Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
Kort geding - Beroep van ambtenaren - Verzoek om voorlopige maatregelen met ander voorwerp dan dat van beroep in hoofdzaak en niet voorafgegaan door administratieve klacht - Niet-ontvankelijkheid
( EEG-Verdrag, art . 186; Reglement voor de procesvoering, art . 83, § 2; Ambtenarenstatuut, art . 90 en 91 )
Partijen
In zaak T-10/91 R,
L . Bodson, ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Luxemburg, vertegenwoordigd door J.-L . Noël, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
verzoeker,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J . Campinos, juridisch adviseur, en M . Peter, afdelingshoofd, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij zijn secretariaat-generaal,
verweerder,
betreffende een verzoek om een voorlopige maatregel, inhoudende dat verzoeker, tot de dag van zijn daadwerkelijke aanstelling in een ambt, wordt ontslagen van zijn verplichting om zich te gedragen overeenkomstig de in het Statuut omschreven arbeidsvoorwaarden,
geeft
de president van het Gerecht van eerste aanleg
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Bij op 7 februari 1991 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoeker beroep ingesteld tot nietigverklaring van de weigering van het Europees Parlement om hem daadwerkelijk in een ambt aan te stellen, en tot veroordeling van de wederpartij tot betaling van een bedrag van 100 ECU per dag, vanaf 31 januari 1991 tot zijn daadwerkelijke aanstelling in een ambt .
2 Bij op dezelfde dag ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft verzoeker krachtens artikel 185 EEG-Verdrag en artikel 83, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof verzocht hem, tot de dag van zijn daadwerkelijke aanstelling in een ambt, te ontslaan van alle verplichtingen die het Statuut aan ambtenaren in actieve dienst oplegt .
3 Het Europees Parlement heeft op 20 februari 1991 opmerkingen ingediend .
4 Alvorens wordt ingegaan op de gegrondheid van het verzoek in kort geding, dienen de feiten die aan het beroep in de hoofdzaak ten grondslag liggen, kort in herinnering te worden gebracht .
5 Verzoeker, ambtenaar van het Europees Parlement, werd in 1980 ter beschikking gesteld van het door de Commissie beheerde afwikkelingsbureau van de Ziekenkas te Luxemburg . Op 20 december 1988 kwam aan die terbeschikkingstelling een einde en per 1 januari 1989 werd verzoeker weer geplaatst bij de diensten van het Parlement .
6 Nadat hij een tijdlang voor uiteenlopende werkzaamheden was ingezet, diende verzoeker een klacht als bedoeld in artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut in tegen de weigering van de instelling om hem daadwerkelijk in een ambt aan te stellen . Hij meende sinds 5 februari 1990 geen duidelijke taak meer te hebben, ondanks alle stappen die hij had ondernomen om in een met zijn rang en beroepservaring overeenkomend ambt tewerk te worden gesteld .
7 Bij brief van 18 juli 1990 deelde de secretaris-generaal van het Parlement verzoeker mee, dat hij diens klacht als ontvankelijk en gegrond beschouwde voor zover hij zich met een beroep op artikel 7 van het Statuut erover beklaagde, sinds 5 februari 1990 niet meer in een ambt aangesteld te zijn . Hij voegde daaraan toe, dat hij de bevoegde diensten de nodige aanwijzingen had gegeven om verzoeker in een ambt aan te stellen, waarbij hij erop wees, dat dit ook goede wil en bereidheid tot medewerking van verzoekers kant veronderstelde .
8 Van oordeel dat hem ook daarna geen nieuw ambt was toegewezen, diende verzoeker op 23 januari 1991 een nieuwe klacht in tegen het stilzwijgend genomen besluit van de instelling om hem niet in een welbepaald ambt aan te stellen . Op 1 februari diende hij een aanvullende klacht in, waarin hij betaling verlangde van 100 ECU per dag als vergoeding van de schade die hij als gevolg van zijn administratieve situatie meende te lijden .
In rechte
9 Krachtens artikel 83, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat van overeenkomstige toepassing is in de procedure voor het Gerecht, dient de verzoekende partij de omstandigheden te vermelden waaruit van de spoedeisendheid van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt .
10 Met betrekking tot de middelen die de gevraagde voorlopige maatregel voorshands kunnen rechtvaardigen, meent verzoeker, dat aan de voorwaarde inzake de fumus boni juris is voldaan, nu de secretaris-generaal van het Parlement heeft erkend dat het feit dat verzoeker sinds 5 februari 1990 geen welbepaald ambt meer heeft, schending van artikel 7 van het Statuut oplevert .
11 Wat de spoedeisendheid betreft, stelt verzoeker, dat de herhaalde weigering van de instelling om te voldoen aan zijn verzoeker om bijstand en om toewijzing van een welbepaald ambt, bijzonder ernstige gevolgen voor zijn gezondheid heeft gehad . De voortdurende ongerustheid en onzekerheid omtrent zijn toekomstige werkzaamheid zou geleid hebben tot een situatie van ondraaglijke stress, die het risico van een hartkwaal aanzienlijk heeft vergroot . Om dit risico te verkleinen, zouden de conflictsituaties waarin hij zou kunnen komen te verkeren, en met name die welke ontstaan door de nakoming van de statutaire verplichtingen die ambtenaren in actieve dienst hebben, moeten worden beperkt, tot het moment waarop het Parlement zijn verplichtingen jegens hem nakomt .
12 Het Parlement concludeert tot afwijzing van het verzoek in kort geding . Het betwist de feiten zoals door verzoeker gesteld, zonder er overigens gedetailleerd op in te gaan, en betoogt met name, dat er geen enkel logisch verband bestaat tussen de door verzoeker gestelde feiten en het verzoek in kort geding .
13 Het Parlement is voorts van mening, dat het verzoek in kort geding niet ontvankelijk is, aangezien het niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof en verzoeker geen belang heeft bij de gevraagde maatregel . Toewijzing van het verzoek in kort geding zou leiden tot een volledige omkering van de hoofdzaak, daar met de gevraagde voorlopige maatregel iets wordt beoogd wat diametraal tegengesteld is aan wat in de hoofdzaak wordt gevorderd .
14 Wat de spoedeisenheid betreft, is het Parlement van mening, dat zelfs indien uit verzoekers argumenten zou blijken dat zijn aanstelling in een welbepaald ambt geen uitstel lijdt, er niettemin geen enkel verband bestaat tussen de gestelde feiten en het verzoek om van alle statutaire verplichtingen te worden ontslagen .
15 Er zij op gewezen, dat terwijl verzoeker in de hoofdzaak de nietigverklaring vordert van een pretens besluit van het Parlement om hem geen ambt toe te wijzen, het verzoek in kort geding er integendeel toe strekt, hem tot zijn aanstelling in een welbepaald ambt te ontslaan van alle verplichtingen die ambtenaren in actieve dienst ingevolge het Statuut hebben .
16 Bovendien is de gevraagde voorlopige maatregel een nieuw verzoek, dat verder gaat dan de klachten die verzoeker bij het tot aanstelling bevoegd gezag heeft ingediend tegen het besluit van dat gezag om hem niet in een bepaald ambt aan te stellen .
17 Met zijn verzoek in kort geding tracht verzoeker in feite van het Gerecht iets te verkrijgen waartoe hij gebruik had moeten maken van de procedure van artikel 90 van het Statuut . Ingevolge artikel 90, lid 1, immers had verzoeker eerst het tot aanstelling bevoegd gezag moeten verzoeken hem van zijn statutaire verplichtingen te ontslaan, om vervolgens, indien dat verzoek zou zijn afgewezen, eventueel een klacht in de zin van lid 2 van dat artikel in te dienen . Naar volgt uit artikel 91, lid 4, van het Statuut, had enkel indien die klacht bij het tot aanstelling bevoegd gezag was ingediend, een verzoek aan het Gerecht om opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling of om voorlopige maatregelen ontvankelijk kunnen zijn, ook wanneer er geen al dan niet uitdrukkelijk afwijzend besluit was geweest .
18 Met betrekking tot het risico van ernstige en onherstelbare schade en inzonderheid met betrekking tot het gezondheidsrisico dat volgens verzoeker grond zou opleveren om hem tot de uitspraak van het Gerecht in de hoofdzaak van zijn statutaire verplichtingen te ontslaan, moet nog worden opgemerkt, dat volgens artikel 59 van het Statuut "de ambtenaar die aantoont ten gevolge van ziekte (...) verhinderd te zijn zijn werkzaamheden te verrichten, van rechtswege in aanmerking komt voor ziekteverlof ". Zo er gevaar voor ernstige en onherstelbare schade voor verzoekers gezondheid zou bestaan, moet dat kunnen worden voorkomen door toepassing van de juiste statutaire bepalingen .
19 Gezien het voorgaande, is het bij het Gerecht ingediende verzoek in kort geding te beschouwen als misbruik van procedure en moet het mitsdien niet-ontvankelijk worden verklaard .
Dictum
De president van het Gerecht van eerste aanleg
rechtdoende bij voorraad,
beschikt :
1 ) Het verzoek in kort geding wordt niet-ontvankelijk verklaard .
2 ) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden .
Luxemburg, 11 maart 1991 .
Full & Egal Universal Law Academy