Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Ambtenaren - Beroep - Beroep tot schadevergoeding ingesteld zonder precontentieuze procedure volgens Statuut - Niet-ontvankelijkheid
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
Partijen
In zaak T-29/91,
C. Castelletti, Y. Demory-Thyssens, C. Eischen-Gadenne, B. Keller, G. Kreibich, G. Lambertz, L. Passera en A. Thielemans, ambtenaren van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Slusny en O.-M. Slusny, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E. Arendt, advocaat aldaar, Avenue Marie-Thérèse 4,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door S. van Raepenbusch, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek om vergoeding van de materiële en immateriële schade die verzoeksters stellen te hebben geleden doordat zij niet reeds op 25 februari 1982 tot vergelijkend onderzoek COM2/82 zijn toegelaten,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: B. Vesterdorf, kamerpresident, A. Saggio en C. Yeraris, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 30 april 1991 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift hebben C. Castelletti, Y. Demory-Thyssens, C. Eischen-Gadenne, B. Keller, G. Kreibich, G. Lambertz, L. Passera en A. Thielemans, ambtenaren van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, verzocht de Commissie te veroordelen om aan elk van hen 200 000 BFR te betalen als vergoeding voor materiële schade en 100 000 BFR als vergoeding voor immateriële schade, onverminderd vermeerdering van eis in de loop van het geding.
Voorgeschiedenis van het geding
2 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Hof in december 1984, hebben V. Sorani en tien andere ambtenaren van de Commissie, evenals H. Adams en tweeënvijftig andere ambtenaren en personeelsleden, beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van de jury van intern vergelijkend onderzoek COM2/82 om hen niet tot de examens van dat vergelijkend onderzoek toe te laten (zaken 293/84 en 294/84). Volgens de aankondiging van dit vergelijkend onderzoek ging het om de vorming van een reserve van adjunct-assistenten, adjunct-secretariaatsassistenten en adjunct-technische assistenten in de rangen 5 en 4 van categorie B.
3 Bij twee arresten van 11 maart 1986 (zaak 293/84, Sorani, Jurispr. 1986, blz. 967; zaak 294/84, Adams, ibid., blz. 977), verklaarde het Hof de besluiten van de jury om verzoekers in genoemde zaken niet tot de examens toe te laten, nietig op grond dat zij geen gelegenheid hadden gehad om opmerkingen te maken over het advies dat hun hiërarchieke meerderen over hen hadden uitgebracht aan de jury. In vervolg op deze arresten riep de jury in juni 1986 de betrokken kandidaten op, om hen dezelfde vragen te laten beantwoorden als eerder aan hun hiërarchieke meerderen waren gesteld. Bij brief van 11 juli 1986 werd de kandidaten vervolgens meegedeeld, dat het besluit van juni 1984 om hen niet tot de examens toe te laten, was bevestigd.
4 Naar aanleiding van een door enkele kandidaten tegen het besluit van juli 1986 ingediende klacht, riep de jury dezen nogmaals op, ten einde hun de mogelijkheid te geven hun standpunt kenbaar te maken over de antwoorden van de hiërarchieke meerderen op de door de jury gestelde vragen. Bij brief van 12 februari 1987 werd de betrokken ambtenaren meegedeeld, dat er volgens de jury geen aanleiding bestond om terug te komen van het jegens hen genomen besluit dat was meegedeeld op 11 juli 1986.
5 Bij arrest van 28 februari 1989 (gevoegde zaken 100/87, 146/87 en 153/87, Basch, Jurispr. 1989, blz. 447) verklaarde het Hof het besluit van de jury van vergelijkend onderzoek COM2/82 om verzoekers niet tot de examens van dat vergelijkend onderzoek toe te laten, nietig wegens ontoereikende motivering en wegens onregelmatigheid van de door de jury gevolgde procedure.
6 In het arrest stelde het Hof met name:
"Wanneer een jury overgaat tot een dergelijk heronderzoek van de sollicitaties, in het bijzonder om een ernstige onregelmatigheid te herstellen, dient zij die taak met de nodige voortvarendheid en bijzondere zorgvuldigheid te vervullen. In het onderhavige geval heeft de jury evenwel mogelijk onvolledige en onnauwkeurige aantekeningen en persoonlijke herinneringen van haar leden gebruikt om ongeveer drie jaar daarvoor ten aanzien van een zeer groot aantal kandidaten uitgebrachte adviezen te reconstrueren. Uit de stukken blijkt trouwens, dat sommige aldus gereconstrueerde adviezen rechtstreeks in tegenspraak zijn met andere stukken, zoals de beoordelingsrapporten, betreffende de wijze waarop bepaalde verzoekers hun functie hebben vervuld. Door op die manier te werk te gaan heeft de jury een ernstige onregelmatigheid begaan, zodat de in geding zijnde besluiten moeten worden nietig verklaard.
Zonder dat de overige door verzoekers aangevoerde middelen en argumenten behoeven te worden onderzocht, volgt uit het voorgaande dat het besluit van de jury van vergelijkend onderzoek COM2/82 om verzoekers niet tot de examens van dat vergelijkend onderzoek toe te laten, moet worden nietig verklaard omdat de motivering ontoereikend is en de door de jury gevolgde procedure onregelmatig was."
7 Ter uitvoering van dit arrest besloot de directeur Personeelszaken van de Commissie de jury te verzoeken, haar werkzaamheden te hervatten op het punt waar zij door het Hof onregelmatig waren verklaard.
8 Bij nota van 26 juni 1989 bracht hij onder meer verzoeksters daarvan op de hoogte. De nota luidt als volgt:
"Betreft: hervatting van de procedure van vergelijkend onderzoek COM2/82 ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van 28 februari 1989 in de zaken 100/87, 146/87 en 153/87 ten aanzien van de in het gelijk gestelde verzoekers.
Ten einde te voldoen aan het arrest van het Hof van Justitie van 28 februari 1989 heeft het tot aanstelling bevoegde gezag besloten om de werkzaamheden van de jury van het intern vergelijkend onderzoek voor de overgang van categorie C naar categorie B, waarvoor u zich kandidaat had gesteld, te hervatten op het punt waar de procedure die de jury wat u betreft heeft gevolgd, door het Hof onregelmatig is bevonden.
De jury zal onverwijld in haar oorspronkelijke vorm worden bijeengeroepen behoudens wettelijk beletsel en zal haar werkzaamheden hervatten met inachtneming van het arrest van 28 februari 1989.
De kandidaten die tot de examens worden toegelaten, zullen via de gebruikelijke administratieve weg op de hoogte worden gebracht van de datum waarop de examens zullen plaatsvinden (...)"
9 De jury heeft haar werkzaamheden metterdaad hervat en is overgegaan tot de volgende fase van toelating tot het vergelijkend onderzoek.
10 Vóór het einde van deze fase van de procedure heeft F. J. Klein, voorzitter van het syndicat des fonctionnaires européens (SFE), in opdracht en in naam van de examenkandidaten bij nota' s van 18 september 1989 krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Ambtenarenstatuut") klachten (nr. R/225/89 tot 249/89) ingediend tegen de nota van de directeur Personeelszaken van 26 juni 1989. De klagers verzochten voorts om zonder verdere formaliteiten tot het vergelijkend onderzoek te worden toegelaten, en om toekenning van een vergoeding voor de geleden schade. De Commissie heeft deze klachten op 20 december 1989 afgewezen bij een met redenen omkleed besluit, dat bij nota van 22 december 1989 aan klagers ter kennis is gebracht.
11 Dit besluit is het voorwerp van het op 9 april 1990 ingestelde beroep in zaak T-17/90.
12 In die zaak concluderen verzoeksters dat het het Gerecht behage:
1) nietig en van onwaarde te verklaren het besluit van de heer Valsesia, directeur Personeelszaken, van 26 juni 1989;
2) te verstaan dat verzoekers zonder meer tot vergelijkend onderzoek COM2/82 moeten worden toegelaten;
3) te verstaan dat verzoekers met terugwerkende kracht moeten worden aangesteld, zodat zij dezelfde voordelen genieten als de reeds aangestelde of bevorderde kandidaten, en dit vanaf het jaar 1982;
4) de wederpartij te veroordelen tot betaling van 200 000 BFR als vergoeding van materiële en immateriële schade, geleden door de vertraging van hun loopbaan, onverminderd vermeerdering van eis in de loop van het geding;
5) de wederpartij te verwijzen in de kosten.
13 Bij nota van 8 augustus 1990 is verzoeksters in de onderhavige zaak door de jury meegedeeld, dat zij tot de volgende fase van het vergelijkend onderzoek waren toegelaten. Tussen 31 oktober en 6 november 1990 hebben verzoeksters klachten ingediend die tussen 31 oktober en 7 november 1990 bij het secretariaat-generaal van de Commissie zijn ingeschreven. Met deze klachten beoogden verzoeksters van de administratie te verkrijgen, dat zij hen zou toelaten met "de noodzakelijke terugwerkende kracht om de gelijkheid tussen (henzelf en hun) collega' s te herstellen, dat wil zeggen dat (zij moeten) worden geacht reeds in 1982 tot de volgende fase van het vergelijkend onderzoek te zijn toegelaten en dat (hun) loopbaan moet worden gecorrigeerd". Voornoemde klachten strekten voorts tot vergoeding van materiële en immateriële schade. Op deze klachten is niet uitdrukkelijk geantwoord.
14 In die omstandigheden hebben verzoeksters op 30 april 1991 het onderhavige beroep ingesteld.
Conclusies van partijen
15 Verzoeksters concluderen dat het het Gerecht behage:
1) de onderhavige zaak en de zaken waarnaar zij verwijzen, wegens verknochtheid te voegen met zaak T-17/90;
2) de wederpartij te veroordelen om aan elk van de verzoeksters 200 000 BFR te betalen als vergoeding van materiële schade, onverminderd vermeerdering van eis in de loop van het geding;
3) de wederpartij te veroordelen om aan elk van verzoeksters 100 000 BFR te betalen als vergoeding van immateriële schade, onverminderd vermeerdering van eis in de loop van het geding;
4) de wederpartij te veroordelen tot betaling van rente ad 8 % over de schadevergoedingen, en wel vanaf de datum van de klachten die voorafgaand aan procedure T-17/90 zijn ingediend;
5) de wederpartij te verwijzen in de honoraria en kosten van de onderhavige procedure.
16 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
- kosten rechtens.
17 Met betrekking tot de exceptie van niet-ontvankelijkheid concluderen verzoeksters dat het het Gerecht behage:
- de door verweerster opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen of haar met de zaak ten gronde te voegen;
- de zaken T-17/90 (Camara Alloisio e.a.), T-28/91 (Blieschies e.a.) en T-29/91 (Castelletti e.a.) wegens verknochtheid te voegen.
Middelen en argumenten van partijen betreffende de ontvankelijkheid
18 De Commissie stelt primair, dat aangezien het voorwerp van het onderhavige geding volledig besloten ligt in dat van zaak T-17/90 en op dezelfde gronden is gebaseerd, het beroep afstuit op de exceptie van litispendentie. Zij verwijst in dit verband naar de arresten van het Hof van 17 mei 1973 (gevoegde zaken 58/72 en 75/72, Perinciolo, Jurispr. 1973, blz. 511) en van 26 mei 1971 (gevoegde zaken 45/70 en 49/70, Bode, Jurispr. 1971, blz. 465) en leidt eruit af, dat verzoeksters in de onderhavige zaak geen procesbelang hebben.
19 Subsidiair stelt de Commissie, dat de aan het onderhavige beroep voorafgegane administratieve procedure niet regelmatig is geweest en dat het beroep ook daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daar het immers verzoeken om schadevergoeding betreft, had het beroep moeten worden voorafgegaan door verzoeken en klachten in de zin van artikel 90 Ambtenarenstatuut. Derhalve had het onderhavige beroep, dat volgens de Commissie louter een herhaling vormt van sommige van de in beroep T-17/90 geformuleerde verzoeken, enkel kunnen worden ingesteld tegen de afwijzing van een klacht die was ingediend binnen drie maanden na het besluit van 22 december 1989 waarbij de Commissie de oorspronkelijke verzoeken in de klachten R/225/89 tot R/249/89 van 18 september 1989 had afgewezen. Het onderhavige beroep, dat op 30 april 1991 is ingesteld en is voorafgegaan door tussen 31 oktober en 6 november 1990 ingediende klachten, is derhalve niet-ontvankelijk.
20 Verzoeksters stellen daartegenover, dat zij wel degelijk een procesbelang hebben, daar verweerster hun eerste beroep voorbarig achtte omdat het op een voorbereidende handeling betrekking had. Zij hebben er alle belang bij hun argumenten opnieuw naar voren te brengen wanneer handelingen met het karakter van een besluit in de plaats zijn gekomen van vermeende voorbereidende handelingen. De exceptio litis pendentis kan enkel worden ingeroepen als er al een rechterlijke uitspraak is, zelfs indien die tegelijk wordt gedaan met de uitspraak betreffende litispendentie in de tweede procedure.
21 Voorts betogen verzoeksters, dat zij in zaak T-17/90 hun repliek nog niet hebben ingediend, zodat het Gerecht niet volledig op de hoogte is van hun argumenten in die zaak en dus nog niet in staat is uitspraak te doen. Overigens vragen verzoeksters zich af, of verweersters opmerkingen niet eerder zouden moeten leiden tot voeging van de zaken wegens verknochtheid.
22 Subsidiair stellen verzoeksters, dat zij in een klacht hun vorderingen niet in dezelfde vorm kunnen formuleren als in een beroep. Volgens hen kunnen zij het tot aanstelling bevoegd gezag enkel vragen hun situatie te corrigeren en met name de litigieuze handeling in te trekken, maar kunnen zij niet om schadevergoeding verzoeken, daar deze vraag niet tot de bevoegdheid van het tot aanstelling bevoegd gezag behoort.
Materiële middelen en argumenten van verzoeksters
23 Tot staving van hun verzoek om schadevergoeding stellen verzoeksters, dat zij een aanzienlijke achterstand in hun loopbaan zullen oplopen, mogelijk tot acht jaar en zelfs meer, ten opzichte van collega' s die bij het eerste onderzoek van de sollicitaties reeds tot de examens van het betrokken vergelijkend onderzoek zijn toegelaten.
24 Wat de materiële schade betreft, vorderen zij betaling van 200 000 BFR als vergoeding voor het feit dat zij niet naar categorie B zijn overgegaan of in die categorie geen bevordering hebben kunnen krijgen. Wat de immateriële schade betreft, vorderen zij betaling van 100 000 BFR als vergoeding voor het feit dat zij sinds 1982 wachten op de behandeling van hun zaak en pas in 1991, na vier rechtszaken te hebben moeten voeren, een heronderzoek hebben weten te bewerkstelligen.
In rechte
25 Wanneer een beroep bij het Gerecht kennelijk niet-ontvankelijk is, kan het Gerecht krachtens artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering, zonder de behandeling voort te zetten, beslissen bij met redenen omklede beschikking. In de onderhavige zaak acht het Gerecht zich door de stukken in het dossier voldoende ingelicht en beslist, dat de behandeling niet behoeft te worden voortgezet.
26 Wat verweersters primaire middel van niet-ontvankelijkheid betreft, dat zij als exceptie van "litispendentie" heeft gekwalificeerd, moet worden opgemerkt, dat de behandeling in de ter griffie van het Gerecht onder nummer T-17/90 ingeschreven zaak tussen dezelfde partijen nog niet is afgesloten, zodat het Gerecht in de huidige stand van de behandeling in de onderhavige zaak zich niet over deze exceptie van niet-ontvankelijkheid kan uitspreken.
27 Derhalve moet worden onderzocht, of de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep afstuit op de door de Commissie subsidiair opgeworpen exceptie.
28 De bij artikel 90 Ambtenarenstatuut ingestelde precontentieuze procedure bestaat in beginsel uit twee fasen. Volgens artikel 90, lid 1, kan elke in het Ambtenarenstatuut bedoelde persoon bij het tot aanstelling bevoegde gezag een verzoek indienen om jegens hem een besluit te nemen. In geval van een ongunstig antwoord of bij gebreke van een besluit kan de betrokkene onder de in artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut gestelde voorwaarden bij het tot aanstelling bevoegde gezag een klacht indienen tegen diens uitdrukkelijk of stilzwijgend genomen besluit. Daaraan moet worden toegevoegd, dat de klachtprocedure bedoeld is om het tot aanstelling bevoegde gezag in staat te stellen zijn besluit naar aanleiding van daartegen mogelijkerwijs ingebrachte bedenkingen opnieuw te overwegen (zie arrest van het Hof van 21 oktober 1980, zaak 101/79, Vecchioli, Jurispr. 1980, blz. 3069, r.o. 31), en dat de hele bij artikel 90 Ambtenarenstatuut ingestelde precontentieuze procedure tot doel heeft, een minnelijke schikking van een tussen ambtenaren en administratie gerezen geschil mogelijk te maken en te bevorderen (zie arrest van het Hof van 23 oktober 1986, zaak 142/85, Schwiering, Jurispr. 1986, blz. 3177, r.o. 11).
29 Wat de ontvankelijkheid van een vordering tot schadevergoeding betreft, volgt uit de rechtspraak van het Hof zoals die door het Gerecht is geanalyseerd (zie de arresten van het Gerecht van 24 januari 1991, zaak T-27/90, Latham, Jurispr. 1991, blz. II-35, r.o. 38, en van 25 september 1991, zaak T-5/90, Marcato, Jurispr. 1991, blz. II-731, r.o. 49), dat slechts indien er een rechtstreeks verband bestaat tussen een vordering tot nietigverklaring en een vordering tot schadevergoeding, deze laatste als accessoir aan de vordering tot nietigverklaring ontvankelijk is, zonder dat zij behoeft te zijn voorafgegaan door een verzoek van de betrokkene aan het tot aanstelling bevoegde gezag om de gestelde schade te vergoeden, en door een klacht waarmee de betrokkene de gegrondheid van de stilzwijgende of uitdrukkelijke afwijzing van zijn verzoek betwist.
30 Indien het beroep, zoals in het onderhavige geval, daarentegen enkel strekt tot vergoeding van materiële en immateriële schade die zou zijn veroorzaakt doordat verzoeksters eerst met acht jaar vertraging en na verschillende rechtszaken tot de examens van een vergelijkend onderzoek zijn toegelaten, en dit beroep niet is gesteund op een handeling waarvan de nietigverklaring wordt verzocht, maar op een hele reeks fouten en nalatigheden van de administratie, moet de voorafgaande administratieve procedure dwingend zijn ingeleid met een verzoek van de betrokkenen aan het tot aanstelling bevoegde gezag om die schade te vergoeden.
31 In dit verband constateert het Gerecht, dat noch de op 18 september 1989 namens verzoeksters ingediende nota, noch de klachten die zij tussen 31 oktober 1990 en 6 november 1990 hebben ingediend, zijn voorafgegaan of tijdig zijn gevolgd door andere stappen bij de administratie die voldoen aan de eisen van artikel 90 Ambtenarenstatuut.
32 Zelfs indien voormelde klachten als verzoeken in de zin van het Ambtenarenstatuut zouden moeten worden beschouwd, staat dus vast, dat de precontentieuze procedure niet in twee fasen is verlopen overeenkomstig de artikelen 90 en 91 Ambtenarenstatuut. Daaruit volgt duidelijk, dat het beroep niet is ingesteld met inachtneming van de in het Ambtenarenstatuut gestelde voorwaarden en derhalve kennelijk niet-ontvankelijk is.
33 Het beroep moet dan ook worden verworpen, zonder dat in casu behoeft te worden beslist op het verzoek om voeging van de zaken T-17/90, T-28/91 en T-29/91.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
34 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dat is gevorderd. Ingevolge artikel 88 van dat Reglement blijven evenwel in de beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen de kosten door de instellingen gemaakt, te hunnen laste.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Elk der partijen zal de eigen kosten dragen.
Luxemburg, 6 februari 1992.
Full & Egal Universal Law Academy