Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Kort geding - Opschorting van tenuitvoerlegging - Voorwaarden - "Fumus boni juris"
( Reglement voor de procesvoering, art . 83, § 2 )
2 . Procedure - Verzoek om vergunning om kosteloos te procederen - Verzoek met betrekking tot procedure in kort geding - Ontbreken van "fumus boni juris" van beroep in hoofdzaak - Afwijzing
( Reglement voor de procesvoering, art . 76, § 3 )
Partijen
In zaak T-13/91 R,
M . Harrison, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Southport ( Verenigd Koninkrijk ), vertegenwoordigd door A . Rodesch, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende aldaar te diens kantore, route d' Esch 7-11,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door S . Van Raepenbusch, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Berardis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Commissie om de betaling van verzoekers salaris met ingang van 19 oktober 1990 te schorsen, op grond dat verzoeker op 24 september 1990 zijn werk na een langdurig ziekteverlof niet heeft hervat,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen op 26 februari 1991, heeft verzoeker beroep ingesteld strekkende, primair, tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 4 oktober 1990 houdende schorsing van de betaling van zijn salaris met ingang van 19 oktober 1990, overeenkomstig artikel 60, eerste alinea, Ambtenarenstatuut, en subsidiair tot wijziging van dat besluit . Voorts heeft hij vergunning verzocht om kosteloos te procederen .
2 Bij op dezelfde dag ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft verzoeker krachtens artikel 185 EEG-Verdrag en artikel 83, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit . Hij heeft tevens vergunning verzocht om kosteloos te procederen .
3 De Commissie heeft op 11 maart 1991 haar opmerkingen over het verzoek in kort geding ingediend . Partijen zijn op 20 maart 1991 in hun mondelinge opmerkingen gehoord .
4 Alvorens de gegrondheid van het verzoek in kort geding te onderzoeken, wordt in het kort herinnerd aan de feiten die aan het beroep in de hoofdzaak te gronde liggen .
5 Verzoeker is ambtenaar van de Commissie sedert 11 augustus 1980 . Nadat hij herhaaldelijk met ziekteverlof was geweest, werd de in artikel 59, lid 1, vierde alinea, van het Statuut bedoelde procedure tot vaststelling van een eventuele invaliditeit ingeleid . De invaliditeitscommissie die zijn geval onderzocht, kwam tijdens haar vergadering van 16 juni 1990 tot de conclusie, dat er in verzoekers geval geen sprake was van een blijvende algehele invaliditeit die het hem onmogelijk maakte de met een ambt van zijn loopbaan overeenkomende werkzaamheden te verrichten, en dat hij derhalve verplicht was zijn werkzaamheden te blijven uitoefenen .
6 Dit besluit werd verzoeker op 11 juli 1990 ter kennis gebracht op het adres in het Verenigd Koninkrijk, waar hij op grond van een machtiging als bedoeld in artikel 60, tweede alinea, van het Statuut vijf dagen ziekteverlof ( van 25 juni tot 29 juni 1990 ) doorbracht .
7 Bij brief van 6 augustus 1990 nodigde de raadgevend arts van de Commissie verzoeker uit voor een onderhoud in zijn kabinet te Luxemburg, over zijn afwezigheden wegens ziekte .
8 Bij brief van 10 augustus 1990 deelde het hoofd van de afdeling Personeelszaken verzoeker mee, dat hij niet voornemens was de machtiging om buiten Luxemburg te verblijven, na 27 augustus 1990 te verlengen, tenzij de uitslag van het onderzoek door de raadgevend arts een dergelijke verlenging zou rechtvaardigen .
9 Bij schrijven van 25 augustus 1990 deelde verzoeker de medische dienst mee, dat het hem onmogelijk was te reizen met het oog op het geneeskundig onderzoek op 28 augustus 1990 . Tot staving hiervan legde hij een medisch attest van 20 augustus 1990 voor, volgens hetwelk hij werd onderzocht in verband met gezichtsstoornissen en tot nader order arbeidsongeschikt was ("... is under investigation for visual disturbance and is unable to attend work until further notice "). Aan deze zin had de arts tussen haakjes nog toegevoegd, dat verzoeker niet kon reizen (" cannot travel ").
10 Bij schrijven van 17 september 1990 liet het hoofd van de afdeling Personeelszaken verzoeker weten, dat het tot aanstelling bevoegd gezag zijn medische attesten niet langer kon aanvaarden en besloten had de machtiging om het ziekteverlof in het buitenland door te brengen, in te trekken . Verzoeker werd gemaand zijn werk op 24 september 1990 te hervatten . Hij werd ervan verwittigd, dat hij overeenkomstig artikel 60, eerste alinea, derde zin, van het Statuut geen bezoldiging meer zou ontvangen indien hij niet uiterlijk op die datum het werk had hervat .
11 Bij brief van 4 oktober 1990 bracht het hoofd van de afdeling Personeelszaken verzoeker ter kennis, dat hij opdracht had gegeven de betaling van verzoekers bezoldiging te schorsen per 19 oktober 1990, de datum van waaraf verzoeker geen recht meer had op vakantieverlof . Hij nodigde verzoeker voorts uit, zich op 9 of 16 oktober te Luxemburg te melden voor medische controle .
12 Verzoeker verscheen op 9 oktober niet voor de medische controle, doch zond de administratie op 12 oktober een op 9 oktober gedateerd medisch attest, volgens hetwelk hij niet in staat was zijn werkzaamheden in Luxemburg te verrichten, doch waarin niet was vermeld dat hij niet in staat was te reizen .
13 De betaling van verzoekers bezoldiging werd door de diensten van de Commissie per 19 oktober 1990 metterdaad geschorst .
14 Tegen dat besluit van de afdeling Personeelszaken diende verzoeker krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een administratieve klacht in, die bij het secretariaat-generaal van de Commissie werd ingeschreven op 21 december 1990 .
15 Bij schrijven van 11 januari 1991 werd verzoeker opnieuw uitgenodigd zich voor een medische controle te melden . Hierop antwoordde hij met een nieuw medisch attest van zijn behandelend arts, inhoudende dat hij niet in staat was zijn werkzaamheden in Luxemburg te verrichten .
16 Bij telegram van 18 februari 1991 stelde de Commissie verzoeker in kennis van haar voornemen om op 21 februari 1991 ter plaatse, in de woning van zijn ouders, een medische controle te verrichten .
17 Deze controle had plaats op 21 februari 1991 . De raadgevend arts van de Commissie en de door de Commissie gemandateerde Britse arts, die deze controle verrichtten, kwamen beiden tot de conclusie, dat verzoeker arbeidsgeschikt was en ook in staat was te reizen .
In rechte
18 Ingevolge artikel 83, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat van overeenkomstige toepassing is op de procedure voor het Gerecht, dient de verzoeker de omstandigheden te omschrijven waaruit het spoedeisende karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt .
19 Volgens verzoeker vormt het besluit dat hem door de afdeling Personeelszaken op 4 oktober 1990 ter kennis is gebracht, een grove schending van artikel 9 van de Regeling inzake de ziektekostenverzekering van de ambtenaren der Europese Gemeenschappen, doordat het inbreuk maakt op de vrijheid van de ambtenaar in de keuze van zijn arts en verpleeginrichting . Dit besluit zou zich voorts evenmin verdragen met artikel 59 van het Statuut, in overeenstemming waarmee verzoeker zijn instelling zo spoedig mogelijk had meegedeeld dat hij niet in staat was zijn werkzaamheden te verrichten, en de plaats had aangegeven waar hij zich bevond . De schorsing van de betaling van zijn bezoldiging per 19 oktober 1990, zonder voorafgaand medisch advies, zou dus volstrekt ongerechtvaardigd en onrechtmatig zijn, aangezien de door hem geconsulteerde Britse arts hem formeel had ontraden weer naar het buitenland te reizen zolang zijn gezondheidstoestand niet was verbeterd .
20 Verzoeker meent, dat een dergelijk besluit hem ernstige schade berokkent en dat de tenuitvoerlegging van het besluit van de Commissie met spoed dient te worden opgeschort, daar hij op dit moment geen inkomsten heeft .
21 Verweerster concludeert tot afwijzing van het verzoek in kort geding . Zij herinnert eraan, dat de instelling alleen door het verrichten van een controle de regelmatigheid van een door een medisch attest gedekte afwezigheid kan verifiëren . Daar verzoeker bij die controle op 21 februari 1991 geschikt is verklaard om zijn werkzaamheden te hervatten, is zijn afwezigheid sedert die datum onregelmatig, behoudens tegenbewijs van medische aard .
22 Met betrekking tot de periode van 28 augustus 1990 tot 21 februari 1991 merkt verweerster op, dat de door verzoeker gestelde onmogelijkheid om zich voor medische controle naar Luxemburg te begeven, slechts in één attest, namelijk dat van 20 augustus 1990, is vermeld . Het feit dat verzoeker zich niet heeft onderworpen aan de verschillende medische controles waarvoor hij was uitgenodigd, en dat hij in het Verenigd Koninkrijk is gebleven zonder daartoe door het tot aanstelling bevoegd gezag te zijn gemachtigd ( de machtiging verstreek op 27 augustus 1990 ), liet dit gezag geen andere keus dan de dagen van onregelmatige afwezigheid op het saldo van verzoekers verlofdagen in mindering te brengen en, nadat het jaarlijks verlof was opgebruikt, de betaling van zijn bezoldiging te schorsen .
23 Gelet op deze elementen feitelijk en rechtens moet om te beginnen worden opgemerkt, dat het argument dat verzoeker ontleent aan schending van artikel 9 van de Regeling inzake de ziektekostenverzekering in casu volstrekt irrelevant is . Het gaat hier immers niet om de keuzevrijheid van de ambtenaar ten aanzien van arts of verpleeginrichting ( van die keuzevrijheid heeft verzoeker hoe dan ook sedert lang gebruik gemaakt ), doch om de toepassing van de bepalingen van het Statuut inzake het ziekteverlof van de ambtenaren .
24 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat ingevolge artikel 59, lid 1, tweede alinea, van het Statuut de ambtenaar die verklaart dat hij ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, en die een medisch attest van die inhoud heeft overgelegd, door de instelling aan iedere medische controle kan worden onderworpen . Uit de bewoordingen van het medisch attest van 20 augustus 1990, volgens hetwelk verzoeker werd onderzocht in verband met gezichtsstoornissen en waarin werd gepreciseerd dat hij niet kon reizen, viel niet met stelligheid op te maken dat verzoeker gedurende onbepaalde tijd niet tot reizen in staat was . Niettemin heeft de Commissie blijkbaar geaccepteerd dat verzoeker tot 24 september buiten Luxemburg verbleef . In het medisch attest van 9 oktober 1990 was echter niet meer sprake van de onmogelijkheid te reizen . De processtukken lijken dus niet de voorlopige conclusie te kunnen schragen, dat verzoeker zich op goede gronden mocht onttrekken aan zijn verplichting zich te onderwerpen aan de door verweerster overeenkomstig artikel 59, lid 1, tweede alinea, van het Statuut geregelde medische controle .
25 Voorts moet erop worden gewezen, dat de gegevens van het dossier, met name de medische certificaten, op het eerste gezicht onvoldoende grond opleveren om te stellen dat het bij brief van 17 september 1990 aan verzoeker meegedeelde besluit van de Commissie, waarbij de machtiging om zijn ziekteverlof buiten Luxemburg door te brengen, werd ingetrokken en hij werd gemaand zijn werk op 24 september te hervatten op straffe van schorsing van zijn bezoldiging, in strijd is met artikel 60 van het Statuut .
26 Uit het voorgaande volgt, dat verzoeker niets heeft aangebracht op grond waarvan het beroep in de hoofdzaak voorshands gegrond zou kunnen voorkomen . Derhalve dient het verzoek in kort geding te worden afgewezen, zonder dat behoeft te worden ingegaan op de voorwaarden van spoedeisendheid en dreiging van onherstelbare schade .
27 Met betrekking tot het verzoek om kosteloos te mogen procederen, moet worden opgemerkt, dat dit verzoek in strijd met het bepaalde in artikel 76, paragraaf 2, van het Reglement van de procesvoering van het Hof niet vergezeld gaat van de nodige gegevens waaruit het onvermogen van de verzoeker blijkt, in het bijzonder van een daartoe strekkende verklaring van de bevoegde autoriteiten . Voorts bepaalt artikel 76, paragraaf 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat de kamer, alvorens te beslissen of de vergunning om kosteloos te procederen geheel of gedeeltelijk zal worden verleend dan wel behoort te worden geweigerd, onderzoekt of de ingestelde vordering niet kennelijk ongegrond is . In casu heeft verzoeker niet weten aan te tonen dat het beroep in de hoofdzaak voorshands gegrond is . In deze omstandigheden moet, wat het kort geding betreft, het verzoek om vergunning om kosteloos te procederen, worden afgewezen .
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT,
rechtdoende bij voorraad,
beschikt :
1 ) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen .
2 ) Het verzoek om vergunning om kosteloos te procederen, wordt afgewezen .
3 ) De beslissing over de kosten wordt aangehouden .
Luxemburg, 15 april 1991 .
Full & Egal Universal Law Academy