop heeft gewezen, dat het bevorderingscomité zijn keuze niet enkel op objectieve criteria, maar ook op opportuniteitsoverwegingen baseerde. Zo zou enerzijds zijn vastgesteld, dat wanneer een afdeling in de loop van een jaar wordt bevoordeeld, de bevorderingen het volgende jaar minder talrijk zijn, en anderzijds, dat de gemiddelde leeftijd van de in een bepaalde afdeling tewerkgestelde ambtenaren een gegeven is dat ook meespeelt bij de keuze van het bevorderingscomité. Verzoekster beklemtoont bovendien, dat tijdens die vergadering van het comité interdiensten is gebleken, dat de meeste besluiten tot bevordering tot de rang B 3 in het kader van het begrotingsjaar 1991, reeds in maart of april 1991 waren genomen.
27 Uit die gegevens trekt verzoekster de conclusie, dat verweerster haar in de eerste plaats niet in staat heeft gesteld, met evenveel kans als de anderen op de lijst van de het meest voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren aan de bevorderingsprocedure voor het begrotingsjaar 1991 deel te nemen, en in de tweede plaats hun respectieve verdiensten niet met de hare heeft vergeleken.
28 Volgens verzoekster is het ontbreken van een onderzoek waarbij haar verdiensten en haar beoordelingsrapport met die van de anderen worden vergeleken, in strijd met artikel 45 van het Statuut, en brengt het de nietigheid mee niet alleen van de jegens haar genomen individuele besluiten, maar ook van de besluiten tot bevordering tot de rang B 3 die in het kader van het begrotingsjaar 1991 ten aanzien van andere ambtenaren zijn genomen. Verzoekster stelt, dat die besluiten voor haar bezwarend zijn, aangezien de bevordering van de betrokken ambtenaren een onderzoek waarbij haar verdiensten en die van alle ambtenaren die in het kader van het begrotingsjaar 1991 voor bevordering tot de rang B 3 in aanmerking komen, onderling worden vergeleken onder voorwaarden die strikt gelijke kansen voor alle betrokken ambtenaren verzekeren, definitief verhindert.
29 De Commissie werpt allereerst tegen, dat voormeld besluit van 17 december 1991 het gebrek dat de bevorderingsprocedure ten aanzien van verzoekster vertoonde, in feite heeft gedekt. Volgens haar, heeft zij terecht de bevorderingsprocedure "heropend", opdat het bevorderingscomité, ditmaal in het bezit van verzoeksters laatste beoordelingsrapport, zich zou kunnen uitspreken over haar plaatsing op de lijst van de het meest voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren. Zo zou het bevorderingscomité in alle regelmatigheid de verdiensten van verzoekster hebben kunnen beoordelen. Met betrekking tot de mogelijkheden tot vergelijkende beoordeling van de verdiensten van de reeds op die lijst geplaatste ambtenaren en die van verzoekster, is verweerster van mening dat zij, ook als was het "ex post", heeft kunnen plaatsvinden. Volgens haar, was het immers de taak van het bevorderingscomité, de verdiensten van verzoekster te beoordelen in vergelijking met die van de ambtenaren die reeds op de lijst waren geplaatst.
30 In antwoord op een vraag van het Gerecht beklemtoont de Commissie ook, dat ingeval het bevorderingscomité zou hebben besloten de naam van verzoekster op de lijst te plaatsen, en het tot aanstelling bevoegd gezag zou hebben besloten haar te bevorderen, het feit dat dit besluit na de andere bevorderingsbesluiten tot stand zou zijn gekomen, geen enkele budgettaire moeilijkheid zou hebben opgeleverd, wat de beschikbare ambten voor een bevordering tot de rang B 3 in het kader van het begrotingsjaar 1991 betreft. Het feit dat de andere bevorderingsbesluiten dan reeds zouden zijn genomen, zou verzoekster dus geenszins de mogelijkheid hebben ontnomen om daadwerkelijk te worden bevorderd.
31 In dit verband beklemtoont de Commissie het verschil tussen een aanstellingsprocedure en een bevorderingsprocedure, gezien hun onderscheiden feitelijk en juridisch kader. Gaat het om een procedure tot aanstelling in een openstaand ambt, dan zou het duidelijk zijn, dat de voorziening in dat ambt de aanstelling in datzelfde ambt van een ander personeelslid dat ernaar zou hebben gesolliciteerd, onmogelijk maakt, en hem eventueel onherstelbare schade toebrengt. In geval van onregelmatigheid zou de nietigverklaring dus de enige oplossing blijven om de rechten van de gelaedeerde te beschermen. Gaat het daarentegen om een bevorderingsprocedure waarin na afloop een onregelmatigheid wordt vastgesteld, en zoals in casu een bijkomende bevordering mogelijk blijkt, zou het tot aanstelling bevoegd gezag over de mogelijkheid beschikken om de schade die de ten onrechte van de procedure uitgesloten persoon eventueel heeft geleden, te verhelpen.
32 Bovendien is verweerster van mening, dat de rechtspraak van zowel het Hof als het Gerecht (onder meer het arrest Oberthuer, reeds aangehaald, en het arrest Gerecht van 10 juli 1992, zaak T-68/91, Barbi, Jurispr. 1992, blz. II-2127, r.o. 36), zich verzet tegen verzoeksters vordering tot nietigverklaring van de bevorderingen van alle voor het jaar 1991 tot de rang B 3 bevorderde ambtenaren. Volgens de Commissie poneert het arrest Oberthuer juist een beginsel dat tegen verzoeksters stellingen indruist, namelijk dat de algehele nietigverklaring van een bevorderingsprocedure een maatregel vormt die niet in verhouding staat tot het door het slachtoffer van een onregelmatigheid geleden schade.
33 Verweerster betwist ten slotte de stellingen van verzoekster inzake de uitspraken tijdens de aan het onderzoek van haar klacht gewijde vergadering van het comité interdiensten van 1 juli 1992. De vertegenwoordigers van de administratie zouden zich immers tijdens bedoelde vergadering ertoe hebben beperkt, op algemene wijze de beginselen uiteen te zetten die elke bevorderingsprocedure beheersen en draaien om zowel objectieve criteria, zoals leeftijd of anciënniteit in de rang, als subjectieve, die meer bepaald betrekking hebben op een vergelijkende beoordeling van de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren.
Beoordeling door het Gerecht
34 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof en het Gerecht het tot aanstelling bevoegd gezag bij de beoordeling van de verdiensten waarmee in het kader van een bevorderingsbesluit als bedoeld in artikel 45 van het Statuut rekening moet worden gehouden, een grote beoordelingsvrijheid heeft, en de controle door de gemeenschapsrechter op dit gebied zich moet beperken tot de vraag of de administratie, gelet op de wijze waarop zij tot haar oordeel heeft kunnen komen, binnen redelijke grenzen is gebleven en niet op kennelijk onjuiste wijze van haar bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Het Gerecht kan zijn beoordeling van de kwalificaties en verdiensten van de kandidaten derhalve niet in de plaats stellen van de beoordeling van het tot aanstelling bevoegd gezag (arresten Hof van 23 oktober 1986, zaak 26/85, Vaysse, Jurispr. 1986, blz. 3131, en 4 februari 1987, zaak 324/85, Bouteiller, Jurispr. 1987, blz. 529; arresten Gerecht van 30 januari 1992, zaak T-25/90, Schoenherr, Jurispr. 1992, blz. II-63, en 25 februari 1992, zaak T-11/91, Schloh, Jurispr. 1992, blz. II-203).
35 Het Gerecht stelt vooraf vast, dat uit de door verzoekster onweersproken verklaring van de Commissie blijkt, dat zij ten tijde van de betrokken gebeurtenissen beschikbare ambten voor een bevordering tot de rang B 3 in het kader van het begrotingsjaar 1991 had, zodat ingeval het bevorderingscomité zou hebben besloten verzoekster op de lijst van de het meest voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren te plaatsen, een eventueel daaruit voortvloeiend bevorderingsbesluit geen enkele budgettaire moeilijkheid zou hebben ondervonden. Bijgevolg is de door verzoekster ingediende vordering tot nietigverklaring in ieder geval ongegrond, voor zover zij tegen de gehele procedure is gericht en strekt tot nietigverklaring van alle reeds genomen bevorderingsbesluiten, die immers niet aan een eventuele bevordering van verzoekster in de weg stonden.
36 Met betrekking tot verzoeksters argument, dat het bevorderingscomité principieel niet in staat zou zijn geweest, "ex post" de verdiensten van alle betrokken kandidaten onderling te vergelijken, op een wijze die aan de in artikel 45 van het Statuut gestelde voorwaarden voldoet, stelt het Gerecht vervolgens vast, dat niets de conclusie wettigt, dat het comité principieel niet in staat was een dergelijk onderzoek "ex post" in te stellen. Indien immers enerzijds - zoals in casu het geval is - het dossier van verzoekster intussen in orde was gebracht, en anderzijds het comité tijdens zijn vergadering van 18 december 1991 dezelfde informatie over de andere kandidaten ter beschikking had als waarover het tijdens zijn vorige vergaderingen had beschikt, belette niets het comité, de verdiensten van verzoekster en die van de andere kandidaten van wie de dossiers reeds waren onderzocht, regelmatig en nauwgezet onderling te vergelijken.
37 Thans dient het Gerecht te onderzoeken, of in casu aan dit laatste vereiste is voldaan.
38 Daar verzoekster immers heeft aangevoerd, dat het comité tijdens zijn vergadering van 18 december 1991 niet op regelmatige wijze het door artikel 45 van het Statuut vereiste onderzoek heeft ingesteld, staat het aan het Gerecht de juistheid van die bewering na te gaan. Te dien einde heeft het Gerecht overeenkomstig de bepalingen van artikel 68 van het Reglement voor de procesvoering gelast dat Petit-Laurent, voorzitter van het bevorderingscomité ten tijde van de onderzochte feiten, als getuige zou worden gehoord.
39 Uit deze getuigenis blijkt, dat de vergadering van 18 december 1991 is verlopen volgens het gebruikelijke schema van de vergaderingen van het bevorderingscomité. Het comite heeft een onderhoud gehad met een vertegenwoordiger van de directeur-generaal Buitenlandse betrekkingen, onder welk gezag verzoekster viel.
40 Uit deze getuigenis blijkt ook, dat de leden van het comité rechtstreeks toegang hadden tot de persoonsdossiers van elk van de 413 voor bevordering in aanmerking komende personeelsleden, met inbegrip van die van de 85 reeds bevorderde personeelsleden. Het comité was bovendien in het bezit van dezelfde basisdocumentatie die tijdens zijn vergaderingen van januari en februari 1991 te zijner beschikking stond.
41 Met betrekking tot de documentatie waarover het comité tijdens zijn vergadering van 18 december 1991 beschikte, heeft Petit-Laurent zich uitgesproken als volgt:
"Er was bovendien een uitvoeriger documentatie. Er is de evolutie van het dossier in de tussenliggende tijd, die de beoordelingsrapporten, het beoordelingsrapport over 1985-1987 en het nieuwe beoordelingsrapport over 1987-1989, omvatte. Er waren, op verzoek van het comité, de vijf beoordelingsrapporten van de vijf door het directoraat-generaal Buitenlandse betrekkingen voorgestelde kandidaten en er was, op mijn verzoek, opgesteld door het secretariaat van het comité, een systematische verwerking van de objectieve, kwantitatieve gegevens van de beoordelingsrapporten van de 85 bevorderde ambtenaren van het begrotingsjaar.
Dus een betrekkelijk stevige documentatie die als basis in ieder geval dezelfde gegevens bevatte als bij de vorige beraadslagingen van het comité voor het begrotingsjaar 1991."
42 Op de vraag van het Gerecht, of het comité tijdens zijn vergadering van 18 december daadwerkelijk een onderzoek heeft ingesteld waarbij de dossiers onderling werden vergeleken, heeft de getuige verklaard:
"Om redenen van haalbaarheid heeft het comité niet de 413 dossiers van alle voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren onderzocht. Het heeft zich geconcentreerd op de 85 dossiers van de bevorderde ambtenaren, alsook op de vijf dossiers van de voorgedragen ambtenaren van DG I, die het meest relevant werden geacht. Er moest een hele vergelijking worden gemaakt tussen de verdiensten van mevrouw [X] en die van de rest van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren.
Het comité werd ertoe gebracht, de eerste conclusies te trekken uit dit onderzoek, dat naar zijn mening significant was voor de conclusies die uit een vergelijking met alle voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren kunnen worden getrokken, aangezien de bevorderden, dus in beginsel de besten, bij die vergelijking als eersten in aanmerking werden genomen.
(...)
Ik had anderzijds natuurlijk kennis van de gegevens van het beoordelingsrapport van mevrouw [X], die negen $uitmuntend' en vijf $zeer goed' had. Ik was dus terdege in staat, met mijn collega's van het bevorderingscomité de prestaties van mevrouw [X] te situeren tegenover de prestaties van de andere voorgedragen en bevorderde bevorderbare ambtenaren. (...)"
43 Met betrekking tot het horen van de vertegenwoordiger van het directoraat-generaal Buitenlandse betrekkingen, heeft de getuige verklaard:
"Het comité heeft geprobeerd de relatieve verdiensten van mevrouw [X] en haar andere collega's te beoordelen, uitgaande van twee informatiebronnen. De eerste informatiebron, waarvan zoëven sprake, is de vergelijkende analyse van het beoordelingsrapport van mevrouw [X] en die van andere collega's. Maar er was een andere informatiebron die in aanmerking moest worden genomen, gelet op wat ik in welgekozen bewoordingen de uiterste eigenaardigheid van de administratieve situatie van mevrouw [X] zou noemen. Dat aspect eiste tijdens de beraadslagingen van het comité en het onderhoud met de assistent van de directeur-generaal de meeste aandacht voor zich op."
44 Dienaangaande heeft de getuige nog gepreciseerd, dat het bevorderingscomité systematisch het beleid volgt, de vertegenwoordigers te horen van de directoraten-generaal die bevorderingsvoordrachten hebben ingediend.
45 Op de vraag, op grond van welke criteria het comité zijn besluit heeft genomen om verzoekster niet op de lijst van de het meest voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren te plaatsen, heeft de getuige geantwoord:
"Het comité heeft zich tot taak gesteld de respectieve verdiensten van mevrouw [X] en de andere in het kader van het begrotingsjaar 1991 voor bevordering in aanmerking komende collega's te vergelijken op grond van twee belangrijke overwegingen.
De eerste was de vergelijking, op grond van de beoordelingsrapporten, van de objectieve gegevens van die rapporten die het gemakkelijkst konden worden vergeleken, waarbij de meeste aandacht werd besteed (...) aan de situatie van de 85 bevorderden, die zich hadden onderscheiden en reeds waren geselecteerd, en de situatie van de vijf voorgedragen ambtenaren. Dit eerste gegeven werd in aanmerking genomen en bracht het comité tot het besluit, dat over het geheel genomen de relatieve situatie van mevrouw [X] gunstig, en zelfs zeer gunstig was, vergeleken met die van de 85 bevorderde en de vijf voorgedragen ambtenaren.
Het comité stelde vast, dat slechts acht van de 85 bevorderde ambtenaren een beoordeling hadden die gelijk was aan of beter dan die van mevrouw [X] en dat van de vijf voorgedragen ambtenaren van DG I slechts twee een betere beoordeling hadden, en van de twee bevorderde ambtenaren slechts één. Op grond van de strikt kwantitatieve gegevens van het beoordelingsrapport stond het comité vrij gunstig tegenover haar plaatsing op de lijst van de het meest voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren.
Het is duidelijk, dat geen enkel comité, in deze zaak zomin als in andere zaken, zich uitsluitend op grond van mathematische gegevens uitspreekt (...) Allereerst moet worden vastgesteld, dat een populatie van 411 voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren niet door een enkele persoon wordt beoordeeld. Het comité staat dus in voor een horizontale beoordeling die verder gaat dan de resultaten van een zuiver mechanische of mathematische benadering.
Dat deed het comité ertoe besluiten, een andere reeks inlichtingen in aanmerking te nemen. Deze betroffen hetgeen ik daarnet in welgekozen bewoordingen als uiterst eigenaardig heb bestempeld. Ik leg de nadruk op de woorden $uiterste eigenaardigheid van de administratieve situatie van mevrouw [X]', welke situatie wordt gekenmerkt door de zeer bijzondere psychologische, menselijke en ten slotte medische context, die het atypische van haar betrekkingen met haar instelling kenmerkt.
Deze overweging heeft de debatten over de zaak X beheerst. Na lange en - ik herinner eraan dat het comité een paritair orgaan is - eensgezinde beraadslagingen heeft het comité de conclusies getrokken uit het botsen van deze twee overwegingen: enerzijds gunstig resultaat van de kwantitatieve analyse van de beoordelingsrapporten, en anderzijds vraagtekens bij de psychologische, medische, menselijke en sociale context.
Zijn conclusie was tweevoudig. De eerste conclusie was, het gunstige effect te relativeren van de beoordeling, die het comité in andere omstandigheden ertoe had moeten brengen, voor te stellen dat mevrouw [X] op de lijst van de het meest voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren zou worden geplaatst. Men heeft het gerelativeerd door het uit te stellen in de tijd, in die zin dat het comité heeft voorgesteld mevrouw [X] voor 1991 niet op de betrokken lijst te plaatsen, doch niettemin de verbintenis van het directoraat-generaal genoteerd en bedongen, haar het volgende jaar voor te dragen. Er werd twee begrotingsjaren lang een procedure georganiseerd om die oorspronkelijke verbintenis te volgen. Zij heeft ertoe geleid, dat mevrouw [X] dit jaar in het kader van het begrotingsjaar 1993 is bevorderd.
(...)
Met andere woorden, het comité is ertoe gebracht, zijn billijkheidsplicht jegens mevrouw [X] en alle voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren te verzoenen met zijn zorgplicht tegenover een vrij dramatisch menselijk geval. Het heeft ook de formele vereisten van het Statuut verzoend met een menselijke realiteit die het niet buiten beschouwing kan laten."
De getuige heeft daar nog aan toegevoegd, dat volgens hem "de huidige positie van mevrouw [X] als ambtenaar in 1993, die in de eerste plaats is bevorderd doch in de tweede plaats sinds 17 maart ambtshalve met ziekteverlof is gezonden, het moeizame evenwicht illustreert dat het bevorderingscomité B bij die beraadslagingen van december 1991 heeft geprobeerd te bereiken en te verwezenlijken".
46 Op de vraag, over welke objectieve gegevens het bevorderingscomité beschikte, wat de persoonlijke situatie van verzoekster betreft, heeft Petit-Laurent geantwoord, dat "de situatie van mevrouw [X] de administratie, haar hiërarchieke autoriteiten, de medische dienst en de bemiddelaar goed bekend was (...) Daaraan moet worden toegevoegd, dat mevrouw [X], eigener beweging en bij herhaling, kennelijk heeft gewenst al haar collega's en haar hiërarchie, te beginnen met voorzitter Delors, van haar bijzondere situatie op de hoogte te brengen. Zij deed dat met zeer breedvoerige open brieven, waarvan de lezing mijns inziens volstaat om de eigenaardigheid van haar situatie te kenschetsen."
47 Op grond van dat getuigenis, die door de andere elementen van het dossier niet wordt weersproken, is het Gerecht van oordeel, dat rechtens genoegzaam is bewezen dat het onderzoek dat het bevorderingscomité tijdens zijn vergadering van 18 december 1991 heeft ingesteld, is verricht met alle nodige zorg om zowel aan de bepalingen van artikel 45 van het Statuut als aan de vereisten van het beginsel van goed bestuur te voldoen.
48 Met betrekking tot de beoordelingscriteria die bij het onderzoek van kandidaten voor een bevordering in aanmerking moeten worden genomen, wijst het Gerecht er immers op, dat luidens artikel 45, lid 1, eerste alinea, van het Statuut "de verdiensten der ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, alsmede de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht" moeten worden vergeleken om aan de vereisten van bedoelde bepaling te voldoen.
49 Bijgevolg is het bevorderingscomité, bij de keuze die het moet maken ter voorbereiding van het besluit dat het tot aanstelling bevoegd gezag krachtens dat artikel zal nemen, niet verplicht zich enkel op de beoordelingsrapporten van de betrokkenen te baseren, maar kan het zijn beoordeling ook op andere aspecten van de verdiensten van de kandidaten gronden.
50 In casu blijkt uit de boven aangehaalde getuigenis, dat het bevorderingscomité zich in het kader van zijn beoordeling niet alleen heeft laten leiden door de beoordelingsrapporten van de kandidaten, maar ook door andere informatie betreffende de administratieve en persoonlijke situatie van verzoekster, die het mogelijk maakte het enkel op de beoordelingsrapporten gebaseerde oordeel te relativeren.
51 Gelet op al die gegevens en met name op de getuigenis van Petit-Laurent stelt het Gerecht vast, dat niets in het dossier de conclusie wettigt, dat artikel 45 van het Statuut is geschonden of dat het bevorderingscomité - waarvan de conclusies als grondslag voor het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag hebben gediend - een kennelijke beoordelingsfout heeft begaan.
52 Uit het voorgaande volgt, dat beroep T-89/92 moet worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
De kosten gemaakt in de zaken T-89/91 en T-21/92
53 Krachtens artikel 87, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Gerecht vrijelijk over de kosten wanneer het geding zonder voorwerp is geraakt. Met betrekking tot zaak T-89/91 blijkt uit de stukken, dat de instelling van het beroep is veroorzaakt door de vertraging van de Commissie, die verzoeksters beoordelingsrapport over de periode 1987-1989 niet tijdig aan het bevorderingscomité had meegedeeld, en door de vertraging waarmee de Commissie verzoeksters klacht heeft beantwoord. In die omstandigheden is het Gerecht van oordeel, dat de Commissie alle op dit beroep gevallen kosten zal moeten dragen.
54 Met betrekking tot zaak T-21/89 dient te worden opgemerkt, dat verzoekster met dit beroep is opgekomen tegen de handeling zelf waarbij de administratie haar kennis heeft gegeven van haar besluit om de bevorderingsprocedure te heropenen teneinde het gebrek dat zij vertoonde, te dekken. Daar de Commissie bij dat besluit dus gunstig heeft beschikt op de klacht van verzoekster, kon dat besluit voor haar geenszins bezwarend zijn. Het Gerecht is van oordeel, dat verzoekster dus haar eigen kosten moet dragen. Bijgevolg zal elke partij in het kader van dit beroep haar eigen kosten moeten dragen, overeenkomstig artikel 87, lid 3, juncto artikel 88, van het Reglement voor de procesvoering.
De kosten gemaakt in zaak T-89/92
55 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Volgens artikel 88 van dat Reglement blijven echter de kosten door de instellingen ter zake van beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen gemaakt, te hunnen laste. In die omstandigheden dient te worden beslist, dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)
rechtdoende:
1) Verstaat dat over de beroepen in de zaken T-89/91 en T-21/92 niet behoeft te worden beslist.
2) Verwerpt het beroep in zaak T-89/92.
3) Verwijst de Commissie in alle op zaak T-89/91 gevallen kosten.
4) Verstaat dat elk der partijen haar eigen op de zaken T-21/92 en T-89/92 gevallen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy