Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren ° Beroep ° Voorafgaande administratieve procedure ° Verloop
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
2. Ambtenaren ° Beroep ° Ontvankelijkheidsvoorwaarden ° Van openbare orde ° Bevoegdheden van rechter
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
3. Ambtenaren ° Beroep ° Bezwarend besluit ° Begrip ° Voorbereidende handeling ° Daarvan uitgesloten
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
4. Ambtenaren ° Beroep ° Voorafgaande administratieve klacht ° Begrip
(Ambtenarenstatuut, art. 90, lid 2)
Samenvatting
1. Ingevolge de artikelen 90 en 91 van het Statuut, is voor de ontvankelijkheid van een beroep van een ambtenaar vereist dat de in die artikelen bedoelde voorafgaande administratieve procedure regelmatig is verlopen. Verlangt de ambtenaar dat het tot aanstelling bevoegd gezag jegens hem een besluit neemt, dan moet hij overeenkomstig artikel 90, lid 1, Ambtenarenstatuut een administratieve procedure inleiden met een verzoek aan voornoemd gezag om het gewenste besluit te nemen. Tegen het besluit tot afwijzing van zijn verzoek - dat wordt geacht stilzwijgend te zijn genomen wanneer de administratie niet binnen vier maanden heeft geantwoord - kan hij enkel opkomen door binnen een nieuwe termijn van drie maanden bij het tot aanstelling bevoegd gezag een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut in te dienen. Heeft het tot aanstelling bevoegd gezag evenwel reeds een voor de ambtenaar bezwarend besluit genomen, dan dient hij gebruik te maken van de klachtprocedure van artikel 90, lid 2, wanneer hij annulering, wijziging of intrekking van het hem bezwarende besluit wil vragen.
2. De regels van de artikelen 90 en 91 zijn van openbare orde en partijen kunnen zich er niet aan onttrekken. Ongeacht de standpunten van partijen, staat het derhalve uitsluitend aan het Gerecht te onderzoeken of een voor de ambtenaar bezwarend besluit is genomen, dat dan het uitgangspunt is voor de precontentieuze fase van artikel 90, lid 2, van het Statuut, en de brieven van de ambtenaar aan de instelling waartoe hij behoort juridisch te kwalificeren. De kwalificatie van een brief als verzoek of als klacht hangt immers uitsluitend af van de beoordeling van de rechter en niet van de wil van partijen.
3. De bezwarende handeling is het besluit dat de juridische en statutaire positie van de ambtenaar rechtstreeks en onmiddellijk aantast. Dit besluit moet door het tot aanstelling bevoegde gezag worden genomen en besluitkarakter hebben.
Dit is niet het geval met de brief aan een ambtenaar die afkomstig is van een hiërarchieke meerdere, en niet van het tot aanstelling bevoegde gezag, waarin hij van zijn op handen zijnde overplaatsing op de hoogte wordt gebracht. Deze brief is derhalve een maatregel ter voorbereiding van het overplaatsingsbesluit, die genomen is door het bevoegde gezag en dus een bezwarend besluit vormt, waartegen de betrokkene onder de voorwaarden van de artikelen 90, lid 2, en 91, van het Statuut een klacht kan indienen.
4. Wil een handeling van een ambtenaar als een voorafgaande administratieve klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut, worden beschouwd, dan moet de betrokkene, ook al verwijst hij niet uitdrukkelijk naar deze bepaling, voldoende duidelijk de wens te kennen geven, dat hem in verband met zijn grieven genoegdoening wordt verschaft.
Dit is niet het geval met een door een ambtenaar aan de administratie gericht verzoek om inlichtingen en om een onderhoud, dat niet de formele kenmerken van een klacht heeft, in strijd met artikel 90, lid 3, van het Statuut, niet langs de hiërarchieke weg aan het tot aanstelling bevoegd gezag was gericht, en ook naar inhoud en voorwerp geen klacht was.
Partijen
In zaak T-34/91,
E. P. Whitehead, wonende te Brussel, vertegenwoordigd door J.-N. Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door S. van Raepenbusch, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg achtereenvolgens bij G. Berardis en R. Hayder, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 24 juli 1990 om verzoeker naar Brussel over te plaatsen, en van het besluit van 11 oktober 1990 tot inhouding van 13 115 BFR en tot toepassing op verzoekers salaris, per 1 oktober 1990, van de aanpassingscoëfficiënt voor Brussel,
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: B. Vesterdorf, kamerpresident, C. Yeraris en J. Biancarelli, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De feiten en het procesverloop
1 Whitehead, van Britse nationaliteit, is ambtenaar in de rang A 4. Hij trad in 1963 als tijdelijk functionaris in dienst van de Commissie van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Commissie") in het kader van een onderzoeksprogramma van Euratom. Bij besluit van 26 maart 1965 werd hij benoemd tot wetenschappelijk ambtenaar en toegevoegd aan het directoraat-generaal Onderzoek en onderwijs, afdeling Biologie. Bij besluit van 6 december 1965 werd hij in vaste dienst aangesteld. Sinds 1 juli 1976 valt hij onder directoraat-generaal XII. Eerst werkte hij bij de directie Onderzoek nucleaire veiligheid, en sinds september 1990 bij de directie Ondersteuning van het wetenschappelijk en technologisch beleid. Hij werd achtereenvolgens gedetacheerd bij het Nationaal Landbouwinstituut te Parijs, vervolgens, van 1968 tot 1973, bij het Internationaal Instituut voor Genetica en Biofysica te Napels en ten slotte, van 15 juni 1973 tot 31 augustus 1990, bij het Instituut voor Biochemie van de universiteit van Rome, in het kader van het programma "stralingsbescherming".
2 Vanaf 1987 trok de begrotingsautoriteit steeds minder geld uit voor dit onderzoeksprogramma, waaraan in 1977 nog 71 personen en in 1991 nog maar 28 personen werkten. Volgens de Commissie bleven er dan ook nog slechts twee mogelijkheden over: de betrokkenen met andere wetenschappelijke of administratieve taken belasten, of met hen een oplossing zoeken om hun werkzaamheden te beëindigen, zoals afvloeiing of verlof om redenen van persoonlijke aard.
3 Op 19 december 1989 deelde afdelingshoofd Tanzilli verzoeker bij nota mee, dat hij met ingang van januari 1990 naar Brussel zou worden overgeplaatst. Deze overplaatsing ging echter op de in de nota genoemde datum niet door. Volgens de Commissie hield het uitstel verband met de persoonlijke problemen die volgens verzoeker uit zijn overplaatsing naar Brussel zouden voortvloeien.
4 Bij nota van 24 juli 1990 deelde Tanzilli verzoeker mee, dat hij met ingang van 1 september 1990 naar Brussel zou worden overgeplaatst. Deze nota luidde als volgt:
"Dear Mr. Whitehead,
Referring to the previous exchange of letters and to your recent telephone conversation with Mrs. Larsen, I confirm your assignment to DG XII-H-1, Brussels, as from 1st september 1990. You will take up duties with Mr. Bellemin' s team.
Would you kindly confirm receipt of this letter as soon as possible."
("Geachte heer Whitehead,
Onder verwijzing naar de eerdere briefwisseling en naar uw telefonisch onderhoud met mevrouw Larsen, bevestig ik uw nieuwe tewerkstelling bij DG XII-H-1 te Brussel, met ingang van 1 september 1990. U zult aan het team van de heer Bellemin worden toegevoegd.
Ik verzoek u de ontvangst van deze brief zo spoedig mogelijk te bevestigen.")
Whitehead bevestigde de ontvangst van deze nota op 25 juli 1990.
5 Bij besluit van 25 september 1990 stelde de directeur-generaal van DG XII, in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag, vast dat verzoeker per 1 september 1990 naar Brussel werd overgeplaatst. Volgens verzoeker is dit besluit hem niet ter kennis gebracht. Volgens de Commissie is het hem tot drie maal toe aangeboden, doch heeft hij geweigerd voor ontvangst te tekenen.
6 Verzoeker ving zijn nieuwe werkzaamheden te Brussel op 1 september 1990 aan. Op 11 oktober 1990 liet hij het hoofd van de eenheid XII-B van het directoraat-generaal een nota toekomen, met afschrift aan de directeur-generaal, waarin hij, onder verwijzing naar voormelde nota' s van Tanzilli van 19 december 1989 en 24 juli 1990, in het bijzonder wees op de door zijn overplaatsing van Rome naar Brussel veroorzaakte moeilijkheden in zijn beroepsuitoefening en zijn privéleven. Hij beklaagde zich over het ingrijpen van de Commissie in zijn loopbaan en verklaarde dat hij zichzelf nog steeds beschouwde als tewerkgesteld te Rome, en hij verzocht ten slotte om een gesprek over de mogelijkheden om zijn onderzoekswerkzaamheden te Rome, Frascati of Ispra voort te zetten. Deze nota bleef onbeantwoord.
7 Bij nota van het hoofd van de eenheid Bezoldiging en beleidskredieten van 11 oktober 1990 werd verzoeker kennis gegeven van het besluit om met ingang van de maand oktober 1990 op zijn salaris de aanpassingscoëfficiënt voor Brussel toe te passen en 13 115 BFR in te houden, welk bedrag hij te veel had ontvangen wegens de toepassing op zijn salaris voor de maand oktober van de aanpassingscoëfficiënt voor Rome.
8 Verzoeker zette in een brief van 31 december 1990 uiteen, dat op zijn salaris voor de maand december een bedrag was ingehouden en dat de rechtsgrondslag voor deze inhouding door de Commissie hem niet bekend was. Hij wees erop, dat het besluit tot overplaatsing naar Brussel hem niet was meegedeeld en dat zijn gezin nog steeds in Rome, zijn voornaamste verblijfplaats, woonde. Hij verzocht derhalve om opheldering ter zake.
9 Het hoofd van de afdeling Bezoldiging en beleidskredieten beantwoordde deze brief bij nota van 4 februari 1991, geadresseerd aan verzoekers woonplaats in Rome. Hierin werd verzoekers aandacht gevestigd op het feit dat, overeenkomstig artikel 64, Ambtenarenstatuut, op het salaris van de ambtenaar een aanpassingscoëfficiënt wordt toegepast die verband houdt met de levensomstandigheden in de standplaats. Sinds 1 september 1990, aldus de nota, had hij zijn standplaats te Brussel en als gevolg daarvan was op zijn salaris de aanpassingscoëfficiënt 100 van toepassing en niet meer de aanpassingscoëfficiënt 104,8, zoals tot dan toe. Daar de nieuwe coëfficiënt voor het eerst in oktober 1990 van toepassing was, was bij zijn salaris voor die maand 13 115 BFR te veel betaald.
10 Volgens verzoeker heeft hij eerst op een niet nader te bepalen datum, tijdens een van zijn bezoeken aan Rome, van deze brief kennis genomen.
11 In deze omstandigheden heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld, dat op 13 mei 1991 ter griffie van het Gerecht is ingeschreven. Bij op 19 september 1991 neergelegde akte heeft hij uitdrukkelijk afgezien van repliek.
Conclusies en middelen van partijen
12 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage :
- het besluit van de Commissie van 24 juli 1990 om verzoeker naar Brussel over te plaatsen, nietig te verklaren, aangezien het niet voorziet in vergoeding van alle schade en nadelen die daardoor aan verzoeker zijn veroorzaakt;
- het besluit van 11 oktober 1990 tot inhouding van 13 115 BFR en tot toepassing op verzoekers salaris, per 1 oktober 1990, van de aanpassingscoëfficiënt voor Brussel, nietig te verklaren;
- De Commissie in de kosten te verwijzen.
13 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage :
- het beroep niet-ontvankelijk althans ongegrond te verklaren;
- te beslissen over de kosten naar recht.
De ontvankelijkheid van het beroep
14 Tot staving van zijn beroep voert verzoeker drie middelen aan. Hij stelt dat de bestreden besluiten niet naar behoren gemotiveerd zijn, dat de administratie de zorgplicht heeft miskend en artikel 38, sub d, van het Statuut en het beginsel van gelijke behandeling van de ambtenaren heeft geschonden.
15 Ingevolge artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, wanneer het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, zonder de behandeling voort te zetten, beslissen bij met redenen omklede beschikking. Het Gerecht (Derde kamer) is van oordeel, dat het in casu door het onderzoek van de processtukken voldoende is geïnformeerd en dat er geen termen zijn om de mondelinge behandeling te openen.
De ontvankelijkheid van het beroep voor zover gericht tegen de nota van 24 juli 1990 waarbij betrokkene in kennis werd gesteld van zijn overplaatsing per 1 september 1990 naar Brussel
16 Volgens verzoeker is de hem bezwarende handeling het besluit om hem naar Brussel over te plaatsen. Dit besluit was hem door Tanzilli bij nota van 24 juli 1990 meegedeeld en door hem bij nota van 11 oktober 1990 betwist. Het uitblijven van een antwoord van de administratie op zijn nota kwam neer op een stilzwijgende afwijzing en verzoekers beroep tot nietigverklaring hiervan zou ontvankelijk zijn.
17 De Commissie betoogt, dat het beroep niet-ontvankelijk is, aangezien het is gericht tegen het besluit van 24 juli 1990. Dit besluit was immers slechts een uitvoeringsmaatregel van het in een eerdere nota van Tanzilli vervatte overplaatsingsbesluit van 19 december 1989, dat geen enkele twijfel liet bestaan omtrent de ophanden zijnde overplaatsing. Nu er niet tijdig een klacht tegen is ingediend of een beroep is ingesteld, is dit besluit definitief geworden. Dit besluit van 19 december 1989 om betrokkene naar Brussel over te plaatsen, was na een onderhoud van verzoeker met de directeur-generaal van directoraat-generaal XII, die tevens het tot aanstelling bevoegd gezag is ingevolge het besluit van de Commissie van 11 mei 1989 inzake de delegatie aan de directeuren-generaal van bepaalde bevoegdheden in personeelszaken, gepubliceerd in de Mededelingen van de administratie, nr. 597 van 21 juni 1989. Verzoeker is dus niet-ontvankelijk in zijn betwisting van het besluit van 19 december 1989, in het kader van een beroep tegen een maatregel ter uitvoering ervan. Voor zover het gericht is tegen het besluit van 24 juli 1990 is het beroep, waarmee verzoeker niet opkomt tegen de datum van ingang, maar tegen de overplaatsing zelf, dus niet-ontvankelijk, omdat dat besluit op dat punt zuiver een bevestiging is van het besluit van 19 december 1989 (arresten Hof van 2 juli 1969, zaak 27/68, Renckens, Jurispr. 1969, blz. 255, en 28 mei 1980, gevoegde zaken 33/79 en 35/79, Kuhner, Jurispr. 1980, blz. 1677; beschikking Hof van 16 juni 1988, zaak 372/87, Progoulis, Jurispr. 1988, blz. 3091; beschikking Gerecht van 7 juni 1991, zaak T-14/91, Weyrich, Jurispr. 1991, blz. II-235).
18 Gelet op deze betogen van partijen, herinnert het Gerecht eraan, dat ingevolge de artikelen 90 en 91 van het Statuut, voor de ontvankelijkheid van een beroep van een ambtenaar tegen de instelling waartoe hij behoort, vereist is dat de in die artikelen bedoelde voorafgaande administratieve procedure regelmatig is verlopen (beschikking Hof van 4 juni 1987, zaak 16/86, P., Jurispr. 1987, blz. 2409, en beschikking Gerecht van 7 juni 1991, reeds aangehaald). Verlangt de ambtenaar dat het tot aanstelling bevoegd gezag jegens hem een besluit neemt, dan moet hij overeenkomstig artikel 90, lid 1, Ambtenarenstatuut een administratieve procedure inleiden met een verzoek aan voornoemd gezag om het gewenste besluit te nemen. Tegen het besluit tot afwijzing van zijn verzoek - dat wordt geacht stilzwijgend te zijn genomen wanneer de administratie niet binnen vier maanden heeft geantwoord - kan hij enkel opkomen door binnen een nieuwe termijn van drie maanden bij het tot aanstelling bevoegd gezag een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut in te dienen. Heeft het tot aanstelling bevoegd gezag evenwel reeds een voor de ambtenaar bezwarend besluit genomen, dan heeft een verzoek krachtens artikel 90, lid 1, van het Statuut uiteraard geen enkele zin en dient de ambtenaar gebruik te maken van de klachtprocedure van artikel 90, lid 2, wanneer hij annulering, wijziging of intrekking van het hem bezwarende besluit wil vragen (beschikking Gerecht van 7 juni 1991, Weyrich, reeds aangehaald).
19 Deze regels zijn van openbare orde en partijen kunnen zich er niet aan onttrekken (arrest Hof van 19 februari 1981, gevoegde zaken 122/79 en 123/79, Schiavo, Jurispr. 1981, blz. 473). Ongeacht de standpunten van partijen, staat het derhalve uitsluitend aan het Gerecht te onderzoeken, of in het onderhavige geval een voor de ambtenaar bezwarend besluit is genomen, dat dan het uitgangspunt is voor de precontentieuze fase van artikel 90, lid 2, van het Statuut, en verzoekers brieven aan de Commissie juridisch te kwalificeren. Zoals het Gerecht oordeelde in zijn arrest van 20 maart 1991 (zaak T-1/90, Casariego, Jurispr. 1991, blz. II-143), hangt de kwalificatie van een brief als verzoek of als klacht uitsluitend af van de beoordeling van de rechter en niet van de wil van partijen. In het licht van deze beginselen moet worden onderzocht, of het tot aanstelling bevoegd gezag, gezien de omstandigheden van het geval, jegens verzoeker een besluit heeft genomen dat voor hem bezwarend kan zijn, en zo ja, of hij tegen dit besluit de verplichte voorafgaande klachtprocedure van de artikelen 90, lid 2, en 91 van het Statuut heeft ingeleid. Verder moet worden nagegaan, of de in die bepalingen gestelde termijnen in acht zijn genomen.
20 Volgens verzoeker is het bestreden besluit waartegen hij overeenkomstig de artikelen 90, lid 2, en 91 van het Statuut op geldige wijze een klacht kon indienen, de nota van Tanzilli van 24 juli 1990. Volgens de Commissie gaat het daarbij om een louter bevestigende handeling, doch zij betwist niet, dat de nota besluitkarakter had.
21 Volgens vaste rechtspraak van het Hof is de bezwarende handeling het besluit dat de juridische en statutaire positie van de ambtenaar onmiddellijk en rechtstreeks aantast (zie laatstelijk arresten van 14 juli 1976, zaak 129/75, Hirschberg, Jurispr. 1976, blz. 1259, en 21 januari 1987, zaak 204/85, Stroghili, Jurispr. 1987, blz. 389, en beschikking van 16 juni 1988, Progoulis, reeds aangehaald). Dat het litigieuze besluit door het tot aanstelling bevoegd gezag is genomen, vormt volgens vaste rechtspraak een aanwijzing dat het de statutaire positie van de ambtenaar kan aantasten (arresten Hof van 1 februari 1979, zaak 17/78, Deshormes, Jurispr. 1979, blz. 189, en 20 november 1980, zaak 806/79, Gerin, Jurispr. 1980, blz. 3515; beschikking Hof van 4 oktober 1979, zaak 48/79, Ooms, Jurispr. 1980, blz. 3121). Verder moet het onderzoek zich richten op de inhoud van het besluit, ten einde na te gaan of het wel degelijk besluitkarakter heeft.
22 In het onderhavige geval is het tot aanstelling bevoegd gezag de directeur-generaal van DG XII, ingevolge genoemd besluit van de Commissie van 11 mei 1989 betreffende de delegatie van bepaalde bevoegdheden in personeelszaken aan de directeuren-generaal. De op 24 juli 1990 door afdelingshoofd Tanzilli ondertekende nota is derhalve niet afkomstig van het tot aanstelling bevoegd gezag. Inhoudelijk is deze nota overigens niet meer dan een eenvoudig informatief schrijven, waarin aan de belanghebbende wordt meegedeeld, dat hij met ingang van 1 september 1990 naar Brussel zal worden overgeplaatst. Deze maatregel is daadwerkelijk vastgesteld op 25 september 1990, met de ondertekening van het bevoegd gezag en in de vorm van een echt besluit. Enkel de handeling van 25 september 1990 is dus een bezwarend besluit waartegen onder de voorwaarden van de artikelen 90, lid 2, en 91 van het Statuut een klacht kan worden ingediend, eventueel gevolgd door een beroep in rechte. Het beroep is echter niet tegen dit besluit gericht, waarbij nog komt dat verzoeker er geen klacht tegen heeft ingediend overeenkomstig de hierboven beschreven procedure. De conclusies van het verzoekschrift op dit punt, die gericht zijn tegen een maatregel ter voorbereiding van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van 25 september 1990, zijn derhalve niet ontvankelijk.
23 Doch ook wanneer men er met verzoeker van uit zou gaan, dat de informatieve nota van 24 juli 1990 als een bezwarend besluit is te beschouwen, moet worden vastgesteld dat verzoekers beroep op dit punt moet worden afgewezen omdat de precontentieuze procedure niet is gevolgd. De hierboven besproken nota van 11 oktober 1990 van verzoeker aan zijn directeur, met afschrift aan de directeur-generaal, kan naar het oordeel van het Gerecht immers niet worden gekwalificeerd als een klacht in de zin van de artikelen 90 en 91 van het Statuut. Wil een handeling van een ambtenaar als een klacht in de zin van deze bepalingen kunnen worden beschouwd, dan moet de betrokkene, ook al verwijst hij niet uitdrukkelijk naar genoemde bepalingen, voldoende duidelijk de wens te kennen geven, dat hem in verband met zijn grieven genoegdoening wordt verschaft (arresten Hof van 28 mei 1970, zaak 30/68, Lacroix, Jurispr. 1970, blz. 301; 7 juli 1971, zaak 79/70, Muellers, Jurispr. 1971, blz. 689, en 22 november 1972, zaak 19/72, Thomik, Jurispr. 1972, blz. 1155).
24 Bij lezing van de nota van 11 oktober 1990 blijkt, dat verzoeker enkel om een onderhoud had verzocht, en wel omdat hij informatie wenste omtrent zijn nieuwe situatie. Het Gerecht wijst hier met name op de eerste en de laatste alinea van dit verzoek aan de directeur om een onderhoud:
"Urgent: Dr. Tanzilli' s notes of 19/12/89 and 24/7/90 to me (copies enclosed).
Dear Mr G.,
I am writing to you as director DG XII-B, to request an urgent meeting in order to clarify what appears to be an irregular situation arising as consequence of the above communications, as well as to discuss the underlying problems as illustrated below.
(...)
The meeting I am urgently requesting with you should therefore also deal with possibilities of me continuing research work in Rome or Frascati where the CCE has many research contracts, and in second place possibilities of development of scientific work at CCR Ispra."
(("Dringend: nota' s van 19/12/89 en 24/7/90 van dr. Tanzilli aan mij (afschriften in bijlage).
Geachte heer G.,
Ik wend mij tot u, in uw hoedanigheid van directeur van DG XII-B, met een verzoek om een dringend onderhoud, ten einde opheldering te verkrijgen omtrent een situatie die mij onrechtmatig toeschijnt en die voortvloeit uit bovenbedoelde nota' s, en om de daaraan ten grondslag liggende problemen zoals hierna uiteengezet, te bespreken.
(...)
Het onderhoud waarom ik met klem verzoek, zou derhalve eveneens betrekking moeten hebben op de mogelijkheden mijn onderzoekswerkzaamheden in Rome of Frascati voort te zetten, alwaar de Commissie een groot aantal onderzoekscontracten heeft lopen, en in de tweede plaats op de mogelijkheden om wetenschappelijk werk te verrichten bij het GCO te Ispra."))
25 Naar inhoud en voorwerp was dit verzoek van 11 oktober 1990 om inlichtingen en om een onderhoud geen klacht; formeel was het dat evenmin, en bovendien was het, in strijd met artikel 90, lid 3, van het Statuut, niet langs de hiërarchieke weg aan het tot aanstelling bevoegd gezag gericht. Het Gerecht stelt overigens vast, dat verzoeker niet uitdrukkelijk stelt dat hij een klacht heeft ingediend. In zijn verzoekschrift spreekt hij, in verband met dit verzoek aan zijn hiërarchieke chef om een onderhoud, over de "nota" van 11 oktober 1990, en niet over een klacht.
26 Zou men echter de nota van 11 oktober 1990 beschouwen als een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut, dan moet hoe dan ook worden opgemerkt, dat dit verzoek niet is gevolgd door een klacht tegen het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing, dat voortvloeide uit het feit dat de Commissie na vier maanden nog steeds niet had geantwoord, en dat aan het onderhavige beroep dus geen regelmatige precontentieuze procedure is voorafgegaan.
27 Uit een en ander volgt, dat het beroep tot nietigverklaring van de nota van 24 juli 1990 niet-ontvankelijk is, omdat deze nota geen bezwarend besluit is en omdat verzoeker in ieder geval, alvorens beroep in te stellen, bij de administratieve autoriteit geen echte klacht in de zin van de artikelen 90 en 91 van het Statuut heeft ingediend, zodat het Gerecht het door de Commissie opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid niet eens behoeft te onderzoeken.
De ontvankelijkheid van het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 11 oktober 1990 houdende toepassing op verzoekers salaris van de aanpassingscoëfficiënt voor Brussel
28 In de nota van 11 oktober 1990 van het hoofd van de afdeling Bezoldiging en beleidskredieten werd verzoeker meegedeeld, dat op het salaris voor oktober ten onrechte de aanpassingscoëfficiënt voor Rome was toegepast, zodat op het salaris voor december 1990 een bedrag van 13 115 BFR, dat te veel was ontvangen, zou worden ingehouden. Het Gerecht is van oordeel, dat dit besluit, dat de financiële positie van betrokkene wijzigt, zijn rechtspositie beïnvloedt en derhalve een bezwarend besluit is (arrest Hof van 8 februari 1973, Goeth, zaak 56/72, Jurispr. 1973, blz. 181).
29 Verzoeker stelt, dat tegen dit besluit op 31 december 1990 een klacht is ingediend, waarop bij brief van 4 februari 1991, waarvan hij op een niet nader te bepalen datum kennis heeft genomen, is geantwoord. Hij zou derhalve ontvankelijk zijn in zijn beroep tot nietigverklaring van dit besluit.
30 De Commissie heeft ten aanzien van dit onderdeel van het beroep geen middel van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en heeft verzoekers standpunt, dat zijn nota van 31 december 1990, die zij op 4 februari 1991 heeft beantwoord, een klacht is in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut, niet betwist.
31 Zoals gezegd, staat het aan het Gerecht de ontvankelijkheid van dit onderdeel van het beroep ambtshalve te onderzoeken en verzoekers brief van 31 december 1990 juridisch te kwalificeren. Deze kwalificatie hangt immers uitsluitend af van de beoordeling door de rechter en niet van de wil van partijen.
32 Evenals in verband met de reeds besproken nota van verzoeker van 11 oktober 1990, merkt het Gerecht op, dat verzoekers nota van 31 december 1990 aan het hoofd van de afdeling Bezoldiging en beleidskredieten inzake het door deze op 11 oktober 1990 te zijnen aanzien genomen besluit, niet als een klacht in de zin van de artikelen 90 en 91 van het Statuut kan worden aangemerkt, daar verzoeker daarin onvoldoende duidelijk zijn verlangen tot uitdrukking brengt genoegdoening te krijgen in verband met zijn grieven. In deze nota wijst verzoeker er immers slechts op, dat op zijn salaris van december 1990 een bedrag is ingehouden, en beklemtoont hij dat hem geen besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag is meegedeeld inzake zijn overplaatsing naar Brussel, zodat hij er nog steeds van uitgaat, dat hij zijn standplaats heeft te Rome, zijn vaste verblijfplaats, waar ook zijn gezin woont. Ten slotte vraagt verzoeker de administratieve autoriteit om opheldering over zijn positie. De laatste alinea van deze nota luidt:
"I would be grateful if you would kindly give me a clarification of this point". ("Gelieve mij op dit punt opheldering te verschaffen".)
33 Dit verzoek om opheldering kan naar inhoud en vorm niet als een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut worden aangemerkt. Uit het antwoord van de Commissie van 4 februari 1991 blijkt trouwens, dat zij deze nota van verzoeker niet als zodanig heeft behandeld. De brief kan evenmin als een verzoek worden beschouwd, aangezien er wel degelijk een besluit was genomen en, zoals gezegd (zie hierboven, r.o. 18), een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, wanneer er een besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag bestaat, kennelijk geen zin heeft en de ambtenaar, wil hij het hem bezwarend besluit doen annuleren, wijzigen of intrekken, overeenkomstig artikel 90, lid 2, een klacht moet indienen.
34 Nu er bij de administratieve autoriteit geen precontentieuze klacht onder de voorwaarden van genoemde bepalingen is ingediend, is het beroep voor zover strekkende tot nietigverklaring van het besluit van 11 oktober 1991, niet-ontvankelijk.
35 Uit een en ander volgt, dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
36 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Ingevolge artikel 88 van het Reglement blijven echter in de beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen de kosten door de instellingen gemaakt, te hunnen laste.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Elk der partijen zal de eigen kosten dragen.
Luxemburg, 11 mei 1992.
Full & Egal Universal Law Academy