Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Procedure ° Interpretatie van arrest ° Voorwaarden voor ontvankelijkheid van verzoek
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 129)
Samenvatting
Wil een verzoek tot interpretatie van een arrest ontvankelijk zijn, dan moet het betrekking hebben op het dictum van het te interpreteren arrest, in samenhang met de belangrijkste overwegingen, en strekken tot het ophelderen van eventuele duisterheden of onduidelijkheden in de betekenis en de strekking van het arrest zelf voor juist dat geval dat bij het arrest werd berecht.
Een dergelijk verzoek is dus niet ontvankelijk wanneer het betrekking heeft op punten die in het te interpreteren arrest niet zijn beslist, of wanneer het bedoeld is om van de rechter die het arrest gewezen heeft, een advies te verkrijgen over de toepassing, de uitvoering of de gevolgen ervan.
Partijen
In zaak T-22/91 INT,
I. Raiola-Denti, M.-T. de Cuyper-Pirotte, L. De Nil, E. Diks, A. Forsyth, C. Hendrickx, C. Impens, R. Talloen, D. Vandenameele, ambtenaren van de Raad van de Europese Gemeenschappen, woonachtig te Brussel, vertegenwoordigd door G. Collin, M. Deruyver en J.-N. Louis, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij de Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
verzoeksters,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door zijn juridisch adviseur Y. Crétien, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van B. Eynard, directeur van de juridische dienst van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
verweerder,
betreffende een verzoek tot interpretatie van het arrest, door het Gerecht (Vijfde kamer) op 11 februari 1993 gewezen in de zaak Raiola-Denti e.a./Raad (zaak T-22/91, Jurispr. 1993, blz. II-69),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. Barrington, kamerpresident, K. Lenaerts en A. Kalogeropoulos, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 2 juni 1993 ter griffie van het Gerecht ingeschreven verzoekschrift hebben I. Raiola-Denti en acht andere ambtenaren van de Raad van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Raad"), verzoeksters in zaak T-22/91, krachtens artikel 129 van het Reglement voor de procesvoering een verzoek ingediend tot interpretatie van het op 11 februari 1993 door het Gerecht (Vijfde kamer) in die zaak gewezen arrest.
2 Bij dat arrest heeft het Gerecht het beroep van verzoeksters, strekkende tot nietigverklaring van "de besluiten van de jury, genomen na de besluiten tot toelating tot de examens van het vergelijkend onderzoek", gegrond bevonden en "de verrichtingen die hebben plaatsgevonden na de besluiten tot toelating van de kandidaten tot de examens van het door de Raad georganiseerde intern vergelijkend onderzoek B/228, waarvan de aankondiging is gepubliceerd in de Mededeling aan het personeel nr. 100/90 van 26 oktober 1990", nietigverklaard.
3 Met hun verzoek tot interpretatie wensen verzoeksters van het Gerecht te vernemen, "welke verrichtingen die hebben plaatsgevonden na de besluiten tot toelating van de kandidaten tot de examens van het vergelijkend onderzoek, nietig zijn verklaard". Ter motivering van hun verzoek zetten verzoeksters uiteen, dat een interpretatief arrest (artikel 129, lid 3, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering) hen in staat zal stellen, "na te gaan of de door de Raad getroffen maatregelen ter uitvoering van het arrest van 11 februari 1993 in zaak T-22/91 in overeenstemming zijn met het voorschrift van artikel 176 EEG-Verdrag".
4 In zijn op 30 juni 1993 ter griffie van het Gerecht ingeschreven opmerkingen betoogt de Raad, dat het verzoek tot interpretatie niet-ontvankelijk is, en concludeert hij tot afwijzing ervan en tot verwijzing van verzoeksters in de kosten.
5 Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof ter zake betoogt de Raad, dat de ontvankelijkheid van een verzoek tot interpretatie in de eerste plaats afhangt van het bestaan van moeilijkheden met betrekking tot de betekenis en strekking van het te interpreteren arrest en dus van de noodzaak een mogelijke duisterheid of onduidelijkheid op te helderen. In casu nu is het duidelijk, dat de door het Gerecht in zaak T-22/91 uitgesproken nietigheid betrekking heeft op alle handelingen die de jury heeft verricht na de vaststelling van de lijst van de tot de examens van het vergelijkend onderzoek toegelaten kandidaten. In de tweede plaats, aldus de Raad, moet een verzoek tot interpretatie bedoeld zijn om uitlegging van het arrest te verkrijgen en niet een advies van het Hof of het Gerecht over de toepassing, de uitvoering of de gevolgen ervan. Waar verzoeksters verklaren, dat hun verzoek tot interpretatie hen in staat moet stellen te onderzoeken, of de maatregelen van de Raad ter uitvoering van het arrest wel beantwoorden aan artikel 176 EEG-Verdrag, is dat verzoek niet-ontvankelijk, te meer omdat de Raad nog geen uitvoeringsmaatregelen heeft getroffen.
6 Er zij aan herinnerd dat, wil een verzoek tot interpretatie van een arrest ontvankelijk zijn, het volgens de rechtspraak van het Hof betrekking moet hebben op het dictum van het arrest, in samenhang met de belangrijkste overwegingen, en moet strekken tot het ophelderen van eventuele duisterheden of onduidelijkheden in de betekenis en de strekking van het arrest zelf voor juist dat geval dat bij het arrest werd berecht. Volgens dezelfde rechtspraak is een verzoek tot interpretatie dus niet ontvankelijk wanneer het betrekking heeft op punten die in het betrokken arrest niet zijn beslist, of wanneer het bedoeld is om van de rechter die het arrest gewezen heeft, een advies te verkrijgen over de toepassing, de uitvoering of de gevolgen ervan (zie arresten van 28 juni 1955, zaak 5/55, Assider, Jurispr. 1955, blz. 287; 7 april 1965, zaak 70/63 bis, Collotti, Jurispr. 1965, blz. 346, en 13 juli 1966, zaak 110/63 bis, Willame, Jurispr. 1966, blz. 432; beschikkingen van 29 september 1983, zaak 9/81 ° Interpretatie, Williams, en zaak 206/81 bis, Alvarez, Jurispr. 1983, blz. 2859 resp. 2865; 11 december 1986, zaak 25/86, Suss, Jurispr. 1986, blz. 3929, en 20 april 1988, gevoegde zaken 146/85 en 431/85 ° Interpretatie, Maindiaux e.a., Jurispr. 1988, blz. 2003).
7 In casu vragen verzoeksters het Gerecht, het dictum van het arrest van 11 februari 1993 uit te leggen door aan te geven, welke de handelingen zijn die in dat dictum nietig worden verklaard.
8 In de eerste plaats moet worden opgemerkt, dat verzoeksters tot staving van hun verzoek niet aanvoeren, dat het dictum van het arrest van 11 februari 1993 duister of dubbelzinnig zou zijn, eventueel in samenhang met de belangrijkste overwegingen van het arrest.
9 In de tweede plaats zij erop gewezen, dat verzoeksters in hun beroep tot nietigverklaring van de werkzaamheden van de jury van het door de Raad georganiseerde intern vergelijkend onderzoek B/228 hebben geconcludeerd dat nietigverklaring van "de besluiten van de jury, genomen na de besluiten tot toelating tot de examens van het vergelijkend onderzoek". Verzoeksters hebben het Gerecht dus gevraagd om nietigverklaring van alle verrichtingen van het vergelijkend onderzoek, die hebben plaatsgevonden nadat de jury haar besluiten over de toelating van de kandidaat tot de examens van het vergelijkend onderzoek had genomen. Op laatstbedoelde besluiten had hun vordering tot nietigverklaring dus geen betrekking. Waar zijzelf op de zojuist beschreven wijze hadden gepreciseerd, welke jurybesluiten zij door het Gerecht nietigverklaard wensten te zien, wisten verzoeksters bijgevolg, van welke besluiten in het kader van de litigieuze onderzoeksprocedure ° die, zoals vastgelegd in bijlage III bij het Ambtenarenstatuut, eindigt met de vaststelling van de lijst van geschikte kandidaten en de toezending van deze lijst, te zamen met het met redenen omklede verslag van de jury, aan het tot aanstelling bevoegd gezag (arrest van 6 juli 1993, zaak C-242/90 P, Albani, Jurispr. 1993, blz. I-3839, r.o. 10) ° zij nietigverklaring vorderden, en welke besluiten bij het arrest van 11 februari 1993 dus nietigverklaard kunnen zijn met de woorden "Verklaart nietig de verrichtingen die hebben plaatsgevonden na de besluiten tot toelating van de kandidaten tot de examens van (...) intern vergelijkend onderzoek B/228". Het dictum van dat arrest is dus niet duister of onduidelijk, noch in zijn betekenis noch in zijn strekking, noch op zich noch ten opzichte van de conclusies van verzoeksters (voor dit laatste punt zie arrest Willame, reeds aangehaald).
10 Hieruit volgt, dat het tot het Gerecht gerichte verzoek tot interpretatie niet voldoet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarde met betrekking tot het bestaan van een duisterheid of onduidelijkheid nopens de betekenis en strekking van het arrest om interpretatie waarvan is verzocht.
11 Gelet op het voorgaande, dient bij beschikking enkel over de ontvankelijkheid van het verzoek tot interpretatie te worden beslist, zonder dat mondelinge behandeling nodig is en zonder partijen uit te nodigen aanvullende opmerkingen tot staving van hun conclusies voor te dragen, en dient dat verzoek niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
12 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Volgens artikel 88 van het Reglement blijven evenwel de kosten in gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden door de instellingen gemaakt, te hunnen laste.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
beschikt:
1) Het verzoek tot interpretatie wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Elk der partijen zal de eigen kosten dragen.
Luxemburg, 14 juli 1993.
Full & Egal Universal Law Academy